Zaterdag 19/10/2019

Interview Lust en liefde

‘Toen ik hoorde dat ik ging sterven, belde ik mijn vrouw. Daarna mijn vriendin’

Beeld BELGAIMAGE

Jack (45) kreeg te horen dat hij zou sterven. Binnen een paar maanden, aan een tumor. Hij dacht aan zijn kinderen, aan zijn vrouw, en aan zijn vriendin. Wat als hij zo ziek zou worden dat ze elkaar niet meer konden zien? 

Het gesprek bij de dokter was zo gevoerd. Zo lang duurt het niet om iemand te vertellen dat er een dodelijke tumor in hem huist. Ze tonen wat foto’s met ­duidelijke vlekken en zeggen dat ze ‘hier weinig anders van kunnen maken’ dan dat de patiënt hier zeker aan gaat overlijden. Na tien minuten stond ik op de gang. Ik was in mijn eentje naar het onderzoek gegaan, had al een tijdje last van mijn maag, maar het leek de laatste tijd beter te gaan. De klachten namen af, en het had niet veel gescheeld of ik had de ziekenhuisafspraak voor een MRI-scan afgezegd. 

“Nu stond ik op de glanzende vloer, op een stralende middag, met mijn doodvonnis. De tranen sprongen in mijn ogen. Niet van paniek, die voelde ik niet. Ik was opvallend scherp en helder. Het waren tranen van verdriet over mijn levens­verwachting die met een vingerknip was gedaald naar een paar ­maanden. Wat deed ik als eerste? Ik dacht aan mijn kinderen van tien en twaalf, daarna belde ik mijn vrouw. En dan mijn vriendin. Dat is kennelijk de logische volgorde voor een man in nood met een ­buitenechtelijke relatie. Iets anders kan ik er niet van maken. Het was de zomer van 2018.

Geen seksmaatje 

“We hadden verwacht dat we erg verdrietig zouden zijn, de eerste keer dat zij en ik elkaar zagen na dit doodvonnis. Dat we elkaar bij wijze van spreken huilend in de armen zouden vallen, maar dat ging anders. Zoals wel vaker ­spraken we af in een hotel, we omhelsden elkaar, gingen op bed liggen en keken elkaar heel lang aan, knuffelden en hadden seks. Na afloop kwamen de vragen. Hoe gaat het verder met ons? Wat als ik straks zo ziek was dat we elkaar niet meer konden zien? 

“Onze ontmoeting vond plaats na de vervolgafspraak in het ziekenhuis waar mijn spoedig einde werd bevestigd: binnen enkele maanden zou het gedaan zijn met me. In die overtuiging zaten we op het bed. Ik antwoordde te stellig: ‘Ik doe mijn best je te blijven zien, maar mijn focus ligt nu op mijn gezin. Mijn vrouw en mijn kinderen komen op de eerste plaats.’ Zij bood me een opening om te stoppen met onze verhouding. Ze zei zelfs dat ze het zou begrijpen als ik onder deze omstandigheden alle ballast overboord zou gooien. Maar dat is een veel te simpele ­voorstelling van onze verhouding. Zij is niet de franje in mijn leven, geen champagnecoupe om mijn geslaagdheid kracht bij te zetten. Zij is een wezenlijk deel van mijn leven, weliswaar een deel dat buiten ons tweeën geen getuigen kent, maar een desondanks heel belangrijk deel.

“De afgelopen maanden ben ik weinig mobiel geweest, heb ik veel thuis op bed ­gelegen en lukte het minder haar te ontmoeten. Maar mijn gedachten zijn bij haar. Het was altijd al intens en intiem tussen ons, nu is het ­voorzichtiger geworden, liever. Ze is geen seksmaatje, ze is mijn liefde. Maar ook al weet ze dat ik dat zo ervaar, zij ziet vooral ook die kant waar zij niet bestaat. Toen ik haar die zomermiddag aan de telefoon had, heeft ze de verdere dag vrij genomen, maar niemand die ze iets kon vertellen over de reden. Als ik er straks niet meer ben, is haar rouw misschien even hevig als van mijn vrouw, maar zij zal gewoon moeten doorwerken, voor haar collega’s, haar gezin, haar man zal ze haar mondhoeken omhooghouden.

Tijden van gemis

‘Wie belt me als het zover is?’, vroeg ze. ‘Hoe kom ik erachter?’ Ik heb mezelf beloofd dat ik één vriend over ons zal vertellen, hij zal haar op de hoogte brengen. Ja, het is bizar. Ik drink koffie met kennissen die minder voor me betekenen dan zij, die ik wel in het openbaar en met medeweten van mijn echtgenote ontmoet. Daardoor krijgt mijn vriendin soms de indruk dat ze naar de achtergrond is verdwenen. En toch, wezenlijk is er tussen ons niets veranderd. De momenten dat ik haar zie, zijn niet ineens een groot tranendal. Dan pakken we de draad weer op, praten net iets vaker over doodgaan dan vroeger, maar vaak zijn we allebei verbaasd hoe snel je zo’n doodsbesef incorporeert in je leven, je liefde, je omgang met elkaar.

Intussen leef ik nog. Ik heb ruimte nodig in mijn hoofd om de telkens wisselende werkelijkheid van alle kanten te besluipen en te besnuffelen en ik ben niet langer slordig met aandacht. Vroeger kon het gebeuren dat ik mijn kinderen voorlas en aan haar dacht, dat laat ik niet meer gebeuren. We zien elkaar niet meer eens in de twee weken, maar om de vier, vijf weken en het is misschien moeilijk te begrijpen, maar als we afscheid nemen met een kus, zeggen we: ‘Tot snel’. We hebben nooit het plan gehad onze gezinnen te verlaten. Ook nu niet.

“Een buitenechtelijke verhouding is soms gecompliceerd en altijd complex. In ons geval betekent het bij elkaar willen zijn, maar niet ten koste van degenen met wie we getrouwd zijn, van wie we ook zielsveel houden. Het betekent: weten en voelen dat je ondanks dat voorbehoud enorm veel voor elkaar betekent en weten dat zij er niet zal zijn om afscheid te nemen als ik sterf. Zij kan heel slecht tegen missen, en dit zijn tijden van gemis. Tegelijk zou het verkeerd zijn een beeld te schetsen van een zielige minnares, want zij is sterk genoeg ermee op te houden als zij eraan onderdoor dreigt te gaan.

“Gelijkwaardig is deze verhouding niet meer. Dat besef ik met schaamte. Maar gelijkwaardigheid blijkt niet de enige voorwaarde voor een schitterende en loyale liefde.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234