Zondag 16/06/2019

reportage

Van De Panne naar Knokke: wie leeft er aan de kust, voor het hoogseizoen start?

Op het strand van Oostduinkerke demonstreert Dominique aan een zeeklas hoe je dat doet, garnalen vangen. Beeld Tim Coppens

Straks is het weer druk aan de kust. Dan is de zee van iedereen. Maar van wie is ze nú, zo net voor het hoogseizoen? Wie leeft er in de ‘in tussentijd’? Een voettocht van De Panne naar Knokke, om te praten met wie wilde. Over het weer en meer.

Het idee is simpel. We lopen van De Panne naar Knokke, pakweg 60 kilometer. Eerlijk is eerlijk: tweemaal spelen we vals en weerstaan we niet aan de kusttram. Laten we het overmacht ­noemen. Een overzetboot die nog niet op volle toeren draait; een acute vorming van een millefeuille van blaren op een voet.

Tot daar deze dienstmededeling. Dit is niet het verhaal van de lustige stappers, een fotograaf en een journalist. Dit is het verhaal van zij, de velen, die we tegenkomen. Passanten, bewoners van de kustlijn in de dagen voor de vloed.

“Dat we individuen zijn, is niet juist. Dat is een westerse ziekte. Er is geen enkel ­atoompje op deze wereld dat op zichzelf staat. Of we het nu willen of niet, we zijn altijd verbonden.”

Misschien is het Willy wel, een zeventiger met een sigaartje op een bank in de ­avondzon van Sint-Idesbald die, schijnbaar toevallig, de vinger op het doel van de tocht legt.

Willy stelt zich voor als een gepensioneerde nietsnut. Het tegendeel zal blijken. “Ik was professor in Leuven aan de faculteit Psychologie en Pedagogische Weten­schap­pen, maar eigenlijk ben ik elektromechanicus. Ik ben in eerste instantie technisch opgeleid. Pas veel later kwam ik in de ­humaniora terecht.”

De carrière van Willy kende vele kronkels. Hij wijt het aan sociologie. “Mijn vader was een ongeschoolde arbeider en met Grieks en Latijn kun je de boterham niet ­verdienen, hè.”

Zo zal het deze vier dagen vaak gaan. Eerst is er oogcontact, altijd gevolgd door een praatje over het weer om vervolgens vol in het leven van iemand binnen te stappen. Dat van Willy gaat als volgt. “Ik was een van de eersten die in een klein dorp in het Pajotten­land naar de universiteit ging. Daardoor kreeg mijn vader een meerwaarde als hij een pint in de cafés ging drinken. Ik moet daarop niet fier zijn. Ik heb geluk gehad. Mijn ­loopbaan liep vlot. Maar die afkomst is altijd in mijn kleren blijven hangen. Het gevoel van minder ambitieus te zijn. Niet te vechten.”

Willy was vroeger professor in Leuven. Hij komt uitwaaien aan de zee. Beeld Tim Coppens

Hij kijkt guitig, zichtbaar genietend van het feit dat hij plots gesprekspartners heeft. “Je zit in de stroom van het leven. Het leven voert je naar allerlei dingen. Maar de vrije wil? Echt iets beslissen in je leven, heb ik dat ooit gedaan? Ik heb de lift vanuit de kelder naar de vierde verdieping genomen. Dat besef blijft. Als ik de oervader ben van die stam van ondertussen twaalf – ik heb drie kinderen en negen kleinkinderen – dan heeft mijn vader als ongeschoolde arbeider, onder meer via mij, een hele cultuur gesticht. Maar is dat een verdienste? Nee.”

Aan de zee komt Willy uitwaaien. Wat woorden op gedachten zetten. De tijd van zijn pensioen vindt hij de mooiste. “Ik heb nu de beste relaties met mijn kinderen en kleinkinderen. Omdat ik tien vingers heb die goed kunnen werken. Vroeger dacht ik in citaten, nu denk ik met mijn handen. Ik ga bij hen vloeren leggen, lassen als het moet, en ondertussen eet ik met hen en hun gezinnen mee. Zo leer je elkaar kennen. Mijn technisch diploma komt goed van pas.”

“Vertellen mensen veel?”, vraagt An een beetje schuchter, als we wat verder langs de kust wandelen met onze neus richting Oostende. Ze is een vrouw van 51 uit Lebbeke, die zich schuldig voelt omdat ze wegens een blessure aan de arm haar ­collega’s in de steek laat en zich op een dag in de week zomaar in de zon ­nestelt. Ze heeft een leuke job en fijne ­collega’s, maar vraagt zich af of dit dan voor het leven is. “Is het werkelijk dit? En zo niet, kan ik wel iets anders? Ik weet niet of ik het lef heb om mijn leven om te gooien.”

Ja, mensen vertellen veel en schijnbaar graag, zonder veel moeite of gêne. “Ook trieste of moeilijke zaken?”, gaat ze ­voorzichtig verder. Ja, dat ook.

Ward of Bart

Maar eerst (tromgeroffel) hét gespreksonderwerp met stip op nummer 1: het weer. Het is te koud, te bewolkt, te winderig of – zou het dan toch? – gewoon zalig, snel gevolgd door “maar gisteren was het nóg beter”. En dat in alle mogelijke talen, tegen iedereen die maar in de buurt is. Zelfs de honden ontsnappen niet aan conversaties over het weer. Enkel kinderen lijken er ongevoelig voor. Zij kiezen steevast, bibberend of niet, voor de korte broek. En voor een geel fluohesje, dat ook.

Na de vele oudere kustgangers, vormen kinderen op zeeklas de grootste groep aan zee dezer dagen. Ze komen uit alle ­landhoeken – “Wij zijn van Spa.” Pauze, en dan met veel nadruk: “
Belgique” – en ze bevinden zich meestal op het strand. Daar worden ze door liefhebbers en professionals ondergedompeld in de mysteries van de zee. Op het strand van Oostduinkerke demonstreert garnaalvisser Dominique aan zo’n zeeklas zijn kunde. Het paard heet Ward, maar het zou ook zomaar Bart kunnen zijn. De wind gaat aan de haal met sommige klanken.

Deze bejaarde vrouw komt met haar dochter en hondje een paar dagen genieten aan zee. Beeld Tim Coppens

Hij vangt niet veel, maar geen kind dat daarom maalt. Gillen doen ze toch, ook als de krab slechts een luttele vier centimeter meet.

Over de hele kustlijnen vallen een aantal dezelfde patronen op. Zodra het begint te druppelen, of een spat nog maar dreigt, ­trekken de mensen zich terug in een ­brasserie of hun eigendom. Dat kunnen ze verbazend snel, alsof het een collectief ­ingestudeerd nummertje is. Door de met zout beslagen ramen hervatten ze dan wat ze net ervoor ook al deden: turen naar de zee, loeren naar de medemens.

Enkel de bouwvakkers en hun muziek – ‘Ti Amo’ van Umberto Tozzi wordt her en der meegezongen – gaan nog de strijd met de immense ruimte aan. Of die enkeling die, bescherming zoekend langs de betonnen muur van appartementsgebouwen, nog snel pistolets haalt of noodzakelijkerwijs de hond uitlaat. Of, zoals op het brede, desolate strand tussen Blankenberge en Zeebrugge, terwijl het onweer dreigend dichterbij kruipt, de man met zijn paardenspan. Hij stuwt zijn paarden volle kracht vooruit. Het strand ligt open, adrenaline raast voorbij. Net zo als het donker wordt. Weg iedereen. Alleen een man hoog in de duinen zwaait nog. “Polanski”, roept hij.

Ook terugkerend: “Als het ergens goed is, waarom zou je dan veranderen?” Het is vrouw Dauw van de gelijknamige bakkerij in Lubbeek die het zegt, en haar man Jef beaamt: “Ik ben een Steenbok. Als het in mijn systeem zit, krijg je het er niet meer uit.”

Al jaren logeren ze in hetzelfde hotel in Oostduinkerke, bij Stoffel en Florence. Zo is dat. Al brengen ze wel hun eigen brood mee, want “dat is nog altijd het beste”.

Ze zijn niet de enigen die altijd dezelfde plek uitkiezen. En vooral: ze zijn niet de ­enigen die ervan overtuigd zijn dat net dát stukje het beste van de hele kust is.

Grote liefde

Elvira, ook al is dat niet haar echte naam, komt al dertig jaar in dezelfde strandstoel in De Panne liggen. Ze komt uit Luik en spreekt Nederlands met een Hollands accent. Opgedaan in Den Haag waar ze even woonde, vijftig jaar geleden. Toen en daar leerde ze Theo kennen, haar eerste grote liefde. En ook al heeft ze andere liefdes gekend en gehuwd, ze verlangt ernaar om Theo terug te zien. “Zou hij nog leven?”

Er zijn de drie zussen: al veertig jaar op dezelfde plek. Vroeger met vader en moeder. Nu alleen met moeder. Vader is niet meer.

Eenzelfde fenomeen bij de vaste ­kustbewoners. In meer of mindere mate. In Zeebrugge komen vissers hun vaste cafeetje binnengedruppeld. Hun naam galmt door de zaak. De begroeting is hartelijk en de koffie wordt gretig bijgeschonken. Godverdommes vliegen in het rond. Nieuwe vissers­technieken worden uitgewisseld en dat die van Oostende kieszakken zijn, lijkt een ­vaststaand feit. Daarover alleen eensgezind gebrom. Geen Zeebruggeling die daaraan lijkt te twijfelen.

Wanneer enkele van de vissers buiten rokend hun discussies verderzetten, ziet de oudste van hen, 75 en nog steeds vissend op garnaal, zijn kans. Hij buigt zich over het tafeltje heen en zacht en fier zegt hij: “Frank daar. Dát is een slimme.”

Op café. De vissers zijn net terug van de garnalenvangst. Beeld Tim Coppens

Het is zijn liefdevolle voorzet om Frank, eens terug binnen, aan de praat te krijgen over zijn miniatuurschepen met alles erop en eraan. Bootjes van een meter die werkelijk alles kunnen wat een grote boot kan, op ­garnalen vissen incluis.

“Ja, hij is een kunstenaar”, zegt een andere, eerder struise visser. En tussen neus en lippen voegt hij eraan toe: “En ik schilder schilderijtjes.” Alsof hij niet gezegd heeft wat hij net gezegd heeft, buldert hij vervolgens: “Ze hebben ons gemaakt terwijl ze vloekten. Godverdomme, pas op, zei mijn moeder. Godverdomme, het is te laat, zei mijn vader.”

De andere vissers kletsen zich op de ­billen. Op de muur een spreuk. ‘Wie de zee als geliefde neemt, moet de zoutheid bij de kus verdragen.’

Sommige mensen kruisen we meerdere malen. In zowat elke gemeente waar we stranden, zien we het koppel uit Friesland ­likken aan ijs. Ook enkele Beaufort-volgers – de beeldenroute langs de kust – spelen kat en muis.

En er is Peter.

De tweede keer tuurt hij naar de zee. De eerste keer is Peter aan het werk. Hij is ­technisch assistent bij de gemeente De Panne, maar meer specifiek is hij een ­puttengraver, bewaker van het kerkhof en zijn bewoners. Zijn witte baard – “niet gespaard, gewoon nooit geknipt” – valt op.

Daar, onder die bomen, wil hij ooit zelf liggen. “Waar veel blad valt en ze veel werk hebben om op te kuisen. Dat is daar nooit proper. Ik heb er zelf een hekel aan.”

Hij lacht. “De meeste mensen willen een plaats met zicht, liefst in het gangpad zodat ze gezien worden, zodat er nog eens over hen gesproken wordt.”

Peter is puttengraver bij de gemeente. Zijn baard is ‘niet gespaard, gewoon nooit geknipt’. Beeld Tim Coppens

Natuurlijk zijn net die plaatsen het duurst. “Nee, ook na de dood zijn we niet ­allemaal gelijk. De eerste tien jaar zijn hier gratis. Daarna, hangt het ervan af. Niet meer nodig? Dan ga je ofwel in de knekelput of in de verbrandingsoven. Of je betaalt voor ­twintig jaar bij. De meeste mensen willen dan in kelders liggen. Ik weet niet waarom. Aangenaam is het toch niet en de wormen komen toch. Nee, geef mij maar volle grond.”

Knekelput? “Mooi woord, hè. Het is een put met alle beenderen, de resten van ­ mensen die niet verteerd zijn.”

De dood is voor Peter doodnormaal. “Voor wie niet dan? Schrik moet je er niet van hebben. Dat heeft geen zin.”

Met plezier en liefde toont Peter de ­graven. Hij kent degenen die er rusten en hun verhalen. Om hun levens te vertellen, haalt hij er literatuur en films bij. Een man van de wereld, maar reizen doet hij nooit. Zijn vrouw kan niet weg.

Zachtjes tikt hij tegen zijn voorhoofd: “De grootste reizen worden daar gemaakt. Neem een atlas. Bekijk dat. Als het een goeie is, dan staat er alles in en kun je alles leren. Waarom ligt die grens daar? Waarom liggen die ­mensen hier? Waarom woont er daar ­niemand meer?”

De Duitser Philippe, een man van veertig, ziet het anders. Hij is al tien jaar lang op doorreis. 50.000 kilometer fietste hij al. Alleen en altijd buiten. Hij voelt zich ­opgesloten binnen. Zelfs slapen lukt hem beter zonder dak. “Mijn ouders zullen zich wellicht heel hun leven blijven afvragen waarom ik dit doe. Maar ik kan niet anders. Ik pas niet. Dat is even klein of eng als er wel in passen. Dat besef ik.”

Alles heeft hij op zijn fiets, zelfs ­zonnepanelen. Zijn kleine huis, zolang het maar geen thuis wordt. “Mensen zeggen dat de wereld slecht is, maar ik zie het niet.”

De zee kent haar getijden. De vissers voor ’t plezier op het strand van Middelkerke ­vangen bot. Vis uit de supermarkt, dan maar. Morgen zullen ze hier opnieuw staan. “Het is een verslaving, zoals iemand die aan ­postzegels likt.”

De fiere oude man op de dijk in De Haan buigt het hoofd. Hij wandelt hier om zijn overleden vrouw te eren. Vloed staat in zijn ogen. 

De man die de kaartjes voor de kusttram verkoopt in een hok in Nieuwpoort, komt uit het binnenland. Nee, de tram heeft hij enkel genomen als kind. Hij komt met de auto, dat is gemakkelijker. Het openbaar vervoer is hem te traag. Hij lacht erom. Dinosaurussen kweken, dát is zijn passie. Hij speelt al jaren dezelfde game, liefst zes uur per dag. Hij kweekt ze, gaat uitdagingen aan, koopt en verkoopt. “Het geeft me een Jurassic Park-gevoel. Het is een jeugddroom die ik nu zelf waarmaak. En mijn zoon van zeven is er ook zot van. Hij ziet me graag bezig wanneer ik speel.”

Compostella

Geen wandeling langs de waterlijn voor een vrouw in een apotheek onderweg. “Het schijnt gezond te zijn, maar ik heb het twee keer geprobeerd en ik was er kapot van. Nooit meer.” Zo woont ze al zestig jaar met haar rug naar de zee. Nog niet zo lang geleden liep Cécile met een stok. Nu doet ze het met een rollator op de dijk van Middelkerke. “Ik heb mijn knop omgedraaid. Ik moet het aanvaarden.”

Wat zou ze graag mee geweest zijn met haar zus Ria op weg naar Compostella. Ria liep de laatste 125 kilometer en het waren de mooiste uit haar leven. “Ik was trager dan de groep, maar samen met een vriendin hielden we de moed erin. Bidden en zingen onderweg. Als ik eraan denk, dan heb ik weer die emoties. Kippenvel.”

De vriendin had last van haar voeten. Even later werd kanker vastgesteld. Nog later stierf ze.

Cécile (met rollator) en Ria op de dijk van Middelkerke. Beeld TIM COPPENS

Op een trammuur in Wenduine leeft Jacques Brel: Zonder liefde warme liefde / Waait de wind de stomme wind / Zonder liefde warme liefde / Weent de zee de grijze zee/ Zonder liefde warme liefde / Lijdt het licht het donk’re licht / En schuurt het zand over mijn land / Mijn platte land mijn Vlaanderland.

We blijven stappen. Vaak zwijgend. De kust is lelijk. En mooi. Wanneer het beton van de gemeenten en steden ophoudt, neemt de natuur het over. Het is er nog. En zeker nu, nu de campings nog leeg staan te blinken, loopt er geen kat door. 

Terug in de bewoonde wereld. Thierry is bezig met zijn planken. Ze moeten ­vernieuwd worden. Al 85 jaar staat in Blankenberge een velodroom, van vader op zoon, op zoon. Alfons, Louis, Thierry. Een houten plankenconstructie waar jong en oud met een gekke fiets toertjes kan rijden. Attractie en erfgoed ineen. “Hier is het begonnen voor Eddy Merckx. Hij kwam hier als zesjarige jongen. Altijd koos hij de ­koersfiets.” Voor zijn vader en grootvader was dit hun levenswerk – “Mijn vader zag zijn velodroom soms liever dan zijn vrouw en kinderen” – en ook het hart van Thierry ligt hier. En toch.

“Hier eindigt het.” Wel nageslacht, geen interesse. “Ik zou ­willen dat het blijft bestaan, maar ik ga het niet blijven doen tot mijn honderdste. Misschien dat mijn planken een nieuw leven in een ­pretpark kunnen krijgen. Hallo, Marc Coucke?”

Thierry veert recht. Eigenlijk is hij nog niet open, maar een groepje voorbijgangers toont interesse. Zwierig loopt hij ernaartoe. ­Ze happen. “Het is misschien niet veel, maar nog zo’n paar en ik kan eens kreeft gaan eten.”

Hij lacht, om ernstig verder te gaan: “In Blankenberge is het aanbod te groot ­geworden. Elke strandbar heeft wel een ­gratis springkasteel. Nee, de gouden tijden lijken voorbij.” Toch blijft hij strijdvaardig; Thierry lijkt niet anders te kunnen. Hij is vastbesloten om er een feestjaar van te maken. Wie de fiets met het omgekeerde stuur kan berijden, wint een fles champagne.

Thierry heeft een attractie in Blankenberge. Op de houten velodroom kan jong en oud toertjes rijden. "Hier is het begonnen voor Eddy Merckx." Beeld Tim Coppens

Na vier dagen wandelen bereiken we Heist en Knokke in de mist. Het voelt aan als een overwinning, we drinken er een cola op, maar ach. Het laatste woord is aan een dochter, die met haar bejaarde moeder en poedel een paar dagen komt genieten. Komen genieten, ze doen het allemaal. Ze is of was een rouwconsulente. Dat is niet ­helemaal duidelijk. Ze heeft of had vijf ­kinderen. Dat is duidelijk.

Acht jaar geleden stierf haar zoon, toen achttien. “Hij was zo’n jongen met wie het niet goed ging. Hij voelde zich moe. Hij was op. Ik weet nog dat hij voor hij vertrok vroeg wie ze moesten bellen als hem iets overkwam. De vraag ergerde mij. Een evidentie: mij natuurlijk. Het leek alsof hij het voelde aankomen. Maanden ervoor sprak hij al lachend over koffiekoeken eten op zijn begrafenis.

“Hij heeft nooit geweten dat hij de ­primus van zijn klas was. Ze denken dat het een hartstilstand was, en dat hij zijn tong ingeslikt heeft. Het is niet zo duidelijk. De ambulance kwam laat. Te. Ze dachten dat het om een dronkenschap ging. Na vier maanden coma hebben we beslist om af te koppelen.

“Je stikt in je verdriet. Letterlijk. Slijm. Je bent niks met je theoretische kennis als het je zelf overkomt.”

De vrouw glimlacht. “Tijd is goed, maar klaar ben ik er niet mee.”

Intussen zet ze zich in bij het Rode Kruis en engageert ze zich om lezingen over het belang van reanimatie te geven. In de ‘in tussentijd’ geniet ze hier, in de zon, van haar 87-jarige moeder en haar poedel. 

“Zolang het nog kan.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden