Dinsdag 18/06/2019

Interview

"Waar is de tijd dat Degrelle en al die oostfronters nog hun gedacht mochten zeggen. Wat een verschraling nu"

Beeld Stefaan Temmerman

De Franse schrijver Marcel Proust beantwoordde ze ooit in een vriendenboekje, nu geeft De Morgen er een eigenzinnige draai aan. Dertig directe vragen, ­evenzoveel openhartige antwoorden. Vandaag: Marnix Peeters (52), schrijver en columnist van deze krant. Wie is hij in het diepst van zijn gedachten?

1. Hoe oud voelt u zich?

“Ik ben 52 en 16 jaar ouder dan mijn vrouw. Maar dat speelt niet. Ik ben nooit met leeftijd bezig geweest. Het enige is: je hebt een andere achtergrond, andere herinneringen. Als ik het heb over Johan en de Alverman, valt Jana uit de lucht, maar dat is niet erg. Het is wonderlijk waarom mensen zo’n zaak maken van leeftijds­verschil, ik snap dat niet. Zet mij aan een tafel met dertigers en ik voel mij vaak de jongste en gedraag me dan ook zo.

“Mijn leven voelt als één doorlopende lijn, zonder scharnierpunten, wellicht ook door mijn kinderloosheid. Pas op mijn 48ste ben ik voor het eerst gaan samen­wonen, een jaar later zijn we getrouwd. Ik heb dus nooit een uitgestippeld parcours voor ogen gehad. Voor mij zit de weg naar geluk meer in verwachting­loosheid.”

2. Wat vindt u een belangrijke eigenschap van uzelf?

“Mijn positieve instelling. En mijn non-­conformisme. Ik heb altijd de neiging gehad om te denken dat wat ik interessant vind, zich niet afspeelt op de plaats waar de meeste mensen zich bevinden.

“Ik ben nooit een team­speler geweest. Ik heb letterlijk drie weken getraind bij de miniemen van KV Beverlo en dat was het. Ik zat liever godganse dagen in m’n eentje in een kartonnen doos nieuws­lezertje te spelen. Ouders van nu zouden dat wellicht een verontrustend ­schouwspel hebben gevonden. (
lacht)

“Na mijn humaniora in het college van Beringen ging 
98 procent van mijn klasgenoten uit de Latijnse in Leu­ven studeren. Dat was de onzichtbare bedding waarin je terecht­kwam. Maar het laatste wat ik wilde. Per definitie kon dat al niet interessant zijn als iedereen daar naartoe ging. Ik ben toen naar Amerika vertrokken.”

Wie is Marnix Peeters?

* geboren op 15 juli 1965

* auteur en columnist voor deze krant

* was begin jaren 90 muziek­samensteller bij StuBru, later journalist bij Humo en Het Laatste Nieuws

* debuut­roman De dag dat we Andy zijn arm afzaagden (2012) werd genomineerd voor De Bronzen Uil voor beste debuut

* daarna volgden o.a. Natte dozen, Kijk niet zo, konijntje, Zei mijn vrouw (een bundel Zeno-columns) en In elke vrouw schuilt haar moeder

* woont met zijn vrouw Jana in Burg-Reuland, in de Oost­kantons

3. Wat is uw passie?

“Lachen en bewegen. Koken voor Jana. Eten en drinken. Alcohol is een passie van mij, o ja. Drinken zet mijn vijzen wat losser. Maar een zuiplap ben ik niet, Jana heeft mij nog nooit zat gezien. Ik heb natuurlijk gemakkelijk praten, want ik heb geen verslavings­gen. Ik rook ook maar één sigaret per dag, heel mijn leven al.”

4. Waarvoor wilt u vechten?

“Voor mijn vrouw. Als hier subiet een horde voor de deur staat, zou ik fysiek voor haar vechten, natuurlijk.”

5. Wat vindt u uw grootste prestatie?

“Als ik die vraag hoor, denk ik: wat heeft het hardst mijn ziel doen ontploffen van vreugde? Dat moet het mo­ment geweest zijn waarop mijn eerste lp-bespreking in Humo verscheen, op m’n 23ste, 24ste. Ik kan dat gevoel nog steeds oproepen, dat was iets fenomenaals. Humo, dat was het heiligdom, daar hing wierook in. Maar mijn grootste Erreichnis – hoe vertaal je dat in het Nederlands trouwens? – is misschien wel dat ik niet te veel door andermans ogen naar mezelf kijk en mijn goesting doe. En dat maakt me in elk geval heel gelukkig.

“Zoals Dirk (Leyman, recensent, red.) vorig jaar nog schreef: ik heb een klein kotje gebeiteld voor een groepje gelijk­gestemden dat net groot genoeg is om van te leven, met wie ik een gevoel voor humor deel, die baldadigheden kunnen appreciëren. En daar voel ik me heel comfortabel bij.”

6. Wat wilde u worden als kind?

“Ik denk dat ik een heel logisch en dood­normaal kleinschalig leven voor me zag. Als mijnwerker misschien. Gelijk mijn vader. Mijn moeder werkte deeltijds als ­verpleegster en de rest van de tijd deed ze het huis­houden en zorgde ze ervoor dat er om vier uur eten was. Mijn vader at en ging in de tuin werken. Dat leek een tijdlang een interessant tafereel. Ik denk wel dat ik mezelf ooit in zo’n huis zag zitten.”

7. Wat was voor u een moment van groot geluk?

“Als ik erin slaag een vogeltje te reanimeren dat tegen de ruit is gevlogen, als ik in het bos een ree zie, als ik merk dat mijn vader er weer bovenop komt. Ik zie in veel dingen geluk. Da’s een geluk hè.”

8. Welke kleine alledaagse gebeurtenis maakt u blij?

“Ik heb elke dag wel een reden tot vieren. Ik ben een absoluut zondags­kind, geboren met het geluks­gen. Ik ben nu heel ­verdrietig om ons ma, maar ook al voel ik me miserabel, ik spring al fluitend uit bed.

“Misschien heeft dit wel de doorslag gegeven tot mijn kinderloosheid: de gedachte dat ik een kind zou kunnen hebben dat tegen het leven opziet. Ik denk dat ik dan zelfmoord zou plegen. Mocht ik een kind hebben dat iedere dag zuchtend uit z’n bedje komt, ik loop het bos in en kom nooit meer terug. Misschien is dat wel de hel op aarde: vastgeklonken zijn aan een kind dat niet graag leeft. Een zeer onderschat probleem. (lacht)

“Veel mensen zeggen dat ze hier zot zouden worden. Maar ik hou van de stilte en naar de vogels kijken en denk niet de hele tijd: shit, shit, zou iemand anders nu met iets interessanters bezig zijn? Geef mij een steriele omgeving en ik kwijn weg, geef mij dit huis waar de planken af en toe van het plafond vallen, en ik ben gelukkig.”

9. Wat is uw zwakte?

“Mijn vergeet­achtigheid is een gruwel. En ik heb soms heel veel tijd nodig om iets in te zien.”

10. Waar hebt u spijt van?

“Op het einde van mijn leven, nu nog niet, zal ik spijt hebben dat mijn innigste streven om ooit vegetariër te zijn, mislukt is.”

11. Wat is uw grootste angst?

“Niet meer kunnen bewegen. Als ik nu één of twee dagen na elkaar door slecht weer het bos niet in kan, word ik al heel ­kregelig.”

12. Wanneer hebt u voor het laatst gehuild?

“Ik huil elke dag een keer of drie, vier, als ik aan mijn moeder denk. Daarnet nog, toen ik een mail kreeg van mijn zus waarin ze vertelt dat ze een brief gevonden heeft uit de tijd toen ze in Afrika woonde, waarin ons moeder haar liefde voor de lente bezingt. En mijn zus schrijft: wij hebben nooit echt diep gepraat, maar door die verwijdering was ze wel openhartig in haar brieven. Dat lezen snijdt in mijn ziel.

Marnix Peeters: "Ik vind het wel plezierig om te huilen bij een ­muziek­stuk of een boek." Beeld Stefaan Temmerman

“Maar het is ook niet altijd huilen van verdriet. Hoe moet ik het zeggen? Ik ben ook dankbaar en blij om wat geweest is. Je moet de dingen ook niet erger maken dan ze zijn. Maar die kleine ­propjes van verdriet wil ik wel toelaten en koesteren.”

13. Wat kan u uit uw humeur halen?

“Al die pietluttige discussies. Protesteer eens tegen wat relevantere dingen dan het feit dat je baas in je gat genepen heeft. Ik word daar echt niet goed van. Ik vind niet dat je baas in je gat moet nijpen, maar zolang die gruwel van de meisjes­besnijdenis steeds ergere vormen aanneemt, ook bij ons, en maar een kortje is onderaan op pagina acht van de gazet, kun je je toch afvragen wat je prioriteiten zijn. We kletsen er maar op los.

“Als je het goed hebt, heb je maar recht op een zeker volume van verontwaardiging, vind ik. En moet je die verontwaardiging richten op iets wat die verontwaar­diging werkelijk verdient. Er wordt te veel inkt verspild. Wij zijn heel selectief in onze verontwaardiging, en houden ons bezig met discussies in de marge.”

14. Wanneer bent u ooit door het lint gegaan?

“Vorige week, toen een koppel zeventigers op de fiets bijna weg­gemaaid werd door een Johnny van het Albanese type, die dan nog de culot had om zijn raampje naar beneden te draaien en zijn vinger naar hen op te steken. Toen heb ik hem de huid vol­gescholden: gij vuile, smerige, laffe hond! En misschien nog een resem verwensingen, dat weet ik niet meer. Had hij mij verrot geklopt, het kon mij totaal niet bommen.”

15. Wat is het decadentste wat u ooit hebt meegemaakt?

“Ik heb opgezocht in Van Dale wat dat betekent ‘decadent’. (kijkt op smartphone) ‘Decadent ben je als je je verlustigt in je eigen neergang en de neergang van de mensen om je heen.’ Misschien is de ware decadentie wel dat je weinig achting hebt voor wat je omringt. Die mistroostige meubel­boulevard­cultuur als je naar Antwerpen of Brussel rijdt, die massa­consumptie, lelijkheid en stank. Ik hou wel van niks. Het niks.”

16. Welke kunstvorm beroert u het meest?

“Goh, man. (denkt na) Eigenlijk word ik liever ontroerd dan beroerd. Ik vind het wel plezierig om te huilen bij een ­muziek­stuk of een boek.

“De ontroering die ik voelde bij De toverberg van Thomas Mann kan ik zo weer oproepen. Met heel veel moeite heb ik me door dat boek geworsteld, maar dat slot! Die eerste 900 bladzijden zijn steriel, hermetisch, er gebeurt niets. Maar ik ben blijven doorlezen, tot bloedens toe. Het heeft maanden en maanden geduurd, want ik kon maar tien pagina’s per sessie lezen, meer kon ik niet verteren. Toen ik op pagina 880 kwam, voelde ik dat laatste stukje dunner worden tussen mijn vingers en dacht ik: nee, niet nog weer een filosofische bespiegeling van die Italiaan! En dan kom je op pagina 900 en begint er een soort van epiloog, helemaal anders van toon en van sfeer, en dat einde is niet te geloven! Dat contrast is alles! Je moet de woestijn door, voor je de oase bereikt. Dat blijft toch een van de herinneringen die voorbij zullen flitsen op mijn sterfbed. Dat was zo, zo, zo schoon.”

17. Hebt u ooit een religieuze ervaring gehad?

“Ja. Zonder tranerig te willen worden, ik vond de dood van mijn moeder een religieuze ervaring. Het was de eerste keer dat ik iemand zag sterven. De verpleegster had me gezegd: stel haar gerust dat je voor alles gaat zorgen. En twee uur later werd ik gewekt door de Heilige Geest en is ze gestorven. Je kunt nooit intiemer zijn, hè. Het was de omgekeerde geboorte van 82 jaar geleden. Je beleeft dat in een soort van mystieke trance.

“Het was de donkerste januari­maand in eeuwen, maar toen we buiten kwamen, rees er plots aan de Limburgse horizon een grote oranje bol op. Ik verleen daar met heel veel plezier een religieuze betekenis aan.”

18. Hoe voelt u zich in uw lichaam?

“Ik ben goed met mijn lichaam bevriend. Ik verzorg het relatief goed en luister er relatief goed naar. Ik leef stress­loos, wat heel veel is. Stress was toch wel een slechte factor in mijn leven, die verkeers­drukte, Paul Daenen (gewezen hoofd­redacteur van 'Het Laatste Nieuws'', red.) en zo. (hilariteit)

“Peter Verhelst zei me ooit: wacht maar, 50 is een breekpunt. En ik moet zeggen dat ik de laatste 2,5 jaar wel vaak aan die uitspraak gedacht heb. Toevallig of niet merk ik niet meer
 die ultieme frisheid van het veulen dat ik een halve eeuw geweest ben.”

19. Wat vindt u erotisch?

“Harde Duitse porno. Dat is zo net iets ruwer. (lacht) De Duitse porno­snor, die bestaat hè, maar in het echt kom je die nooit tegen. (lacht) Duitse porno is er ook altijd net iets over. Er wordt net iets ongeloofwaardiger in gekreund, ik vind dat wel grappig.”

20. Wat is uw goorste fantasie?

“Ik heb geen gore fantasieën. Ik pomp ze allemaal in mijn boeken. Schrijven is voor mij een grote katalysator, denk ik.

“Ik hou van De toverberg en Bach en diepzinnige gesprekken, maar ik lach ook ontzettend graag. En als ik mensen kan doen schater­lachen, is het voor mij goed. Er wordt veel te weinig vrolijkheid geproduceerd. Iemand moet het doen.”

21. Welk dier zou u willen zijn?

“Een vogel hè. Er zijn weinig dieren die zoveel ­kunnen met alleen een snaveltje. Die nesten die ik hier in de herfst vind, zijn fenomenaal gemaakt. Dat kan een hond of een beer niet. Ik wil wel geen roodborstje zijn, want dat zijn echt krengen, maar een vriendelijke merel. Een beetje argwanend, maar ook niet te fel, en als hij je graag heeft, kun je er zelfs een band mee ontwikkelen.”

Marnix Peeters: "Ik hou wel van niks. Het niks." Beeld Stefaan Temmerman

22. Hoe was/is de relatie met uw ouders?

“Mijn ouders hebben nooit een of andere vorm van druk uitgeoefend. Ze waren natuurlijk wel bezorgd om ons. Ze wilden niet dat er ’s avonds een agent aanbelde om te melden dat we dood waren, maar voor de rest hadden we een ongebreidelde ­vrijheid.

“Mijn vader was mijnwerker, mijn moeder ­verpleegster, gewoon Kempenaars, Limburgers. Brave, zich klein makende mensen, gehoorzaam en zich bewust van het oog van de buur.

“Ik ben er zeker van dat ze zich vaak hebben afgevraagd, en m’n vader nu nog, of het wel allemaal goed gaat met mij. Maar de vraag: zou je nu eens niet trouwen, of denk je niet aan kinderen, hebben ze nooit gesteld. Nooit. Waar ik mijn moeder altijd om zal gedenken, is dat ze mij voor m’n 20ste ­verjaardag een wasmachine cadeau deed. Dat was de grote hint: je moet niet denken dat je op je ­30ste nog elk weekend met je wasmand kunt langskomen. Dat vond ik wel chic.

“Mijn ouders hebben altijd voor de veilige weg gekozen en in zekere zin zijn we dus wel tegen­polen. In tien jaar tijd zijn ze hier twee keer geweest, voor hen was dat te ver. Maar ik apprecieer geweldig dat ze mij hebben losgelaten. Zoals dat gaat in de ­dierenwereld: je werpt een jong en op een gegeven moment moet dat maar voor zichzelf zorgen. Ik denk dat je je kinderen belemmert door ze eeuwig te blijven bestuderen. Dat is warm hè, dat nest­gevoel, maar dat hoeft niet. Ik heb best wel goeie ouders gehad.

“Let op: ik heb hun levens­keuzes vaak betreurd, maar ik heb het opgegeven om hen aan te sporen tot emoties waar ze geen boodschap aan hadden, waar ze niet toe in staat waren. Ik sta daar nu nog van te kijken. Van de bonkige mens die m’n vader is, die na zestig jaar huwelijk z’n vrouw verloren heeft. En die ondanks zijn heel intense verdriet ook genoeg van harde klei is om te zeggen: bon, je kunt er toch niets aan doen.

“‘Ge zult niet smelten’ was de lijfspreuk van mijn moeder. Als we nog maar wat durfden te reclameren als het te warm was om iets te doen, zei ze: ‘Ge zult niet smelten’. ‘Kom, de fiets op.’ Ik vind dat geen slechte levens­houding. Op een bepaalde manier ben ik er zelf­redzaam door geworden.”

23. Hoe definieert u liefde?

“Liefde is het meest onpeilbare. Je hebt echt geen referentie­kader. Je kunt denken: ik voel me hier wel goed bij, maar op de schaal van de liefde weet je niet waar je zit. Ik heb een vroegere relatie gehad waarvan ik nu denk: ik zat in de categorie 1/10. Zonder het te beseffen.

“Liefde is zoals het leven zelf: op het einde kun je het en dan ga je dood. Je moet wel het geluk hebben om je echte ziels­genoot te vinden. En de dapperheid om op hem of haar te wachten. En alle verwachtingen van je afschudden.”

24. Hoe wilt u bemind worden?

“Je mag het jezelf en elkaar niet nodeloos moeilijk maken en geen eisen stellen. Ik kan heel goed koken, daarom doe ik het ook. Maar je moet het niet eisen. Ieder doet gewoon wat hij wil doen.”

25. Hoe zou u willen sterven?

Swiftly and with style. Wie zei dat nu weer? The undertaker in Allo, Allo. En hopelijk op een zonnige dag, een voor­avond in juni. Met een trappistje. En dan zo zeggen van: hm, ik voel precies iets en dan pats!”

26. Welk maatschappelijk probleem raakt u?

“Het gebrek aan grens­over­schrijdende nieuwsgierigheid. Ik had tegelijk een abonnement op De Rode Vaan en op ’t Pallieterke. Ik heb het altijd ongelooflijk interessant gevonden om die clash van uitersten te doorgronden. Om toch tenminste te weten wie wat denkt en waarom. En hoe extreem zowel links als rechts kunnen zijn.

“Toen ik een paar weken geleden dat interview zag van Joël (De Ceulaer, red.) met Dries Van Langenhove van Schild & Vrienden – de vreselijkste naam ooit denkbaar voor een organisatie – dacht ik: wow! Ik smul daarvan. Ik ben het in geen honderd jaar met die man eens, maar ik vind dat fantastisch om te lezen. En toen volgde er een polemiek in de krant en dacht ik: dit is het nieuwe fascisme hè. Dit is gewoon wat Rudolf Hess en Joseph Goebbels vroeger deden! De bladen doornemen en zeggen: dit willen we hier niet meer zien.

“Waar moet het met je intelligentie naartoe als je alleen nog maar door het sleutelgat van het progressief lesbianisme wil kijken? Ik bedoel, als je alleen nog maar die Rode Vaan leest. Die progressieve eencelligheid die de laatste jaren ontstaan is, die onverdraagzaamheid vind ik heel vreemd en gevaarlijk.

“Ik ben nu al maanden de programma’s van Maurice De Wilde aan het herbekijken. Die zouden nu nooit nog de Vlaamse televisie halen. Léon Degrelle, die in SS-uniform met IJzeren Kruis de lof van Hitler zingt, en al die scharminkels van oostfronters met één arm en een Berken­kruis op tafel en een foto van de Führer achter zich, dat werd toen in prime­time voor drie miljoen Vlamingen ­uitgezonden, hè. Wat een onwaarschijnlijke verrijking om die ­mensen tenminste hun mening te horen zeggen en wat een ­verarming en verschraling die we nu doorvoeren!”

27. Hebt u zichzelf ooit betrapt op racistische gevoelens?

“Op gevoelens die misschien racistisch genoemd worden wel, ja. Op de luchthaven in Sri Lanka, bij zo’n 37, 38 graden vochtige hitte zagen we een jonge gast in een mouwloos T-shirtje met zijn vriendin volledig ingedraaid in een zwart gewaad, met enkel een netje voor haar ogen. Dan denk ik: gij voze appel, dat wil je toch niet! Ik geloof in geen honderd­duizend jaar dat die vrouw daarvoor kiest.”

28. Wat betekent geld voor u?

“Ah. Iets wat je met mate moet hebben. De meeste mensen die over geld zijn gaan beschikken in de loop van hun leven, zijn slecht geëindigd. Ik ga geen namen noemen.”

29. Wat zoekt u op reis?

“We reizen nog één keer per jaar met het vliegtuig, en dat is een bewuste keuze. Je moet eens op Flight­radar24 surfen, dan zie je hoeveel vliegtuigen er in de lucht hangen. Je gilt van de schrik, hè! Dus wij vliegen nog één keer en betalen dan bij Joker een CO2-compensatie. Begin dit jaar hebben we Japan bezocht. We reizen altijd in de winter, want die is hier heel grijs en lang.”

30. Hoe werkt u mee aan een betere wereld?

“Jeroen Olyslaegers is een waakzaam oog in zijn stad. Soms denk ik weleens: het zou goed zijn mocht ik dat wat meer zijn. Maar van hieruit probeer ik toch ook in mijn columns een spiegel voor te houden. Er zijn toch lezers die mij zeggen dat ik hen anders heb doen kijken. Af en toe draai ik weleens een vijs los om de dingen van een andere kant te tonen. Ik zeg niet dat ik hiermee de wereld verander, maar helemaal nutteloos wil ik me toch niet voelen. Ik vind het toch wel belangrijk om een stem te hebben en zachtjes te fluisteren. In mijn boeken zit dan weer een tik tegen de flauwheid. Niet alles moet passen in wat de culturele elite als politiek correct beschouwt.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden