Woensdag 26/06/2019

interview

Rudi Vranckx: "Ik ben veel emotioneler dan 15 jaar geleden. De dood van mijn tolk Jassim was een keerpunt"

Rudi Vranckx: "Ja, ik ben een merk geworden. Ik ben dertig jaar naar de oorlog gegaan, altijd oproepbaar geweest, dag en nacht, elke vakantie, zeven op zeven." Beeld Stefaan Temmerman

Wat doen jaren van oorlogsverslaggeving met een mens? Rudi Vranckx (58) schrijft er een boek over omdat zwijgen geen optie is. "De haat- en angstzaaiers van vandaag zijn de oorlogsmisdadigers van morgen."

Soms is hij moedeloos. Soms boos en gefrustreerd. Altijd is hij bezig met moraliteit. Wat is goed? Wat is fout? Vragen die in de wereld van Rudi Vranckx allerminst theoretisch of retorisch blijven. “Zou jij, als jouw familie uitgemoord wordt, zinnen op wraak?” De anekdote die daarop zal volgen en die u later in dit gesprek zal lezen, is pure horror. En zelfs die waanzin wil hij begrijpen. “Als je niet probeert te begrijpen, weet je niet wat er speelt.”

Plaats van afspraak: een Leuvense koffiebar slash boekenwinkel. Het is hier dat Vranckx deze zomer heeft nagedacht over het besluit van zijn nieuwste boek, 
Mijn kleine oorlog. Over die enkele pagina’s deed hij weken, maanden zelfs. Het typeert hem. Relevant zal het zijn, of niet zijn. Of zoals hij het lachend zegt: “Over het achterwerk van Beyoncé zal je mij niets horen zeggen. Ik ken haar niet en de relevantie voor mijn leven is nul.”

Het is dan ook niet verwonderlijk dat, nog voor de bestelde cappuccino en de groene thee de Leuvense tafel bereiken, de woorden ‘verbetenheid’, ‘gedrevenheid’ en ‘vuur’ al zijn gevallen. Nee, vrijblijvend wordt het niet.
By the way, een koffie in Koerdistan had ook gekund. Ginder of hier: voor VRT-oorlogsverslaggever Vranckx maakt het weinig verschil, zegt hij.

Context en daardoor journalistieke meerwaarde wil hij bieden, met de jaren steeds meer. “Vroeger moest ik naar de oorlog. De eerste vijftien jaar van mijn job was ik totaal ongenietbaar, op het randje van depressief, razend als ik iets gemist had. Het brandde vanbinnen omdat ik er had willen zijn. In die beginjaren moest alles wijken. Alles. Er was maar één doel. De oorlog zien, getuigen. Als er nu iets ontploft dat belangrijk is, Raqqa, Mosul, dan wil ik er nog altijd bij zijn, maar ik ga niet meer naar élke aanslag. Evenementenjournalistiek heeft zijn recht, maar het prikkelt mij niet meer voldoende. Ik kies niet meer voor fastfood, ik ga liever eens in de keuken kijken.”

Wie is Rudi Vranckx?

- geboren op 15 december 1959 in Leuven 

- heeft een partner, geen kinderen 

- studeerde geschiedenis en werkte als onderzoeker voor het Centrum voor Vredesonderzoek aan de K.U.Leuven 

- begon in 1988 voor de BRT te werken; zijn eerste opdracht als oorlogsverslaggever was in Roemenië, in 1989, tijdens de val van dictator Ceaușescu 

- versloeg o.a. de oorlogen in Joegoslavië, Irak, Afghanistan en Syrië en schreef er boeken over 

- gaat na elke reis een taartje eten met zijn moeder 

- maakte o.a. de tv-reeksen Bonjour Congo (Canvas, 2010) en De vloek van Osama (Canvas, 2011). Voor de zonden van de vaders zal vanaf 30 oktober op Canvas te zien zijn

Naast dat nieuwe boek heeft Vranckx zonet de Carnegie Wateler Vredesprijs, uitgereikt door de prestigieuze stichting Carnegie, in ontvangst mogen nemen. Vanaf eind oktober kan de Canvaskijker afstemmen op Voor de zonden van de vaders, over de nog niet teruggekeerde kinderen van IS-strijders. O ja, en als hij nog wat tijd heeft, geeft hij lezingen over het Midden-Oosten. “Vóór het hele terrorismedebat was ik een beetje een exoot, maar nu het dichterbij komt, voel je de betrokkenheid groter worden, vanuit een ongerustheid. Omdat wat ginder gebeurt, ook bij ons een impact heeft en omgekeerd. Dat is iets waar ik al jaren op hamer, maar wat niet echt doordringt totdat er vijfhonderd gasten van hier vertrekken. Het is fijn in mijn stiel om te merken dat wat je vertelt impact heeft, dat mensen luisteren. En rechtstreeks contact leert mij welke redeneringen mensen opbouwen, waar ze mee zitten, hoe ze denken. Ik wil geen wereldvreemde salonintellectueel zijn.”

Een lach volgt.

Is Rudi Vranckx een merk geworden? “Ja, ik ben een merk. Ik ben dertig jaar naar de oorlog gegaan, altijd oproepbaar geweest, dag en nacht, elke vakantie, zeven op zeven. Die passie heeft een prijs. Ik heb oneindig veel gemist. Verjaardagen, feestjes…”

Kinderen? “Die heb ik inderdaad niet. Het is er gewoon niet van gekomen.” Even staart hij in de leegte. “Maar of dat enkel met mijn job te maken heeft?” Stilte en een aarzeling. Doorvragen blijkt geen zin te hebben. Vranckx maakt zijn eerdere gedachte gewoon af: “Het is positief dat het een impact heeft. Dat je iets creëert. Draait het dan rond mij?
As long as it takes, zeker?'

Een mens verandert niet

Die dertig jaar oorlogsverslaggeving hebben Vranckx gemaakt en getekend. In zijn nieuwe boek beschrijft hij wat oorlog met hem en de wereld gedaan heeft. Na 400 ­pagina’s besluit hij met een waarschuwing. “In alle oorlogen die ik meegemaakt heb, speelt één mechanisme, altijd: dat van ontmenselijking van de ander. Daarom zeg ik, en ik zeg het al lang: de haat- en angstzaaiers van vandaag zijn de oorlogsmisdadigers van morgen.”

“Ik vind dat mensen veel meer op hun taalgebruik moeten letten. Wat je zegt, heeft een betekenis. Je kunt daar niet lacherig over doen. Het heeft impact. Pas op, ik wil geen politieke meningen vertolken. Ik wil een inzicht formuleren, zo eerlijk mogelijk zeggen wat ik geleerd heb, op basis van wat ik zie. Ik ben bijvoorbeeld vaak in Italië. (Vranckx heeft er een tweede verblijf, KK) Je moest deze zomer het discours van Salvini (Matteo, minister van Buitenlandse Zaken en vicepremier; KK) horen, de leugens die hij verkondigt over vluchtelingen: met hoeveel ze zijn, hoeveel ze kosten, wat ze doen... Het is niet te geloven hoe er met cijfers en feiten wordt omgesprongen. Als je daartegenover dan de haatmisdrijven van deze zomer oplijst, en ik heb het hier niet over Facebookposts, dan kom je op één om de vijf dagen. Schietpartijen, hè. In Italië.”

De verontwaardiging klinkt door in zijn stem. Hij benoemt het als een gevoel van onmacht en bijgevolg moedeloosheid. “Dan lees ik dat er iemand geschoten heeft op een zwarte werkmens die een lamp aan het vervangen was. Hij dacht dat hij op een duif aan het schieten was. Ja, dat maakt me boos. Het bevreest mij. Als historicus link ik dat aan wat ik ergens anders heb zien gebeuren. Ik weet welk discours er in Rwanda is gehouden, over de kakkerlakken via de haatzender, of hoe het in Joegoslavië ontspoord is. Altijd hetzelfde mechanisme. Dat is voldoende bestudeerd, alleen dringt niet door dat we daar allemaal een verantwoordelijkheid in hebben.

“Het discours is heel simpel. Er is iets fout. Ik voel me angstig, bang. Dat is het begin. En iemand draagt schuld, dat is het simpelste. En die iemand wordt minder mens. Uiteindelijk is dat geen mens meer, maar een misdadiger of een gelukzoeker, iets wat opgekuist moet worden.”

Over wie heeft hij het nu? “Het maakt me niet uit wie wat zegt, daar ben ik niet mee bezig. Dat iedereen maar eens in eigen hart kijkt. Ik merk gewoon op dat het discours verhardt. Dat er grenzen worden verlegd. En uiteindelijk zijn die anderen geen mensen meer. Ik zou durven hopen dat politiek en media, maar ook het intellectuele middenveld zich daar goed van bewust zijn.”

Is dat dan niet zo? “Ik denk dat sommigen zich daar maar al te goed van bewust zijn. Ik vind het alleszins onbegrijpelijk soms. Het gaat over mensen. Misschien is dat wel mijn frustratie. Ik heb nu dertig jaar
fucking massagraven gezien, mensen zien kapotmaken. Leren we dan niet?

Rudi Vranckx :"Ik had nooit gedacht dat ik nog een propagandist van gematigdheid en van het midden zou worden. Van het gezond verstand." Beeld Stefaan Temmerman

“Maar dan zeggen we: och, dat is ver van ons bed. Heb je nu nog niet begrepen dat het níét ver van ons bed is? De haatmisdrijven in Duitsland, Italië: is dat ver? Ja maar, het gaat maar over een paar mensen. Dat is zo. Maar zo begint het altijd. En natuurlijk leven we nu in andere tijden dan bijvoorbeeld de jaren 30 en moet je die niet met elkaar vergelijken. Mij gaat het erom dat het menselijke gedrag dat aan de basis ligt, hetzelfde is. De mens in periodes van angst en onzekerheid: hij verandert niet. Maar we zouden er wel uit geleerd moeten hebben. Je zou moeten weten met welke krachten je speelt. Het spook van de ontmenselijking laat je beter niet uit de fles.

“We zouden moeten beseffen dat het niet vrijblijvend is. Het is gemakkelijk om Schild & Vrienden te veroordelen. Maar: wat dan? What’s next? Neem nu Anders Breivik, ­indertijd. Een gek! Ja, maar wel een gek met duizenden connecties in Europa. Gekheid ontstaat ergens. Als een extremist aan islamitische zijde dat doet, dan kunnen we het plaatsen en duiden. Dan ligt het aan de ideologie, of we plakken er ‘islam’ op. Dat is simpel, maar bon. Diezelfde redenering volgen we niet aan de andere kant. Kunnen we daar eens over nadenken, misschien?

“Ik had nooit gedacht, toen ik veertig jaar geleden studeerde, dat ik nog een propagandist van gematigdheid en van het midden zou worden. Van het gezond verstand. Na al die jaren begrijp ik dat een samenleving een heel gevoelig weefsel is. Je moet er voorzichtig mee zijn want als dat kapotgaat, is vrede ver zoek. Als je dan die ranzigheid op sociale media ziet, de kromme redeneringen, alles op één hoop... Ik negeer het zoveel mogelijk maar vooral: ik wens dat niet te aanvaarden. Ik ga niet zwijgen of me laten intimideren. Blijkbaar leven we in een tijd waarin men mensen probeert het zwijgen op te leggen. Zwijgen is ook een keuze, maar geen optie voor mij. Die tijd is voorbij. We zijn geen kreeften die moeten zwijgen tot het water kookt.”

Ego van een meter 72

Sinds zijn documentaire De vloek van Osama, in 2011, heeft Vranckx een kleine vaste redactie rond zich opgebouwd. Het is volgens hem het beste wat hem overkomen is. Die groep vertrouwelingen is niet alleen uit puur professionele overwegingen een zegen: “Ik heb niet het emotionele vermogen om me lange tijd in grote groepen op te houden. Af en toe moet ik op mezelf kunnen zijn. De vaste ploeg waarmee ik op het terrein werk, al dertig jaar dezelfde trouwens, weet dat ook. Als er te veel mensen mijn hoofd opeisen, wil ik weg. Ik heb afstand en rust nodig. Het is eigenlijk nooit stil in mijn hoofd.

“Bovendien, ik hou sowieso niet van de grote, straffe verhalen. Je zal ze me aan de toog niet horen vertellen. Dat gaat me niet af. Ik doe dat alleen met de mensen die het ook hebben meegemaakt, zelden of nooit met anderen. Ik vind dat snel blazen. Ik heb altijd schrik om mensen daarmee af te schrikken. Ik wil vrienden niet vervelen. Alsof het over mij zou moeten gaan. Het gaat in mijn job al over mij. Dat is al genoeg voor mijn ego.”

Dat ego kan al eens koppig zijn. “Wie met mij werkt, weet dat nee nee is. Dan mag de regering en de hele raad van bestuur aan me komen trekken, ik zal geen centimeter meer opschuiven. Dan daalt er een ijzigheid over mij heen. Toen ik vroeger met mijn grootvader discussieerde, kon ik mij mateloos aan diezelfde koppigheid ergeren. Niet dat ik niet wil luisteren, niet kan overtuigd worden, maar als ze me emotioneel raken op een manier die voor mij niet juist aanvoelt, dan moet je van heel goeden huize komen om me nog te overtuigen.

“Ik ben een meter 72. Mensen denken wel eens dat ze alles vanzelf gedaan krijgen. Als je naar hen luistert en begrip toont, dan kan dat al snel misbruikt worden. Of dan denken ze dat ze over jou heen kunnen lopen. Hij zal wel niet voor problemen zorgen, geloven ze. Ik laat het nochtans voelen als iemand een lijn aan het overschrijden is, maar zonder te roepen, te stil. En als het dan te vaak gebeurt, te ver gaat, neemt mijn grootvader het over. Dan is het gedaan.
Forget it. Ik maak dan geen ruzie, maar ik snij het af en ik ben weg.”

Moreel kompas

Aan die koppige grootvader, een oud-strijder, draagt hij nu zijn boek op. Door hem geraakte kleine Rudi in de ban van de oorlog. “Mijn grootvader heeft me al heel jong aan het denken gezet. Mij het belang van een moreel kompas meegegeven. Wat is juist en wat is fout? Het wordt alleen maar belangrijker en acuter. We zijn een nieuwe eeuw ingetreden zonder moreel kompas. We weten niet meer precies wat juist of fout is. Sinds 9/11 zijn het concept ‘mensenrechten’ en het internationale recht teloorgegaan. Stap voor stap. En dat zowel aan de westerse kant, met de Patriot Act en waterboarding, als aan Russische zijde met hun steun voor Syrië en de gruwelijke oorlog met chemische wapens.

“Wat ik me bij mijn grootvader altijd afvroeg: had hij een keuze? Het is altijd gemakkelijker om achteraf te zeggen en te oordelen: Hitler, dat was toch een slechte mens. Een duivel! Maar blijkbaar hebben veel mensen het op dat moment zo niet aangevoeld. Zal ík in staat zijn om, op elk moment dat ik met duivels te maken heb in mijn job, in te schatten wat des duivels is en wat niet? Zal ik het juiste morele standpunt kunnen innemen? Velen geloven dat een doorsneemens het wel vanzelf weet. Is dat zo? Zou jij je in Joegoslavië laten meeslepen in de haat van je familie? Zou jij je in Rwanda mee achter de haatcampagnes scharen? Elke keer opnieuw stel ik mezelf die vragen.

Rudi Vranckx: "Ik moet natuurlijk niet overal spoken zien. Ik moet mezelf daarin soms temperen." Beeld Stefaan Temmerman

“In Irak ontmoette ik een vrouw, klein, in de veertig, die een militie van een honderdtal Mad Max-achtige mannen leidt, van die gasten met geweren en pick-ups. Ze beheert daar een deel van de frontlinie van Mosul. Mensen hebben schrik van haar, maar ze is een bondgenoot van ons, bij de goei, tegen IS. En op een gegeven moment neemt ze haar telefoon, laat me foto’s zien en vertelt: ‘Die heb ik toen gevangengenomen en aan mijn auto gebonden. Ik ben ermee door het dorp gereden totdat hij dood was.’ Ik: ‘Oké...’ ‘En hier,’ gaat ze verder, ‘dat is het hoofd van iemand.’ Op nog een andere foto zie je haar het hoofd koken.

“Hoe is het zover kunnen komen? Eigenlijk is de vraag: hoe kun je zo zot geworden zijn? En dat terwijl ze rijst met kip aan het uitscheppen was en heel vriendelijk deed. Zorgzaam, en tegelijkertijd vertelde ze de meest waanzinnige dingen. En dan kwam het verhaal. Haar eerste man was gedood. Haar vader gedood. Haar broers vermoord. Heel haar familie uitgeroeid. Haar tweede man, de liefde van haar leven noemde ze hem, haar ogen blonken nog, ook vermoord. En dat ging maar door. Een verhaal van horror en waanzin dat ergens ooit begonnen was door op een verkeerde moment op een verkeerde plaats te zijn. Dat verhaal ging verder en verder, tot op het punt dat zij mensen onthoofdde en hun kop kookte.

“Dat is extreem, maar hoe ga je zelf om met geweld en wraak? Kijk naar onze samenleving. Het ontploft in Maalbeek en Zaventem. Welke mechanismes spelen onmiddellijk op, nog eens aangewakkerd door sociale media? Wraak, haat, woede, onmacht, verdriet. Het is dezelfde mix hier als ginder. Ik stel je de vraag nog eens: wat is goed en wat is kwaad?”

Journalisten als doelwit

“Altijd bezig zijn met die moraliteit is de grootste, meest energie-opslorpende zoektocht voor mij. Ons kompas is aan het trillen. Er wordt aan gemorreld. Alles wordt telkens een beetje vager. Och ja, we maken wat memes van zwarte kindjes. Het is maar om te lachen...”

Vranckx heeft de voorbije minuten als een sneltrein gesproken. Nu neemt hij wat gas terug. Op gedempte toon gaat hij verder. “Ik geef toe, het is een obsessie. Ik moet natuurlijk niet overal spoken zien. Ik moet mezelf daarin soms temperen. Ik heb lange tijd geen films over Irak kunnen zien. Ik was daar zo intens in geweest, ik heb zo veel mensen dood weten gaan dat ik het niet meer kon zien. Het was te emotioneel.

“Feinstein, een Canadese psychiater, heeft honderden journalisten bevraagd over de psychologische impact van oorlogsverslaggeving en de resultaten waren hallucinant. Velen kampen met een posttraumatisch stresssyndroom. Bij mij valt het mee. De dood van mijn tolk Jassim (hij werd in 2006 vermoord in Bagdad, KK) was een keerpunt.

“Vroeger kon ik me verschuilen achter mijn journalistieke pantser. De mensen ginder ondergingen het, maar als journalist observeerde je het gewoon. Dat is een groot verschil. Sinds Afghanistan en de onthoofdingen van journalisten zijn we zelf doelwit geworden en word je meegezogen in het geweld. In Homs waren ik en mijn team zelf bijna dood. Een aanslag op vijf meter van ons.”

Geestelijke hygiëne

Vranckx haalt even zijn schouders op. Niet dat het hem niets kan schelen, integendeel. Misschien is het berusting? “God ja. Sindsdien is niets meer vrijblijvend. De laatste tijd ben ik veel met zelfreflectie bezig. Hoe ga ik met het geweld om? Hoe kan ik onrecht een plaats geven? Erover schrijven en nadenken, helpt mij. En daarbuiten praat ik er eigenlijk met niemand over.”

“Gelukkig heb ik geen aanleg voor cynisme, maar ik waak er wel over om er niet door besmet te worden. Ironisch en sarcastisch ben ik wel. Soms denk ik dat er een kind met het syndroom van Gilles de la Tourette in mijn hoofd zit. Ik kan al eens incorrecte dingen denken. Als ik cynisch zou zijn, kan ik misschien nog vlijmscherpe analyses maken, maar dan zou ik voelen dat er iets ontbreekt. En zonder de passie zou ik het allemaal niet meer kunnen opbrengen. Dan kan ik echt beter op mijn heuvel in Italië gaan zitten en olijven kweken.

“Ik heb al vaker met het idee gespeeld om eens iets luchtigs te maken, iets over schoonheid. Maar dit is nu eenmaal wie ik geworden ben. Eigenlijk is dat wat ik doe, wie ik ben. Ik heb geen antwoord op wat ik zou doen als mijn werk, mijn passie er niet meer zou zijn. Weet ik niet. Misschien schrijf ik dan wel fictie over oorlog?”

Weer die schouders die de hoogte in gaan. De blik is die van een jonge jongen, haast onschuldig. Altijd weer oorlog. Vrolijk wordt een mens daar niet van. “Ik vecht tegen de moedeloosheid. De instrumenteninzameling (samen met MNM-dj Brahim, voor een door IS verwoeste muziekschool in Mosul, vorig najaar, red.) geeft me dan hoop. Omdat ik voelde dat ik iets kon doen. Mensen vergeten vaak dat ik al heel die dertig jaar lang op zoek ben naar dat soort verhalen. Ik ben niet geïnteresseerd in ontploffingen en dan de tweede dag naar het ziekenhuis de slachtoffers bezoeken. Ik wil ook telkens die bloemen op de mesthoop laten zien. Hoop geven. Voor mijn eigenlijk geestelijke hygiëne heb ik dat nodig. Het besef dat het ginder ook maar allemaal mensen zijn die dromen en dingen willen veranderen, is misschien de voornaamste antidote in mijn hoofd, het tegengif voor cynisme en negativisme.

“Alleen bij Mosul is dat bij wijze van spreken ontaard in acties. Je hebt dan altijd zuurpruimen die zeggen dat het activisme is. Dat is het niet. Het heeft geen enkele betekenis in het conflict. Het is menselijkheid. Ik wil me op elk moment verantwoorden, maar ze moeten niet komen zeveren. Dit kan. En het heeft me deugd gedaan.”

Rudi Vranckx, 'Mijn kleine oorlog', uitgeverij Horizon, 432 p., 24,99 euro Beeld rv
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden