Donderdag 18/07/2019

Interview

Patrick en Dieter Lefevere: “Hij werd geboren op de dag dat mijn vader stierf”

Zoon Dieter en vader Patrick Lefevere. Beeld Bob Van Mol

De oudste is 64 jaar, boekhouder van opleiding, ex-renner en als CEO van Deceuninck-QuickStep een van de meest succesvolle wielermanagers van het peloton. De ander is 38 jaar, loodgieter en vipchauffeur bij de wielerploeg. Patrick en Dieter Lefevere, vader en zoon.

PATRICK

“Ik vergeet die dag nooit: 21 september 1980. Mijn toenmalige vrouw had zich aangemeld in de kraamkliniek in Roeselare, klaar om ons eerste kind op de wereld te zetten. Ik was toen 25 jaar en in het ziekenhuis voelde ik de spanning, als aanstaande vader. Mobiele telefoons bestonden nog niet. Op de kraamkliniek liep een bericht binnen uit een ander ziekenhuis. Een verpleegster kwam me vertellen dat mijn vader daar, een paar kilometer verderop, op sterven lag. Ik reed er snel naartoe en samen met mijn broers en zussen zag ik mijn vader sterven. Daarna meteen terug naar de kraamkliniek. Vier uur later werd ik zelf vader. Nadien zag ik mijn rouwende familie: ‘Het is een zoontje. Dieter.’”

“Ik heb een goede band met mijn oudste zoon. Dieter was 3 jaar toen ik scheidde van zijn moeder, maar dat heeft zijn jeugd niet overschaduwd, denk ik. Nog altijd sta ik op goede voet met zijn moeder. De perfecte vader was ik niet voor Dieter, als sportdirecteur van een wielerploeg was en is dat moeilijk. Op communiefeesten ontbrak er altijd eentje op de foto: ik. Dat is spijtig, maar het is niet anders. Dat was ook zo voor Thomas, mijn jongste zoon, die ik met mijn huidige vrouw heb.”

“Ik heb van mijn eigen vader geleerd dat je niet te goedgelovig mag zijn. Hij was autohandelaar in Rumbeke bij Roeselare. Echt een goede vent, mijn vader. Op het autokerkhof liep er ook altijd volk rond en ’s zondags in de namiddag kwam de familie van mijn moeder langs. Dan aten we pistolets met charcuterie en dronken soep. Dat was een schone tijd. Maar op het autokerkhof stal het personeel soms onderdelen uit de wagens, en verkocht die zelf. Dat heeft tot een faillissement geleid en mijn vader kwam in de problemen. Pijnlijk om te zien. Terwijl het onderzoek liep, zat hij een maand in de gevangenis van Ieper. Dan reed ik met mijn fiets naar den bak, stond aan die grote poort, liep naar binnen en zag mijn vader daar zitten, achter glas. Dat heb ik Dieter proberen mee te geven: dat je niet iedereen blind mag vertrouwen, zeker niet als er geld mee gemoeid is.”

“Dieter heb ik tot niks verplicht. Hij moest niet koersen, geen Latijnse volgen, geen wielermanager worden. Meer nog, als jonge twintiger vroeg hij me: ‘Pa, wat zou ik doen?’ ‘Loodgieter’, zei ik: ‘Airconditioning, warmtepompen... daar zit toekomst in.’ Wat hij ook heeft gedaan. Maar voor hij de arbeidsmarkt op ging, zei ik hem ook: ’Dieter, ik geef je een auto en ik betaal je één jaar lang 400 euro per maand, opdat je in dat ene jaar kunt doen wat je maar wilt. Al rijd je de wereld rond: doe maar.’”

“Hij koerste toen bij de beloften en koos ervoor om het een jaar lang écht als renner te proberen. Ik had helaas al een tijdje in de gaten dat dat niks zou worden.” (lacht)

“Dag op dag twintig jaar na de geboorte van Dieter en dus ook na de dood van mijn vader, werd een tumor bij me vastgesteld, pancreaskanker. Op 21 september 2000 – nee, ik geloof niet in het lot, ik ben niet bijgelovig. Voor ik het ziekenhuis van Leuven binnenging, heb ik afscheid genomen van mijn zonen, voor het geval de operatie – die zeven uur zou duren – fout liep. (Bij de ingreep werd de twaalfvingerige darm, de galblaas en 60 procent van de pancreas verwijderd, red.). Natuurlijk was dat keihard. Maar het is goedgekomen. Gelukkig. Dat ik er nu met Dieter kan over praten, voelt aan als een overwinning.”

DIETER

“Streng maar rechtvaardig, dat is mijn vader. En hoewel veel mensen hem als een norse man beschouwen, is hij dat helemaal niet. Als kind was ik koersgek en reed wedstrijden bij de jeugdcategorieën. Denk maar niet dat hij me alles op een dienblad aanreikte, integendeel. Koersen? ‘Ja manneke, neem je rugzak en rijd naar de start, hè.’”

“Hij was toen al ploegleider van de succesvolle Mapei-ploeg met Johan Museeuw en gaf mij een gebruikte Colnago-fiets van de ploeg. Met die fiets reed ik een nieuwelingenkoers in Damme. Al vroeg in de wedstrijd ging ik tegen de grond, gaf op en reed terug naar de sporthal, om me aan te kleden en naar huis te gaan. Mijn vader was ook in Damme en reed met de Mapei-wagen naar de sporthal. ‘Kom, doe maar uw koerskleren terug aan, en rijd maar achter de auto naar huis’, zei hij. (lacht) Vader vond mijn opgave maar flauw.”

“Tegelijk kon hij er ook wel om lachen wanneer ik als twaalfjarig ventje werd gedubbeld in de wedstrijd. Roy Sentjens won toen alle koersen, samen met Tom Boonen en Gert Steegmans. Tegen die mannen moest ik het dus opnemen, dat zijn leeftijdsgenoten. Mijn vader wist zo al heel vroeg af van het talent van Steegmans en Boonen, die hij later in zijn profploeg opnam.”

“Misschien heb ik wel een vadercomplex. Je wilt als zoon toch altijd dat je vader trots op je is? Ik wilde in zijn voetsporen treden, presteren, terwijl hij me nooit verplichtte om zijn voorbeeld te volgen. Maar onbewust deed ik dat wel. Ik was 21 jaar, stopte met wielrennen, was geen vedette op school (lacht) en begon aan het werkleven als loodgieter. Deed ik een paar jaar ervaring op, dan zou mijn vader helpen om een zelfstandige zaak uit de grond te stampen. Mijn stiefmoeder zou me helpen met de boekhouding. Maar daar was ik niet bekwaam voor. Ik werd geconfronteerd met mijn beperkingen en dat was een ontgoocheling, ja. Maar goed, ik heb een mooi leven als loodgieter uitgebouwd en werk nu als onderhoudsman in het atheneum in Brugge.”

“Het valt niet te ontkennen: ik kijk op naar mijn vader. Aan hem heb ik ontzettend veel te danken. Hij heeft ook altijd gelijk. Bij al wat ik doe, weet mijn vader wat de uitkomst zal zijn. Dat heb ik helaas al vaak ondervonden. (lacht) Ook toen we jaren geleden een paar maanden niet meer tegen elkaar spraken. Ik was een beetje van het pad afgedwaald. Dat zal wel typisch West-Vlaams zijn zeker, dat niet meer praten, dat opkroppen? De fout lag bij mij, en toen mijn grootmoeder stierf, besefte ik dat het zo niet verder kon. Het kwam goed en die ruzie van toen is eerder de uitzondering dan de regel gebleken. Vader en ik kunnen het goed met elkaar vinden, en dat doet mij plezier.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden