Dinsdag 22/10/2019

Sanatoria

Vakantie op doktersvoorschrift: schoonheid, stilte en van de pot gerukte behandelingen

Beeld Fabrice Fouillet

Laat in de 20ste eeuw schoten sanatoria in heel Europa als paddenstoelen uit de grond. Met die gebouwen kwam een cultuur van escapisme, die relevanter dan ooit is in onze jachtige tijden. 

"Ziekte is de vakantie van de armen”, zo liet de 20ste-eeuwse Franse poëet Guillaume Apollinaire optekenen. Begin vorige eeuw ruilden Europese fabrieksarbeiders hun overbevolkte, roet spuwende steden regelmatig in voor de Alpen, waar de lucht fris, droog en nog onbezoedeld was door inefficiënte machinerie. Om daarna uitgerust en frisser ogend (en ook weer geschikt voor de arbeid) terug te keren naar hun uitputtende jobs. Het waren excursies op voorschrift van artsen en vaak werden die hersteloorden op grote hoogte zelfs door de overheid gesubsidieerd.

Vittorio De Sica’s film A Brief Vacation uit 1973 verbeeldt treffend het verhaal van Clara, een Calabrische moeder van drie met een erbarmelijk leven in het industriële Milaan. Ze loopt tuberculose op en wordt naar een kliniek in Lombardije gestuurd waar ze medicatie krijgt, copieuze maaltijden verslindt, slaapt in verse witte lakens, een affaire begint met een collega-patiënt, glamoureuze vrienden maakt en onfatsoenlijk veel tijd spendeert op veranda’s, starend naar de sneeuwbanken in de verte. “Je zou beter geen kranten lezen”, hoort ze een patiënt zeggen tegen een andere. “De wereld is er zo slecht aan toe dat je er zo weer koorts van zou krijgen.”

In een dergelijke scène waande ik mezelf. Als 21ste-eeuwse toeriste met ziektekiemvrije longen en een beroep met zelfhaat als voornaamste risico, eerder dan een infectie van de luchtwegen, dartelde ik een week lang rond op flipflops. Eerst in Zuidoost-Zwitserland en erna in het uiterste westen van Tsjechië. Ik pekelde mezelf in zogezegde therapeutische wateren en tolereerde stuurse vrouwen om me heen die mij als een mummie met doeken omzwachtelden. Ik doolde alleen rond in de buitenwijken van oude spasteden. Mijn lijf werd dagelijks gemasseerd, ik verorberde maaltijden in een restaurant met twee Michelin­sterren en lag te dutten in een grandioze loungestoel. Het was obsceen. Niets, zelfs niet de zeldzame bergkazen en schoonheidsbehandelingen, kon echter tippen aan de nieuwe en uiterst spannende sensatie van geen nieuws te consumeren.

Tot in 1882, het jaar waarin de bacil ontdekt werd die tbc veroorzaakte, ging men ervan uit dat tuberculose erfelijk was en niet besmettelijk. Laat in de 19de eeuw kregen stedelingen in de VS en Europa het hard te verduren: wie actieve tuberculose ontwikkelde, had maar 20 procent kans om te overleven. De ontdekking van de bacil leidde tot nieuwe gezondheidsvoorschriften zoals antispuugwetten en de bouw van afgezonderde, door de overheid gerunde ziekenhuizen. Honderden sanatoria rezen als paddenstoelen uit de grond op desolate plekken in Europa en de VS. Allemaal met dezelfde belofte: een uitzonderlijke luchtkwaliteit en specialisten ter plaatse.

Lucht en licht

Nadat de oorzaak van tbc ontdekt werd, duurde het nog zestig jaar voor er een behandeling was. De hoogdagen, zo blijkt nu, van een zeer specifieke architectuur en levensstijl. Inspiratiebronnen waren de 19de-eeuwse psychiatrische instellingen uit Pennsylvania, met hun verschillende vleugels en breedvoerige tuinaanleg, en de straalvormige gevangenissen uit die tijd. Binnen bleef alles echter zo eenvoudig mogelijk. Lees: makkelijk schoon te maken. Veel van de kenmerken die we nu met het modernisme associëren – platte daken, grote ramen, terrassen – waren oorspronkelijk louter functioneel bedoeld. Zo konden tbc-patiënten onbeperkt profiteren van de propere lucht en zoveel mogelijk licht, in die tijd nog de hoofdmoot van tbc-therapie.

Alvar Aalto’s Paimio Sanatorium in Finland, afgewerkt in 1933, blijft een van de beste voorbeelden. Aalto beschouwde zijn gebouw als “een medisch instrument” en ontwierp tot in het kleinste detail. Gewone deurknoppen verving hij door speciale klinken waaraan dokters niet met hun labojassen konden blijven hangen. Kasten in multiplex zweefden boven de vloer om het schoonmaken te vergemakkelijken. Lavabo’s werden zodanig ontworpen dat watergespetter tot een minimum beperkt werd. Balkonnen werden zo georiënteerd om het maximale aantal zonuren te capteren. Andere modernistische sanatoria zijn Klinik Clavadel in Davos, Josef Hoffmanns Purkersdorf Sanatorium net buiten Wenen en Sanatorium Zonnestraal van Jan Duiker en Bernard Bijvoet in Hilversum, ontworpen in opdracht van de diamantbewerkersbond.

Beeld Fabrice Fouillet

Die vier vaste stops op de lijstjes van architectuurstudenten hadden hun invloed op de meest gelauwerde gebouwen uit de 20ste eeuw. De sociale huisvestingsprojecten waar Le Corbusier beroemd om werd, hebben terrassen waarvoor de vermaarde architect wel eens de mosterd zou kunnen gehaald hebben in een kliniek in het Zwitserse Leysin. Zelfs de iconische ligstoelen in gebogen hout van labels als Thonet zag je vaak opduiken in sanatoria, aangezien ze duurzaam en stevig genoeg waren om vaak ­verplaatst te worden. Bovendien waren ze bestand tegen het corroderende effect van ontsmettingsmiddel.

In de fifties slaagde men erin tuberculose doeltreffend te behandelen met antibiotica. Veel van de majestueuze bouwwerken zagen zich genoodzaakt hun deuren te sluiten. Sommige vonden een tweede leven als hotel, andere werden musea, woonprojecten en algemene ziekenhuizen. Maar de cultuur die ze mee groot maakten – hermetisch afgesloten werelden vol hypochondrie en genotzucht – ging definitief deel uitmaken van het moderne Europa.

Net zo goed onderdeel van die cultuur was een parallel universum dat floreerde rond de eeuwwisseling: het thermische bad. Al sinds de jaren 1800 schreven geneesheren hydrotherapie voor en ontstonden wellnessresorts over het hele continent. Zoals de historicus David Clay Large schreef: “In hun hoogdagen waren de grote sparesorts van die tijd het equivalent van de golf- en tennisresorts van vandaag, van conferentiecentra, snoepreisjes, politieke topontmoetingen, modeshows, pretparken en seksuele toevluchtsoorden – allemaal onder één dak.”

De stadjes in kwestie – Aix-les-Bains en Vichy in Frankrijk; Bath en Buxton in Engeland; Aachen en Baden-Baden in Duitsland – waren erop gebrand om hun ‘therapeutische omgeving’ te maximaliseren. Lees: ze spreidden een geësthetiseerd staaltje van sociale bouwkunde tentoon ter bevordering van de wandelsport en, zoals we het vandaag zouden noemen, ‘netwerken’ in de buitenlucht. De architectuur borduurde ­verder op bestaande stijlen, met marmeren muren, hoge gewelven, koepels en mozaïekvloeren. Tot in de puntjes ­onderhouden, met hun gesofisticeerde infrastructuur en agressieve marketing, waren deze spacomplexen de vroegste voorbeelden van moderne toeristische bestemmingen.

Mystieke bestemming

Jaren voor het idee van een politiek en cultureel eengemaakt Europa voet aan wal kreeg, was zich terugtrekken uit het openbare leven (zelfs maar voor een weekje) haast een gewoonte voor Europeanen. De spacultuur, gekenmerkt door haar specifieke architectuur, afgelegen ligging en slaperige vibes, stond lijnrecht tegenover de hitsige, ziekmakende atmosfeer van het geïndustrialiseerde Europa. Terwijl in de VS tuberculosesanatoria eerder functioneerden als hospitalen dan als kweekvijvers van een bepaalde levensstijl, ontpopten de woudrijke rafelranden van Centraal-Europa zich tot een soort mystieke bestemming waar je je even kon terugtrekken uit de realiteit. Je kon er netwerken, discussiëren, verliefd worden, zelfs wanneer de wereld langs alle kanten onder vuur werd genomen.

Fictieauteurs vonden dan ook een dankbare setting voor hun verhalen in deze microkosmos, bewoond door allerlei mensen met ­weinig meer omhanden dan over het leven te reflecteren en te sympathiseren met dat van anderen. Een setting waar velen, van George Eliot tot Henry James en Guy de Maupassant, dankbaar gebruik van maakten. Het lijkt wel alsof elke 19de-eeuwse schrijver van betekenis op z’n minst een béétje tijd heeft doorgebracht in een spa. Toergenjev en Goethe bubbelden in Karlovy Vary in het westen van Bohemen; Dickens en Tennyson deden Yorkshires Harrogate aan. 

Het diep in het Zwarte Woud gelegen Baden-Baden was wellicht de meest populaire bestemming, in het bijzonder onder Russen: zowel Leo Tolstoj als Fjodor Dostojevski kwamen er relaxen. Anton Chekhov stierf een kleine 150 kilometer verderop in Badenweiler in 1904. Vlak daarvoor correspondeerde hij nog met zijn zus. Hij beschreef zijn dieet (gekookt schapenvlees, aardbeienthee en “enorme hoeveelheden” boter) en gaf af op de slecht geklede Duitse vrouwen. Zijn lichaam werd naar huis vervoerd in een koelwagen die bestemd was voor oesters. 

Schrijver Mark Twain bezocht het Tsjechische spastadje Mariënbad in 1892 en beschreef op sarcastische wijze het sparegime voor een jichtpatiënt: opstaan om half zes, “vreselijk” water drinken, rondzwerven in de ­heuvels, in de modder rollen en zoveel mogelijk eten “zolang je maar voorzichtig bent en dingen eet die je niet lust”.

Halve liters

Mijn eigen dagelijkse routine in Mariánské Lázně, oftewel Mariënbad, is niet gek veel anders. De dag begint met een wandeling door het kleine centrum van het dorp, waarvan de bronnen al eeuwenlang worden uitgemolken omwille van hun helende effecten. De lijst van beroemdheden die er passeerden is bijna lachwekkend: staatshoofden Tsaar Nicholas II en Keizer Franz Josef I, maar ook intellectuelen als Freud, Edison, Kafka, Nietzsche en Kipling, en componisten Mahler, Wagner, Chopin en Strauss. 

Het stadje bestaat uit vale neoklassieke gebouwen met kopergroene luiken en weelderige torenspitsen. De publieke tuinen zijn proper en netjes. Tsjechische koppeltjes kuieren er over de paadjes. Ze dragen porseleinen bekers waarvan de oren ook dienstdoen als rietje en vullen ze aan de openbare fonteinen. Grote troepen Duitsers in opzichtige wandelkledij drinken halve liters op de terrassen en lezen Der Spiegel. Russen houden dan weer overal hun badjas aan en zitten te schaken in de vergulde hotellobby, onder tv-schermen waarop een middeltje tegen mollen wordt gepromoot.

In die grote hotels, labyrinten met verborgen spa’s, is er geen sprake van Weight Watchers, hightechinstrumenten of zelfs een tikje zweverige wellness met gongs en bamboe. Wat hier overleeft, is een vleug vooroorlogse Europese spirit. En zoals Twain himself al rapporteerde: de maaltijden zijn inderdaad vreemd en de gezondheidsaanbevelingen bij de haren getrokken. Elke avond wordt een zwaar maal geserveerd (met als vaste ingrediënten: warme zuurkool, runds­tong in roomsaus, gepekelde haring en als dessert volledige gepelde kiwi’s), gevolgd door glazen Boheemse bruisende wijn waarvan genipt kan worden bij een streepje klassieke muziek.

Het 7132 Hotel in Vals, ontworpen door Peter Zumthor, Zwitserland. Beeld Fabrice Fouillet

In het Danubius Health Spa Resort Central in Lazne worden de behandelingen gegeven in betegelde kamers vol spinnenwebben. Mijn eerste sessie is een ‘mineraalbad met natuurlijke CO2’, waarvoor ik naar een roestvrij stalen bad wordt meegetroond. Een begeleider vraagt me om de half ondergelopen, roestige bedrading te negeren. Het water dat net iets warmer dan lauw is en naar zwavel ruikt, bruist lichtjes. Ik heb de indruk te drijven in snel afkoelend bruiswater. De begeleider komt onaangekondigd weer binnen, wikkelt me in een deken en ontmoedigt mijn poging om één arm los te wrikken zodat ik mijn boek nog kan lezen. En dat allemaal met één missie: ‘een verbeterde bloedcirculatie en hart- en leveractiviteit, en verminderde stress- en angstlevels’.

Even later lig ik te talmen in een voetbad van Kneipp, genoemd naar een Beierse priester die ons aanraadde om blootvoets door de ochtenddauw te wandelen. De volgende dag spendeer ik dertig minuten (naar mijn gevoel een half­uur te lang) in een betegelde alkoof waar droge zuurstof in mijn neusgaten wordt geblazen door een rubberen buisje.

Steriele spa

De Europese sanatoria hebben inmiddels hun deuren gesloten en de spasteden met hun glamoureuze lifestyle worden vandaag nog bijna uitsluitend bezocht door toeristen op leeftijd. Maar een medische ‘repose’– ver weg van de wereld, in alle rust, samen met anderen die al dan niet even ziek zijn als jezelf – kan wél nog. In het Zwitserse Vals, ooit bezaaid met wel veertig sanatoria, vloeien thermische wateren door de granieten vallei. Een prachtig, steriel aandoend wellnesshotel is net boven het dorp gelegen en verwelkomt bezoekers van over heel de planeet, die er komen baden in stilte, op een fotogenieke locatie met weinig gsm-bereik. Je eet er peperduur perenbrood terwijl je staart naar groene weidegronden.

De muren van de door Peter Zumthor ontworpen spa zijn samengesteld uit 60.000 lokaal ontgonnen kwartsietplaten; het betonnen dak is bedekt met gras. Reusachtige ramen brengen vreemd genoeg niet veel soelaas: hier rondlopen, blijft een ­donkere, labyrintische ervaring. “Je moet ­dingen ontdekken”, zei Zumthor daarover. “Het is alsof je rondloopt in de bossen. Iedereen is op zoek naar zijn eigen pad.”

Ik heb me tijdens mijn verblijf vaak afgevraagd of ik het mijne ooit wel zou vinden. Ik spendeerde evenveel tijd in de verschillende baden als aan mijn weg zoeken in de mist ertussen. Ondanks de schoonheid van het ontwerp voelde ik een onaangename paniek bij elke verduisterde gang die je god weet waarheen stuurde. Zumthor was aanvankelijk onvermurwbaar over zijn eis om klokken te weigeren in zijn resort. Hij wilde dat bezoekers zich gewichtloos zouden voelen in het water, en elk besef van tijd zouden verliezen. Nu zijn er wel klokken geïnstalleerd, maar die zijn zo goed verstopt dat ik pas over hun bestaan hoorde toen ik allang weer thuis was.

Er was ooit een tijd waarin zieken heel wat gedoe trotseerden om toch maar toegang te verkrijgen tot die legendarische vloeistoffen en dubieuze praktijken. Vandaag weten we beter. Zonlicht doodt geen ziektekiemen en ziekten verdwijnen niet door koolzuurhoudend water. Het beste waar je nu op kunt hopen, is het heilzame effect van je een tijdje te ontheffen uit alle verantwoordelijkheden die bij het dagelijks leven horen. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234