Donderdag 18/04/2019

reizen

Slow travel op z’n puurst: over de Zwitserse Via Engiadina slenter je van het ene schilderachtige dorp naar het andere

Onderweg naar Scuol over de geprepareerde Via Engiadina. Beeld JONATHAN VANDEVOORDE

Winterwandelen in de Alpen, drie dagen lang, zonder sneeuwschoenen? Het kan, tenminste als er geen bakken sneeuw vallen, zoals nu. Over de Via Engiadina in het Zwitserse Unter-en­gadin slenter je van het ene schilderachtige dorp naar het andere, terwijl je bagage naar het volgende hotel wordt gebracht.

Treintjes, treintjes, treintjes…

Het vakantie­gevoel begint al met de prachtige rit van Landquart naar Ardez. In het Rijndal ben ik van de intercity overgestapt in een rood wagonnetje van de beroemde Rhätische Bahn. De ambitieus genaamde Regio-Express – ik schat de topsnelheid op 60 kilometer per uur – wurmt zich op smalspoor in anderhalf uur tijd ­piepend en sissend door valleien en tunnels, steeds hoger de Alpen in. Het decor lijkt wel een modelspoorbaan: kerktorentjes, chalets en pittoreske stationnetjes schuiven voorbij. Oude boerderijen, silhouetten van bomen, dennebossen… Allemaal clichématig bedekt met een dik pak sneeuw. Zwitserser bestaat niet.

‘Niet vergeten op de stop-knop te drukken’, wordt benadrukt in het programma dat ik voor de reis meekreeg, anders zou mijn rode rups zomaar het stationnetje van Ardez voorbijtuffen, zo klein is het. Als ik uitstap, is de zon al achter de berg weggezakt en neemt de koude lucht bezit van het middeleeuwse dorpscentrum. De toren op de rots, het enige dat nog overblijft van een oud kasteel, waakt over dit smalle deel van het Unterengadin-dal. Ik sleep mijn rolkoffer door de steegjes omhoog naar mijn hotelletje en ben blij dat ik mijn Grödel, een soort spikes, onder mijn wandelschoenen gebonden heb: de aangevroren sneeuw is spekglad.

Winter? Volg de roze bordjes, niet die gele! Beeld JONATHAN VANDEVOORDE

Drie dagen wandelen van dorp naar dorp, hartje winter. Moet kunnen, vonden de Zwitsers, en de bestaande wandelwegen die al jaren door de plaatselijke bevolking worden gebruikt om overdag een frisse neus te halen, werden bewegwijzerd, zodat verdwalen bijna onmogelijk is. Hoewel: de eerste dag laat ik me verleiden om de bekende gele wandelbordjes te volgen, maar deze zomervariant van de langeafstandswandelroute zoekt hogere regionen op waar men in de winter beter niet vertoeft. Mijn overmoed wordt pas na ettelijke honderden meters duidelijk; zelfde weg terug dus. Roze is het leitmotiv wat winterpaden betreft: volg je een roze pijl of staak, dan weet je dat je goed zit. Maar ik heb altijd een wandelkaart bij me, je weet maar nooit.

Fresco’s en sgraffito

Voor mijn eerste wandeldag ben ik met het treintje twee haltes teruggereden naar Susch. De middeleeuwse brug over de Inn vormt het startpunt van de winterwandelweg Via Engiadina, verwijzend naar de Reto-Romaanse taal die in dit hoekje van Zwitser­land gesproken wordt, een van de vier officiële talen. Van hieruit volg ik in de schaduw de jonge bergrivier, die uiteindelijk door Oostenrijk en Duitsland naar de Donau stroomt, tot het dorpje Lavin. In de verte aan de overkant zie ik op de zuidhelling boven de vallei het dorp Guarda al in de zon liggen, mijn doel voor vanmiddag. De oude handelsroute tussen Como en Innsbruck, de Via Imperial, verbond de dorpen op deze hellingen met elkaar en de tol die geheven werd, vormde tot in de 19de eeuw de belangrijkste inkomstenbron voor de bewoners. Ze etaleerden hun rijkdom door de beplaasterde façades van hun huizen op te smukken met kleurrijke fresco’s en sgraffito, een techniek waarbij decoraties in de nog niet gedroogde plaaster worden uitgekerfd (‘sgraffiare’ betekent ‘krabben’ in het Italiaans). 

Toen in 1865 de nieuwe, dieper in het dal gelegen weg in gebruik werd genomen, raakten zowat alle dorpen – Guarda, Lavin, Ardez, Ftan, Scuol, om degene te noemen die ik op deze voettocht aandoe – ontvolkt. Toch hebben de gebouwen de tand des tijds doorstaan, want sgraffitodecoraties zijn erg weerbestendig. Met als gevolg dat ik vandaag nog van de aanblik van die schitterende façaden mag genieten, waarvan sommige bijna 800 jaar oud zijn. 

Vanuit Lavin loop ik over de geprepareerde sneeuwwandelweg omhoog richting Guarda, de zon tegemoet. Er moet meteen een laagje uit want dankzij mijn dagrugzakje staat het zweet op mijn rug. Guarda is een onvervalst Zwitsers postkaartje: kloeke ­huizen met kleurrijk versierde façaden van stucco lijken willekeurig rond een pleintje met een fonteintje neergeploft te zijn. Moest er geen dik pak sneeuw op de daken liggen, zou je haast denken dat je ergens in Italië terechtgekomen bent. Daar komt de ­sgraffito-techniek immers vandaan: Zwitserse arbeidsmigranten leerden de stiel in de 16de eeuw in Toscane.

Typische sgrafitto-versieringen in de pittoreske dorpen van Unter-Engadin. Beeld JONATHAN VANDEVOORDE

Teletijdmachine

Ik loop binnen bij Thomas Lampert. Hij runt er al zeventien jaar een smidse waar hij op ambachtelijke wijze messen en pannen uit één stuk staal maakt. Zijn atelier betreden is als in een teletijdmachine stappen. Wat een herrie! De pneumatische hamer verraadt dat ik me toch echt in het hier en nu bevind. Het apparaat ‘slaat’ met een gietijzeren blok van 40 kilo het een na het andere lemmet plat, dat een medewerker van Thomas eerder uit het kolenvuur haalde. “Zo maken we er dik tweeduizend per jaar”, zegt Thomas. De groeven in zijn gezicht worden geaccentueerd door een laagje roet, wat zijn kop extra fotogeniek maakt. In de ruimte dwarrelt fijn, zwart stof. Als ik een foto wil maken van Thomas, staat hij erop dat hij eerst zijn sigarettenpeuk verstopt. 

In de smidse van Thomas Lampert worden messen uit één stuk gemaakt. Beeld JONATHAN VANDEVOORDE

Hij legt een dikke, metalen schijf zo groot als een bord in een drukmal. Wat dat is? Hij grijnst breed. “Een privéprojectje. Ik moet er zo 300 maken. Die verbind ik dan met elkaar, het wordt een soort sculptuur”, zegt hij geheimzinnig.

Meer dan een half uur houd ik het binnen niet vol. Ik stap naar buiten en zuig de schone berglucht op, huiverend als ik me inbeeld hoe Thomas’ longen er na 17 jaar in zo’n kolenkast uit moeten zien. Ik heb nog twee uur voor de boeg, op en neer, naar Ardez.

Naarmate de middag vordert, strooit de zon goudstof over het winterwonderlandschap uit. Ik loop door lariksbossen en langs vakkundig opgeknapte, oude boerderijen. En Zwitserland zou Zwitserland niet zijn, moest er niet in elke tuin een mast met de vlag staan: rood, met een wit kruis.

Trouwens, ’s avonds peuter ik na het douchen nog zwart stof uit mijn oren.

Ardez, een schitterend dorp langs de Via Engiadina. Beeld JONATHAN VANDEVOORDE

Lawinegevaar

De volgende etappe, van Ardez naar Scuol, is – hoe kan ik het anders beschrijven? – meer van hetzelfde: gewoonweg schitterend. De Via Engiadina volgt hier de toenmalige Via Imperial en voert mij langs ruïnes van wat volgens het bordje ooit een ‘fiskalische Herberge’ was, een combinatie van een tolhuis en café (dat hadden die Zwitsers toen ook al goed geregeld). Bijna heel de dag zie ik het beroemde Schloss Tarasp rechts van mij op een rots boven de Inn liggen. Bij het dorp Ftan ligt een skipiste, en ik spot een onweerstaanbaar terrasje, waardoor ik wederom pas laat in de middag, als de zon achter de toppen van de ruige Engadiner Dolomiten weggezakt is, mijn hotel in Scuol bereik waar mijn rolkoffer al staat te wachten.

De derde etappe begint vanaf het bergstation van Scuols skigebied en zou mij hoog boven de boomgrens tot in Sent moeten brengen. Het mag echter niet zijn: het sneeuwwandelpad naar het eindpunt van de Via Engiadina is afgesloten wegens lawinegevaar. Ik moet dus terug. “Maar je kunt naar Prui lopen en daar met een sleetje naar Ftan afdalen”, had de dame achter de kassa gesuggereerd, “dat zit toch in de prijs van je liftkaartje inbegrepen.”

Ook geen straf, denk ik, en na een korte verkenning van de witte wereld naast het skigebied hoef ik alleen nog maar bergafwaarts naar Prui, relaxter kan haast niet. Onderweg ontlok ik met mijn opgewekte Grüezi’s en Allegra’s een geforceerde glimlach aan de immer gereserveerde Bündner Zwitsers die ik tegenkom. Zo te zien is bergwandelen in de winter voor de locals de gewoonste zaak van de wereld, ook op een doordeweekse dag.

Eindbestemming: het sprookjesachtige dorp Ftan. Beeld JONATHAN VANDEVOORDE

Op een terras naast de piste in Prui doe ik mij tegoed aan een copieuze Bündnersalat. Bij de skilift toon ik mijn kaartje en mag ik een slee uitkiezen. Ik pak, gezien mijn lengte, de grootste. Ik ga voor de diretissima naar Ftan, een adrenalinerush van jewelste.

Wat een mooie job heb je toch, gelukzak, schreeuw ik. 

PRAKTISCH

Wanneer en hoe? De Via Engiadina is zowel ’s zomers als ’s winters als arrangement te boeken, van drie tot (in de zomer) zeven dagen. Met Swiss vlieg je in anderhalf uur naar Zürich (swiss.com), dan met de intercity naar Landquart en de Rhätische Bahn richting Scuol.

Winterwandelen. Per dag loop je zonder pauzes 4 tot 5 uur - de hoogteverschillen zijn nooit meer dan 400 meter per dag. Een basisconditie is ­voldoende. De paden zijn breed en geprepareerd, sneeuwschoenen (rackets) heb je daarom niet nodig. Grödel (spikes voor onder de schoenen) kunnen handig zijn op verijsde plekken.

Vervoer ter plaatse. Je ontvangt in je eerste hotel een informatiepakket met o.a. de EngadinScuol Mobil-Card. Hiermee kun je in heel Unterengadin gebruikmaken van bussen en treinen en één keer van de lift naar Motta Naluns boven Scuol, startpunt van de derde dagetappe.

scuol-zernez.engadin.comgraubünden.ch

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.