Dinsdag 02/06/2020

ColumnBregje Hofstede

Tussen de heggen ben ik in zorgen­quarantaine. Terwijl het virus woekert, dring ik het onkruid terug

Beeld Damon De Backer

Auteur Lize Spit en haar collega Bregje Hofstede, allebei °1988, vertellen beurtelings over hun leven. Deze week: Bregje.

Ooit vroeg ik aan een bevriende grijsaard hoe hij de ­oorlog had ervaren. Hij begon te stralen. “O, dat was een geweldige tijd!” Hij was nog een kind, hij had genoeg te eten, en hij herinnerde zich vooral dat niemand puf had om hem te commanderen. Ik wist niet of ik bewonderend of geschokt moest zijn, tegenover zoveel zorgeloosheid.

De laatste dagen denk ik vaak aan zijn woorden terug. Wanneer ik ’s ochtends de radio aanzet, stroomt het slechte nieuws binnen. Italië telt zijn doden niet eens meer. In Zuid-Afrikaanse sloppenwijken verwacht men grote rampen. En in Frankrijk, mijn nieuwe thuisland, blijft de curve zo duizelingwekkend dat iemand voorstelt om gevangenisstraffen te hanteren voor wie de lockdown aan zijn laars lapt. Want we zijn in oorlog, klinkt het keer op keer.

Oorlog, en toch: de regen heeft eindelijk plaatsgemaakt voor zon, de perenbomen ontvouwen roze bloesems, en ik breng uren door in de tuin. Tussen deze heggen ben ik in zorgenquarantaine. Terwijl het virus woekert, dring ik het onkruid terug. Af en toe komt er een buurman over de heg een praatje maken.

Langzaam verandert het commentaar aan gene zijde van de heg. “Zo, jullie zijn heel wat van plan”, klinkt het nu. “Straks hoeven jullie helemaal geen boodschappen meer te doen. Wist je dat er nog maar vijf man tegelijk naar binnen mag in de supermarché? En geen pasta meer te krijgen.”

Wanneer er twee grote tanks worden afgeleverd, bedoeld om regenwater op te vangen voor het sproeien in de tuin, vraagt de buurvrouw of ik denk dat het drinkwater zal worden afgesloten. Ze lacht erbij, maar ik zag haar eerder vandaag langsrijden met een auto tjokvol proviand en vijfliterflessen.

Gaandeweg wordt mijn tuin ingelijfd in deze gekke ‘oorlog’. Dat ik zoveel grond met nutteloze bloemen heb beplant, voelt ineens beschamend frivool. Onwillekeurig reken ik uit hoe groot het gat is tussen de uiterste houdbaarheidsdatum van het eten in de koelkast en de eerste oogst van mijn eigen courgettes. In plaats van een plek om te ontspannen, zie ik om me heen een knullige voorbereiding op armageddon. Steeds vaker betrap ik mezelf erop dat ik het wieden onderbreek om op mijn mobiel de laatste ­cijfers van zieken en doden te bekijken.

Er valt ook niet aan te ontkomen: ander nieuws lijkt er niet te zijn. Zelfs op de familie-whatsappgroep dringt het virus binnen: twee van ons zijn hun baan al verloren wegens de coronacrisis, en mijn zussen wisselen bezorgde berichtjes uit over onze nuchtere familie, die zich ‘niet gek laat maken’, maar misschien wel ziek. De grijsaard die ooit zorgeloos een oorlog doormaakte, stuurt me nu een mail die me moet geruststellen. ‘Die verhuizing naar een afgelegen gehucht’, schrijft hij, ‘kon weleens je redding zijn, als straks het voedsel op is’.

Als ik dat lees, zet ik mijn mobiel uit en gooi hem in het gras. Ik sta een tijdje stil, haal diep adem en kijk van dichtbij naar de knoppen van de perenboom. Een eerste roze blaadje, dun als een muizenoor en even fijn dooraderd, trilt in de zachte wind. Aan mijn voeten ­ontkiemen de bloemen.

Nutteloos. Oneetbaar. Een redding.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234