Woensdag 26/06/2019

Interview

Pieter Aspe: “Ik had hun dochter aan de grond gebracht”

Pieter Aspe. Beeld Stefaan Temmerman

Schrijver Marcel Proust beantwoordde ze ooit in een vriendenboekje, nu geeft De Morgen er een eigenzinnige draai aan. Vijfentwintig directe vragen, evenveel openhartige antwoorden. Vandaag: schrijver Pieter Aspe (65). Wie is hij in het diepst van zijn gedachten?

1. Hoe oud voelt u zich?

“Ik voel alleen dat ik ouder word als ik uit bed stap en alles begint te kraken, of als ik een inspanning doe. Voor de rest denk ik dat het nog meevalt. In gedachten ben ik altijd een rustige rebel geweest, en dat is zo gebleven. Ik was 15 in mei ’68, net te jong voor de revolutie. Heel die beweging bestond uit universiteitsstudenten, maar hun idealen sijpelden wel door in het middelbaar onderwijs. Op school leerden wij kritisch nadenken, wat ik vandaag de dag erg mis. Kritisch betekent dat je de twee kanten bekijkt en op grond daarvan een eigen mening vormt. Nu denkt iedereen dat hij een mening heeft, maar waarop is die gebaseerd? Op een toevallige voorkeur? 

“Ik zie jongeren vandaag heel weinig denken, en vooral volgen. Ik vind dat ze heel mak zijn, heel volgzaam en vooral bezig met hun eigen toekomst: huisje, tuintje, boompje. Ook al betogen ze nu voor het klimaat of tegen dierenleed, over vijftien jaar zullen de meesten afgestapt zijn van hun idealen. In dat opzicht voel ik me jonger dan de jeugd van vandaag, ja.”

BIO

* geboren op 3 april 1953 in Brugge
* voltijds auteur sinds 1996
* werkte daarvoor onder meer als magazijnier, fotograaf en conciërge van de Heilig Bloed-kapel in Brugge
* schrijft misdaadromans met als hoofdpersonen Pieter Van In en Hannelore Martens
* verkocht al meer dan drie miljoen exemplaren van zijn boeken
* richtte een jaar geleden samen met collega-auteur en boezemvriend Marec de uitgeverij Aspe NV op
* op basis van boeken van Pieter Aspe maakte VTM tussen 2004 en 2014 tien series van de Vlaamse politiereeks Aspe
* trouwde in december 2018 voor de derde keer, met Tamara

2. Wat vindt u een belangrijke eigenschap van uzelf?

“Normaal kan ik goed luisteren. (gniffelt) Hoe kom je iets te weten van mensen die niet direct bereid zijn iets te vertellen? Door te zwijgen en te luisteren. Ik ben nu bijna 25 jaar bezig als misdaadschrijver. Als ik bijvoorbeeld bij iemand van de politie te rade ga en ik stel hem of haar een delicate vraag, dring ik nooit aan. Ik laat de stilte spreken. Mensen zijn heel rap geneigd om hun ziel bloot te leggen als je luistert.”

3. Wat is uw passie?

“Ik verzamel strips. Het probleem is: passie leidt meestal tot destructie. Je bent zodanig gepassioneerd dat je eraan ten onder kunt gaan. Strip één kost 20 euro, strip twee 30 euro, maar waar eindigt dat? Want dan ga je op zoek naar de eerste drukken. Met gokken is dat ook zo. Passie en verslaving liggen heel dicht bij elkaar.

(In de hoek van de kamer staat een levensgroot beeld van Kuifje in maanpak) “Kuifje is een beetje mijn voorbeeld, ja. Op zijn manier was hij ook een brave rebel.”

4. Ervaart u het leven als een cadeau?

“Het leven is iets wat je krijgt, of je dat nu wilt of niet, je hebt daar geen zeggenschap over. Je kunt er uiteraard een cadeau van proberen te maken. Een verpakking met een strik heeft al iets feestelijkers.

“Ik heb ooit iemand ontmoet die bandwerk deed in een fabriek. Honderd schroefjes aandraaien per uur of zo. Die deed dat al 37 jaar en vond dat uitermate boeiend. Voor haar was het leven op die manier een cadeau. Voor mij is schrijven een cadeau, omdat dat voor mij vrijheid betekent. Ik mag bijna alles zeggen wat ik wil, in een boek valt dat niet op.”

5. Welke kleine alledaagse gebeurtenis kan u blij maken?

“Wanneer ik een berichtje krijg van Sabam dat ze iets overgeschreven hebben op mijn rekening. Dan denk ik: tiens, wat zal het nu weer zijn? Dat kan mijn dag goedmaken.”

6. Wat is uw zwakte?

“Ik stel heel snel dingen uit. Als ik mensen moet bellen bijvoorbeeld, kan ik ze dagenlang laten sudderen. De gedachte dat ik ze moet bellen, enerveert mij. Het probleem wordt almaar groter tot ik ze uiteindelijk bel, want dat stelt natuurlijk niets voor.

“Bij het schrijven ben ik nogal strikt. Ik schrijf vijftig dagen aan een boek en dan is het gepasseerd. Ik hanteer daarvoor drie systemen. Ik schrijf van maandag tot vrijdag, zoals iedere normale werknemer. Van negen tot twaalf, 1.700 woorden. Als ik in tijdnood raak, neem ik de zaterdag erbij. En als dat niet helpt, ga ik naar ramming speed. Ik weet niet of jullie Ben-Hur gezien hebben (film van William Wyler, 1959, red.) met Charlton Heston? Op een bepaald moment heb je die beroemde zeeslagscène. Onder luid tromgeroffel, boemboemboem, zie je de galeislaven roeien, terwijl de kapitein het tempo genadeloos opdrijft. ‘Battle speed!’ Boemboemboem. ‘Attack speed!’ Boemboemboem. Op het moment dat je denkt: nu is het genoeg geweest, roept de kapitein: ‘Ramming speed!’ Waarop de galeislaven ervan langs krijgen met de zweep. Vandaar ramming speed: dat is 3.400 woorden per dag.” (lacht)

7. Waar hebt u spijt van?

“Dat ik misschien te lang goedgelovig ben geweest. Ik heb altijd geloofd in het goede van de mens. Ik dacht: iedereen die glimlacht meent het goed. Iedereen heeft een geweten. Het heeft heel lang geduurd voor ik doorhad dat dat niet klopte. Af en toe krijg je een mes in je rug. En iedere steek helpt je een beetje uit de droom.”

8. Wanneer bent u ooit door het lint gegaan?

“Toen ik dit appartement had gekocht in volle ruwbouw, met de belofte dat het drie maanden later klaar zou zijn. Toen ik wilde verhuizen, bleek dat de verkoper zijn woord niet had gehouden. Er was hier nog niets gebeurd, maar intussen had ik wel mijn appartement in Blankenberge verkocht. Ik heb die man uitgescholden voor rotte vis. Tien minuten aan een stuk. Uiteindelijk heeft hij het opgelost. Hij heeft mij een kamer gehuurd in een hotel. Maandenlang, echt vervelend, maar het was wel in orde. Ik had hem gezegd: zorg maar voor een serieus hotel, je moet niet afkomen met een Ibis.” (lacht)

9. Wat is uw grootste angst?

“Dement te worden zoals mijn vader. Wat die mensen nog beseffen, weten, voelen, ervaren, dat weet je nooit. Zelfs als ze naar het plafond zitten te staren en er geen enkel teken van herkenning meer is, kun je je afvragen: wat gaat er nog in hen om? Ik denk dat niemand daar een antwoord op heeft. Maar als kind is dat zo triest omdat er geen communicatie meer mogelijk is. Je staat daar gewoon te staan. Uiteindelijk ga je gewoon bidden om te vragen: maak er een eind aan. Ik zou niet willen dat mijn omgeving dat moet meemaken.”

10. Wanneer hebt u het laatst gehuild?

“Nog niet zo lang geleden. Ik huil af en toe wel, soms zelfs bij een onnozele film. Ik denk dat dat te maken heeft met ouder worden. Toen ik vroeger de krop in de keel kreeg, probeerde ik mij af te zonderen of mijn tranen te onderdrukken, nu gebeurt het weleens dat ik in het openbaar huil.

“Ik heb al veel mensen verloren die jonger zijn dan ik. Dan sta je daar weleens bij stil. Hoe langer je leeft, hoe meer er wegvallen. Misschien word je daar immuun voor, maar ik denk het niet. Ik kan me voorstellen dat dat de ultieme vorm van eenzaamheid is. Honderd jaar worden, terwijl al je vrienden dood zijn, ook je kinderen. Je blijft alleen over op de wereld. Compleet geïsoleerd. Waarom dan honderd jaar willen worden?

“Ik ben wel geneigd om te aanvaarden dat ik ga sterven. Ik verlang er niet naar, maar als het dan toch gebeurt, dan heb ik tenminste geleefd. De opstandigheid vervaagt, denk ik.”

11. Welk kunstwerk heeft u gevormd of een blijvende indruk nagelaten?

“Het Colosseum. De Romeinen hebben mij altijd bijzonder gefascineerd. Alles wat ik daarover kon lezen, heb ik gelezen. De Romeinen waren toppolitici. Iedere goede politicus zou zich moeten verdiepen in de Romeinse politiek. Bart De Wever weet dat maar al te goed. (lacht)

“De toespraken van Cicero (Romeins redenaar, politicus, advocaat en filosoof, 106-43 v.C., red.) voor de senaat zijn enorm krachtig. Iemand die op die manier een massa kan begeesteren, dat is zeldzaam.”

12. Hoe kijkt u naar uw lichaam?

“Nooit in de spiegel. Tenzij het echt nodig is. (lacht) Of ik sport? Neen! Nooit gedaan. (zijn vrouw Tamara lacht) Al die vijftigers die eeuwig jong willen blijven, ze lopen hun knieën en enkels kapot. Ze gaan skiën en komen met gecompliceerde breuken naar huis. Sport op dat niveau is niet gezond voor je lichaam. Recreatief wandelen, ja. In Brugge. Niet veel verder. Fietsen vind ik echt hatelijk. Ik val gewoon omver.”

Beeld Stefaan Temmerman

13. Wat vindt u erotisch?

“Lingerie vind ik niet erotisch. Jarretellen en al dat gedoe. Pfff. Ik heb liever helemaal bloot dan al die fikfak eromheen. Erotisch vind ik: elkaar uitdagen met dubbelzinnige toespelingen. Zodat je je afvraagt: heb ik dit nu goed begrepen of niet? Mocht ik nu iets proberen, krijg ik dan een lap op mijn kop?

“Of ik veel succes heb gehad bij de vrouwen? (lacht, Tamara knikt heftig van ja) Wat is succes? Ik ben altijd een getrouwd man geweest. Eerst 31 jaar, daarna 13 jaar en nu opnieuw. En daartussen? Tussen 2017 en 2018 heb ik wel een beetje rondgefladderd, ja. Een jaar maar, maar het was genoeg. Het ging redelijk makkelijk, maar dat was niet omdat ik atletisch gebouwd ben, dat besef ik ook wel. (lacht) Met Tamara had ik onmiddellijk een klik, vanaf ons eerste gesprek. Wil je dat ik je ontvoer, vroeg ik haar na een week (uit Mol, waar ze woonde en een leidinggevende functie had in het Studiecentrum voor Kernenergie, red.). Ze zei ja. We hebben elkaar leren kennen op 21 september, op 6 december zijn we getrouwd, en nu zit ze hier. En is ze de kersverse zaakvoerder van mijn nieuwe vennootschap. Ik heb haar vandaag bevorderd. Van poetsvrouw tot zaakvoerder. Dat is toch vrouwvriendelijk? (lacht)

(Tamara: ‘Ik ben aan het zien of het nog geen vijf uur is, dan kunnen we champagne drinken.’ Aspe ontkurkt fles, champagne spuit in het rond.)

(tegen Tamara) “Dat heb je expres gedaan, hè.” (hilariteit)

14. Wat is uw goorste fantasie?

“Ik heb niet echt gore fantasieën. Sm of anaal of zo, neen. Ik heb er wel research over gedaan maar het zegt mij niets. Mijn goorste fantasie had ik rond mijn zestiende, denk ik. Toen droomde ik ervan dat er plots blote vrouwen mijn kamer gingen binnenkomen om me in te wijden in de liefde. Vanuit mijn bed lag ik de hele tijd naar de deur te kijken.” (lacht)

15. Welk dier zou u willen zijn?

“Euhm, iets wat vliegt. Liefst geen vlieg, want die slaan ze dood. Een beetje een serieuze vogel. Een visarend. Elke dag sushi lijkt me wel lekker.”

16. Hoe was de band met uw ouders?

“Wel, je moet dat allemaal in de tijd zien. Van knuffelen of vaders die met hun zonen voetbalden of spelletjes speelden, was geen sprake. Je ouders stonden boven jou. Zij oefenden gezag uit. Met liefde uiteraard. Nu moet je de buitenwereld tonen hoe graag je je kinderen ziet, en hoe bezorgder je bent, hoe beter.

“Mijn moeder had suikerziekte, maar niemand was zich ervan bewust hoe gevaarlijk dat was. Van insuline was er nauwelijks sprake. De dokter had haar op een heel streng, triest dieet gezet van gekookte deegwaren, gekookte groenten en yoghurt. Pas na haar dood heb ik ontdekt dat ze dagelijks, zodra iedereen weg was, iemand naar de bakker stuurde. Dan stopte ze zich vol met snoep en gebak. Mijn moeder at graag en kon het niet aan om op die manier te moeten leven. Ze stierf toen ik amper 19 was, in het jaar dat ik getrouwd ben.

“Mijn vader had altijd gehoopt dat ik zijn droom zou waarmaken. Als arbeiderszoon zat hij op het college, wat niet voor de hand lag. Hij wilde doodgraag ingenieur worden, maar op zijn vijftiende moest hij plots gaan werken om het huis van zijn ouders te helpen afbetalen. Zijn hele leven heeft hem dat parten gespeeld.

“Maar ingenieursstudies interesseerden mij niet. Ik wilde fotograaf worden, wat dan weer niet mocht van hem, want daar was geen toekomst voor. Een compromis was rechten. Uiteindelijk heb ik me stiekem ingeschreven voor pol & soc, omdat dat maar elf uur per week les was. Vijf maanden heeft dat geduurd, toen bleek mijn vriendin zwanger te zijn. We moesten trouwen. We moesten de verantwoordelijkheid dragen voor onze zonden, zo heette dat. In de ogen van mijn schoonouders was ik de verpersoonlijking van de duivel. Ik had hun dochter aan de grond gebracht. Het is nooit meer goed gekomen tussen ons.”

17. Wat betekent geld voor u?

“Ik weet wat armoede is. Ik herinner me nog: ik was een paar jaar getrouwd en had nog maar twintig Belgische frank. Het was een zondag. Ik heb toen een zak koffiekoeken gekocht en aan de kinderen gezegd: het is feest vandaag! De maandag heb ik een bordje voor ons raam gehangen: ‘Koelkast te koop voor driehonderd frank’. Na twee uur kwam er een mevrouw binnen die de koelkast kocht. Zo hadden we weer wat geld om te eten. Daarnaast deed ik allerlei karweitjes om toch maar wat brood op de plank te krijgen. Zowat anderhalf jaar heeft die diepe ellende geduurd.

“Dan zijn we begonnen met brocante in Oostkamp. Oude meubels opkopen, verf en vernis er afhalen, herstellen, opnieuw boenen en verkopen. Op een dag kregen we de rector van de Heilig Bloedkapel in Brugge over de vloer. Of we al het houtwerk in de kerk – communiebanken, preek- en biechtstoelen, de kruisweg – niet wilden opknappen. We zijn daaraan begonnen en een paar weken later stelde hij ons voor om conciërge te worden van de kapel. Zo zaten we weer midden in de stad. We hebben dat elf jaar gedaan. Tot ik op een avond dacht: ik ben straks 40, over vijfentwintig jaar ga ik op pensioen. Ga ik hier nog vijfentwintig jaar zitten? Is het dit nu? De deur open- en dichtdoen en ticketjes verkopen in het museum? Ik ga een boek schrijven, dacht ik, al was het maar om te verwerken wat ik hier in feite zit te doen. Ik heb nooit gedacht dat ik daardoor rijk zou worden. Een normaal leven kunnen leiden was op zich al ambitieus genoeg.”

18. Hebt u ooit een religieuze ervaring gehad?

“Eigenlijk wel ja. Toen ik mijn eerste teksten las dacht ik: ik bak er niets van, in vergelijking met anderen stel ik niets voor. Ik werd moedeloos. Ik had ooit eens in de Bijbel gelezen – een interessant boek, vind ik nog altijd – dat je moet blijven aankloppen als je in nood zit. Als je blijft aankloppen zal iemand ooit de deur opendoen. Maar daarvoor moet je wel blijven bidden. En op een bepaald moment kwam er een soort licht over mij heen. Noem het een ervaring van volkomen geluk. Vanaf dan is mijn schrijven gaan lukken.”

19. Hoe definieert u liefde?

(Tamara: ‘Nu ga ik luisteren’)

“Liefde begint met verliefdheid. Als er tussen man en vrouw geen verliefdheid is, kan er moeilijk liefde groeien. Als verliefdheid het zaadje is, is liefde de bloem. Daarvoor heb je geduld en warmte nodig. En als het een keer stormt, moet de bloem kunnen buigen. Ze mag geen stijve stengel hebben, anders kraakt ze. Bestaan er bloemen met buigzame stengels? Tulpen. Voilà. (lacht) Liefde is een tulp en verliefdheid is de bol. Dat is het.”

20. Bent u een goede vriend?

“Ik heb een paar heel goede vrienden gehad, maar ze zijn jammer genoeg gestorven. Vriendschap lijkt heel erg op liefde, vind ik. Je bent vrienden in goede en kwade dagen.”

21. Wat is voor u de hel op aarde?

“Opgesloten zitten tussen onverdraagzame, onredelijke mensen.”

22. Hebt u zichzelf ooit betrapt op racistische gevoelens?

(blaast) “Eigenlijk niet. Soms denk ik weleens: het zijn weer eens Marokkanen. In Vlaanderen wordt daar zo zwaar aan getild, bij het minste ben je racistisch.”

23. Hoe zou u willen sterven?

“Bewust. Ik zou liever hebben dat ze me zeggen: je hebt nog een jaar te leven, dan op slag dood te zijn. Het is misschien een beetje eng geformuleerd maar ik zou liever nog een jaar krijgen om ervan te genieten. Ik zou graag weten wat het is om een jaar zo bewust te leven.

“Wat ik zou wensen als laatste avondmaal? Polderaardappelen met garnalen. Of een witte boterham, met een snee kaas, en daarop vollenbak puree. Je plooit dat in twee en dan moet je eens proberen om dat op te eten. Dat is een schweinerei maar zó lekker! (lacht) Je moet dat werkelijk eten met een handdoek. (pletgeluid, slurpgeluid) (Tamara: ‘Ik lust dat niet’) Waar dat gerecht vandaan komt? Als je armoede meegemaakt hebt, heb je geleerd om je te redden met wat je in huis vindt.”

24. Wat is uw vreselijkste vakantieherinnering?

“Ik heb eigenlijk nog nooit een vreselijke vakantie gehad. Ik heb alleen een paar keer pech gehad en de laatste keer was in Zanzibar. Ik had toen in iets getrapt, waardoor ik twee weken immobiel was. Ik kon niet zwemmen, niet in zee, dat was heel vervelend. De vluchten waren ook niet goed verlopen. ‘Een nachtmerrie’, schreven de boekskes. Nu ja, de omstandigheden waren niet zo ideaal, maar het was geen slechte vakantie. We hebben er het beste van gemaakt. Een nachtmerrie lijkt me een staking op de luchthaven. 24 uur vastzitten. En mocht je dan nog weten waarom ze staken! Ze staken altijd in de vakanties, om de reizigers te straffen. Ze zouden beter het hoofdkwartier of het bedrijf dat hen uitbuit bezetten. En de directeur gijzelen en zeggen: ‘We knallen er om het uur eentje af als we ons gedacht niet krijgen.’

(Ann Jooris: ‘Pieter, pas op, denk aan Nic Balthazar.’) (De regisseur verzeilde in een mediastormpje door een quote in zijn ‘Proust’-aflevering (DM 9/3), waarin hij leek te twijfelen om VS-president Donald Trump dood te schieten als hij de kans zou krijgen, red.) “Ik zeg niet dat ik dat zou doen, ik zou het wel tof vinden mochten anderen dat doen. Je moet tussen haakjes zetten ‘ironisch’.” (lacht)

25. Wie zou u hier uw gedacht willen zeggen?

“Al die roepers op sociale media die per se hun eigen gelijk willen halen. Dat ze eerst eens leren argumenteren zoals het hoort.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden