Dinsdag 17/09/2019

Reportage Mode

Van trash naar fashion: De Franse ontwerpster Marine Serre upcyclet oude kleding tot ‘futurewear’

Backstage bij het recente defilé van Marine Serre in Parijs Beeld Photo News

De Franse ontwerpster Marine Serre lanceert zich in een rotvaart naar de top van de modewereld. In haar erg succesvolle merk upcyclet ze oude kleding en reststoffen tot nieuwe ‘futurewear’. ‘Wie nu een label begint, moet groen denken.’

Marine Serre legde in ­sneltempo een adem­benemend parcours af. De Franse ontwerpster studeerde aan de Brusselse modeschool La Cambre en werkte daarna voor Annemie Verbeke, Martin Margiela, Alexander McQueen en Dior, toen Raf Simons daar aan het hoofd stond. “Bij een klein huis als Annemie Verbeke doet iedereen alles zelf, daar zie je snel de ­achterkant van het decor. Bij Dior is alles veel groter, daar leer je dan weer andere dingen.”

Serre, 27, begon haar eigen ­collectie toen ze bij Balenciaga voor Demna Gvasalia werkte. Vrijwel meteen won ze de LVMH Prize, de grootste prijs voor ­aanstormend modetalent. Sinds haar debuut vorig jaar worden haar ­kleren wereldwijd verkocht door de beste winkels, en gedragen door iedereen van Beyoncé tot Kylie Jenner – haar kwartmaan-monogram heeft cultstatus. Na amper drie seizoenen heeft Serre bewezen dat upcycling en high fashion perfect samengaan.

Enkele maanden geleden ­verhuisde ze van een klein atelier in het centrum van Parijs naar twee etages in een voormalig ­kantoorgebouw aan de rand van de stad. De ruimte is, naar Parijse ­normen, immens. Maar dat is nodig. Marine Serre heeft 30 mensen in dienst. Twee jaar ­geleden waren dat er drie, zijzelf en haar vriend inbegrepen.

Een van de etages is grotendeels gewijd aan upcycling. “We recupereren tonnen en tonnen oude ­kleren. We wassen en ­rangschikken alles ter plekke. Alleen de laatste stap – het in elkaar naaien van het uiteindelijke kledingstuk – wordt uitbesteed.”

Serre verdeelt haar collecties onder in vier lijnen: Green, Red, White en Gold. Basics krijgen een wit label, de meer experimentele stukken zijn rood of goud. De Green Line — de grootste categorie — omvat alles wat upcycling is. Want Serre is dus niet alleen een van de meest creatieve ontwerpers van haar generatie, ze is ook een van de meest milieubewuste. Wie nu een label begint, vindt ze, kan niet anders dan groen denken.

Het is een hele uitdaging. “Je hebt zes maanden om een collectie te maken”, zegt ze. “Dat is op zich al erg kort. Als je jezelf dan nog wat stokken in de wielen steekt door koste wat kost aan upcycling te ­willen doen, wordt het allemaal nog wat complexer. Maar voor mij moet mode duurzaam zijn. Het is een van de redenen waarom ik mijn eigen merk ben begonnen.”

Ze is nog maar pas bezig, maar heeft tegelijk haar tijd genomen. “Toen ik de LVMH Prize won, in juni 2017, was dat onverwacht. Ik was daar totaal niet op voorbereid. Ik ben nog drie maanden bij Balenciaga blijven werken terwijl ik ’s nachts in mijn appartementje aan mijn eigen collectie werkte. Dat was zwoegen. Veel mensen gingen ervan uit dat ik al in september zou showen tijdens de modeweek. Maar ik dacht: het is niet omdat je 200.000 euro hebt gewonnen dat je je moet haasten. Ik heb een seizoen gewacht, net genoeg om eens goed na te denken. Je hebt dat bedrag gewonnen – wat ga je ermee doen? Waar heb je zin in? Wat kun je beter dan andere ontwerpers? Hoe kun je een verschil maken? Waar erger je je aan in de mode, en wat kun je daar aan doen?”

“Er wordt elke dag wel ergens een nieuw label gelanceerd. Ik vind niet dat ik noodzakelijk meer talent heb dan andere ontwerpers. Net daarom was het voor mij belangrijk om met mijn mode te reageren op wat ik rond mij zag. Om iets te doen dat nieuw zou zijn, maar ook relevant op lange termijn. Dat half jaar is enorm snel voorbij­gegaan. Ik was tegelijk designer en bedrijfsleider. Ik moest een team samenstellen en voor die vijf of zes mensen een aangename plek ­zoeken. Uiteindelijk is alles redelijk organisch verlopen. Ik heb de ene bal na de andere opgevangen, en ze allemaal tegelijk in de lucht gehouden.”

Het recente defilé van Marine Serre in Parijs. Beeld rv

“We zijn intussen met 30, en ik heb nu een duidelijk plan. Enfin, ik heb altijd geweten wat ik wilde, maar al doende word je scherper. Je bouwt ook een familie, een team — je bent niet langer de enige die ervan overtuigd is dat het kan ­werken.”

Haar eerste show, in februari vorig jaar, werd bijzonder enthousiast onthaald. “Ongeveer 30 ­procent van die collectie was ­gerecycleerd. Voor mij was dat ­evident: in mijn mastercollectie aan La Cambre werkte ik ook al op die manier. Ik vond het in eerste instantie niet nodig om daarover te communiceren. Mooie kleren maken, dat was toch de prioriteit.”

“Ik vind het belangrijk dat ­upcycling niet alleen toegankelijk is voor een beperkt aantal mensen, een nicheproduct. Dat zou ­tegenstrijdig zijn met wat we ­proberen te doen. Maar het maakt de uitdaging tegelijk nog veel ­groter. De prijzen verlagen en ­tegelijk de kwaliteit behouden, daar moet je aan werken. Dat we nu plek genoeg hebben om in huis te kunnen experimenteren, is mooi meegenomen. We winnen tijd, en we zijn vrijer.”

Knip- en plakwerk

“Meestal beslissen we vooraf met welke stoffen we willen werken, daarna gaan we zoeken in ­gespecialiseerde depots. Soms is het ­omgekeerd en vertrekken we van wat we vinden. In dat proces kruipt sowieso veel tijd. Wat is er in voorraad, in welke hoeveelheden? Daarna moet je nog uitzoeken hoe je van een kledingstuk dat vaak niet meer is dan een stukje textiel iets nieuws kunt maken. Dat doen we hier. Sommige stukken zijn veel complexer dan andere. Die brengen we onder in de Red Line. Die is, net als de Green Line, honderd procent upcycling, maar meer ­couture, en dus ook veel duurder. Omdat het fijn is als je als ontwerper kan doen waar je zin in hebt, en niet voortdurend over de ­verkoopprijs moet zitten nadenken. De Red Line is superniche. En daar is vraag naar. De rode loper, celebrity’s, dat blijft belangrijk. We krijgen voortdurend vragen. Dat gezegd: het is te nemen of te laten. Ze houden van mijn mode of ze houden er niet van. De Green Line, daarentegen, moet wél betaalbaar zijn: je kunt een gerecycleerd ­T-shirt niet vijf keer duurder ­verkopen dan een gewoon T-shirt.”

Marine Serre. Beeld rv

De basisstukken van de White Line zijn niet honderd procent ­gerecycleerd. “Maar,” zegt Serre, “we letten wel op. We gebruiken Franse wol, gerecycleerde jersey.” De Gold Line, ten slotte, houdt haar wakker. “In die lijn zitten de stukken die opvallen tijdens een show. Hybride en sculpturaal. Ik houd van onverwachte combinaties van materialen, voor fabrikanten is dat horror. Maar je moet dergelijke stukken maken om als ontwerper vooruit te kunnen.”

Ze vertelt dat ze intussen ­nergens nog schrik van heeft. “We hebben in die paar jaar al zoveel meegemaakt. In het begin is alles moeilijk. Maar we zijn gegroeid, en dat is omdat we wílden groeien. Ik heb anderhalf jaar lang dag en nacht gewerkt, weekends inbegrepen. Ik werk me nog altijd te ­pletter, soms, maar het gaat stilaan toch minder hard. Dat is een goed teken. Het team is groot genoeg, de collectie verkoopt.”

Vrije vogel

Marine Serre heeft geen externe investeerders. Evident is anders, maar ze stelt wel haar onafhankelijkheid op prijs. “Voor wat wij doen is dat belangrijk. Onafhankelijk zijn betekent vooral dat je vrij bent. Ik weet niet wat de toekomst brengt, maar op dit moment is die vrijheid voor ons essentieel omdat ze ons toelaat te experimenteren en flexibel te zijn. Misschien denk ik daar over 30 jaar anders over. Of al vroeger. Het gaat allemaal zo snel.”

In februari opende ze de Parijse modeweek met een spectaculaire show in een gigantisch ondergronds complex van wijnkelders, net buiten Parijs. De collectie was donker en futuristisch, met iets van Mad Max, maar dan gezien onder ultraviolet licht.

Ze beschrijft de show, Radiation, als een scharnierpunt. “Het was in vele opzichten een moeilijk jaar: je evolueert van jonge ontwerper die de LVMH Prize heeft gewonnen, tot een soort fenomeen. Er komen 600 mensen naar je show, iedereen die telt is er, en de collectie verkoopt.”

“De apocalyps was zelden zo inspirerend”, schreef The New York Times na de show. Serre zegt dat ze het thema uit de lucht heeft geplukt. “Ik wilde uitdrukken hoe ik me voelde, en hoe veel mensen zich voelen — een gevoel van ­algehele verstikking. Dit was mijn manier om alles te absorberen. Soms moet je door een apocalyps als je het volgende niveau wilt bereiken. En dan verdwijn je, of overleef je. En kijk, we zijn er nog, en dat is positief, en met de show in september zetten we hopelijk opnieuw een stap vooruit.”

Backstage bij het recente defilé van Marine Serre in Parijs. Beeld rv

Vindt ze zichzelf radicaal? “Dat hangt ervan af waarover het gaat. Het is in elk geval een woord dat vaak terugkeert in alles wat ik doe. Je kunt op verschillende manieren radicaal zijn. In je werk, maar ook in de manier waarop je dat werk structureert. Hoe je met anderen samenwerkt, hoe dat je mode ­beïnvloedt, en je shows. Je creëert een soort ecosysteem, en daarvoor heb je een heldere blik nodig. In die zin moet je radicaal zijn. Op een bepaald moment moet je beslissingen nemen. Je moet proberen om rechtvaardig te zijn, en om het juiste moment te kiezen.

“Daarnaast moet je ook radicaal zijn in je enthousiasme: zin hebben om de dingen te veranderen, of om dat tenminste te proberen. Want als je geen zin hebt — als de passie ­ontbreekt — dan begin je er beter niet aan.”

Nog meer upcycling

Mode is niet duurzaam. Hoe kan het ook anders als je elk seizoen – en dikwijls vaker – je eigen, nog perfect draagbare producten passé verklaart, en ze vervangt door een nieuwe karrenvracht kleren en accessoires. H&M kwam vorig jaar in het nieuws toen uitlekte dat het bedrijf op een berg onverkochte kleren zat ter waarde van bijna 4 miljard euro. Burberry maakte een slechte beurt toen bekend raakte dat het tonnen ­onverkochte handtassen en trenchcoats had laten verbranden. Het Britse merk zou zich ertoe hebben verbonden om dat niet langer te doen.

Terwijl de modemerken aan sneltempo nieuwe kleren blijven aanleveren, is er een groeiende vraag naar tweedehandskleren. Vintage was nog nooit zo populair – websites en apps als Vestiaire Collective, Depop of Vinted doen gouden zaken. In Japan wordt intussen zelfs gehandeld in half ­opgebruikte foundations en lipsticks, meldt de website Business Of ­Fashion.

En ontwerpers? Die doen steeds meer aan upcycling: ze maken van ­ongewenste spullen iets begerenswaardigs. Martin Margiela en ook ­Marina Yee waren pioniers op dat vlak. Van de huidige generatie jonge designers is Marine Serre een succesvol voorbeeld, net als de ­Nederlandse ontwerper Ronald van der Kemp. Zijn RVDK, hashtag ­#newethicsinluxuryfashion, noemt zich ‘s werelds eerste sustainable ­couturelabel. Van der Kemp werkt net als Serre met vintage stoffen. Hij heeft de voorbije jaren zowat elke ster die telt gekleed, tot Céline Dion toe. In de VS wordt Emily Bode als een grote belofte gezien. Met haar mannenlabel Bode vertrekt ze van antieke quilts en dito stoffen (Franse gordijnen uit de jaren 20 inbegrepen), en ze gebruikt traditionele, ­doorgaans als typisch vrouwelijk beschouwde technieken. Bode showt sinds juni tijdens de modeweek van Parijs. Ook interessant is de aanpak van Yves Salomon. De Franse bontspecialist liet een upcyclecollectie ­ontwerpen door de Amerikaanse cultdesigner Andre Walker. Bont wordt steeds minder graag gezien, om evidente redenen, maar bont is wel een zeldzaam materiaal dat als duurzaam wordt beschouwd, en dan zeker als het gerecycleerd wordt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234