Vrijdag 15/11/2019

Jong en in rouw Interviews

Valt het verlies van een levenspartner nog zwaarder op jonge leeftijd? ‘Ik had alles wat ik zocht. In één klap was alles weg. Dat is hard’

Elisabeth Vermeersch (29) was met haar vriend, wielrenner Joren Touquet (26), op vakantie, toen hij op 18 juni van dit jaar overleed in zijn slaap. Beeld Marco Mertens Humo 2019

‘Tot de dood ons scheidt.’ Wie die woorden uitspreekt, denkt aan de verre toekomst. Maar helaas: soms slaat de dood veel sneller toe dan verwacht. Valt het verlies van een levenspartner nog zwaarder op jonge leeftijd? Drie rouwenden praten over het verdriet dat hun nog jaren bespaard had moeten blijven. ‘Als mensen al iets vragen, is het in de trant van: ‘Het gaat al beter, zeker?’ of ‘Heb je al iemand anders?’’

Op 26 januari 2017 overleed Stephanie De Buysser (39), echtgenote van oud-voetballer Thomas Buffel (38), na een strijd van drie jaar tegen darmkanker. Hun kinderen, de tweeling Fausto en Maceo, waren op dat moment 4 jaar. ‘We zijn altijd blijven hopen dat ze het zou halen. Dat hadden de dokters ons ook gezegd: we kunnen dit onder controle houden’, zegt de voormalige Rode Duivel. ‘Maar toen ging ze ineens snel achteruit. Ik heb me lang schuldig gevoeld: hadden we dan toch iets fout gedaan?’ 

‘Mensen denken dikwijls dat het moeilijker is als je met kleine kinderen achterblijft, maar tegelijk zijn het de kinderen die je veerkracht geven.’ Beeld Photo News

Hoe konden de artsen het zo mis hebben?

Buffel: “Achteraf denk ik dat ze… Gelogen is het woord niet, dat mag ik niet in de mond nemen, maar toch de zaken wat rooskleuriger hebben voorgesteld. Dat ze ons hoop wilden geven om de diagnose draaglijk te maken. Dat is goed: we konden ons daaraan vastklampen. Los daarvan reageert iedereen anders op de behandelingen, en kunnen ze nooit precies inschatten hoe iemand zal reageren.”

Heb je afscheid kunnen nemen?

Buffel: “Wat is dat, afscheid nemen? Tegen iemand die nog leeft, kun je toch niet zeggen: ‘We moeten nu afscheid nemen.’

“Stephanie is een paar keer hervallen. Na de laatste keer zei ze: ‘Thomas, het gaat niet goed met mij.’ Ze vroeg me om, als het slecht zou aflopen, snel verder te gaan met mijn leven, voor mezelf en voor de kinderen. Ik ben daar niet op ingegaan. Ik geloofde op dat moment nog steeds dat ze zou genezen. Ik heb alleen geantwoord dat ze zich geen zorgen hoefde te maken. Dat ik, mocht het zover komen, zou proberen om de manier waarop zij in het leven stond over te dragen op de kinderen. Ze had heel veel moeite moeten doen om zwanger te worden, en ze was dolgelukkig met de kinderen. Ik wist dat dat belangrijk voor haar was. Daarna zijn we over iets anders begonnen. Het is dus wel een keer benoemd geweest, maar dat waren geen gesprekken van minuten.”

Heeft dat gesprek, hoe kort ook, voor jou een verschil gemaakt?

Buffel: “Goh, ik weet dat niet. Het is altijd goed om gevoelens te kunnen uiten. Op het einde, tijdens een wandeling door het ziekenhuis – zij in haar rolstoel – heb ik haar nog bedankt voor alles wat ze voor mij gedaan heeft. Ze heeft toch een beetje haar leven opgeofferd om mij te kunnen volgen in het voetbal, om mij te ondersteunen in mijn job. Ik ben blij dat ik haar dat nog heb kunnen zeggen. Aan de andere kant: vorige week was ik aan haar graf. Daar kun je ook praten als je ergens mee zit. Op een bepaalde manier blijf je communiceren.”

Op het moment van haar overlijden was jij 36, jullie kinderen amper 4. Hoe slaagde je erin om door te gaan?

Buffel: “Mensen denken vaak dat het met kleine kinderen moeilijker is. Het is ook een periode heel moeilijk geweest. Maar tegelijk zijn het de kinderen die je veerkracht geven. Zo was dat toch bij mij. Ik moest ervoor zorgen dat ze niets tekortkwamen, ik moest er staan en met hen praten zodat ze zo goed mogelijk begrepen dat ze hun mama niet meer gingen zien. Ik kreeg zoveel moois van hen terug. Er was altijd een reden om door te gaan.”

Na twee weken stond je weer op het veld. Heeft dat jou ook geholpen?

Buffel: “Ik begrijp dat mensen dachten: waarom zo snel? Maar dit is geen job waar je een paar maanden kunt uitstappen om dan de draad weer op te pikken. Ik moest kiezen: blijf ik voetballen? Dan moet ik ook blijven trainen. Alleen al om mijn fysiek op peil te houden.

“Eerlijk gezegd: het deed me ook goed. Al voetballend kon ik mijn zinnen verzetten. Ik besef dat ik geluk gehad heb: ik had veel mensen om me heen die me wilden ondersteunen. Zonder hen was het niet gelukt.”

Het eerste jaar is het zwaarst, zeggen veel nabestaanden. Bij jou ook?

Buffel: (knikt) “Het moeilijkste vond ik dat we geen herinneringen meer konden ophalen. Toen ik voor het eerst terug in Glasgow was bijvoorbeeld, de stad waar we een tijdje gewoond hadden, toen ik bij Glasgow Rangers speelde. We hebben daar zoveel dingen samen beleefd. Die herinneringen kan ik met niemand meer delen.

“Ook op praktisch vlak moet je je leven weer opbouwen. Je huis opruimen, beslissen wat je met de persoonlijke spullen doet. Dat is hard. Bij ons deed Stephanie de administratie, daar moest ik een weg in vinden. Ze was heel gestructureerd, dat heeft me wel geholpen. Maar dan nog. Ook dat zijn zaken die de eerste periode zwaar maken.”

Een goed jaar na haar overlijden maakte je bekend dat je voorzichtig opnieuw verliefd was, op Annabel, de zorgjuf van je kinderen. Was het moeilijk om dat toe te laten?

Buffel: “Ik beschouwde het als een geluk. Het is niet vanzelfsprekend om opnieuw iemand te leren kennen. De timing moet meezitten. Je moet je goed voelen bij die persoon. Het moet klikken met de kinderen.

“In het begin praatten Annabel en ik vooral over de jongens. Dat vond ik fijn: als papa heb je soms het advies van een vrouw nodig. Naderhand werden de gesprekken persoonlijker, en bleken we allebei door een moeilijke periode te gaan – Annabel kwam net uit een lange relatie. Dat schept een band. Maar dan nog moet je geluk hebben, dat het klikt, en dat je allebei single bent. Voor hetzelfde geld had ze wel nog in die relatie gezeten, en was het helemaal anders gelopen.

“We hebben het heel kalm aan gedaan. Mijn leven was gecompliceerd, en we wilden de tijd nemen om te zien hoe het verderging met de jongens. Ik wilde vooral niet dat zij, als het toch niet zou klikken, opnieuw afstand zouden moeten nemen van een mamafiguur.”

Op Valentijn 2018 stelde je Annabel voor met een foto op Instagram. Daar betrok je ook Stephanie bij: ‘Two times Valentine today, for an angel high in the sky and an angel down to earth,’ schreef je.

Buffel: “Stephanie en ik zijn bijna zeventien jaar samen geweest. Ze zal altijd een deel zijn van mijn leven. Ergens lijkt Annabel ook op haar. Ze hebben veel dezelfde waarden en normen op gebied van opvoeding. Maar eigenlijk wil ik hen niet vergelijken. Bij die post schreef ik ook: ‘Honour the past, embrace the future.’ Dat is meer hoe ik het zie. Ik ben dankbaar voor allebei. En voor de kleine uk, die er intussen is bijgekomen.”

Heeft het overlijden van Stephanie je kijk op het leven veranderd?

Buffel: “Ik zou liegen als ik nee zeg. Dat kan ook niet anders, denk ik. Vroeger stelde ik makkelijk dingen uit. Kleine dingen, eens lekker gaan eten op restaurant bijvoorbeeld. Nu zal ik sneller zeggen: ‘Why not?’ Je leeft maar één keer. Ergens heeft dat ook wel met mijn job te maken. Als je voetbalt, staat je leven in het teken van de sport. Nu ik gestopt ben, kan ik wat meer genieten. Ik had het Stephanie ook graag willen geven: dat er in de weekends meer tijd voor haar was. Het is haar helaas niet gegund geweest.”

Helga Gilis: ‘Geen kans tegen vlammen’

Helga Gilis (43) is de weduwe van Chris Medo (42), één van de twee brandweermannen die op 11 augustus om het leven kwamen tijdens het blussen van een brand in Beringen. Ze blijft achter met twee kinderen, Yana (15) en Yarne (13). ‘Die zaterdag speelden we tot 12 uur ’s nachts gezelschapsspelletjes. Drie uur later was hij er niet meer. Dat kún je niet bevatten.’

‘Bij een oproep was ik altijd ongerust over de rit naar de kazerne, omdat Chris dan zo gehaast was. Maar dat hij zou sterven in een brand, daar heb ik nooit rekening mee gehouden.’ Beeld Marco Mertens

Wat voor iemand was Chris?

Helga Gilis: “Hij was vrijwilliger bij het Rode Kruis, nadien bij de brandweer en de ambulance. Dat zegt al veel over zijn karakter. Hij was een heel warme, zorgende man en vader. Zijn gezin was alles voor hem.

“Hij was ook een pietje-precies. Alles moest correct zijn. Daarom blijf ik me vragen stellen over het ongeluk. Hij zou nooit in die woning naar binnen zijn gegaan als hij niet zeker wist dat het veilig was.”

Hoe verliep de oproep?

Gilis: “Om half drie ’s nachts ging zijn beeper af. Ik vroeg hem wat er was, maar hij was zo gehaast dat hij niet antwoordde. Ik ben met hem mee opgestaan, ik heb de poort opengedaan en gezegd: ‘Rij maar door, ik doe wel dicht.’ Een paar uur later stonden er twee brandweermannen en iemand van de politie aan de deur. Dan weet je het al (stil).”

Had je er rekening mee gehouden dat dit kon gebeuren?

Gilis: “Nooit. Ik was altijd ongerust geweest over de rit naar de kazerne, omdat hij dan zo gehaast was. Het is gebeurd dat ik tegen de kinderen zei: ‘Mama gaat eens snel kijken of papa aan de kazerne is aangekomen.’ Zodra ik wist dat hij er was, was ik gerust.”

Wat is er die nacht precies gebeurd?

Gilis: “De brand was geblust. Chris is, samen met collega’s Benni en Arno, met warmtecamera’s het gebouw binnengegaan, om te checken of er nog smeulende vlammen waren. Toen was er die vlamoverslag, en schoot de hele ruimte opnieuw in brand. Arno is nog buiten geraakt, Chris en Benni waren te ver van de deur. Ze hadden geen enkele kans.

“Ik heb achteraf Chris gezien. Hij was volledig verbrand. Zijn helm was voor een stuk weggesmolten. Zijn kleding heb ik niet willen zien. Daar kon ik me zo ook wel iets bij voorstellen.”

Hoe kwam het nieuws bij je aan?

Gilis: “Het drong niet door. Dat doet het eigenlijk nog steeds niet. Mijn ouders waren erbij. Dat was een geluk. Blijkbaar was de brandweer hier eerder aan de deur geweest, maar had ik de bel niet gehoord. Waarschijnlijk hebben ze niet hard genoeg gedrukt. Toen zijn ze naar mijn ouders gegaan, om te vragen waar ik was. Zij wisten dat ik thuis was, en zijn mee gekomen naar hier.

“Het moeilijkste was om het aan de kinderen te vertellen. Ze lagen nog in bed. Ik moest hen wakker maken om het nieuws te brengen. Dat was…” (stil)

Werd je daarin begeleid?

Gilis: “Er was iemand van slachtofferhulp bij, toen ze het nieuws kwamen brengen. Maar eerlijk gezegd: die zat daar maar, zonder iets te zeggen of te doen. Ook nadien heb ik daar niets meer van gehoord. Niet één telefoontje. Anneleen, de vrouw van Benni, heeft dezelfde ervaring.”

De dagen nadien leefde het hele land met jullie mee. Heb je dat gevoeld?

Gilis: “Enorm. Ik ben daar echt van geschrokken. Vooral via sociale media kreeg ik veel berichten. Mensen die ik van haar noch pluim ken, wilden hun medeleven betuigen. Velen zeiden: ‘En dat voor zo’n stom, leegstaand pand!’ Dat deed deugd.

“Die eerste dagen word je voor een stuk geleefd. Je moet zoveel regelen: de begrafenis, de paperassen... De watervoorziening stond bijvoorbeeld op Chris’ naam. Ik moest de meterstanden doorgeven, ons klantennummer afsluiten, en opnieuw klant worden onder mijn naam. Absurd, eigenlijk. Ik blijf hier toch wonen? Kunnen ze niet gewoon de naam veranderen?”

De afscheidsdienst vond plaats in de kazerne. De kisten van Chris en Benni werden daarheen gebracht op de brandweerwagen, tussen een erehaag van honderden brandweermannen. Dat was een kippenvelmoment.

Gilis: (knikt) “De mannen brachten de mannen terug naar huis. Ze zijn samen vertrokken, en samen teruggekomen. (Stil) Omdat we uit de pers wilden blijven, hebben we er vanop een balkon naar staan kijken. Het was ondraaglijk zwaar, en tegelijk zo mooi.”

De brandweermannen die op de dag van de begrafenis moesten werken, schonken hun loon aan jou en aan de partners van Benni en Arno. Waarom deden ze dat?

Gilis: “Als blijk van sympathie, vermoed ik. Er is nadien ook een stille mars georganiseerd, en een benefiet waarbij 28.000 euro is opgehaald. Eigenlijk horen wij daar weinig van. Dat wordt voor ons georganiseerd, wij zijn daar niet rechtstreeks bij betrokken.

“Op Facebook vond een vrouw het nodig om die acties overbodig te noemen. Ik reageer normaal gezien niet op zulke berichten, maar toen kon ik me niet inhouden. Ik heb geschreven: ‘Als je weet dat wij maar 24 maanden een uitkering krijgen, en ik er dan alleen voor sta met twee tienerkinderen, zul je begrijpen dat we toch dankbaar zijn voor deze actie.’ Nadien heeft ze haar bericht verwijderd.”

Krijg je geen weduwepensioen?

Gilis: “Nee. Ik ben te jong. Om daarvoor in aanmerking te komen, moet je 47 jaar zijn. Ik ben 43. In de toekomst wordt het nog slechter: tegen 2025 willen ze aan een minimumleeftijd van 50 jaar zitten. Ben je jonger als je partner overlijdt, dan krijg je gedurende twee jaar een overgangsuitkering, zoals ik nu. Nadien moet je het zelf zien te rooien.”

Chris heeft 24 jaar gewerkt. Dan moet hij toch al aardig wat pensioen opgebouwd hebben?

Gilis: “Ja. Maar daar zien we dus ook niets van. Geen cent. Alles gaat naar de staat. (Windt zich op) Ik word daar zó boos van. Ik ken een vrouw in Amerika, zij viel bijna achterover toen ik haar dat vertelde. Daar gaan ze anders om met hun brandweermannen: als daar iemand sterft tijdens de dienst, moet z’n weduwe nooit meer gaan werken. Hier krijg je per kind 70 euro extra kindergeld. Verder laten ze je in de kou staan.

“Voor de duidelijkheid: ík hoef dat geld niet. Geen cent. Ik snap alleen niet waarom het niet naar de kinderen gaat. Dat is toch waarvoor we allemaal gaan werken, om onze kinderen een goed leven te kunnen geven? Om hun school, een beugel, de hobby’s en de universiteit te kunnen betalen? Ik lig daar wakker van. Ik werk voltijds, maar wat doe je vandaag nog met één loon?”

Chris heeft wel erkenning gekregen: tijdens de begrafenisplechtigheid kreeg hij een postuum ereteken van minister van Binnenlandse Zaken Pieter De Crem.

Gilis: (haalt haar schouders op) “Dat is mooi. Maar anderzijds: wat heb ik daaraan? Er is ook een krans gekomen van het koningshuis. Puur protocol. Daarvan laat ik mijn kinderen niet studeren.”

Hoe gaat het met hen?

Gilis: “Yana heeft goede en slechte dagen. Ze heeft hulp gekregen van een traumatherapeut van de brandweer. Bij Yarne weet ik het niet goed. Hij is autistisch, hij kan de dood van Chris moeilijker plaatsen. Onlangs zocht ik ons trouwboekje. Chris regelde altijd zulke dingen. Dus toen ik het niet vond, zei Yarne: ‘Bel dan even naar papa, hè.’ (Stil) Gelukkig wordt hij goed bijgestaan op school.”

Krijg jij hulp?

Gilis: “Ik heb veel aan mijn ouders, en aan Chris’ collega’s van PLOT (het Limburgse opleidingscentrum voor politie en brandweer, red.) en van de brandweer. Er gaat geen dag voorbij zonder dat ze me bellen of langskomen. Dat helpt. Ook hun echtgenotes zijn fantastisch. Ze nodigen me vaak uit voor gelegenheden, en, hoe slecht ik me ook voel, ik zeg altijd ja. Het klinkt raar, maar soms doet het deugd om even weg te zijn van huis, waar alles zwaar en droef is. Ik denk dan: als het niet gaat, kan ik altijd terug naar huis komen.

“Wat me vooral rechthoudt, is de wil om er te zijn voor mijn kinderen. Ik heb nu een dubbele rol: ik moet mama én papa zijn.”

Lukt dat?

Gilis: “Ik hoop het. Het maakt me vaak bang. Normaal gezien ben je met twee. Hebben kinderen hoge woorden met hun ene ouder, dan kunnen ze daarover praten met de andere. Mijn kinderen hebben alleen nog mij. Dat maakt de druk op mijn schouders groot. Ik móét het goed doen.”

Elisabeth Vermeersch: ‘IIk had alles wat ik zocht’

Elisabeth Vermeersch (29) was met haar vriend, wielrenner Joren Touquet (26), op vakantie, toen hij op 18 juni van dit jaar overleed in zijn slaap. ‘Hij schokte. Ik dacht dat hij een nachtmerrie had. Pas toen ik hem niet wakker kreeg, besefte ik: het is zijn hart.’

‘Ik was gelukkig. Ik zag onze toekomst voor me. We hadden ons huis, we wilden aan kinderen beginnen, maar in één klap was alles weg. Dat is hard.’ Beeld Marco Mertens

Wist je dat hij een hartkwaal had?

Elisabeth Vermeersch: (knikt) “Twee maanden voor zijn dood was hij onwel geworden tijdens een wedstrijd. Tegen de avond was zijn hartslag nog steeds veel te hoog. Ik heb hem, samen met zijn ouders, naar spoed gebracht. De artsen namen het heel serieus: een jonge wielrenner met hartklachten, dat doet alarmbellen rinkelen. Tijdens de onderzoeken kwam een hartritmestoornis aan het licht. Die konden ze wellicht oplossen met een ablatie (een operatie waarbij het hartweefsel dat de ritmestoornis veroorzaakt, wordt vernietigd, red.). De datum lag al vast: op 3 juli zou hij geopereerd worden.”

Hoe reageerde Joren op die diagnose?

Vermeersch: “Gerustgesteld. De weken ervoor waren we allemaal bang geweest. Twee van Jorens beste vrienden uit de koers, Michael Goolaerts en Daan Myngheer, zijn gestorven aan een hartkwaal, we wisten wat er kon gebeuren. We begrepen wat er aan de hand was, hij had gepaste medicatie gekregen, dus we dachten: het komt goed.

“Onze reis naar Tenerife, die we zouden maken samen met zijn ouders, was al geboekt. We hebben daar met de artsen over gepraat, ze zagen er geen probleem in. Zolang hij geen zware inspanningen deed, mocht hij vertrekken.”

Hoe voelde hij zich op reis?

Vermeersch: “Heel goed, denk ik. Hij heeft niet één keer geklaagd. Ik zag weer de Joren van vroeger.

“Die laatste dag zijn we naar El Teide gegaan, de grootste vulkaan van Tenerife. Hij wilde me daar de zonsondergang tonen. Het was prachtig, we hebben genoten. Nadien gingen we een hapje eten. Ik weet nog dat hij zijn portefeuille niet meer vond. Dat is het laatste dat hij naar zijn ouders gestuurd heeft: ‘Portefeuille gevonden, tot morgen.’”

Hoe verliep de nacht?

Vermeersch: “Rond half één waren we op de kamer. Ik heb nog gezegd: ‘We moeten morgen voor het onbijt zeker die papieren van de bank tekenen.’ We hadden net voor ons vertrek een huis gekocht, en de bank had de documenten voor de lening gemaild. Dan zijn we gaan slapen. Ik had bronchitis, ik moest hoesten. Joren mompelde: ‘Keppetje, zou je niet nog een beetje siroop nemen?’ Dat heb ik gedaan. Nadien ben ik als een blok in slaap gevallen.

“’s Ochtends werd ik wakker van Joren. Hij stuipte, heel zijn lichaam schokte. Ik schreeuwde, ben hem meteen beginnen te reanimeren. Intussen belde ik op speaker naar zijn ouders: ‘Bel een ambulance en kom direct naar hier!’”

Was hij nog bij bewustzijn?

Vermeersch: “Nee. Maar op zo’n moment wil je daar niet bij stilstaan. Ik zette al mijn hoop op Kurt, Jorens papa, die intussen de reanimatie had overgenomen. Ik bleef maar denken: ‘Je krijgt hem er wel door! Je krijgt hem er wel door!’

“Na 25 minuten kwam de ambulance. Ook zij hebben geprobeerd om Joren te reanimeren, maar het was te laat.”

Had het een verschil gemaakt als de ambulance er eerder was geweest?

Vermeersch: “Nee. Achteraf bleek dat hij een ventrikelfibrillatie had gekregen (een hartritmestoornis waarbij de kamers chaotisch samentrekken met een hartstilstand tot gevolg, red.). De cardioloog in Kortrijk zei: ‘Zoiets kan zelfs tijdens een ablatie gebeuren, dan nog kan ik niets doen.’ Het enige dat hem had kunnen redden, was een interne defibrillator. Maar die geven ze niet zomaar. En Joren had geen enkel symptoom dat erop wees dat hij het nodig had.

“Omdat hij zo jong was, bestempelde de politie zijn overlijden als ‘verdacht’. Er was zelfs even sprake van dat we het land niet zouden mogen verlaten. Gelukkig kwamen ze daar, na onze verklaringen, op terug. Diezelfde avond zaten we op het vliegtuig naar huis.”

Het lichaam van Joren moest op Tenerife blijven?

Vermeersch: (knikt) “Eén week. Omdat het een verdacht overlijden was. Er moest een autopsie gebeuren. Jorens mama vond dat vreselijk, maar er was niks aan te doen. Dat is de wet.”

Hoe ging het met jou die eerste dagen?

Vermeersch: “Ik was leeg. Een wrak. De begrafenis regelen en tussendoor bezoek ontvangen vergde veel energie van ons allemaal.

“Na de begrafenis werd het een pak stiller. Dat is normaal: mijn vrienden zijn dertigers. Ze zijn er als ik hen nodig heb, en ze steunen me enorm, net als mijn familie. Maar ze hebben bijna allemaal kleine kinderen, ze werken hard. Voor ons stond de wereld stil, hun leven ging gewoon door.”

Jij bent zelfstandig thuisverpleegkundige. Heb je wat verlof kunnen opnemen om te bekomen?

Vermeersch: “Tien dagen. Daarna ben ik weer gaan werken. Veel te snel, maar ik had geen keuze. Als ik niet werk, heb ik geen inkomen.

“De eerste dagen vroegen de patiënten nog hoe het met me ging, nu zijn er nog maar weinigen die er erover beginnen. Misschien ook omdat ze niet durven. Als ze al iets zeggen, is het in de trant van ‘Het gaat al beter, zeker?’ of ‘Heb je al iemand anders leren kennen?’”

Dat is wel heel cru.

Vermeersch: “Het komt door mijn leeftijd, denk ik. ‘Je bent nog jong, je hebt heel je leven nog voor je.’ Telkens weer moet ik dat horen. Maar wie zegt dat ik dat wil? Ik had alles wat ik zocht. Ik was gelukkig. Ik zag onze toekomst voor me. We hadden ons huis. We wilden aan kinderen beginnen. In één klap was alles weg. Dat is hard, hoor.”

Heb je jullie huis eigenlijk kunnen houden?

Vermeersch: “Nee. De documenten zijn nooit ondertekend. Daardoor is de koop niet doorgegaan. Wat een geluk is, want van één inkomen had ik dat niet kunnen betalen. De vrouw van wie we het huis zouden kopen, was bovendien zo eerlijk om het voorschot terug te storten. Dat was mooi, niet iedereen zou dat gedaan hebben.”

‘De dood van Bjorg Lambrecht kwam heel hard binnen. Heel hard. Ik besef wat die mensen meemaken. Tegelijk probeer ik er niet te veel bij stil te staan. Ik heb mijn energie nodig om mijn eigen verdriet te dragen. (Denkt na) Hopelijk klinkt dat niet egoïstisch.’ Beeld Marco Mertens

Op 5 augustus, anderhalve maand na Jorens dood, overleed Bjorg Lambrecht, alweer een naam op die trieste lijst van te jong gestorven wielrenners. Hoe komt zoiets bij jou binnen?

Vermeersch: “Hard. Heel hard. Ik besef wat die mensen meemaken. Tegelijk probeer ik er niet te veel bij stil te staan. Ik heb mijn energie nodig om mijn eigen verdriet te dragen. (Denkt na) Hopelijk klinkt dat niet egoïstisch.

“De vriendin van Daan Myngheer heeft contact met me gezocht na Jorens dood. Ze zei dat ik haar mag bellen als ik wil praten. Zij heeft het ook meegemaakt, ze weet hoe het voelt. Het is nog te vroeg, maar als ik er klaar voor ben, ga ik dat zeker doen.”

Heeft Jorens dood je veranderd?

Vermeersch: “Volledig. Vroeger was ik heel punctueel en netjes. Mijn appartement werd elke dag gestofzuigd, er mocht geen vuil bord in de gootsteen staan. Nu is het hier een rommeltje. Het maakt me niet meer uit. Ik erger me ook sneller, vooral aan mensen die klagen over – in mijn ogen – futiliteiten. Alles lijkt plots zo relatief.”

Hoop je nog op liefde?

Vermeersch: “Ach. (Stil) Weet je, vóór Joren had ik weinig vertrouwen in de liefde. Toen kwam hij, en ontdekte ik hoe mooi het is om iemand graag te zien, en om graag gezien te worden. Ik was daaraan gewend geraakt. Het is moeilijk om weer alleen te zijn.

“Ik weet niet wat er in de toekomst op mijn pad zal komen. Maar de klik die ik met Joren had, vind ik nooit meer terug.”

©Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234