Dinsdag 16/07/2019

Ergens onderweg

Tom Lanoye: "Schoonheid op zich is stront­vervelend"

Josée Verbeke, moeder van Tom Lanoye, had het moeten weten. Hoe maandag al die mensen in haar Sint-Niklaas naar de première van ‘Sprakeloos’ zullen kijken. Hoe mooi Hilde Van Mieghem het boek van haar zoon verfilmde. ‘Ach man’, zegt Lanoye, in Kaapstad. Ook dat had ze moeten zien, zijn plek hier.

Tom Lanoye Beeld Diego Franssens

Dit is de moeilijkste zin van een verhaal, altijd, en nu zeker. Hoe begin je hieraan. En waar? Op Kaapstad Internasionale Lughawe kan, waar je zomaar in de zomer landt. Of je stapt toch ergens in het boek, zin vier, zelfs in de Zuid-Afrikaanse vertaling die zin die je in Sprakeloos vastpakt en meesleept: ‘Sy verloor eers haar spraak, dan haar waardigheid, dan haar hartklop.’ Beginnen we in een beenhouwerij in het Waasland?

Laten we maar eerst naar Geel rijden, op 7 februari, een dag die altijd grijs zal zijn. Het licht in de filmzaal dooft, de monden van veertig gepensioneerden vallen meteen stil, en ook die van jou. ‘Mia madre’ schrijf je in je boekje, dat is de titel van de film van de Italiaanse regisseur Nanni Moretti, twee woorden met een vijfsterrengevoel: zo goed is Sprakeloos. Zo goed ís Viviane De Muynck (ze speelt niet, ze ís) Josée Verbeke. Zo zorgzaam zou je je over Rik Van Uffelen als vader Lanoye willen ontfermen. “Hij speelt hem zo klein, zo fantastisch.” Zo overweldigt Stany Crets.

Drie weken later zoekt de schrijver de weg naar het water en naar Clifton Beach. Hij woont niet in deze buurt, maar we gaan er eten en praten en de plek is niet zo slecht. Tijdens apartheidsjaren kwamen schrijvers als André Brink en Ingrid Jonker in deze buurt praten, zuipen, denken, overleggen. Over zorgen van toen. Nu zet Soso (die Lanoye al meteen ‘Soso Beautiful’ noemt, het is een prachtige zwarte vrouw, dat ziet iedereen) heerlijke burrata op tafel.

Het is voor dit land een symbolische plek. Dertig jaar geleden boycotten we de Kaapse vruchten nog, morgen rijden we over de Walter Sisulu Avenue en zelfs blanken wijzen trots – ‘Look, Madiba’ – als ze een foto van Nelson Mandela zien. Vergeten we daarmee de problemen van dit land? Zeker niet.

Tom Lanoye klinkt. “Op Hilde, Viviane, Stany en de rest”, zegt hij. “Maar zeker op die drie.” “Wat vond je van de film?”, vraagt hij. Zelf zag hij een ruwe versie, nog zonder muziek en kleurcorrectie. En dan de trailer, die hem helemaal overtuigde.

Lanoye in Zuid-Afrika, waar hij drie maanden per jaar woont. ‘Door naar hier te komen, ben ik anders naar godsdienst beginnen kijken.’ Beeld Diego Franssens

In de loop van de voorbije jaren volgde de schrijver van dit weergaloze boek, over hoe zijn moeder door afasie de taal verloor en dan haar leven, de verschillende stadia van het scenario. Maar het lijkt verschrikkelijk en, inderdaad, onmogelijk: kijken naar een film van een boek dat jij schreef over jouw moeder. Je eigen gereconstrueerde leven zien, in decors, geacteerd, en daar dus je eigen geschiedenis in herkennen. 

“Dat is zo, maar omdat ik zelf zoveel bewerkingen gedaan heb, zou ik iedereen willen smeken: kom kijken naar een film. Niet naar een verfilmd boek. Er is een kaalslag, niet elke komma en elke punt zie je. Iedereen verwacht dat je de hele buurt zult zien, maar daar is geen geld voor. Kom dus kijken zoals je, inderdaad, zou kijken naar een film van een Italiaan uit Napels.

Supporterscafé

“Ik hoop dat Hilde de credits krijgt die ze voor dit project verdient. Ze heeft goed gecast en goed gekozen. Ze zei: ‘We kunnen niet veel doen, dus ik ga me op één ding toespitsen: moeder en zoon, die relatie tussen een schrijver en zijn zeer verbale moeder.’ Van Viviane wist ik op voorhand dat het bloedstollend zou zijn. Die speelt mijn moeder niet, die imiteert niet, ze vertolkt dat. Viviane heeft mijn moeder nooit ontmoet, maar mijn familie en vrienden die haar gekend hebben, zullen uitgewrongen de zaal uitkomen. Hetzelfde kapsel, twee diva’s, (lacht) in die zin moet ons Viviane niet acteren.

En dan is er nog Stany die zichzelf heeft overtroffen. En ik wil dat heel graag eens zeggen, want hij is er bang voor, we hebben er ook al vaak discussies over gehad. Stany heeft soms de neiging weg te glippen in goede moppen, kwinkslagen en relativering, maar hier kan dat niet. Op een bepaald moment is stand-upcomedy afgelopen. Drama is universeel, maar humor is iets dat de tand des tijds niet doorstaat. En oog in oog met de grote mysteries en de grote vragen is humor functioneel om het drama en het mysterie aan te snijden, maar niet omgekeerd.”

Soso brengt twee glazen Merlot en een kom frieten. “Ook dat is nu de vooruitgang van Zuid-Afrika”, glimlacht de schrijver. “Ze hebben écht goeie frieten. Kijk eens aan: klein en krokant, en twee keer gebakken.”

Zo dicht zijn we bij huis, ongevraagd, via dit gerecht overbruggen we de 9.574 kilometer tussen Kaapstad en Sint-Niklaas. Première in acht zalen, tweeduizend kijkers, de stad werkt mee, de Stadsschouwburg ook waar Josée Verbeke zo graag het podium betrad, in de foyer komt een tentoonstelling met foto’s van haar rollen en in een speciaal gemaakt etui haar medaille voor veertig jaar liefhebberstoneel, zijn vaders Ausweis (“hij werkte al in het vlees in de oorlog”), hun trouwboekje.

“Hoe gruwelijk de aanleiding van dit boek ook was – en ik had het liever niet hoeven te schrijven – toch ben ik heel trots. En op wat ik er allemaal van teruggekregen heb. Een paar jaar geleden heropende café Het Glazen Dak en een week lang werd Sprakeloos daar voorgelezen. Ik moest de laatste bladzijde lezen. Ik wéét nu wat het moet zijn om als coureur de Ronde van Vlaanderen te winnen en ’s avonds je supporterscafé binnen te komen. Gejuich van de oude inwoners, waarvan er nu ook alweer veel overleden zijn, iedereen die kettingrookte in de aanwezigheid van de burgemeester. Maar ik begin en de plomb springt. Alleen de micro doet het nog. ‘Heeft er iemand een mijnlamp bij?’, vraag ik, want ik heb me leren redden. Neen, maar iemand had wel een leeslampje bij dat ze in bed gebruikte. Dus met zo’n band op mijn hoofd en dat ene lampje las ik in een voor de rest donker café de laatste woorden van Sprakeloos voor. Magie! Ook dat heeft dit boek me gegeven.”

Totale doorbraak in Franstalig België

Nog meer: een vertaling in het Afrikaans door dichter Daniel Hugo, die net ook Stefan Hertmans’ Oorlog en terpentijn vertaalde. Interesse van de Joods-Amerikaanse schrijver Lev Raphael uit Michigan, die Lanoye voor Speechless naar daar wil halen en hem zijn eerste recensie op Amazon gaf. Een Franstalig publiek ook. Alain van Crugten, vertaler van Claus, zette Sprakeloos om in La langue de ma mère.

“Mijn moeder is nu ook een vedette in Franstalig België. Dat is niet te geloven. Het was mijn eerste grote vertaling, maar tegelijk een totale doorbraak. De Walen zeggen mij: ‘Dit zijn wij’. Ik zeg al jaren dat we de mogelijkheden, in het hart van Europa, niet gebruiken die de grote breuklijn van de literatuur ons geeft. En dankzij de vertaling van Alain van Crugten beginnen een week na de première van Sprakeloos de opnames van Troisièmes noces (‘Het derde huwelijk’, RVP) met Bouli Lanners. Allemaal dankzij dit boek.”

Tom Lanoye Beeld Diego Franssens

In de film speelt Rik Van Uffelen vader Lanoye, die trots is als hij hoort dat zijn zoon een boek wil schrijven over zijn vrouw, zijn godin eigenlijk. ‘Die had schone benen, jongen’, zegt vader over Josée.

“Hij was het soort vader die een te grote vrouw had. Niet in lengte, maar voor het leven. Te groot voor de beenhouwerij, te groot voor hem. Hij wist dat. Haar grote droom was om rechter of strafpleiter te worden. (lacht) Vermassen mag van geluk spreken, en meteen onze hele rechtspraak. Zij zou zich niet laten zeggen hebben dat ze wereldvreemd was. Voor die vrouw had mijn vader een eeuwigdurende liefde. Hij wist hoe excentriek en geweldig getalenteerd ze was en hij zette zijn leven in dienst van zijn vrouw. (glimlacht) Als ze toen voor Richard Burton had moeten vallen, was het anders geweest. Misschien wel goed dat ze in die periode leefde.”

Hij praat in de verleden tijd, we weten dat vader en moeder Lanoye overleden zijn. En we zitten dus in Kaapstad. Waar ze ooit wel kwamen, maar niet meer in het huis dat Tom en zijn man René Los vandaag hebben. Zeker drie maanden per jaar, tussen Boekenbeurs in Antwerpen en Boekenweek in Nederland, zijn ze hier. Al 25 jaar. Ze ontvangen vrienden, deze week nog Stefan Hertmans, die dit weekend op het Woordfees in Stellenbosch over Oorlog en terpentyn komt praten.

Peter Verhelst komt. Abdelkader Benali ook. “Als zelfs De mol hier al zit, moet ik gaan uitkijken”, glimlacht hij. “Maar dat is natuurlijk decadent en verwend. Dit is zo’n heerlijke stad, dat ik niet kan zeggen dat ik die niet wil delen.”

Eurosong voor hetero’s

In dit land leerde Lanoye ooit Jan Wauters kennen. “En hier heb ik me pas gerealiseerd wat hij voor mij was. Sport betekent niet zoveel in mijn leven. Als de Rode Duivels spelen, wordt het wel een beetje het Eurovisiesongfestival voor heteroseksuelen, dan kijken we samen met vrienden als Els Dottermans. Maar Jan zorgde plots voor een band met mijn vader, misschien dat ik dat zelfs pas écht besefte toen hij wegviel.

Tom Lanoye Beeld Diego Franssens

“Ik was erbij in de studio van Phara toen hij neerviel en ik was de aanzegger van zijn dood bij Trees, Jans vrouw. In Revue Lanoye heb ik geschreven hoe we dankzij hen de villa konden bezoeken waar Nelson Mandela verbleef in de Victor Verster-gevangenis in Paarl, waar Jan een huis had. En hoe Jan, in de auto, commentaar gaf bij de bezienswaardigheden. (In 'Revue Lanoye' schrijft hij: ‘Dat ritje, met die commentaarstem erbij, was op zich al een voorrecht. Ik zat wel geregeld achterom te kijken: waar bleef dat peloton?’, RVP) Dat was een moment waarop ik mijn vader in zijn beenhouwerij zag staan met zijn Schaub Lorenz-transistorradio aan het oor.”

Maar er is nog een anekdote. Op 19 maart is René jarig en op die dag in 2008 zouden Tom en René een uitstap maken naar Clanwilliam. Tot de telefoon ging: Hugo Claus was gestorven. “De hele dag was natuurlijk naar de knoppen, veel tristesse, de telefoon stond niet stil, en er kwamen vragen om iets te schrijven. Maar teruggaan naar België was op dat korte tijdsbestek niet mogelijk en een paar dagen later gingen we met Jan en Trees naar Mount Nelson, een van de beste hotels in Afrika. Als Oprah Winfrey komt, huurt ze een hele etage. Ik had Hugo daar graag eens mee naartoe genomen. Ze hebben er high tea en roze champagne, en dat zijn we op Claus’ leven gaan drinken. Jan wist ook veel van literatuur en plaagde me wel met Claus: ‘Ja, dát niveau haalt niemand, Tom’.”

Dat stuk over Jan staat in een hoofdstuk dat ‘Een corbillard genaamd de letteren’ heet en waarin hij ook schrijft over de dood van Jef Geeraerts, Louis Paul Boon en Gerrit Komrij. De dood zit in het leven, en ooit verloor Lanoye al een broer. Dat gebeurde net toen hij volop met zijn coming-out bezig was, die dood doorkruiste dus een beetje zijn plannen, dat kon hij zijn ouders in hun verdriet niet aandoen. “Wat het overlijden van mijn broer met hen deed, onderling en met mijn moeder, heb ik heel erg meegepakt.”

Dat legt hij zo uit: “Als ketter en de atheïst die ik ben, heb ik toch respect voor de gelovigen. Dat heeft met Desmond Tutu te maken, en met mijn bezoek aan gospelkerken in de townships waar de oude tannie (Afrikaans voor tante, RVP) ondanks haar drankproblemen en armoede heengaat en de mensen terugziet die ze heeft zien opgroeien. Ook het bourgeoisgezin, nu verhuisd, dat met de BMW en de piekfijn geklede kinderen in designerclothes en met de Louis Vuitton-handtas toch naar de kerk komt. Niet alleen om te laten zien wat ze hebben, maar om samen te zingen.

“En zoals ik nu de poëzie in wiskunde kan zien, en vroeger niet, zie dat ik nu ook in het godsbesef. Dat kan derailleren, maar zijn wij als seculieren goed geplaatst om te claimen dat moorden misbruik van wetenschap of secularisme niet bestaat? Dus door naar Zuid-Afrika te komen, ben ik anders naar godsdienst beginnen kijken. Niet dat ik religieus ben, maar ik schaam me plaatsvervangend voor onze seculiere fundamentalisten, waar ik vroeger zelf bij hoorde. Ik ben daarin veranderd.” (lees verder onder de foto)

Lanoye: ‘Ik heb mezelf beter leren inschatten door in Kaapstad te zijn.’ Beeld Diego Franssens

In een interview in L’Echo zei je: ‘Je suis un catholique sans Dieu’.

“And proud to be so. De startbaan van dat ­parcours is alweer door mijn moeder gelegd. Actrice als ze was, vond ze in het spiritisme een geschikte vorm voor haar verdriet: theater waarin zelfs de tafels dansen. Geen toeval dat ze nog meer daar uitkwam dan bij het katholicisme. Haar bekeringsdrang ging me dan weer te ver, maar ik heb er wel een andere kijk door gekregen.

“Als je intellectueel bent, zou je met Hume moeten zeggen dat je agnost bent, want ik kan het bestaan van een God niet ontkennen of niet bewijzen. Maar dat woord ‘agnost’ krijg ik zelfs niet over mijn lippen. Ik ben een emotionele atheïst die zich schaamt voor de hysterici in die groep.”

Vlak bij waar we zitten ligt Bakoven, we rijden over Kloof Road, pijlen wijzen naar Groenpunt en vanavond zal de avondzon – nergens vind je mooier licht – de Tafelberg waarop René en Tom uitzicht hebben, zijn eigen gloed geven. Hier is de taal ons zo vertrouwd, in een land waarvan hij de complexiteit graag ‘het grotere België’ noemt. “Als je niet houdt van complexiteit, van meervoudige identiteit en van een land dat de stelregel ‘One nation, many cultures’ heeft, ga dan in je gated community in Brasschaat wonen. Als je niet accepteert dat je een aantal dingen nooit helemaal zult oplossen, wat heel moeilijk is voor westerse intellectuelen, dan moet je echt niet in Zuid-Afrika komen wonen. En dan moet je mijn boeken niet lezen, eigenlijk.”

Zijn blik op de wereld is hier veranderd, schreef hij al ooit. “De verkeerde interpretatie van veel mensen is dat ze dan zeggen: als het er zoveel beter is, ga er dan wonen. De navel van Renés en mijn bestaan is Antwerpen, Vlaanderen, België. Maar ik heb mijn rol, mijn plaats en mezelf beter leren inschatten door elk jaar drie maanden in Kaapstad, de zusterstad van Antwerpen, te zijn.”

FC De kampioenen

Hier dus, en straks in Antwerpen, schrijft hij aan Zuivering, een nieuwe roman. Waarover we niet praten: “Bijgeloof.” Hier en daar kan hij schrijven aan een bewerking van Edward II van Christop­her Marlowe, op vraag van Theater Zuidpool. Hier en daar schrijft hij over Jonathan Jacob.

“Die versplintering is wat ik ben. Als ik alle energie die ik in optredens, theaterstukken en columns stak, in romans had gestoken, dan had ik wellicht een groter oeuvre, naar klassieke maatstaven. Maar dat kan me geen kloten schelen. Ik treed ook zo graag op. Het is nobel tijdverlies, maar ik vind het van de grootste momenten als je ergens een podium krijgt en dan à l’improviste kunt voorlezen. Marijn Devalck (schepen in de gemeente Brakel, RVP) vroeg me eens in de bibliotheek en daar, in the middle of nowhere, kon ik uit Shakespeare en Euripides en mijn eigen Sprakeloos voorlezen. Mensen plezier geven in taal, dat vind ik prachtig.”

Daar komt nog een anekdote van, een beetje het ‘manager stuurt Beatles door’-moment. “Het eerste toneelstuk dat ik ooit schreef, was De Canadese muur, samen met Herman Brussel­mans. Nadien werden we gevraagd om iets te schrijven voor wat later FC De kampioenen zou worden. We lazen dat idee en dachten allebei: dat wordt niks, dat kan nooit, ze gaan dat nooit uitzenden. We deden het dus niet.”

Is zoveel schrijven een teken van twijfel? Die overwinnen door te tonen: kijk eens hoeveel ik schrijf.

“Noem het arrogant of schokkend, maar ik heb eigenlijk nooit getwijfeld. Ik kan me de periode niet eens herinneren waarin ik níét wist dat ik schrijver was. Toen ik 17 was en na een blindedarmoperatie in het ziekenhuis lag, besloot ik alleen: natuurlijk ben ik schrijver, maar ik moet het ook wórden. Veel lezen en veel oefenen en ik wilde niet zoals de meeste auteurs toen, eindigen als leraar/bibliothecaris of inspecteur in het onderwijs.

“Mijn moeder heeft het nog gepresteerd om buurman Freddy Willockx, de grote socialistische voorman en dat zeg ik zonder ironie, in onze winkel te vragen of hij niet zo’n job voor mij kon vinden. Ze heeft ook één keer gezegd: ‘Gij wordt geen schrijver, want dat is een luiaardsberoep’. Ik was woest. Dat kon ik echt niet plaatsen, dat uitgerekend zij, voor wie kunst en het maken van kunst zo belangrijk en eigenlijk het doel van het leven was, dat zei. Ze heeft het nooit meer gezegd.

“Die vrouw, bij wie ik als jongen van 12 op het podium mocht staan in een stuk van Arthur Miller en die me bij het groeten teken deed dat ik niet bij haar mocht staan want ‘neen, in het stuk ben ik je moeder niet’, had samen met later Anton van Wilderode en nog later Gerard Mortier de grootste impact op me.”

Over Van Wilderode, priester-dichter: “Hij vertelde over Claus en zijn levenswandel, weliswaar dubieus, maar hij zei: ‘Een groot dichter, ik ben dat niet’. Natuurlijk opdat wij zouden zeggen: ‘Mijnheer, u bent dat wél’. Door hem haalde ik in de Wase boekhandel de Oostakkerse gedichten van Claus, en dat werd de meest onderstebovenhalende klap. Ik kon niet begrijpen dat iemand met taal zoiets kon creëren.”

Over Gerard Mortier: “Ik ben niet, zoals Jan Fabre zegt, een strijder van de schoonheid. Schoonheid op zich vind ik strontvervelend, ze verliezen of er vergeefs naar blijven streven niet. Maar ik ben zeker een strijder van de literatuur voor de grote gooi. Ik had de ‘kleine dingskes des levens’. Dat is bijna altijd kitsch. Slagzin van Gerard, in een van zijn laatste interviews, was net: ‘De mens moet kathedralen willen bouwen’. Hij was een even grote ketter als ik en bedoelde dat niet letterlijk. Maar hij bedoelde dat je ambitie moet hebben. Kunst dient om je uit de vertrouwde leefwereld te halen en te laten zien dat er iets groters is. Zolang het Nederlands bestaat, zullen de gedichten van Claus gelezen worden. Dat is een kathedraal, geen boskapel.” (lees verder onder de foto)

Beeld Diego Franssens

Tiens. Al die woorden, Soso heeft al koffie gebracht en afgerekend, en nog niet één over Donald Trump, Jacob Zuma, Sven Gatz of Theo Francken. Niet over IS. Niet over Jonathan Jacob. En dat is bewust. “Ik wil de film van Hilde alle aandacht geven en deze interviews niet gebruiken voor mijn politieke standpunten.”

Toch is de mildheid niet groter geworden en ook vanuit deze stad en dit land, volgen Tom en René alles. Bij een tussenstop bij een bevriend koppel, waar theatermaakster Lara Foot mee aan de braai gaat, worden de problemen in Zuid-Afrika besproken. Ze zijn goed ingeburgerd, ook schrijfster Antjie Krog behoort tot de initimi. ’s Avonds, op het terras van La Perla, een oud huis waar obers en serveersters met bemorste polo’s de lekkerste koningsklip opdienen – typisch Kaapse vis – gaat het er de hele tijd over. Het is hun dagelijks ritueel, zegt Tom: “’s Morgens lezen we de kranten en kibbelen we. Over grote en kleine politiek, over Amerika, Zuid-Afrika, Vlaanderen... Er is genoeg stof om over te praten. En dan is er René. Het ergste dat mij zou kunnen overkomen, is hem verliezen. Ik denk niet dat ik met mij zou kunnen samenleven, maar hij kan dat dus wel, hè! Chapeau!”

Gordon Gekko

Natuurlijk komt Antwerpen toch even kijken. Het laatste hoofdstuk van Revue Lanoye was een brief aan Bart De Wever. Een antwoord kwam er niet. “Ik heb ooit wel interviews met hem gedaan, maar dat komt er niet meer van. Ik heb respect en bewondering voor hem, puur technisch, als politicus. Maar ik ben kwaad om een paar pertinente leugens, onder zijn niveau. Ik ben zeker niet van zijn gedacht, en als hij ­wegglipt is hij dangerous.”

Dat ze in Antwerpen veel kansen laten liggen, dat vindt hij wel. “Blijkbaar mogen tradities veranderen als het om wielerwedstrijden gaat. Normaal zou een Ronde van Vlaanderen nooit in Antwerpen mogen starten. Maar goed: ik ben voor veranderen. Ook van Zwarte Piet. Maar dat kan dan weer niet. Het MAS vind ik tot nu toe een gemiste kans. Geweldig terras, geweldig café en naar het schijnt een geweldig restaurant. En ik ben dol op het gebouw, maar waarom maken ze er geen Centre Pompidou van? Waarom alleen de brillenschilderijen van Tuymans exposeren? Waarom gebruik je niet dat hele gebouw voor hem? Den Haag, Den Bosch en Amsterdam lokken honderdduizenden met Rothko, Jeroen Bosch of Marlene Dumas. Antwerpen heeft een Rubenshuis maar geen Rubensmuseum, zoals Amsterdam naast het Stedelijk en het Rijks- ook nog een Van Goghmuseum heeft. Er is gewoon te weinig artistieke visie en ambitie, het budget gaat naar de politie. Antwerpen wordt te veel een matrakstad.”

Antwerpen is ook de stad van Jonathan Jacob, de botinnekes, waar Lanoye al zo vaak over schreef. Dat zal hij nog doen: “Het is ongehoord dat die gasten nog niet geschorst zijn. En dan die Bende van Mega Toby en Sproetje! Berovingen en afranselingen in uniform! Het is zoals met de intercommunales en de banken: we regelen dat wel intern. En dan maar neerkijken op Afrika en zijn corruptie. Die er is. Maar hoe zit het met ons zuiverend vermogen? Het duurde meer dan zeven jaar voor de ouders van Jonathan uitsluitsel kregen! Ik heb als research alle stukken van John De Wit (journalist bij Gazet van Antwerpen, RVP) en Jan Nolf gelezen, met de ouders gepraat, alles gelezen wat Ben Weyts en Geert Bourgeois ooit als oppositielid zeiden, de rapporten van Comité P uitgevlooid. Ook dat heb ik dankzij Zuid-Afrika geleerd. En wie is de andere BV die ooit zoiets gedaan heeft tegen Joke Schauvliege? Wouter Deprez. Die hier ook een tijd verbleef. Geen toeval. In dit land gaat de pers keihard in de aanval, en zou mijn goeie vriendin Marianne (Thamm, schrijfster en journaliste, RVP) vragen: ‘Beste voorzitter Bracke, zou je je ook niet laten vervangen hebben als er in het parlement gediscussieerd werd over Proximus en jouw schnabbelbordeel Telenet?’”

In 2011 noemde je Bracke ‘een plattelandskoster met een Richelieucomplex’.

“Ik zou het nu terugnemen, want het is veel te mild. Deze man, en ál die foute logefiguren. Opeens wordt dat een self-serviceclub. En dan die overmoed van iemand die zogenaamd zo’n grote journalist is geweest en die op zijn stoeltje blijft zitten en met de vinger durft te wijzen naar de Walen, alsof zij de Afrikanen van Europa zijn. Dat snap ik niet. Maar daar had ik Afrika niet voor nodig om dat al te zeggen.”

Toch is er discussie, deze week ook in De Morgen, of schrijvers zich moeten bezig­houden met politiek.

“Onzin. Hoe kun je nu, als je Steinbeck of Arthur Miller of Shakespeare gelezen hebt, zeggen dat enkel wetenschap iets te zeggen heeft over domeinen waar ook irrationaliteit een rol speelt, en literatuur niet? Theater en romans kunnen complexe inzichten schenken, al dan niet pamflettair. So what? Gaan we de erfenis van Bertolt Brecht op het vuil gooien? Of Mistero Buffo van Dario Fo? Ik ga dat niet doen. Antjie Krog (die ‘De kleur van je hart’ schreef, een verslag over de Waarheidscommissie, RVP), dichteres en dochter van de grote nationalistische dichteres Dot Serfontein, die voor Antjie haar ‘own private Anton van Wilderode’ was, vraag je toch niet: ‘Had je niet beter gewoon wat gedichten kunnen schrijven?’

“Ik heb deze week kunnen bellen en sms’en met de ouders van Jonathan Jacob, en ik heb met argumenten van politici die vroeger in de oppositie zaten en nu de grootste beleidspartij zijn, kunnen discussiëren. De bottinekes gaan in 2019 op in de federale politie, zoals het hoort. Ik zal niet zeggen dat dat mijn verdienste is, maar ik heb zeker mijn steen bijgedragen. Had ik dat dan niet moeten doen? Omdát ik schrijver ben?"

Atoombom tegen een mierennest

‘Nooit meer zwijgen, altijd schrijven, nooit meer sprakeloos’, het einde van zijn boek is dan het levensmotto. Dus ja, straks zal hij schrijven over de Bende van Mega Toby en Sproetje. Dus ja, hij jaagt zich op in het idee van Peter De Roover over opiniedelicten. En ja, hij werd woest toen hij John Crombez met woorden van Boris Johnson, Donald Trump en Bart De Wever het werk van Angela Merkel hoorde afvallen. En dus ja, de wet van Theo Francken maakt hem razend: “Krankzinnig is dat. Een atoombom tegen een mierennest en een wet die zich tegen ieder van ons kan keren.”

Hij zegt: “De voorbije jaren zijn veel mensen weggevallen. Hugo, maar ook Jef Geeraerts, Gerard Mortier, Gerrit Komrij die ik erg mis, en Michaël Zeeman. Maar het meest vraag ik me af wat Johan Anthierens zou denken. Johan had vele tierlantijnen en was ijdel. Maar ik zou willen lezen wat hij nu zou schrijven.”

En dan laten we Cape Town achter. De zee is donker geworden en de Tafelberg al helemaal. We rijden naar huis en af en toe legt René vaderlijk zijn hand op het hoofd van Tom. Die rijdt. “We leiden hier een glorieus dubbelleven”, zegt Tom. “En ik ben katholiek genoeg om schuld op een gulzige manier te accepteren. Geweldige motor is dat, use it. Wat dat betreft ben ik een averechtse Gordon Gekko uit Wall Street: ‘Not greed, but guilt is good’.”

Sprakeloos, de film van Hilde Van Mieghem, gaat op maandag 6 maart in première in Sint-Niklaas. En op 15 maart in heel België.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden