Vrijdag 15/11/2019

Getuigenissen Veerkracht

Wat als je passie zich tegen je keert? Drie getuigenissen over hoe je weer doorgaat na de ultieme opdoffer

Annick Bijloos Beeld Carmen De Vos

Een amazone die verlamd geraakt tijdens een wedstrijd, een dj die plots doof wordt, een dichteres met writer’s block. Hoe krabbel je weer recht als datgene wat je het dierbaarst is, zich ontpopt als je ergste vijand?  

Annick Bijloos (49) had als amazone net de top bereikt toen ze viel en verlamd raakte

“Ik was niet zo’n meisje met paardenbriefpapier of paardenposters. Zelfs de poëziealbums van klasgenootjes stapelden zich op, tot ik mijn broer vroeg om in mijn plaats eens iets te tekenen. Ik had er geen tijd voor, ik was altijd op het veld.

“Als kleutertje had mijn vader mij voor het eerst op een paard gezet, een heel groot zelfs, en toen al wilde ik niets anders meer. Ik was niet bang en begon vanzelf te rijden. En toen ik had leren rijden, een paar jaar later, wilde ik ­springen en wedstrijden doen.

“Ik heb al heel veel kinderen begeleid tijdens hun eerste ­sprongen. Je kunt het talent er zo uitpikken: je ziet het aan de manier waarop ze op een paard zitten, de afstanden inschatten als ze richting de sprong rijden. Het is aangeboren, ook die interactie met de ­dieren. Ik heb altijd heel veel liefde gevoeld voor mijn paarden. Andersom ook: veulentjes komen meteen naar mij toe.

“Bij de scholieren en juniors werd ik Belgisch kampioen; bij de seniors werd ik derde. En in de periode van het ongeluk begon ik eindelijk deel uit te maken van dat selecte clubje, iets waar ik al ­twintig jaar naartoe aan het werken was. Dirk Demeersman, Ludo Philippaerts, Evelyne Blaton... Daar kom je niet zomaar tussen. In Antwerpen mocht ik de wereldbeker meerijden, daarna volgden een aantal landenwedstrijden. En die reeks van drie jumpings in de zomer van 1997: Madrid, Lissabon en Barcelona. Wedstrijden waar ook wat centen te verdienen vielen. Heel welkom, want jumping is een dure sport. Die val had niet op een ellendiger moment kunnen komen.

“In Madrid reed ik vrij laat op de avond. Aan één kant van de piste stonden veel bomen waardoor mijn paard Jappaloe en ik continu switchten van licht naar schaduw. Tijdens de oxer (tweedelige hindernis, red.) maakte Jappaloe een cruciale fout: hij landde tussen de twee hindernissen en verloor zijn evenwicht. Ik ben veel te lang op zijn rug blijven zitten, tot ik met mijn hoofd bijna de grond raakte. Uiteindelijk is er een balk recht in mijn rug gevlogen. Ik schreeuwde het uit, mijn vader snelde het parcours op en het eerste wat ik tegen hem zei, was: ‘het is gedaan met mij’. Ik voelde niks meer in mijn benen, kon alleen nog mijn hoofd optillen.

“Voor mijn ongeluk had ik nog nooit van dwarslaesie gehoord. Ik leefde maar voor twee zaken: ­paarden en jumping. Hoewel mijn ruggenmerg bijna volledig doorgesneden was, bleef ik hopen dat ik weer kon leren lopen en zelfs paardrijden. Tijdens de revalidatie hebben ze mij keihard met mijn voeten op de grond gezet: ‘Jij zult nooit meer kunnen stappen’. Ze willen je natuurlijk geen valse hoop geven. Maar kwaad dat ik werd: ‘Jullie kénnen me niet eens!’ Af en toe vluchtte ik weg, om een handoplegger of acupuncturist te bezoeken. Alles wilde ik proberen en ze lieten me begaan.

“Maar tot nu toe hebben ze gelijk. Jaren en jaren heb ik mezelf topfit gehouden, want stel dat ze misschien toch iets zouden uitvinden waarvoor ik in aanmerking zou komen. Ik volgde drie uur per dag kine, zwom elke week twintig baantjes. Dat was eigenlijk ook topsport. (lacht)

“Wel duizend keer heb ik naar de beelden van het ongeluk gekeken. Nu eens versneld, dan weer vertraagd. Ik wilde het begrijpen, een plaats kunnen geven. Nu kan ik ernaar kijken zonder dat het emoties oproept. Nog altijd ben ik strijdlustig, maar ik werd minder streng voor mezelf. Ik heb geprobeerd om weer te rijden, meermaals zelfs. Maar na een serieuze val heb ik het nu definitief losgelaten. Er is genoeg in mijn leven.

“Toen ik na zes maanden revalideren thuiskwam, ben ik niet in een zwart gat gevallen. Het was druk in de manege, ik was continu bezig. Ik zadelde zelfs de pony’s op tijdens kampen. In plaats van te treuren en me te laten hangen, wilde ik er het beste uithalen en zo zelfstandig mogelijk leren leven. En nog altijd ben ik heel veel met paarden bezig. Mijn jongste broer heeft een paardenhandel waar ik een handje help, ik ben vooral goed in commanderen. (lacht) De rolstoel is doorheen de jaren een deel van mij geworden. Sinds kort heb ik een scootertje voor op de manege. Ik kan nu in geen tijd van paard naar paard gaan, eigenlijk raar dat ik dat jaren heb afgehouden.

“Als ik opnieuw kon beginnen, zou ik alles precies hetzelfde doen. Zelfs mét het ongeluk. Ik heb geen spijt, nooit gehad. Ik ben gelukkig. Nu heb ik bijvoorbeeld tijd om af en toe eens iets op tv te volgen, dat is ook veel waard. Ik kan iets gaan drinken met vriendinnen. Al ben ik nog het liefst van al tussen de paarden. Nog altijd.”

Beeld Carmen De Vos

Edwin Korver (49) is de helft van dj-duo Ed&Kim. Op een ochtend in 2013 hoorde hij plots bijna niets meer

“Mijn gehoorverlies is totaal onverwacht gekomen. Achteraf bekeken waren er wel al signalen. Ik had me al een paar keer vreselijk duizelig gevoeld. Alsof ik een fles vodka op had. Lage bloeddruk, dacht de dokter. Ik was ook heel moe, maar we zaten midden in een heel stevige periode. Met Ed&Kim piekten we volop, onze agenda zat elk weekend vol. Anderzijds zaten mijn vriendin en ik midden in een verbouwing. En ons tweede kindje was net een jaar oud; ze werd elke nacht tussen twee en drie wakker. 

“Ook de avond voor het gebeurde, was ik doodmoe thuisgekomen. ‘Het gaat niet meer’, zei ik tegen mijn madam. ‘Ik moet gaan slapen.’ Toen ik wakker werd, die ochtend van 8 maart, was ik volledig doof aan mijn linkeroor – mijn goeie. Het trommelvlies van mijn andere oor werkte al niet meer optimaal, een gevolg van de vele oorontstekingen die ik als kind had. Die ochtend, dat was dus echt flippen. 

“Achteraf heb ik gelezen dat je bij zulke plotsdoofheid, zoals dat blijkbaar heet, meteen naar de spoed moet voor een heel zware cortisonekuur. Dan is de kans reëel dat het weer goed komt. Maar dat wist ik toen niet. De huisarts verwees me door naar de neus-keel-oorarts en daar werd een totaal verkeerde diagnose gesteld. Er zat vocht achter mijn trommelvliezen volgens die dokter, buisjes zouden het probleem verhelpen. Dat was natuurlijk niet zo en er is toen heel veel kostbare tijd verloren gegaan. Ze weten trouwens nog altijd niet met zekerheid wat de oorzaak was. Waarschijnlijk een virale infectie, maar dat is nu niet meer te traceren. 

“Ik kreeg enorm veel steun van mijn omgeving. ‘Het komt wel goed’, kreeg ik constant te horen. Maar het kwam niet goed. En toen dat stilaan duidelijk werd, ben ik de moed verloren. In die periode heb ik beslist om te stoppen met draaien. Ik was doodsbang om dat laatste restje gehoor kapot te maken. 

“Maandenlang kwam ik bijna niet buiten. Ik verstond de mensen amper, had nauwelijks energie. Pas in november heb ik mijn vaste hoorapparaat gekregen. Ook dat was anpassen. Zo’n apparaat werkt eigenlijk als een microfoon, alle geluiden komen op hetzelfde volume binnen. Het is niet makkelijk om de stem van je gesprekspartner te onderscheiden van de achtergrondgeluiden. Als ik in de auto zit, zet ik het apparaat meestal gewoon uit en draai ik de radio snoeihard. Veel aangenamer. 

“Ik had in die tijd gigantisch veel medelijden met mezelf. (lacht) En kwaad dat ik geweest ben, op die dokter en haar verkeerde diagnose. Die woede is intussen weggeëbd. Het helpt je niet. Gelukkig is mijn werkgever altijd in me blijven geloven. Draaien was eigenlijk mijn hobby, ik werk bij (platenfirma) N.E.W.S.. Ook daar ben ik de hele dag met nieuwe muziek bezig. Die doofheid was dus ook op dat vlak een gigantische klap. Maar ik zit nog altijd op mijn stoel. 

“Na een tijdje begin je in te zien wat je nog wél kunt. Ik kan nog steeds naar muziek luisteren. Ik heb nog altijd fijne vrienden die duidelijk articuleren, en die met me willen afspreken op plekken waar niet te veel achtergrond­lawaai is. Op de dovenschool heb ik wat leren liplezen. Een één-op-ééngesprek lukt vrij goed, met een groepje van drie gaat het ook wel. Maar zodra we met vijf, zes man zijn, versta ik er niks meer van. Da’s heel ambetant. Je mist ook heel veel. Opmerkingen, grapjes, onnozel doen, dat is frustrerend. 

“Ik heb intussen geleerd om mijn grenzen beter te bewaken. Waarschijnlijk was mijn immuunsysteem aangetast door die vermoeidheid. Ik probeer nu genoeg te slapen, geestelijk en emotioneel stabieler te blijven. En vorig jaar ben ik weer beginnen draaien, met Kim. Van de dokter mag het. Het is een stuk moeilijker dan vroeger natuurlijk, maar met de nieuwe generatie cd-spelers kan ik makkelijker beats manipuleren en gelijkstellen. Ik zie op het scherm hoe de structuur van een nummer in elkaar zit. En ik bereid me heel goed voor.

“Intuïtief draaien, zoals vroeger, zit er niet meer in, maar ik geniet ervan om weer met mijn beste maat op stap te gaan, na al die jaren. Onze comeback deden we in de Gentse Kompass Klub. We mochten openen voor Dr. Lektroluv. Gelukkig was er nog niet al te veel volk. Ik voelde me megazenuwachtig, stond echt te trillen in het begin. Na een tijdje kwam ik er weer in. En al die vrienden die er waren. Als ik de foto’s terugzie, krijg ik nog altijd kippenvel. 

“Ik wil niet meer dan een keer of zes, zeven per jaar draaien. Kim heeft nu ook zijn eigen projecten, dus ook voor hem is dit een zijproject. We gaan de platen bovenhalen die we ook speelden tijdens onze topjaren. Als je toen 15 jaar oud was, heb je nu toch nog altijd zin om eens uit te gaan?” (lacht)

Edwin blogt over zijn plotsdoofheid op lendmeyourearsplease.wordpress.com

Beeld Carmen De Vos

Sylvie Marie (35) publiceerde vier dichtbundels. Al meer dan een jaar schrijft ze geen letter poëzie meer

“Doorbreken als dichter, daarvoor heb je wilskracht, talent, maar ook werkkracht en geluk nodig. En geluk, dat had ik, toen mijn gedichten verschenen in Het Liegend Konijn (tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie, red.) en overal opgepikt werden.

“Werkkracht, dat ook. Mijn West-Vlaamse roots, denk ik. Ik groeide op in een varkensboerderij in Tielt. De enige boeken die je bij ons thuis aantrof, waren van Artis Historia. Maar een van mijn leraressen leende ons haar eigen boeken uit. Elke week kwam ze de klas in met een sporttas vol. Zo heb ik Thea Beckman leren kennen, en Evert Hartman. Thuis zat ik dan uren te lezen, terwijl mijn ouders maar werkten en werkten. Misschien dat ik daardoor zo productief werd; al dat lezen moest toch iets tastbaars opleveren? 

“Op mijn 13, 14 jaar was mijn grootste angst: stel dat ik sterf, en mijn moeder begint in mijn dagboek te neuzen? Ik was niet het meest populaire meisje op school en wie weet, zou ze nog verdrietiger worden. Daarom maakte ik mijn teksten een tikje mysterieuzer en spannender. Was ik verliefd op Bart, dan werd hij ‘de jongen met de kastanjebruine ogen’. Zodat mijn ouders zouden denken: daar zat toch wat in, in dat meisje. (lacht)

“Door de jaren heen werden mijn teksten steeds abstracter, ­hoewel ik zelf nooit poëzie las. Ik ging ze uiteindelijk ook publiceren op een verhalensite voor amateurschrijvers. Het was 2002, maar op die site kon je toen al aan duimpjes en PM’s doen. (lacht) Zo leerde ik ook mijn man kennen (dichter David Troch, red.) en die heeft me de weg gewezen richting de reguliere literaire wereld. 

“Na die publicatie in Het Liegend Konijn, in 2008, werd ik als een raket de lucht in geschoten. In de Volkskrant schreef Arjan Peters: ‘Hierbij roep ik mezelf uit tot de ontdekker van Sylvie Marie’. Waarop ook een boel andere kranten, zoals De Morgen, over me schreven. 

“Mijn eerste bundel verscheen in België én in Nederland, en ik was zo fier. Ik kon putten uit vijf jaar aan goeie gedichten, had er amper werk aan. Eindelijk kon ik aan mijn ouders zeggen: kijk, dit is het resultaat van al die jaren boeken lezen. De recensies waren laaiend. ‘Een van de beste debuten in jaren’, las ik bijvoorbeeld. Ik mocht die zomer zelfs op tournee met Remco Campert en Leonard Nolens. Als piepkuiken van 25. Nolens zei me: ‘Sylvie, jij beseft niet wat er aan het gebeuren is. Ik heb acht bundels bij elkaar geschreven in alle stilte, zonder dat er een haan naar me kraaide.’ Hij was ongelukkig geweest, maar had wel zijn eigen stem kunnen ontwikkelen. Hij was niet ‘gecorrumpeerd door succesbejag’. En hij bleef maar in mijn arm knijpen, letterlijk. Remco Campert zat tegenover me en knikte vurig: ‘Voetjes op de grond, het is een luchtbel’. Natuurlijk wist ik totaal niet hoe ik moest reageren. ‘Jajaa’, zei ik maar.

“De tweede bundel, die kwam ook nog vlot, ik had nog werk genoeg liggen. Pas daarna werd het moeilijker. Ik heb het gevoel dat ik mijn derde bundel heb geschreven omdat ik nu eenmaal een dichter was. Ik schreef op metier, voelde niet meer die vurige vlammendheid van een kunstenaar. Je wordt overal aangekondigd als dichter, dat is je identiteit, het jasje dat je krijgt. Het onbevangene was verdwenen, het toevallige schrijven zonder plan. En je leest jezelf in recensies. Wat je trucjes zijn. Die begin je vervolgens zelf toe te passen. Je doorziet jezelf, alsof je boven je eigen kunst staat terwijl je eronder hoort te staan. Ik schreef in die tijd ook elke week een gedicht voor Humo, maar het voelde als bandwerk, als mindere kwaliteit zonder brille. 

“Ik besloot te stoppen. Een half jaar heb ik niet geschreven, toen. Ik vond het niet erg; ik gaf toen al les en ons kindje was geboren. Na zes maanden kwamen de teksten weer. Zomaar, plots. Ik had net een mislukte zwangerschap achter de rug, voelde me ongelukkig en teleurgesteld in mijn lichaam. Wel 25 korte teksten schreef ik bij elkaar in één weekend tijd, en het voelde goed. Bijna schrijftherapie. 

“De uitgever reageerde echter heel koeltjes. Ik bleef er maar aan schaven en nieuwe versies doorsturen. Na de zoveelste herwerking liet de Nederlandse uitgeverij me weten dat ze me niet meer gingen publiceren, dat ze dat met de hele redactie beslist hadden. Ze wilden eigen talent laten voorgaan. Dat kwam heel hard aan, want ik zat intussen al tien jaar bij hen. Vorig jaar is dan uiteindelijk Houdingen verschenen bij uitgeverij Vrijdag, na maandenlang fulltime zwoegen samen met een goeie redacteur. Uiteindelijk heeft ook dat boek het heel goed gedaan. 

“Maar sindsdien heb ik geen letter poëzie meer geschreven. Niks, niks. En dat maakt me niet ongelukkig. Mijn leven is niet leeg. Ik heb twee kinderen, geef schrijfcursussen en probeer me daarnaast te verdiepen in proza. Ik denk soms aan Vasalis, een dichteres die tussen 1940 en 1954 drie bundels heeft gepubliceerd. En daarna niks meer. Zij is een van de dichters die je het meest in onze openbare ruimte ziet, op de dijk van Oostende bijvoorbeeld, hoewel ze in haar leven slechts honderd gedichten bij elkaar schreef. Ze is ooit dichter geweest en daarna was ze het niet meer, hoewel ze de rest van haar verdere leven zo aangesproken werd en constant werd gevraagd wanneer ze nog wat zou publiceren. Is dat bij mij ook zo, dan is het oké.”

Volg Sylvie Marie via sylviemarie.be

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234