Woensdag 11/12/2019

Zomerzielen

Waardig garen in eigen nat

Beeld Charlotte Dumortier

Jan Devriese herbeleeft de zomer van 1976, toen hij voor het eerst hemd en das droeg.

Het was het jaar waarin Ramones hun debuutalbum uitbrachten en de Sex Pistols als een vieze ziekte door Engeland raasden – ‘Anarchy in the U.K.’, indeed. Het was het jaar waarin Brotherhood of Man het Eurovisiesongfestival won met ‘Save Your Kisses for Me’ en de Lage Landen in de ban waren van Pussycat en Julien Clerc. Het was het jaar waarin Lucien Van Impe de Ronde van Frankrijk won en Ivo Van Damme tweemaal zilver haalde op de Olympische Spelen. Het was het jaar waarin Ruisbroek onder water kwam te staan en de OCMW’s werden geïnstalleerd. Het was het jaar waarin Sony de Betamax-videocassette op de markt bracht en Steve Jobs en co. de Apple Computer Company oprichtten.

Het was, evenwel, vooral het jaar waarin twee zeer opmerkelijke fenomenen op ongelukkige wijze elkaars pad kruisten.

Er waren, vooreerst, die vijftien opeenvolgende tropische dagen, van 24 juni tot 8 juli. Vijftien dagen naeen meer dan dertig graden. In België. België, begot. Land van regen en wind. Land van bijna. Land van een beetje. En dan dit. Báf. Alles. Ineens. Verzengend heet. De droogte. De drooglegging. Boetes voor wie z’n auto waste. Sproeiverbod. Gelaten aanschouwde vader de doodsstrijd van zijn gazon. Tuinen werden ten grave gedragen, baby’s huilden zoutkorrels, in de verte blafte een gemummificeerde hond. Hitte. Hellegat.

Er was ook dit: ik diende mij in die dagen te vermommen in volwassene. Het broekventje, door een speling van het lot een jaar te vroeg in het eerste studiejaar gesukkeld en nooit meer van die weinig benijdenswaardige voorsprong af geraakt, moest zich op z’n zestiende op school aanmelden in hemd en das, met een keurig jasje eroverheen, voor de mondelinge examens. Een heus ‘kostuum’ mocht ook, maar zoveel budgettaire gekkigheid permitteerden vader en moeder zich niet – het waren de tijden van één salarisje en veel spaarzaamheid.

Dus kreeg ik een overhemd van vader in bruikleen, in een kleur die ik beleefdheidshalve als wc-groen zou omschrijven, en een stropdas van diezelfde vader – een wurgkoord in groen, rood en wit. Een keurig jasje had ik: iets waarvan moeder enkele maanden eerder had beslist dat ik er netjes mee stond, en inspraak bestond in die tijd uit stilzwijgen. Het was flessengroen. En gemaakt van dik ribfluweel. Kortom, zeer geschikt voor de winter.

Daar ging ik dan, op die tropische dag, in m’n wc-groene hemd en flessengroene winterjas, bovenaan afgesnoerd met een stropdas, onderaan met fietsspelden – je wilde niet met je broekspijpen in je fietsketting verzeild raken, want dan stond je wat te wachten bij thuiskomst, zo je al de halsbrekende val zou overleven.

Na pakweg vijftig meter fietsen barstte het zweet me uit. Dra had ik een natte kop, alsof ik aldoor een onzichtbaar open kraantje boven m’n hoofd had hangen, en leek het alsof iemand een lauwe dweil over m’n rug en schouders had uitgewrongen. Daar ging ik dan. Vochtig vélocipède-verschijnsel.

Bij aankomst op school was ik schier geheel vloeibaar geworden. Ik stalde m’n fiets, trok m’n fietsspelden uit – ádem, benen, ádem! –en wandelde zo achttienjarig mogelijk de speelplaats op. Alwaar klasgenoten in vlotte hemdjes met korte mouwen, het jasje nonchalant over de schouder geslagen, me fris en monter opwachtten.

Já, zo overpeinsde ik, ja, dat ga ik ook nog gauw even doen, lekker het jasje uit en gezellig een beetje meesmuilen over defectieve werkwoorden en alkalische verbindingen.

Ik knoopte m’n flessengroene wambuis los en maakte aanstalten om het ding uit te trekken. Toen viel m’n blik op het wc-groene hemd: vanuit mijn oksels waren twee indrukwekkende donkergroene vlekken op zoek naar elkaar, bijna dwars over mijn amechtige borstkasje heen.

Snel knoopte ik m’n jas weer dicht. (Ik zou hier willen schrijven dat het angstzweet om uitgelachen te worden me uitbrak, doch dat zou een zwaktebod zijn.) Ik wandelde naar de toiletten, wachtte tot er niemand meer was en trok vliegensvlug m’n jasje uit, teneinde in de spiegel snel de ernst van de situatie te kunnen aanschouwen. Ik schrok: dit was niet meer zweten, dit was de zondvloed. Het wc-groen was bijna helemaal donkergroen geworden. Zo kon ik me niet vertonen. Dit was beschamend. Gauw schoot ik m’n jasje weer aan. Er zat niks anders op dan waardig te garen in eigen nat.

En zo geschiedde. De examens leverden geen noemenswaardige problemen op – althans geen die ik me kan herinneren, al valt het niet uit te sluiten dat mijn bijwijlen ongetwijfeld potsierlijk gewauwel een enkele leraar blijvende gehoorschade heeft bezorgd. Men zegt soms zomaar wat, in het zweet zijns aanschijns.

Ben Crabbé

De tropische dagen van 1976 zijn weerkundige geschiedenis, de examens zijn lang vervlogen, het zweet is gebleven. Nu eens het mijne, dan weer dat van anderen. Nu eens in innige verstrengeling, dan weer op veilige afstand. Doch steevast met respectvolle aandacht, en somtijds met een berustende glimlach.

Zo is mij uit de jaren 80 van de vorige eeuw het haar van de formidabele tennisser Ivan Lendl bijgebleven: hij zweette stevig, over z’n hele lijf, en over bijna z’n hele hoofd – er restte hem telkens een droog toefje haar, dat helemaal bovenaan trots en parmantig rechtop bleef staan, onaangetast door ’s mans gul gutsende klieren. Ik keek het toefje aan, en werd vanzelf een beetje vrolijk. Dit geheel in tegenstelling tot de eigenaar van kwestieus toefje, die schier aldoor keek alsof hij in z’n eentje de hartenpijn van alle toenmalige Oostblok-mensen torste. O, wat kon hij prachtig tegelijk boos en droef kijken!

Doch zweet vraagt ook ernst.

Mensen die geheel onvrijwillig bovenmatig zweten, weten zich vaak geen raad. Soms worden ze erom gemeden. Eén zweethanddruk volstaat. Bah, vies. Volgende keer zwaaien we wel even, van ver. Met hooguit een koel hoofdknikje toe.

En dan is er de martelkamer genaamd kleerkast: bleke kledij wordt algauw ongemakkelijk doorzichtig, donkere kleren laten al te zichtbare zoutrandjes na, alles daartussenin schreeuwt in geen tijd ‘Kijk, bah, uitzwermend zweet!’

Plus: ze lijken aldoor verdacht: waarom zweten die nu zo?

Is het angstzweet? Verbergen ze iets? In het beste geval worden ze gewoon hardop bespot – denk aan de talloze grapjes over de okselvijvers van pakweg Ben Crabbé. Hohoho, jaha, die humor hebben we van onze favoriete nonkel, die overigens alleen maar alcohol zweet, doch hou dat stil.

Niks genadelozer dan mediocriteit.

Aan al deze dingen lag ik te denken, enkele weken geleden, in de schaduw van een sympathiek hotelgebouw op een immer zonnig eiland in een oceaan. We waren er te elfder ure heen gevlucht, toen de weersvoorspelling voor onze Belgische contreien er al te Belgisch uitzag. Zij houdt van de zon, ik van de schaduw, dus dat kwam goed uit, want – jawel – geen schaduw zonder zon.

Ik was evenwel enigszins op m’n hoede, want ik herinner me tiendaagse reizen naar zonovergoten overzeese gebieden waar ik tien dagen lang zo lek als een zeef leek en mijzelf des avonds volgoot met drank doch daar hooguit een weinig verkwikkende comateuze slaap aan overhield.

Mijn achterdocht bleek thans echter overbodig: ik heb op dat eiland een week lang heerlijk gepit en tussendoor een kleine duizend bladzijden Maxim Gorki gelezen. Daarin werd bijwijlen duchtig gezweet; de grote strijd van de kleine mens. Dan knikte ik eens begrijpend en keek de druppel na die tussen m’n vakantievoeten op de grond uiteenspatte: condens van mijn ijskoude longdrink.

Lees alle voorgaande afleveringen op demorgen.be/zomerzielen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234