Maandag 25/05/2020

ReportageDieren

Waarom niet iedereen van schattige kittens en koala’s houdt

Beeld Maarten Peeters

Dieren zijn duur, ze stinken, kunnen niet praten maar wél ziektes overdragen. Redenen genoeg dus om níét van ze te houden, maar dat is vandaag absoluut not done. Toch is lang niet iedereen gezegend met het dierenvriend-DNA. Jana Antonissen houdt een pleidooi tegen de dictatuur van schattige kittens en koala’s.

Een gegeven paard mag je niet in de bek kijken. Niet alleen omdat dat een weinig welriekende activiteit is, maar het zou ook ondankbaar zijn. Toen ik onlangs logeerde in het appartement van een vriendin op reis, kon ik het toch niet laten. Prachtig appartement, groot ook... enkel jammer van die kat.

De poes in kwestie droeg een viriele naam die hij niet kon waar­maken. Zo had hij een ziekelijke nood aan bevestiging. De voordeur was nog niet achter me in het slot gevallen of hij kwam mijn scheenbeen al berijden, miauwde me de oren van het hoofd – hongerig naar strelingen die ik omwille van evidente redenen qua hygiëne niet uitdeelde.

Voor haar vertrek had het kattenbaasje me op het hart gedrukt dat ik gewoon haar tien stappen tellende gebruiksaanwijzing diende te volgen, dan kon er weinig misgaan. Omdat visioenen van een uitgemergeld dierenlijkje al op mijn netvlies zwommen, serveerde ik het beest royale porties kattenbrokken. Met dicht­geknepen neus, want de geur van ­dierenvoeding doet me kokhalzen.

’s Ochtends bleek dat ik toch iets te toegeeflijk was geweest. Nog half ­slapend stapte ik blootvoets in een hoopje kots naast het bed. Eindelijk had de kat mijn volle aandacht.

Honden noch katten, parkieten noch knaagdieren: ik heb absoluut niets met dieren. Ik heb er geen bezwaar tegen dat ze bestaan. Vogels hoog in de bomen en vosjes in de ­bossen: erg idyllisch allemaal. Maar waarom zou je in godsnaam de tamme varianten je woonkamer willen laten onderkotsen?

Los van het feit dat het niet erg proper is, kan een dier in huis halen ook gewoon gevaarlijk zijn. Zo ontstond het ondertussen wereldwijd verspreide coronavirus op een dierenmarkt in het Chinese Wuhan. In ­hoeverre besmette huisdieren het virus ook op mensen kunnen ­overdragen, is vooralsnog onbekend, maar in Hongkong zaten ondertussen al meerdere honden in quarantaine.

Wat me misschien nog meer verwondert dan het concept van huisdieren, is de wijdverbreide neiging om dieren als gelijken, of zelfs méér dan gelijken, te aanzien. Als in Australië bossen afbranden, gaat alle aandacht naar de omgekomen koala’s. Natuurlijk is dat erg, maar wat dan met de gezinnen die hun huis ­verloren, de bejaarde echtparen die overleden aan hun brandwonden?

Mensen geven meer om dierenleed dan om het leed van hun medemens. Dat werd al wetenschappelijk onderzocht en bewezen. Twee jaar geleden analyseerden onderzoekers van de Northeastern University in Boston de empathie van proefpersonen tijdens het bekijken van nieuwsberichten over ernstig mishandelde puppy’s, honden, baby’s en volwassen mensen. Wat bleek? De bevraagden toonden zich meer betrokken tegenover dieren dan mensen. Bij baby’s piekte hun medelijden weliswaar, maar wanneer het tussen een misbruikte man of hond van eender welke leeftijd ging, werd er beduidend meer met die tweede categorie meegeleefd.

Echte gevoelens

“Vroeger begreep ik niet dat mensen maandenlang konden rouwen om hun overleden huisdier”, vertrouwt eventcoördinator Hannah Vanrintel (31) me toe, lotgenoten onder elkaar. “Maar dat werd me niet in dank afgenomen. Ondertussen heb ik geleerd dat die gevoelens wel degelijk oprecht zijn, ook al ervaar ik ze zelf niet.”

Als kind ging Hannah ervan uit dat het normaal was dat sommige mensen van dieren hielden, en anderen niet. Tot ze dat geloof in een groep pubermeisjes uitsprak. “Iedereen keek me gechoqueerd aan, alsof ik per ongeluk onthuld had wat voor onmens ik was. Maar dieren doen me gewoon weinig. Soms ben ik zelfs een beetje bang voor hun bruuske bewegingen, hun on­voorspelbaarheid. Je weet dat ze gaan krabben, bijten, klauwen, maar je weet nooit wanneer. Dierenbezitters zeggen altijd: ‘De mijne bijt niet’. Maar dat weten ze toch niet zeker?”

Mensen met dieren durven al eens te vergeten dat niet iedereen graag in pluizig gezelschap verkeert. Dat ondervindt ook creatief copywriter Annelien Boens (33) regelmatig: “Ik heb kennissen die hun huisdieren niet alleen aankleden en fotograferen, maar dan ook nog denken dat iedereen zich voor die foto’s interesseert... Vreemd. Maar wat mij echt ongemakkelijk maakt, zijn grote honden die aan mijn peuter komen snuffelen. Meestal moet ik zelf eerst mijn bezorgdheid uiten, want die baasjes zijn zich nooit van enig kwaad bewust.

“Wat me ook altijd verbijstert, zijn mensen die geen onderscheid meer maken tussen kinderen en huisdieren. Toen ik na mijn zwangerschapsverlof op het werk over mijn pasgeboren baby vertelde, viel het mij op hoe sommige collega’s meteen de vergelijking met hun hond of kat maakten. ‘O, dat doet onze Hugo ook altijd’, of hoe het beest ook heette. Mijn dochter is geen huisdier hoor, dacht ik dan.”

Vlaamse Reus

Probeer mensen maar eens duidelijk te maken dat je niet zo op dieren gesteld bent om de simpele reden dat het lange haren achterlatende, urinerende, lawaaierige beesten zijn die bakken vol geld kosten. Nee, dan moet ik als kind wel gebeten zijn door een Duitse scheper, aangevallen door een krolse kat, bijna verslonden door een reuzenrat. Een of ander jeugdtrauma moet toch mijn afkeer verklaren? Of anders ben ik gewoon niet gewend aan dierlijke aanwezigheid; ik heb zeker nooit een huisdier gehad?

Beeld Maarten Peeters

Toegegeven, ik heb mezelf regelmatig gelukkig geprezen met de stof­allergie van mijn vader. Anders had hij waarschijnlijk wel een hond in huis gehaald. Desondanks heb ik genoeg ervaring om te weten dat een huisdier niet aan mij besteed is. Zo haalde iemand het in zijn hoofd om me voor mijn eerste communie een overdreven groot konijn te schenken; een rasechte Vlaamse reus, waar ik nooit om gevraagd had. Omdat het dikke beest – ik herinner me niet meer of het ooit een naam kreeg – haast uit zijn hok barstte, knaagde het zich koppig door de metalen tralies heen. De vrijheidsdrang van het beest kwam mij goed uit en dus ondernam ik geen pogingen om het tegen te houden. Helaas deden de buren dat wel. Groot was mijn teleurstelling toen de buurman me triomfantelijk mijn ontsnapte reus kwam terugbrengen, niet begrijpend dat hij zowel mij als het konijn daar geen plezier mee deed.

De baas in huis

Ook bij Hannah en Annelien gaat het argument niet op dat hun onbestaande gevoelens voor dieren ­veroorzaakt werden door een gebrek aan huisdieren.

Hannah: “Hoewel mijn broer en ik zonder dieren opgroeiden, is hij – in tegenstelling tot mij – wel een grote dierenvriend. Tegenwoordig hebben mijn ouders ook een kat. Dat beest is gewoon de baas in huis; het mag veel meer dan wat mij ooit toegestaan werd. Maar blijkbaar hoort die lichte obsessie bij het concept ‘huisdier’.”

Annelien: “Ook mijn zus kreeg voor haar communie een konijntje. Maar uiteindelijk was ik wel degene die het beestje te eten gaf en het stro ververste, zorgde dat het in leven bleef. Niet omdat ik dat zo graag deed, maar omdat mijn verantwoordelijkheidsgevoel gewoon te groot was.”

Eerder dan in gewenning bevindt de verklaring voor het wel of niet houden van dieren zich in ons DNA. Dat betoogt toch John Bradshaw in zijn boek The Animals Among Us: How Pets Make Us Human. De bekende antrozoöloog – een wetenschapper die mens-dierrelaties bestudeert – aan de Universiteit van Bristol is duidelijk een grote dierenvriend en zet helder uiteen waarom dierenliefde weliswaar typisch menselijk, maar zeker niet universeel is.

Zo ontkracht hij eerst de ­vermeende gezondheidsvoordelen van een huisdier. Studies toonden aan dat een huisdier geen of zelfs een negatieve impact op de gezondheid heeft. Daarnaast leven mensen die dieren houden ook niet langer dan mensen die dat niet doen.

Boeren en jagers

Om te onderzoeken waarom sommige mensen wel de nood voelen met dieren samen te leven en anderen niet, keert Bradshaw ver terug in de tijd, naar ons verleden als jager-verzamelaar. Het DNA van huisdieren toont namelijk aan dat elke tamme dierensoort zo’n 5.000 tot 15.000 jaar geleden gescheiden werd van zijn wilde tegenhanger. Dat gebeurde in het paleolithicum of het neolithicum, op hetzelfde moment dat we vee begonnen te telen. Die eerste boeren kenden aan sommige van hun honden, katten, vee en varkens een speciale status toe door ze niet enkel fysiek af te zonderen, maar ook als meer dan enkel goederen te behandelen. Dat was namelijk nodig om de ongewenste voortplanting tussen wilde dieren te voorkomen. Zo evolueerden de gedomesticeerde dieren verder en verder weg van hun wilde voorouders.

Beeld Maarten Peeters

Vergelijkbaar met het huisdieren-DNA heb je ook een specifiek gen dat mensen in staat stelt om dieren te houden en empathie voor hen te ervaren. Zo hadden de prehistorische boeren waarschijnlijk al dezelfde genen als de dierenliefhebbers van vandaag. Waarom dan niet iedereen tot dierenliefhebber evolueerde? Niet alleen verkozen sommigen het jagersbestaan, waarschijnlijk was het op een bepaald moment ook makkelijker om de tamme dieren te stelen of hun eige­naars als slaven te gebruiken. Kort samengevat: dierenvrienden stammen af van goedhartige boeren, niet-dierenvrienden van sluwe jagers.

Wij kunnen er weinig aan doen dat we niet van dieren houden. Het zit nu eenmaal niet in ons DNA. Maar we leven weliswaar in maakbare tijden. Hoewel ik zelf niet inzie waarom we allemaal dierenvrienden zouden ­moeten worden, vraag ik me wel af of het überhaupt mogelijk zou zijn om die genegenheid voor dieren alsnog zelf aan te kweken?

Hannah gelooft van niet. “Om indruk te maken op een jongen die ik echt leuk vond, heb ik weleens gedaan alsof ik zijn oude, kreupele hond schattig vond. Maar verder dan dat gaat het toch niet. Mocht ik ooit een huisdier nemen, dan weten mijn vrienden meteen dat dat een schreeuw om aandacht zou zijn op een erg passief-agressieve manier.” 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234