Vrijdag 15/11/2019
Caroline Pauwels: ‘Mijn genezingskansen? De dokters praten er niet over en ik vraag er niet naar.’

Interview Caroline Pauwels

VUB-rector Caroline Pauwels: ‘Mijn kansen op genezing? De dokters praten er niet over en ik vraag er niet naar’

Caroline Pauwels: ‘Mijn genezingskansen? De dokters praten er niet over en ik vraag er niet naar.’ Beeld Thomas Sweertvaegher

Nadat Caroline Pauwels (55) in juni te horen kreeg dat ze kanker had, verdween ze even van de radar. Maar sinds de opening van het nieuwe academiejaar is de VUB-rector weer alomtegenwoordig. ‘Ik heb de voorbije maanden al even vaak gelachen als gehuild.’

“Kanker of niet, ik ga straks in de AB naar Brihang kijken”, zegt Caroline Pauwels. Haar ogen fonkelen harder dan een glitterpump van Jimmy Choo. “Ik ben een grote fan van Brihang. Geen hiphopper is poëtischer dan hij.” Een paar uur later zal ze op haar Facebookpagina enkele foto’s van het concert delen. Ze voegt er een geparafraseerd stukje tekst uit de Broadway-musical A Chorus Line aan toe: ‘But I felt nothing. Except goooooood.’

Voor wie het nog niet had meegekregen: de door maag- en slokdarmkanker getroffen VUB-rector is nog niet meteen van plan om een euthanasieformulier te downloaden. Haar kankercellen mogen dan hun best doen om haar lichaam van binnenuit op te vreten, op haar levenslust krijgen ze voorlopig geen vat. “Ik vecht niet tegen de dood, ik vecht voor het leven”, liet ze in Knack optekenen. “Ook als je ziek bent, kun je nog mooie dingen doen”, klonk het in De zevende dag.

De daad bij het dappere woord voegend, publiceerde ze in een maand tijd liefst twee boeken: Ode aan de verwondering, een tachtig pagina’s tellend pleidooi om de wereld te zien als één groot Surprise-ei; en Wonderlust, een interviewboek waarin ze samen met journalist Pat Donnez en filosoof Jean Paul Van Bendegem uitlegt hoe je van het leven meer kunt maken dan een aaneenschakeling van softwareupdates, katers en boterhammen met preparé.

BIO

• geboren in Sint-Niklaas op 23 juni 1964

• studeerde filosofie aan de UFSIA en communicatie­wetenschappen aan de VUB

• hoogleraar communicatie­wetenschappen, gespecialiseerd in mediabeleid

• sinds september 2016 rector van de VUB

• woont in Watermaal-Bosvoorde

• heeft twee kinderen: Emil en Anna Violette  

Met de ondertitel De kunst van een mooi leven positioneert Wonderlust zich als een gebruiksaanwijzing bij het bestaan. Aangezien dat genre de laatste jaren tekenen van saturatie begint te vertonen, vraag ik waarin Wonderlust verschilt van andere levensbeschouwelijke titels. “Wonderlust is niet dogmatisch”, zegt Caroline Pauwels. “We leggen de lezer geen onwrikbare geboden op. Dat is belangrijk, want een mooi leven is niet per se een coherent leven. Zelf vind ik bijvoorbeeld dat we absoluut iets aan het klimaat moeten doen. En toch leef ik niet elke minuut van de dag klimaatbewust. Ben ik daarom hypocriet? Ik vind van niet. Het is niet omdat je ergens heel hard in gelooft, dat je niet af en toe een steekje mag laten vallen. Van dat uitgangspunt is Wonderlust doortrokken. En dat geeft de lezer ademruimte, vermoed ik.”

Is het niet te ironisch voor woorden dat ze een boek met levensadviezen uitbrengt, uitgerekend op het moment dat er achter haar eigen leven een vraagteken wordt geplaatst? “Dat is zo”, glimlacht ze gelaten. “En toch heeft mijn ziekte Wonderlust op geen enkele manier beïnvloed. Toen Pat, Jean Paul en ik onze laatste gesprekken voerden, wist ik al dat ik kanker had. Maar aangezien ik op dat ogenblik nog niet eens mijn eigen kinderen had ingelicht, heb ik gedaan alsof er niks aan de hand was. Dat kostte me trouwens weinig moeite: ik heb tijdens de interviews voor Wonderlust nauwelijks aan mijn diagnose gedacht.”

Ze neemt een slokje van haar biologisch geproduceerde limonade en zegt: “Toen ik mijn andere boekje – Ode aan de verwondering – voor het eerst in mijn handen hield, heb ik me wel afgevraagd: ‘Is dit nu mijn testament? Is dit het laatste wat ik geschreven heb?’ Maar meteen daarna dacht ik: een tekst die oproept om in een staat van kinderlijke verwondering te leven: qua testament is dat zo slecht nog niet. Als het lot er zo over beslist, laat mijn liefdesverklaring aan de verwondering dan maar mijn ultieme boodschap aan de wereld zijn. Al hoop ik natuurlijk dat het dat níét wordt.”

‘Ik ben heel blij dat ik samen met mijn vriendinnen nog altijd in het openbaar de slappe lach durf te krijgen.’ Beeld Thomas Sweertvaegher

In Ode aan de verwondering roept ze op om ‘been there, done that’-gedachten te vermijden en een kinderlijke blik op de wereld te cultiveren. Slaagt ze daar op haar 55ste zelf nog in? “Ja. En ik moet daar eigenlijk weinig voor doen. Ik heb mijn kinderlijke nieuwsgierigheid nooit verloren. Mijn kinderen hebben zich dat bij momenten wel eens beklaagd. (lacht) Op een dag reden we met de auto ergens naartoe en zagen we een ree staan. Ik vond dat een absolute verrukking en was in alle staten, terwijl mijn kinderen – het waren al pubers – hun wenkbrauwen optrokken en zeiden: ‘So? Dit is een ree, ja. Kun je dan nu opnieuw normaal doen?’” (lacht)

Misschien moet de wetenschap maar eens een miniem brein-ingreepje bedenken dat ook pubers toelaat om nog onbevangen naar de wereld te kijken, opper ik. Ze lacht en zegt: “Ik denk dat we daar vooral in onze opvoeding aan moeten werken. Veel ouders zeggen tegen hun kinderen dingen als: ‘Doe niet onnozel’, ‘Dat is nu eenmaal zo’, ‘Spreek met twee woorden’. Een begrijpelijk onderdeel van het opvoedingstraject, maar als je niet oplet, bouw je in je kind zo veel remmen in dat het elke vorm van spontaniteit verliest. En dat zou zonde zijn.

“Ik ben in ieder geval heel blij dat ik samen met mijn vriendinnen nog altijd in het openbaar de slappe lach durf te krijgen. Ik zie andere mensen dan denken: ‘Maar enfin. En dat op hun leeftijd.’ (lacht) Maar daar trek ik mij weinig van aan. Er is niks zo heerlijk als de slappe lach krijgen, elkaar aankijken en opnieuw in lachen uitbarsten. Lachen is lang niet au sérieux genomen – en bijgevolg ook niet wetenschappelijk bestudeerd - maar het is een van de mooiste bezigheden waaraan een mens zich kan overgeven.”

Kankermopjes

Valt er ook te lachen met een ongenadige ziekte als kanker? “O ja. Ik heb de voorbije maanden al even vaak gelachen als gehuild. Toen ik een goeie vriend vertelde dat ik kanker had, zei hij: ‘Aha, nu kan ik jou al mijn kankermopjes vertellen!’ Ik heb geantwoord: ‘Die kankermopjes mag je voor jezelf houden, maar je mag gerust met míj lachen.’ En dat doet hij dan ook. Met verdacht veel overgave, zelfs.” (lacht)

En dan heeft mevrouw de rector plots zin in een peer. Een harde. Een van haar medewerkers zet een kom vol peren op tafel. ‘Kies er de hardste maar uit’, zegt hij. Wanneer de peren na rectorale inspectie allemaal van het zachte type blijken te zijn en de kom weer weg mag, richt de medewerker zich tot mij: “Niet dat de rector kieskeurig is, hoor. Verre van.”

Pauwels lacht. Plaagstoten zijn op de vijfde verdieping van het Braemgebouw niet verboden. Ook niet in tijden van tegenspoed.

Ze vertelt me hoe ze haar vrienden heeft meegedeeld dat ze ziek was. Het gebeurde – dat kon even niet anders – op haar verjaardag. “Ik was een Whats­App-groepje aan het samenstellen van iedereen die ik op de hoogte wilde brengen. Mijn vrienden zagen dat. Maar omdat ik verjaarde, dachten ze: ‘Caroline wil ons uitnodigen voor een feestje vanavond.’ Toen ik klaar was om hen te melden dat ik kanker had, waren ze al volop aan het speculeren over waar mijn feestje precies zou plaatsvinden en wie ik allemaal zou uitnodigen.” (lacht)

Humor is verdriet dat op zijn kop staat. Zeg dat Ernest Claes het gezegd heeft.

‘Er zijn momenten waarop ik alles gitzwart zie. Maar er zijn ook momenten waarop ik mij volstrekt zorgeloos voel.’ Beeld Thomas Sweertvaegher

Wanneer ik schoorvoetend naar haar genezingskansen pols, zegt ze: “Daarover kan ik kort zijn: de dokters praten er niet over en ik vraag er niet naar. Ik heb begrepen dat maag- en slokdarmkanker in meer dan 80 procent van de gevallen mannelijke zestigplussers treft. En dat het bijgevolg erg ongewoon is dat een 55-jarige vrouw eraan lijdt. Maar voor de rest ben ik niet van plan om over mijn ziekte iets op te zoeken. Dat is misschien niet bijster wetenschappelijk, maar ik wil mij niet laten destabiliseren.”

Liever dan dokter Google te consulteren, kiest ze voor activiteiten die haar lichaam en geest opmonteren. Zwemmen, bijvoorbeeld. “Een tijdje geleden ben ik om zeven uur ’s ochtends in de Noordzee gaan zwemmen. Ik lag helemaal alleen in die grote plas, er was niemand op het strand, ik hoorde alleen mijn eigen ademhaling en het geklots van het water. ‘Wow’, dacht ik met een brede smile op mijn gezicht, ‘dit is écht leven.’”

De herinnering is zoet, ze trekt zich even terug in haar gedachten. In de stilte die ontstaat, hoor ik Elisa Waut in mijn hoofd ‘Sailors Don’t Cry’ zingen. Therapeuten zullen er vast een uitleg voor hebben.

Wanneer Caroline Pauwels opnieuw gespreksklaar is, vat ze onbeschroomd haar state of heart voor me samen. “Er zijn momenten waarop ik alles gitzwart zie. Maar er zijn ook momenten waarop ik mij volstrekt zorgeloos voel. Eén ding is zeker: ik wil opnieuw aanhaken bij het leven. Ik zou me ook kunnen laten gaan – dat zou in de gegeven omstandigheden niet zo moeilijk zijn – maar daar pas ik voor. Er zijn trouwens maar weinig kankerpatiënten die de moed opgeven. Als de dood lonkt, doen de meeste mensen er alles aan om zo lang mogelijk te blijven leven. Dan is zelfs een extra uur de moeite waard.”

‘Wat ik me heb afgevraagd, is: wat zullen – ooit – mijn laatste gedachten zijn?’ Beeld Thomas Sweertvaegher

Ik vraag of ze gelooft in een wisselwerking tussen lichaam en geest. Of ze denkt dat ze minder kans heeft om te genezen als ze er mentaal onderdoor gaat. “Ik geloof dat lichaam en geest tot op zekere hoogte één zijn, ja. Of dat een wetenschappelijk onderbouwd geloof is, heb ik niet onderzocht. (glimlacht) Maar ik weet wel dat yoga – de niet al te esoterische variant, bedoel ik dan – mij al veel deugd heeft gedaan. Als ik voor een lastig onderzoek sta, ga ik altijd in yogamodus. Dat helpt mij om het onderzoek in kwestie te doorstaan.”

Overweegt ze als patiënt behandelingen die ze als wetenschapper hoort af te wijzen? “Ik ga niet op zoek naar alternatieve behandelingen, als je dat bedoelt. Al weet ik natuurlijk niet wat ik ga doen als ik op een dag te horen krijg dat ik uitbehandeld ben. Misschien ben ik dan wél bereid om een of andere wazige therapie uit te proberen. Maar tot nog toe benader ik mijn ziekte wetenschappelijk.

“Zeker in het ziekenhuis treedt mijn analytische geest snel in werking. Ik bekijk dan hoe de werking van het ziekenhuis nog verbeterd kan worden. Of ik schrijf in gedachten een sociologische observatie over al die jonge mensen die op de oncologische dienst werken.

“Het helpt natuurlijk dat ik – nog? – niet volledig murw geslagen ben. Mocht ik doodziek in een rolstoel zitten, zou ik in de kliniek al heel wat minder observeren. Dan zou ik alleen maar hopen dat mijn pijn zo efficiënt mogelijk onderdrukt wordt en dat mij een zekere sereniteit gegund wordt. Want vergis je niet: ook al maak ik soms grapjes over mijn ziekte, ik word heel vaak getroffen door de verwoestende impact die kanker op mensen heeft. Er zijn patiënten die nog tien keer, wat zeg ik: hónderd keer moediger zijn dan ik.”

Kleinkinderen

Op sommige vragen ken je het antwoord al. En toch stel je ze. “Of ik vaak verdrietig ben? Natuurlijk. Maar niet omdat ik denk: wat overkomt mij nu toch? Wel omdat ik moet vaststellen dat mijn energiepeil zakt. Dat ik sommige dingen niet meer voor elkaar krijg. Ik doe niks liever dan koken voor mijn vrienden. Alleen: door mijn behandeling walg ik momenteel van eten. Als je mij zou vragen wat ik straks ga eten, zou ik je met grote, holle ogen aankijken. Vrienden rond mijn eettafel verzamelen en gezellig voor hen koken, lukt me momenteel dus niet. Het zijn die dingen waar ik nog het meest verdrietig om ben.”

Sinds ze de status van kankerpatiënt heeft, vraagt ze haar vrienden en vriendinnen om haar bij wijze van troost grappige filmpjes van hun kinderen door te sturen. Vertedering als antidotum tegen verdriet. “De ongekunsteldheid van kinderen zien, helpt me om mijn levenslust op peil te houden.”

Ook haar eigen kinderen stutten haar hart. Emil (21) studeert in Canada, maar nam een gap year om wat vaker bij zijn moeder te kunnen zijn. Anna Violette (19) zou in Parijs kunst gaan studeren, maar week uit naar de VUB en de kunstacademie in Brussel. “Ik wilde eigenlijk niet dat mijn kinderen hun plannen voor mij zouden aanpassen”, zegt Caroline Pauwels. “Maar ze zijn volwassen, ik heb hen niet te zeggen wat ze wel of niet moeten doen. En natuurlijk ben ik ook wel blij dat ze zo vaak bij me zijn.”

Een stilte, een kuchje, een zucht. Dan: “Ik ben opnieuw brieven naar mijn kinderen beginnen te schrijven. Dat deed ik vroeger ook al. Wanneer Emil en Anna Violette vonden dat ik als moeder een verkeerde beslissing had genomen, gaf ik hen in een brief wat extra duiding. Maar vandaag valt het schrijven van die brieven me een stuk zwaarder dan vroeger. Ik word er soms verschrikkelijk emotioneel van.”

‘Het besef dat ik eindig ben, heeft ervoor gezorgd dat ik een vrij getalenteerd levensgenieter ben geworden.’ Beeld Thomas Sweertvaegher

Voor het eerst klinkt in haar stem een vorm van vertwijfeling door. Dat haar kinderen nog zo jong zijn, zegt ze. En dat ze er altijd zo naar heeft uitgekeken om kleinkinderen te hebben. “Ik hou al jaren het speelgoed van mijn kinderen bij om het aan mijn toekomstige kleinkinderen te kunnen geven.” Ze zegt er niet bij: ‘Heb ik dat dan allemaal voor niks gedaan?’ Maar haar ogen vragen het zich wel af.

Ik vraag of ze voorbereid is op een negatief verdict. Of ze mentaal al heeft gerepeteerd wat ze dan gaat denken, zeggen en doen. “Ik denk niet dat je op voorhand kunt inschatten hoe je op een doodvonnis reageert”, zegt ze. “Dat weet je volgens mij enkel op het moment zelf. Wat ik me al wél heb afgevraagd, is: wat zullen – ooit – mijn laatste gedachten zijn? Gaat mijn brein zich tijdens de laatste minuten van mijn leven concentreren op de goeie dingen die ik heb meegemaakt? Of op de slechte? I hope the leaving is joyful, om het met Frida Kahlo te zeggen. Ik las dat Marieke Vervoort met een glas cava in de hand afscheid heeft genomen van het leven. Dat vind ik wel mooi.

“Bang ben ik in ieder geval niet. Misschien komt dat omdat ik altijd al doordrongen ben geweest van mijn eigen sterfelijkheid. Het leven hangt altijd aan een zijden draadje, zo eenvoudig is het. Ik moet nu leven met een existentiële onvoorspelbaarheid, maar eigenlijk is onze existentie per definitie onvoorspelbaar. Gelukkig maar, zou ik zeggen. Het besef dat ik eindig ben, heeft ervoor gezorgd dat ik mij niet te veel au sérieux heb genomen. En dat ik een vrij getalenteerd levensgenieter ben geworden. (lacht) Ik leef ontzettend graag. Ik probeer me met alles wat ik in me heb terug te knokken naar het leven dat ik had vóór ik ziek werd.”

In Het Nieuwsblad zei ze: ‘Mijn diagnose heeft me laten voelen hoe graag ik gezien word.’ Ik vraag of ik dat een van de positieve neveneffecten van kanker mag noemen: dat de ziekte liefde zichtbaar maakt. “Ik zal niet gauw de woorden ‘kanker en ‘positief’ in een en dezelfde zin gebruiken. (lachje) Maar de liefde die ik de voorbije tijd heb mogen ervaren, ontroert mij... mateloos. Ik had totaal niet door dat ik zo graag gezien word. En ik moest niet eens doodgaan om dat te weten te komen. (lacht)

Beeld Thomas Sweertvaegher

“Hoe mijn familie, vrienden en collega’s zich organiseren om mij te helpen, je houdt het niet voor mogelijk. Als ik nog maar opper dat ik misschien zwemvliezen nodig heb om ondanks mijn verzwakte staat nog in een aanvaardbaar tempo te kunnen zwemmen, gaan mijn vrienden direct in overdrive: ‘Zwemvliezen! Caroline heeft zwemvliezen nodig!’ En binnen het halfuur héb ik die zwemvliezen dan ook. Hallucinant. Er zijn zelfs vreemden die me lange, mooie brieven schrijven. Ik ga voor de mensen nooit hetzelfde kunnen doen wat zij allemaal voor mij doen. Ik moet mij inhouden om mij daar niet schuldig over te voelen.”

De afgelopen maanden verbleef ze met haar gezin en haar vrienden vaak in Oostende. Speelt de koningin der badsteden een rol van betekenis in haar genezingsproces? Ze knikt en zegt: “Ik hou ontzettend veel van het strand, de zeelucht, het eeuwige spel van eb en vloed. En Oostende is een beetje zoals Brussel: schoonheid en lelijkheid zijn er in gelijke mate vertegenwoordigd. Dat vind ik heerlijk. Knokke is me te eenduidig. Ik kan wel een tijdje genieten van orde en properheid, maar daarna verlang ik toch weer naar een portie chaos en smerigheid. (lacht) Oostendenaren zijn vaak ook wilde denkers. Mensen die hun voeten vegen aan het status quo. Die hun gedachten alle kanten laten opwaaien. Ik mag graag denken dat dat het heilzame effect is van de zeewind.”

Op mijn vragenlijst staat nog: ‘Gaat u zich begin volgend jaar opnieuw kandidaat stellen voor het rectorschap?’ Het komt me plots als een bijkomstigheid voor, maar ik besluit de vraag toch maar op tafel te leggen. “Voor ik ziek werd, wilde ik héél graag opnieuw rector worden. Vier jaar is eigenlijk te weinig om je stempel op een universiteit te drukken. Maar mijn kandidatuurstelling is hypothetisch geworden. Als mijn gezondheid het toelaat, zal ik kandidaat zijn, anders niet. Hoe dan ook: zelfs mocht het mij gegeven zijn om mezelf op te volgen, zal ik beduidend meer momenten van rust moeten inlassen. Daar ontkom ik niet aan.”

We hebben bijna twee uur gepraat, haar medewerkers komen polsen of ze niet te moe is. Lees: of het niet hoog tijd wordt om de mijnheer van De Morgen met zijn klikken en klakken buiten te smijten. Hoewel Pauwels aangeeft dat ze nog niet meteen in elkaar dreigt te zakken, ronden we af. Hoffelijkheid gaat boven nieuwsgierigheid. En bovendien moet ze nog naar Brihang.

In de auto op weg naar huis herinner ik me plots een flard van ons vorige gesprek, in februari van dit jaar. “Wat beschouwt u als uw grootste uitdaging?”, had ik gevraagd. “Dit leven overleven”, had ze geantwoord.

Rectoren beschikken soms over profetische gaven.

Caroline Pauwels, ‘Ode aan de verwondering’, Academia Press, 96 p., 7,99 euro. Beeld RV
Pat Donnez, Caroline Pauwels en Jean Paul Van Bendegem, ‘Wonderlust - De kunst van een mooi leven’, VUB Press, 188 p., 19,95 euro. Beeld RV
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234