Donderdag 12/12/2019

Interview

Schrijver Seppe van Groeningen: "Ik denk niet meer: ooit kom ik de ware tegen en gaat alles vanzelf"

Beeld Tim Coppens

In zijn jongste roman laat Seppe van Groeningen (45) zijn alter ego verdwalen in het schemergebied tussen egoïsme en zelfrespect. Al is Beschreven blad in de eerste plaats een boek over de liefde. Dus stuurden wij zijn eigen vrouw op hem af, voor een gesprek over schrijven en liefhebben. 

Dat hij schrijft met een naturel die weinig debutanten gegeven is, stond vier jaar geleden in De Morgen te lezen. Toen kende ik auteur en geluidsman Seppe van Groeningen (46) nog niet. Kort daarop zou hij zijn debuut in mijn brievenbus stoppen – nee, dat is heus geen codetaal voor iets anders – pas maanden later zou ik me er daadwerkelijk in verdiepen. Nieuwsgierig nodigde ik hem toen uit voor een kop koffie.

Die bleek de start van een leven samen. Een leven waarin Seppe niet alleen regelmatig naar verre filmsets vertrok, maar ook thuis naarstig aan zijn tweede roman werkte: Beschreven blad. Die voert de lezer mee op een onstuimige rivier: achter iedere bocht wacht een nieuw landschap, dan weer hilarisch, dan weer ontroerend. Het is een roman zonder enige pretentie geworden, die uitnodigt tot zelf­reflectie en je achterlaat met een krop in de keel.  En misschien ook wel met een zekere nieuwsgierigheid: want wat was nu fictie en wat is echt? Dat smeekt om een interview met de man die mij drie jaar geleden wist te verleiden met een boek, en dat nu weer even dunnetjes overdoet.

Vlak nadat wij elkaar leerden kennen, begon je aan Beschreven blad. Wist je op voorhand al precies welke richting je uit wilde?

“Daags na onze eerste ontmoeting vertrokken we al naar Auvergne, om gedurende twee weken elk aan ons eigen boek te werken in het afgelegen huisje van mijn moeder. Ik hoopte daar in alle rust in het hoofd van mijn overleden vader te kunnen kruipen. Waarom was de idyllische liefde tussen mijn ouders gedoemd te mislukken? En was die liefde wel zo idyllisch als ik altijd had geloofd? Ik wilde een roman schrijven over mijn vader, hem aan het woord laten. Mijn idee was welomlijnd en het schrijven vlotte goed. Maar toen we terugkeerden naar de bewoonde wereld en ik weer regelmatig aan de slag ging als geluidsman op filmsets, waardoor ik soms maandenlang niet kon schrijven, merkte ik dat de roman een andere richting op ging. Wat ik in Auvergne schreef als het begin, bleek uiteindelijk het einde.”

Hoe vond je het eigenlijk om met een onbekende in dat kleine huisje te verblijven? Je mag eerlijk zijn. Echt.

“Wat was dat intens! (lacht) Ik bevond me dan wel op bekend terrein, op de plaats waar mijn ouders hadden gewoond en waar ik deels mijn kindertijd heb doorgebracht, maar er waren zo veel nieuwe dingen. Wij kenden elkaar amper, schreven aan dezelfde tafel, met een prachtig uitzicht over de bergen en bossen, en er hing voortdurend elektriciteit in de lucht. Om dan aan het verhaal te beginnen dat al zo lang door mijn hoofd spookte en naar de stem van mijn overleden vader te zoeken…  Heftig. Ik deed ontdekkingen in heden en verleden. Uiteindelijk is het hele boek een ontdekkingsreis geworden. Niet alleen van de vader, ook van zijn zoon.”

Beschreven blad wordt aangekondigd als een roman over het schemergebied tussen egoïsme en zelfrespect. Waar ligt de grens volgens jou?

“Destijds waren mijn ouders hippies die geloofden in love and peace, in een nieuwe wereld, vrij van agressie. Door hun ideologie had ik het volste vertrouwen in anderen. Ik groeide op in de veronderstelling dat volwassenen elkaar respecteren en was me niet bewust van mijn grenzen. Maar in de echte wereld bleken er mensen te bestaan die geen respect voor anderen opbrachten. Gedurende lange periodes heb ik narcisten in mijn leven gehad. Narcisten hebben geen empathie, het maakt hen niet uit als ze iemand kwetsen. Ze kiezen voor zichzelf, ten koste van anderen. Geen wonder dat velen van hen zo succesvol zijn. Zelf ben ik een gevoelsmens, en blijkbaar vinden zij dat aantrekkelijk. Er werd misbruik van me gemaakt. Daardoor heb ik alsnog geleerd waar mijn grenzen liggen en hoe ik die kan aangeven. Over lijken gaan, zou me diep ongelukkig maken. Ik kom voor mezelf op uit zelfrespect en probeer tegelijk andermans grenzen te respecteren. Daar ligt de grens met egoïsme.

“Intussen geloof ik niet langer dat een relatie tussen een narcist en een gevoelsmens kan slagen. Wat ze ook beloven, ze houden nooit rekening met je. Het is een ­lijdensweg, een eindeloos gevecht dat je onmogelijk kunt winnen. Er komt altijd een dag waarop je te moe bent om voor jezelf op te komen, en dan beginnen ze gewoon weer opnieuw.”

Je hoofdpersonage Jef Taeldeman zoekt via pittige omwegen naar de ware liefde. Een tocht die je zelf ook hebt ­afgelegd?

“Jawel. Ook al waren mijn ouders het perfecte koppel, op een zeker moment hielden ze er een losbandig liefdesleven op na. Als kind geloofde ik in de ware, als volwassene leefde ik vaak zeer losbandig. Misschien omdat ik beide voorbeelden had meegekregen. Toch bleef ik steeds verlangen naar een zielsverwant, zonder verder al te naïeve romantische illusies te koesteren. Uit eerdere relaties, en zelfs die met mijn tienerdochter, heb ik geleerd dat je aan iedere ­relatie moet werken. Je moet investeren, duidelijk communiceren. Ik ben genezen van het idee: ooit kom ik de ware tegen en gaat alles vanzelf. Moest de liefdesbubbel van het begin de rest van je leven blijven duren, ik zou dat erg vermoeiend en beperkend vinden. Dan kom je aan niets anders toe dan verliefd zijn.

Beeld Tim Coppens

“Ik ben in mijn leven al vaak verliefd geweest, maar steeds voelde het alsof er iets niet klopte. Alsof er toch wat ontbrak. Uit die relaties heb ik veel geleerd. Zo ben ik gewaarschuwd over hoe vernietigend jaloezie kan werken. En ik weet maar al te goed hoe belangrijk het is om jezelf te mogen zijn en de ander die ruimte ook te geven. In jou heb ik uiteindelijk – als veertiger – mijn zielsverwant gevonden. Voor het eerst voel ik me niet gevangen in een relatie, maar juist gedragen. Misschien komt dat ook omdat we niet meer piepjong zijn, al wat bagage hebben, onszelf beter kennen. Jij en ik zijn geen van ­beiden bezitterig. Onze liefde brengt rust. Maar zo denk ik erover. Misschien droom jij wel van een ander leven met een heel andere man?” (grinnikt)

Nee, hoor. Totaal niet. Maar als het ooit zover komt, creëer ik wel een hoofdpersonage dat wellustig met anderen vrijt, net zoals jij dat hebt gedaan. In hoeverre heb je Jef eigenlijk op jezelf gebaseerd?

“Touché. (lacht) Hij is mijn alter ego, dat ik laat doen en zeggen wat ik zelf niet durf. Ik heb een parcours voor hem gecreëerd dat hem tot dezelfde inzichten brengt die ik door eigen ervaringen heb verkregen. Al begon Jef gaandeweg wel een eigen leven te leiden en moest ik steeds sneller schrijven om hem nog bij te kunnen ­houden.

“Net als Jef heb ik me lang afgevraagd wie ik werkelijk ben. Jef spit zijn verleden om en levert een gevecht met oude patronen waarin hij niet langer wil vervallen. Het is best therapeutisch om – deels – over jezelf te schrijven. Al gravend in je verleden kom je tot nieuwe, verrassende en bevrijdende inzichten. Maar Jef is zeker geen kopie van mij. Hij is een rijke makelaar, met een joekel van een midlife­crisis, een rode sportkar en strakke hemden van Armani. Hij komt uit een wereld die ver van de mijne staat. Daarover schrijven, staat me toe ervan te proeven, net zoals een acteur via verschillende personages met een ander leven experimenteert.”

Is acteren dan niets voor jou? Je was al kortstondig te zien in de film Sprakeloos, waarin je zeer geloofwaardig gestalte gaf aan een hooggehakte travestiet – ik ben er nog steeds niet uit of ik dat verontrustend vind of niet – en je speelde een klein rolletje in de nieuwe serie De dag.

“Ik dacht dat we dat voor ons gingen ­houden? Dat mocht toch niemand weten?” (lacht)

“Wel, om eerlijk te zijn heb ik zo rond mijn dertigste overwogen om mijn leven over een andere boeg te gooien en inderdaad een opleiding tot acteur te volgen. Ik liep met een creatief ei rond, dat ik maar niet gelegd kreeg. Echter, het idee om terug naar school te gaan en daar netjes te moeten luisteren en te gehoorzamen, hield me tegen. Uiteindelijk ben ik dan beginnen schrijven. En dat is de beste beslissing ooit geweest.”

Als geluidsman werkte je mee aan meer dan ­honderd films en reisde je daarvoor de wereld rond. Merk je dat dat jouw schrijven beïnvloedt?

“Het reizen heeft me geleerd om te relativeren en ­dankbaar te zijn voor wat ik heb. Ik ben met vele ­mensen, landen en culturen in aanraking gekomen, heb extreme klimaten beleefd, grote armoede gezien. Ik ­herinner me nog goed de dag waarop ik terugkeerde uit Mozambique, waar de mensen ondanks hun schrijnende levensomstandigheden voortdurend lachten, en dat ik in Parijs, waar ik toen woonde, het ene zure gezicht na het andere zag voorbijkomen. Mensen in ­derdewereldlanden zijn vaak al gelukkig als hun ­fundamentele behoeftes worden vervuld: ze eten een vrucht en ze zijn blij. Hier, in het rijke Westen, hebben we veelal de luxe om ons verder te ontplooien. Om ons, met een gevulde buik en een dak boven ons hoofd, af te vragen wie we zijn, wat we willen, waarom we hier zijn en waar we misschien wel naartoe gaan. Ook dat is een behoefte – hetzij geen primaire – en ik geloof dat je gelukkig kunt worden door antwoorden op die vragen te zoeken. Dat doe ik dus al schrijvende.”

Je noemde Aards paradijs, over een jongetje dat tijdens de flowerpower in een commune  opgroeit, je emotionele autobiografie. Niet de gebeurtenissen strookten steeds met de werkelijkheid, het waren je vroegere gevoelens die je nieuw leven inblies. In ­hoeverre herhaal je dat in Beschreven blad?

“Deze roman is niet alleen mijn emotionele autobiografie, maar ook de emotionele biografie van mijn overleden vader. Er zijn opvallend veel parallellen tussen hem en mij, l’histoire se répète. Daardoor vroeg ik me af of ik controle had over mezelf of dat ik slechts het product was van mijn genen en opvoeding. Eveneens was het schrijven van Beschreven blad een poging om opnieuw in contact te komen met mijn vader. Iedereen die ooit een dierbare verloor en dagelijks met dat gemis moet leven, zal dat wellicht begrijpen…”

Beeld Tim Coppens

Je verloor je vader veertien jaar geleden. Hij was begin de zestig en stierf aan de gevolgen van een misgelopen levertransplantatie. Hoe was jullie relatie?

“Mijn vader was een fantastische man, maar had zoals iedereen ook zijn gebreken. Hij kon alleen communiceren met iemand die heel dicht bij hem stond. Als kind was ik lange tijd erg close met hem, maar toen mijn ouders uit elkaar gingen en ik op jonge leeftijd al het huis verliet, stond ons contact op een laag pitje. We zagen elkaar nog wel, maar we hadden geen diepgaande gesprekken meer, wisten niet meer wat er in elkaar omging. Pas de laatste jaren, toen hij met zijn nieuwe levensgezel op een berg in Portugal woonde en ik hem daar regelmatig bezocht, herontdekten we elkaar en werden we weer twee handen op een buik. Hij was mijn beste vriend. Toen werd hij ziek. We wisten dat er risico’s verbonden waren aan zijn levertransplantatie, maar nadien waren de artsen enthousiast: zo’n goed gelukte ingreep hadden ze nog maar zelden meegemaakt. Dat mijn vader kort daarop toch stierf, kwam daardoor dubbel zo hard aan. De dood van mijn vader voelde als een amputatie. Ik leef verder met fantoompijn. Het verdriet was bijzonder groot en kwam in golven. Intussen is het minder fel, maar het blijft een eeuwig gemis waarmee ik heb leren leven en dat op de meest onverwachte momenten – bijvoorbeeld door een scène in een film of een boek – toch weer de kop opsteekt.”

Is het je effectief gelukt om al schrijvende opnieuw contact te maken met je vader?

“Absoluut. Het was zelfs alsof we op de een of andere manier met elkaar versmolten. Een postume symbiose.  Ook iets wat ik voortaan altijd in me zal meedragen. En iets waarvoor ik zeer dankbaar ben.”

Niet alleen je vader inspireerde je. Ik meen ook enkele vrienden en kennissen in je boek te ­herkennen. Vertrek jij voor je personages steeds van bestaande personen?

“In al mijn personages sluipt er wel iets van iemand die ik ken, ja. Sommige personages zijn op meerdere ­mensen gebaseerd en soms duiken de aspecten van één persoon in verschillende personages op. Maar dan gaan ze wel hun eigen leven leiden.”

Je baseerde een van je personages op mij. Begeeft een schrijver zich niet op glad ijs als hij van zijn partner een romanfiguur maakt? Stel dat ik ontevreden was geweest met het resultaat!

“Wij hebben het er natuurlijk wel eerst over gehad. En gezien jij me carte blanche gaf, heb ik mij eens goed laten gaan! (lacht) 

“Ik vond het plezant om onze liefde te beschrijven. Vooral om de spanning die tijdens onze eerste rencontre voelbaar in de lucht hing, te vangen en te vereeuwigen. Maar al gaat het over een keerpunt in mijn leven, het is natuurlijk allemaal niet volledig waarheidsgetrouw. En er zijn ook duidelijke verschillen tussen jou en dat personage. Anders dan jij is Céline Aspeslagh een psychologe, die op de koop toe een razend populair tv-programma presenteert. Maar jullie zijn allebei in een internationale sekte opgegroeid en filosoferen beiden graag over het leven. Dat is ook wel het type vrouw dat mij boeit: eentje die toch al een en ander heeft meegemaakt.”

Vanaf het prille begin van je schrijfproces liet je me meelezen en je vroeg me zelfs om kritiek te leveren. Dat vond ik moeilijk, want ik wilde je niet afremmen. Maar je stond erop.

“Dat komt omdat ik, toen ik Aards paradijs schreef, in  Zuid-Frankrijk woonde met mijn ex – een iets oudere Franse actrice die geen Nederlands verstond – en ik daar niemand had die meelas. Af en toe stuurde ik wel eens iets op naar een vriend in België, maar dan duurde het lang voor ik antwoord kreeg en werd ik in tussentijd zo onzeker dat ik zelfs stopte met schrijven. Het manuscript van Beschreven blad wilde ik aan niemand laten lezen, opdat de faalangst me geen tweede maal zou kunnen verlammen.

“Maar toen ontmoette ik jou, en jij schrijft ook. Dat jij je columns door mij liet nalezen en ik jou mijn vorderingen mocht voorschotelen, vond ik een openbaring. Jij was de enige die aldoor meelas. Heel tof, heel intiem en ja, soms ook best moeilijk, als je kritiek gaf. Maar het is een luxe om iemand te hebben die je vertrouwt en die durft kritisch te zijn. Ook al was ik het zeker niet altijd met je eens!  (lacht)

“Nog steeds vind ik het heerlijk hoe wij, elk vanuit onze eigen hoek in ons huis, elkaar tekstjes mailen en die beantwoorden met complimentjes of suggesties. Een ongekende stimulans. Dankzij jou vergeet ik ook niet dat ik schrijf voor een publiek dat moet begrijpen wat ik bedoel. Dat had ik met mijn debuutroman vaak nog wel, omdat ik almaar in mijn eentje werkte.”

Beeld Tim Coppens

Mijn buik prijkt nu zelfs op de cover van je boek. Heb je dat gedaan omdat je dat zelf wilde of stel je je ten dienste van mijn navelstaarderij?

“Ik heb dat gedaan om jou te motiveren om naar de ­fitness te gaan.” (schatert)

Zo attent van je! Nu we het toch over mijn navel hebben: toen mijn laatste boek een bestseller bleek, vroeg een man jou – compleet onterecht – hoe het is om in de schaduw van je vrouw te staan. Blijkbaar denken sommigen dat een schrijvers­koppel met elkaar rivaliseert.

“Ik begrijp nog steeds niet hoe die persoon op die vraag kwam! Ik ben oprecht blij om jouw succes en omgekeerd weet ik dat jij mij ook alle succes gunt. Wij steunen elkaar toch door dik en dun?

“Ach, ik ben al mijn hele leven ‘de zoon van’, omdat het café van mijn vader bekend was. Daarna werd ik  ‘de broer van’ ­(regisseur Felix van Groeningen, red.). Dat ik nu ook ‘de man van’ ben, vind ik geen enkel probleem. Tenslotte worden we mede gedefinieerd door de mensen van wie we houden.”

Je broer blikt op dit moment in Hollywood ook een BB in: geen beschreven blad maar Beautiful Boy, zijn eerste Amerikaanse langspeler. Zijn het de ­artistieke genen?

“Nee, een ongelukkige jeugd! (lacht) Nee, serieus, ­misschien komt het omdat we in een artistieke familie zijn opgegroeid? Er waren schilders, beeldhouwers en muzikanten, maar nog geen regisseur en geen schrijver. Mogelijk voelden Felix en ik de nood om die gaatjes te dichten.” (glimlacht)

Felix was een van de eersten die jouw afgewerkte manuscript las. Hoe belangrijk was zijn reactie?

“Heel belangrijk. Vanuit L.A. stuurde hij me een lange mail vol lof en daar werd ik helemaal warm van. Mijn broer is nogal spaarzaam met complimenten, dus daarom betekende het nog meer.

“Net als met jou heb ik ook met hem een bijzondere band: soms, als hij over iets twijfelt, laat hij me zijn ­scenario in wording lezen, of toont hij me een versie van de montage van zijn film en vraagt hij me hoe ik erover denk. Die wisselwerking, dat vertrouwen, dat is fijn en werkt stimulerend.”

Je kreeg ook schitterende reacties van andere ‘nalezers’. Barbara Sarafian vergeleek jou met Philip Roth. Erik Van Looy heeft hard gelachen om je roman, maar ook gehuild van ontroering. En Dominique Van Malder noemde het “tweehonderdveertig pagina’s troost, van de mooiste soort”.

“Je kunt niet iedereen behagen en juist daarom raakt het mij enorm dat alle mensen aan wie ik het boek voor publicatie liet lezen, even enthousiast zijn. Sommigen van hen zijn vrienden en herkennen mij er wellicht in. Anderen kennen mij niet en herkennen juist zichzelf erin – fantastisch is dat!”

Jij raadde me ooit aan om na het ­uitkomen van je boek niet online reacties te gaan uitpluizen, maar je onmiddellijk op een nieuw project te storten. Neem jij dat advies nu ook ter harte?

“Absoluut. Voor mij voelt een boek publiceren als een paar jaar naar de fitness gaan en dan blijkt dat je naakt het podium op moet, zodat men je lijf kritisch kan bekijken. Ook al ben ik nu ietsje meer op mijn gemak, het blijft toch spannend.

Toen Aards paradijs uitkwam, checkte ik de reacties op het internet. Ik had er al zo lang naartoe geleefd. Het streelde mijn ego, maar toch werd ik er vooral onzeker van. En het was tijdrovend. Nu Beschreven blad af is, investeer ik die tijd in een opvolger. Dat is constructiever. Ook werk ik binnenkort mee aan een grootschalige televisieserie, een Nederlands-Belgische coproductie, die me volop zal bezighouden.”

Maar als ik het goed begrepen heb, heb je al ­schrijvende je volledige kindertijd verwerkt en ben je alles te weten gekomen over de liefde. Waar kun je het nu nog over hebben?

“Wees gerust, er zijn nog genoeg levensvragen over. En ik weet nog steeds niet alles over de liefde, er valt nog heel wat te leren! Mijn volgende boek gaat over een passionele affaire tussen iemand uit het rijke Westen en iemand uit een arm, Afrikaans land. Ik wil uitzoeken welke macht culturele verschillen op de liefde ­uitoefenen. En in het dagelijks leven heb ik jou natuurlijk, om me letterlijk én figuurlijk in te blijven verdiepen!” (knipoogt)

Strak plan, zielsverwant.

Beschreven blad is uitgegeven bij De Arbeiderspers, 19,95 euro

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234