Vrijdag 18/10/2019

Interview

Reportagemaker Arnout Hauben: "Wat ik probeer te vermijden, is mezelf in het middelpunt plaatsen"

Beeld Joris Casaer

Hij is die man met de rugzak. Altijd op doortocht. Verwonderd over mensen en hun verhaal. Zoekend naar de zin ervan op de eeuwige tijdlijn van het bestaan. De volgende weken duikt hij in de geschiedenis van de Antwerpse Zoo. Reportagemaker Arnout Hauben (41) is een zondagskind dat weet dat er een maandag komt. 

Hij kijkt kwaad. Dat doet hij als hij nadenkt. Dan volgt er een stilte, maar niet voor lang. Er zit veel vaart en passie in zijn woorden.Soms struikelt hij erover en maakt hij zijn zinnen niet af; een nieuwe gedachte ligt op de loer. Dat zegt hij in één adem, terwijl hij eraan toevoegt dat hij het al vaker gezegd heeft, maar dat hij voelt dat hij het nog eens moet zeggen, en wel hier en nu: “Ik gebruik in lezingen vaak de openingszin van Cees Nooteboom uit het boek De omweg naar Santiago. Die gaat zo: ‘Het is niet te bewijzen en toch geloof ik het: op sommige plaatsen in de wereld wordt je aankomst of vertrek op geheimzinnige wijze vermeerderd door de emoties van al diegenen die daar eerder zijn vertrokken of aangekomen.’ Dat geldt ook voor de routes die ik al gevolgd heb, zoals nu in de dierentuin (‘Leve de Zoo!’ is vanaf komende dinsdag te zien op Eén, red.), of op de frontlijn (in ‘Ten oorlog’), waar je een passant bent in een veel groter geheel. Dat is de corebusiness van wat ik doe: ergens aankomen en weer vertrekken.”

Hij neemt geen pauze, wel een gedachtesprong: “Het internaat waar ik vanaf mijn twaalfde zat, is ook zo’n plek. Daar hebben al die jaren honderden jongens gezeten. Ineens krijg je een plaats toegewezen: dat bed, die lamp... En iedereen, ook als je al een man van negentig bent, keert dan terug naar dat ene bed. Je vergeet dat nooit meer. Als je als reporter op die backbones kunt inpikken, heb je goud in handen. Dat is magisch. En dat is wat ik nastreef.”

Zo. Welkom in de wonderlijke wereld van programmamaker, reporter en optimist Arnout Hauben, waar geschiedenis, reizen en de roedel – “Alleen kán, maar in groep is beter” – zorgen voor betekenis en geluk.

Anderen helpen hun verhalen te vertellen. Dat doet hij. Wat hij daarvoor in huis heeft? Metier en zijn persoonlijkheid. Dat metier leerde hij als reporter voor het befaamde Man bijt hond. Jarenlang las hij ’s ochtends de kranten, koos (vaak samen met Luc Haekens, die nu reporter is voor De ideale wereld) een invalshoek en trok de straat op. Elke dag weer. En toen kwam Weg naar Compostela, een parelsnoer van verhalen, en werd Hauben ook een televisiegezicht.

Hij verliet de Woestijnvis-stal en richtte het productiehuis De chinezen op. Succesvolle programma's als Ten oorlog en De helden van Arnout volgden. En Hauben zit ondertussen alweer met zijn hoofd bij een ander project, opnieuw een reis door de geschiedenis. Het eerstvolgende programma van zijn hand dat straks uitgezonden wordt, is namelijk Leve de Zoo!.

Wie zich verwacht aan
Het leven zoals het is: de Zoo, vergist zich. “Het programma vertelt iets over hoe wij, gedurende het 175-jarige bestaan van de Antwerpse dierentuin, met dieren en dus met onszelf zijn omgegaan. Het is een spiegel voor een maatschappij en haar evolutie. Beeld je in hoe verwonderd mensen geweest moeten zijn toen het eerste wilde dier in de haven arriveerde. En wisten zij veel hoe ze ermee moesten omgaan.”

Beeld Joris Casaer

Zo gaat Hauben op bezoek bij taxidermiste Mieke De Leeuw – what’s in a name – en terwijl zij met veel zorg de juiste oogballen voor een op te zetten tijger uitkiest, verwoordt ze haar werk zo mooi, eenvoudig: “Ik zet dieren op om ze te behouden, zodat we ernaar kunnen kijken.”

In zekere zin doet Hauben hetzelfde, met schijnbaar dezelfde eenvoud. “Ik ben niet de onderzoeksjournalist, niet iemand die moet ontrafelen om iets te weten te komen. Ik kom uiteraard veel te weten, maar altijd in functie van de mens die ik interview. Stel dat je een struik bent, dan kies ik als interviewer zorgvuldig enkele takken uit die ik zo probeer te snoeien dat ze mooi uitkomen. Dat is het metier. Net zoals bij taxidermie. Je krijgt een dier binnen, een vel eigenlijk. Je hebt een mal en een paar ogen in je schuif. En dan is het de kunst om gevoel in dat dier te leggen, om het zo mooi mogelijk aan de mensen te laten zien. Mieke laat een leeuw of een vos schitteren; ik mensen en hun verhaal.”

Opgezette koe

Een kleine anekdote tussendoor. Hauben, onder de indruk van het werk van taxidermiste Mieke, wou zijn eigen Mieke (zo heet zijn vrouw) verrassen en kocht impulsief zo’n opgezet dier. Het werd een melkkoe en meer dan enthousiast trok Hauben ermee naar huis. “Er zijn nog houders van veedieren in de familie geweest. Een koe hoort bij onze West-Vlaamse roots en het typische landschap met die prachtige motieven, stapelwolken erboven en nog wat tegenlicht.”   

Arnouts enthousiasme werd niet meteen gedeeld door zijn vrouw. “Het wekte weerstand op. Een dier hoort te leven, en het liefst ook in zijn natuurlijke habitat. Dieren moeten niet in livings staan. Als rijke dokters en tandartsen in Namibië leeuwen schieten om op te zetten, vind ik dat vies. Maar als dieren een natuurlijke dood gestorven zijn en ze worden met liefde opgezet, dan kan dat voor mij.” Alle argumentatie ten spijt, de koe mocht niet binnen en ze staat nu netjes weer in het atelier van Mieke De Leeuw. Case closed.

 Paard met oogkleppen

Hij lijkt de man met de eeuwige rugzak en dito verwondering als reisgezel. “Natuurlijk werk ik vanuit mezelf en ik denk dat mensen wel kunnen plaatsen voor welk type van verhalen ik sta – en zeg nu niet dat het een beproefde formule is, want dan lijkt het alsof ik altijd hetzelfde doe en dat is net iets waar ik heel erg over waak. Maar wat ik probeer te vermijden, is om mezelf in het middelpunt te plaatsen. Ik ben het onderwerp niet. Je hebt journalisten en reporters met zo’n aura of uitstraling: wanneer ze nog maar in beeld komen, wordt het al spannend. Er zijn er ook die voortdurend het conflict opzoeken. Ik niet.

“Ik hou meer van de osteopathische aanpak; van ergens zacht binnen te komen, het liefst zo klein mogelijk. Dat wordt bijna gesymboliseerd in de rugzakken die ik altijd draag. Vanuit dat kleine de mensen portretteren, dat is wat ik het liefste doe.”

Is Hauben dan een televisieman met een klein ego? Snel, speels en oprecht zegt hij: “Natuurlijk heb ik een ego! Zonder ego maak je geen televisie. Maar ik zie dat meer als een middel. Het is een mooie vertelsleutel. Ik hoop dat mijn trots vooral in het maken van programma’s zelf zit. Aan elk project ben ik tot op het laatste moment bezig. In die zin is het mijn leven en valt het samen met mijn ambitie. Professioneel bevind ik me in een gelukkige periode.

“Belangrijk voor een gezond ego is dat je niet te veel met jezelf bezig bent. Dat verblindt alleen maar en maakt je star. Zoals deze koffiekop hier: die is af, versteend en niet meer interessant. Met andere dingen bezig zijn, kinderen krijgen en opvoeden, jonge mensen begeleiden. Dat zorgt ervoor dat je evolueert als mens...” Hij stopt abrupt. “Ben ik nu te esoterisch?” 

Fris, verwonderd en authentiek blijft Hauben naar eigen zeggen door het werken met geschiedenis. Al zijn projecten zijn ervan doordrongen. “Het geeft me een bril om anders naar de werkelijkheid te kijken. Alsof ik een paard ben met van die oogkleppen waardoor ik me goed kan concentreren. Het geeft de verhalen van mensen die ik ontmoet een diepte, een gelaagdheid waar ik zelf ook naar op zoek ben. Ik zoek naar eenheid, naar samenhang, naar backbones waar alles rondom ons op geënt is. Het is een missie.”

Even is het stil. Weer die boze frons. En een check: “Begrijp je me?” Zijn ogen lijken te zoeken naar bevestiging. “Ik wil niet belerend zijn, hé. ‘Missie’ klinkt als iets willen opleggen, zoals missionarissen. Dat dus niet.

Beeld Joris Casaer

“Als het leven alleen uit je takenpakket bestaat, namelijk wat je doet, je gezondheid, de besognes, dan kan het ook leeg worden. Geschiedenis – voor sommige mensen is dat dan weer religie of bepaalde relaties – geeft diepgang aan het leven. Misschien is er geen diepgang en is alles gewoon een draaiend rad met weinig betekenis. Maar als mens zoek je toch altijd naar zingeving? Daar wil je toch naartoe? En dat zonder te preken. Ik heb zeker geen grotere boodschap. Het is niet dat iedereen van mij geschiedenisboeken moet beginnen te lezen. Ik spartel ook maar gewoon door het leven en probeer te doen waar ik me goed bij voel.

“Ik probeer de geschiedenis ook altijd aan het nu te koppelen. Ik ben niet de geschiedenisleraar die je langs de ruïnes van het verleden meeneemt en verhalen van Thorgal vertelt. Nee, ik hoop dat wat ik doe niet wereldvreemd is. Ik hoop dat het een middel is om met mensen in contact te komen. Het geeft me een paspoort om met anderen te praten.”

Ook als hij niet werkt en geen reporter is, babbelt Arnout graag en gemakkelijk met mensen (volgens zijn vrouw mag het af en toe wat minder). “Het is een state of being. Het lijkt me ook vermoeiend als je niet durft praten. Wat niet wil zeggen dat ik verlegenheid niet ken of geen schroom heb, maar ik moet toch vooral opletten dat ik niet de oversociale Hollander ben.”

Warm Vlaanderen

“Als ik één ding heb geleerd tijdens al die tochten, is het dat mensen graag contact maken. Je hoort altijd dat de wereld naar de kloten is, dat het gaat ontploffen. Misschien doet het dat ook wel, maar de mensen zelf zijn supergastvrij. Van in putje Rusland tot putje Peru. Je vindt altijd slaapplaats, eten, verhalen. Mensen zijn warm.

“Als je niet reist en je alleen de televisie als venster op de wereld zou hebben, dan denk ik dat het kan beginnen klemmen. Ik kan me voorstellen dat je dan al eens ongerust wordt. Of misvormd. Dat je dingen groter of kleiner begint te zien dan ze in werkelijkheid zijn. Reizen is een uitgelezen middel om te relativeren en te toetsen aan het echte leven. Een koffie gaan drinken in Dendermonde is ook reizen, hé. Reizen begint als je uit je vertrouwde cocon stapt. Als je durft je eigen structuur te doorbreken, uit die comfortzone te treden. Zodat je zelf eens gast wordt of een passant die naar andere mensen kijkt. Dat is reizen.”

Het vaak van huis weg zijn, doet Arnout met enige afstand naar Vlaanderen kijken. “Je ziet hoe klein het is. Hoe herkenbaar. En hoe thuis het is. Ik vind Vlaanderen niet kneuterig. Alles is trouwens kneuterig, op New York na misschien. Vlaanderen is uiteindelijk niet anders dan de rest van de wereld. Ik kijk er met een redelijk warm gevoel naar. Ik vind dat we het hier goed hebben. Ik heb zelden het gevoel van: verdomme, als ik nu hier eens geboren was. Nee, er zijn geen plaatsen waar ik een chalet wil kopen en drankjes wil beginnen verkopen. Ik heb zelden de neiging om ergens te blijven. Ik ben graag weg en ik kom graag terug naar huis.”

Na zondag komt maandag

“Wist je dat Brussel vroeger ook een zoo had? Er was een beer van Brussel, maar die is helaas gestorven, net zoals alle andere dieren trouwens, omdat de mensen niet wisten wat ze de dieren te eten moesten geven. Die beer kreeg elke dag 150 pistolets te verwerken…”

En dan probeert Hauben zijn passie te beschrijven. Hij doet dat met vuur, maar woorden schieten tekort. “Elk project dat ik doe, wil ik écht doen. Ik voel me dan een paard dat wil lopen. Ken je dat gevoel dat, als je lang gestapt hebt, je benen beginnen te trillen? En dat je dan verder wil en moet lopen, alsof je plots een moto bent? Ik hou van die tochten. Van die rugzak, van dat verkennen.”

Het gevecht met de tijd voelt hij soms, en steeds meer. In die zin is hij bezig met zijn houdbaarheidsdatum. “Wat is mijn marge? Hoe lang kan ik zo nog de wereld intrekken? Ik weet het niet. Ik voel dat ik zorgvuldig mijn projecten moet uitkiezen. Waarvoor ga ik nu nog? Want als ik echt voor een programma kies, dan ben ik anderhalf jaar kwijt. Zoiets als 
Ten oorlog voelt voor mij als een levenswerk.”

Het besef dat hij in dit leven niet overal zal komen – “Ook al werkt het reizen verslavend en wil ik het nog lang niet opgeven” – of alles zal kunnen vertellen, is er wel. Bovenal is hij dankbaar. Ja, hij voelt zich een zondagskind, maar dan eentje dat weet dat er ook een maandag volgt. “Zondag is voor mij erg symbolisch, omdat ik op het internaat zat. Aan de ene kant is dat de schoonste dag van de week, aan de andere kant ook de ergste. Je hebt die rust, je kijkt samen met de familie nog naar televisie,  maar daar zit ook al direct de nostalgie van die week in. Het afscheid. Toch maar niet te lang opblijven en die fles wijn moet ook niet meer open. Die zondag is zalig en gruwelijk tegelijkertijd. Pas op, ik ging graag naar het internaat, maar het verlaten van die cocon... Ik merk dat, door ouder te worden, die zondag er dieper in kruipt. Als ik weg ben, ben ik bevrijd. Maar dat naar buiten stappen, die drempel over en die valies pakken, dat weegt. Meer en meer.”

Vier kinderen telt het ouderlijke gezin Hauben, van wie Arnout de derde in de rij is. Maar alleen hij werd op zijn twaalfde naar het internaat gestuurd. “Het is in consensus gebeurd. Ik wou het zelf ook echt. Ik was een wispelturig kind, niet de gemakkelijkste om op te voeden. Ik kreeg een redelijk strenge opvoeding en richting puberteit zou dat waarschijnlijk op conflicten zijn uitgedraaid. Dat uitbesteden aan de paters was zo slecht nog niet.

Beeld Joris Casaer

“Ik ben een gemeenschapskind. Alleen zijn gaat, maar een groep is beter. Die roedel van allemaal jongens op internaat en allemaal samen, was redelijk natuurlijk voor mij. Ik kijk daar met goede gevoelens op terug. Ik ben er niet door getraumatiseerd, integendeel. Tegenwoordig heeft het slechte connotaties, maar zo heb ik het alvast nooit ervaren. Streng was het, ja, maar tof.

“Eigenlijk was het een simpel leven. Je had de jongens en er was het gezag, de gemeenschappelijke vijand. Ik denk dat mijn kinderen (Hauben heeft twee tieners, red.) het moeilijker hebben. Het leven nu is complexer dan toen.”

In de grond verankerd

De kwestie ‘internaat of geen internaat’ blijkt ook in het leven van zijn dochter geslopen te zijn. “Mijn dochter kan toevallig goed volleyballen. Ze zou misschien naar de topsportschool kunnen, en dat betekent op internaat. Plots ligt het er weer, voeren we er gesprekken rond. Uiteindelijk zal het van haar afhangen. Ik probeer haar het positieve verhaal mee te geven. Het is niet alleen kommer en kwel. Je bouwt er heel diepe en waardevolle vriendschappen op. Er wordt vaak gezegd dat jonge mensen zo eenzaam zijn, wel: een internaat is het beste medicijn om op een heel natuurlijke manier samen een traject in het leven af te leggen. Je leert er veel over mensen.”

“Vandaag lijkt het voor kinderen moeilijker om van thuis los te komen. De afstand tussen ouders en kinderen is kleiner. Je staat zo dicht bij elkaar. De gesprekken die ik nu met mijn zoon en dochter heb, die had ik niet met mijn ouders. Die waren op een andere manier betrokken. Waarschijnlijk was op internaat gaan voor mij dan ook gemakkelijker. Toen ik twaalf was en ging, had ik natuurlijk ook schrik, maar ik kreeg een rugzak en ik was weg. Het was mijn eerste tocht. Ik heb die rugzak nog altijd trouwens. Ik heb hem voor Ten oorlog zelfs nog meegenomen.

“Ik ben misschien veel van huis weg, maar ik probeer wel te investeren in een warme thuis, een nest. Ook in mijn gezin zoek ik naar samenhang. We zijn hecht. Ik kom goed overeen met mijn broer. Wij zijn getrouwd met twee zussen. We werken ook allemaal samen. De kinderen zijn communicerende vaten. Ja, dat warme nest vind ik tof om naar terug te keren. Als dat gezin op een of andere manier eindig zou zijn, zou dat een heel grote fond weghalen voor mij. Als die roedel zou wegvallen... Nu ja, daar kun je eigenlijk niet over nadenken. Ik ben me er wel bewust van. Van mijn geluk. Ik koester het. Wat niet wil zeggen dat ik geen tegenslagen ken. Sommige ervan blijven kleven.

“Het smerige aan het leven is dat de zwaarste klappen net komen als je oud bent. Als je op je zwakst bent. Soms vraag ik me af hoe mensen dat in godsnaam allemaal kunnen verwerken. Maar dan zie je hoe veerkrachtig een mens kan zijn. Een mens kan zich door veel spartelen. We zijn krachtig. Het is onze aard om uit verdriet te geraken. Ik vind dat hoopgevend.”

De moeder van Arnouts vrouw stierf. Zij die het grootste deel van haar leven in Afrika gewoond heeft, ligt nu begraven in Schaarbeek, de gemeente waar Hauben al twintig jaar woont. “Als je een moederfiguur begraaft in de grond, dan is die grond van jou. Dan ben je van daar, dan moet je daar ook niet meer over discussiëren. Daar beginnen oorlogen voor, hé.

“Wij zijn verankerd. In Brussel. En het is goed zo.” Het geloof dat alles goed komt, is sterk. Ja, hij is een optimist. Hij kan niet anders. “Ik denk dat er niet veel zwartkijkers in de familie zitten. Ik zeg niet dat er geen problemen zijn, er zijn er zelfs veel en niet alles zal opgelost geraken, maar ik geloof wel in open, en samen, in de fundamentele goedheid van de mens. Dat is misschien christelijk, maar daar geloof ik in: dat er meer goed is dan kwaad. Hoe zingt Het Zesde Metaal het weer? Er wordt nog altijd meer gedronken dan dat er wordt gekotst. Dát. Dat is het.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234