Donderdag 17/10/2019

reportage

Op stap met bergjagers in Zwitserland: "Jagen sport? Zeker niet"

De Zwitserse jager Rolf Salbach (r) en een collega bespreken de tactiek van de dag. Beeld Jonathan Vandevoorde

De jacht is zo oud als de mens zelf. Oorspronkelijk uit lijfsbehoud, later een sport voor de elite. Vandaag is jagen aan strenge regels gebonden. In ­Zwitserland, waar naast reeën ook marmotten doelwit zijn, mochten we met enkele jagers mee de bergen in. 

De zon zakt achter de bergkam weg, het wordt nu snel donker. Door onze ­verrekijkers scannen we de boshelling aan de overkant. “Edelherten houden zich overdag doorgaans rond de ­boomgrens op. Hopelijk dalen ze tegen dat het donker wordt af, naar het riviertje. Dan kunnen we er een schieten”, verwacht Rolf.

Rolf Salbach is een ondernemer uit het Zwitserse Celerina. Hij staat ook aan het roer van de vijf jachtverenigingen in deze hoek van Graubünden, samen ongeveer zeshonderd leden sterk. In die hoedanigheid is hij verantwoordelijk voor het beheer van de wildpopulatie in ‘zijn’ vijf Sektionen, want wildbeheer is hier een serieuze zaak. Als een paparazzo volg ik Rolf twee dagen lang op zijn jachtterrein. Ik wil aan den lijve ervaren waarom iemand wild zoekt en doodt.

Ondertussen lig ik al anderhalf uur naast hem achter een steen in het gras te wachten, op vijftig, zestig meter van het riviertje dat door het schitterende Val Roseg stroomt. We fluisteren alleen het hoognodige naar elkaar. Het is verbazend hoeveel dieren je met een verrekijker ziet als je maar een beetje weet waar je moet zoeken – of aanwijzingen krijgt van een ouwe rot als Rolf. In dit geval is het niet eens moeilijk: met hun geburl geven de bronstige hertenmannetjes hun positie prijs. Liefde maakt blind, dat geldt dus ook voor edelherten.

“Zolang de dieren aan de overkant blijven, mag er niet op geschoten worden”, legt Rolf uit. Daar staan ze blijkbaar in een zogeheten
Jagdbanngebiet. “Maar steekt er eentje in de schemering straks de grindweg over, dan kan ik het misschien schieten.”

Regeltjes

Misschien, want ik kom erachter dat de jacht aan wel heel erg veel regeltjes gebonden is, nog afgezien van het feit dat je altijd een ­portie geluk nodig hebt. Bijna niets mag en wat dan wel toegestaan is, verschilt naar­gelang de persoon, de tijd en de plaats.

Vooreerst moet je als jager een vergunning hebben. Er zijn er in heel het kanton bijna 6.000 met zo’n papiertje. En dat haal je volgens Rolf niet zomaar. “De opleiding duurt twee jaar. Het eerste jaar leer je vooral hoe je met wapens en materiaal moet omgaan. Je moet ook een schietexamen afleggen. Haal je geen 8, dan kun je het al ­vergeten. Het tweede jaar gaat meer over de wetgeving, bos- en wildbeheer en al de rest. Je moet bovendien stage lopen: dood hout uit het bos verwijderen en meehelpen met tellingen.”

Dit laatste wordt elk jaar in mei gedaan. De jachtverenigingen zijn daarvoor verantwoordelijk én moeten ook zorgen voor een rapportage over de gezondheid van de natuur op de plekken waar gejaagd mag ­worden. Maar hoe tel je beesten die zich ­nauwelijks of nooit aan de mens laten zien?

Rolf: “In mei stellen we langs grindwegen felle lampen op. Daar komen ’s nachts reeën en herten op af. Die tellen we. Door berekeningen op basis van historische data komen we zo tot een inschatting van de aantallen die zich in een bepaald gebied ophouden. Die schatting wordt als erg betrouwbaar gezien.”

Het is de taak van een Wildhüter, een wildbeheerder aangesteld door de lokale overheid, om in overleg met het kanton te bepalen hoe groot een duurzame populatie hoort te zijn en hoeveel er bijgevolg mag geschoten worden. “Zo mag ik dit jaar ­bijvoorbeeld één reebok, één wijfjesree, één jong en acht marmotten schieten.”

Als ‘wij’ vanavond een ree of hert doden, dan moet Rolf dat vanavond nog aan de plaatselijke wildbeheerder melden en het dode dier ook laten zien. Transport kan een uitdaging zijn. “Er zijn er die dan zo’n hert in tweeën snijden om het te kunnen verslepen. Of je roept hulp in van een collega. Eén keer heb ik de helikopter gebeld.”

Eliane speurt naar 'Mungge', marmotten. Beeld Jonathan Vandevoorde

Half acht, bijna donker. De herten op de bergflank zijn vanaf deze afstand bijna niet meer van de achtergrond te onderscheiden. En ze lijken niet van plan om naar beneden te komen. Rolf consulteert een app op zijn iPhone. Die bepaalt dat het einde van de Schusszeit vandaag om kwart voor acht is. Na dat tijdstip mag er niet meer geschoten ­worden. “Je ziet immers geen steek. Hoe kun je dan weten of het kalfje van een hinde niet ergens verstopt zit achter een boom? Als je de moeder per ongeluk doodt, is de boete erg hoog.”

Vandaag heeft het wild geluk. Of Rolf ­ontgoocheld is? “Zeker niet. Het is geen ­absolute wetenschap. Dat hoort bij de jacht: de natuur bepaalt. Er zijn dit jaar minder ­herten. Afgelopen winter heeft het veel gesneeuwd. Dat zal ermee te maken hebben.”

De volgende ochtend vervoegt Rolfs partner Eliane zich bij ons op het terrein van zijn onderneming. Volgens hem is Eliane zonder ironie de “beste marmottenjager van heel Graubünden”. Ze hebben een klein busbedrijf en verwerken en verkopen daarnaast zelf al het wild dat ze schieten. Verder ­hebben ze enkele bevriende jagers als leverancier. Wanneer ik binnenkom, staat Rolf in een opzichtig keukenschort met een slagersmes een gems in stukken te snijden. Hij werkt schoon en razendsnel. Bijna niets gaat verloren. “Hier maak ik worsten van. Wel tot 15.000 stuks per jaar. Die verkopen goed.”

En hoe zit dat met die krat met dode ­marmotten? Een andere jager had ze net ­binnengebracht en was met Rolf een prijs overeengekomen. “Het vlees van de
Mungge gaat naar een gastronomisch restaurant dat er een stoofpotje van maakt. Dit vet (graait een handvol blubber uit een buikholte) wordt door een vriend van ons met kruiden verwerkt tot marmottenzalf. Omdat marmottenvet een natuurlijk cortison bevat, is de crème goed voor spieren en gewrichten. Elke jager mag per jaar maximaal acht marmotten doden. Vandaag gaan wij er enkele proberen te schieten.”

Een uurtje later zweef ik met de Marguns-kabelbaan naar een skigebied, hoog boven Celerina. Rolfs donkergroene rugzak met twee geweren erin hangt aan mijn schouders. “Neem jij die maar”, had hij opgedragen. “Je mag een geweer niet meenemen in een kabelbaan, maar ik heb geen zin om die 500 meter extra te klimmen. Bij jou zal het niet zo opvallen. Ze malen er toch niet om.”

Eliane en Rolf zelf komen een paar gondels later, hij met mijn geweerloze rugzak. Dan trekken we samen te voet een stuk door de bergweide omhoog. Achter een grote rots wisselen we van rugzak. “Hierboven zitten veel Mungge. Hoewel de meeste nu al aan hun winterslaap begonnen zijn, zullen er hogerop nog genoeg rondlopen. Die zijn in het voorjaar later wakker geworden en ­moeten nog op gewicht komen.”

Plaats delict, na het schot. Beeld Jonathan Vandevoorde

Met Eliane loop ik verder omhoog, terwijl Rob op een andere helling gaat jagen. We verlaten het pad en achter een grasbult gebaart Eliane dat we stil moeten zijn. Gebukt sluipen we verder. Over het randje, in een begraasde kom, heeft ze een marmot op een rots gespot, verderop nog twee en dan nog een. Zelfs met de verrekijker kost het mij ettelijke minuten voor ik ze alle vier in de smiezen heb.

Eliane voert me in een wijde boog terug naar het pad, nu iets dichter bij de marmot – 76 meter geeft de lasermeting in haar verrekijker aan. “Zestig meter is ideaal”, fluistert ze. “Dan moet het dier wel goed zitten, met de kop duidelijk zichtbaar, want daar mik ik op. Het lijf moet zo min mogelijk beschadigd worden. En we willen een dier niet onnodig laten lijden.”

Eliane pakt haar geweer, laadt een kogel en neemt de eerste marmot in het vizier. Elke handeling wordt in slow motion uitgevoerd, als in een ritueel. Ze twijfelt. “Er ist noch jung, nicht sehr dick.” Normaal schieten jagers de grotere dieren. Een exemplaar levert dan tot een kilogram vet op, maar bij deze snaak weet ze het niet zeker. Omdat er echter nog maar weinig marmotten zijn die nog niet in de winterslaap zijn gegaan, weet ze niet wat de dag haar nog brengt, dus besluit ze het toch te proberen.

Loeiharde knal

Ze legt aan. Af en toe kijkt ze weg van het vizier en haalt diep adem. Spanning tekent haar gezicht. “Hij zit nog niet goed”, mompelt ze een paar keer. Dan bijt ze op haar lippen. Het duurt zo nog zeker een minuut vooraleer een loeiharde knal over de bergen rolt. In de verte zie ik de marmot in een milliseconde tussen de rotsen verdwijnen. Mijn hart klopt in mijn keel.

We lopen naar de rots en vinden het dier eerst niet. Eliane merkt echter het bloed op. Hij moet tussen de rotsen gevallen zijn. Ze steekt haar arm in de spleet: “
Hier ist er.”

Hij is inderdaad niet groot. Zijn vacht glanst. De kop is verdwenen. Ik zie nog een onderkaak met tandjes. Perfect schot, het beestje heeft niets gemerkt. Met die gedachte druk ik mijn instinctieve reactie weg, want wie vermoordt er nu zo’n schattig knuffelbeest?

Meteen haalt Eliane haar Schussliste tevoorschijn, een log waarop ze vastlegt in welk kwadrant van welk jachtgebied ze één marmot geschoten heeft, met het geschatte gewicht, de datum en het tijdstip erbij. Dat boekje moet elke jager op elk moment ­kunnen laten zien. Dan snijdt ze behendig de buik open en haalt er de ingewanden uit. “Het dier kunnen we zo nog twee dagen in de koeling bewaren. Binnen die tijd moet het verwerkt worden of ingevroren. Daarom maken wij ze altijd meteen ter plekke schoon.” Ze bindt de achterpoten met een touwtje aan elkaar vast. De marmot gaat in een vuilniszak en zo in haar rugzak.

We lopen verder, de hellingen afspeurend. Even later weergalmt ergens nog een schot. Rolf. Ze belt hem op: hij heeft een grote marmot geraakt, een dikke honderd meter boven waar wij staan. We klauteren tussen scherpe kalkrotsen naar hem toe, waar hij al met het dier bezig is. “Ik hoefde bijna niets te doen. De kogel ging iets te laag en reet de buik open.” Het kaliber dat Eliane en Rolf gebruiken is bedoeld om een hert van 200 kilo op slag te kunnen doden. “Maar voor een marmot zijn die kogels veel te groot. Die worden ons echter door het kanton opgelegd.”

Rolf maakt een geschoten marmot meteen schoon. 'Morgen zijn alle restjes verdwenen.' Beeld Jonathan Vandevoorde

Als Rob klaar is, gaan we vijf meter ­verderop zitten. De alpenkauwen slaan ­meteen toe. “Die kop en ingewanden zijn vóór ­morgen opgeruimd, meestal door vossen. Zo hebben zij er ook wat aan.” Rolf haalt een homp brood en een blok gruyèrekaas tevoorschijn en trakteert op een zelfgemaakte saucijs van gems.

Duurzaamheid

Tijdens deze wat vreemde lunchervaring peil ik naar hun drijfveren. De verantwoordelijkheid voor de duurzaamheid van wat ze doen vinden ze het belangrijkste. In de jaren 1850 was het wild in de streek helemaal verdwenen door overbejaging. Naderhand is er vanuit Italië weer roodwild over de bergen naar Engadin getrokken. Maar het areaal natuur is ondertussen veel kleiner geworden. Wild moet daarom beheerd worden. “Anders loopt het uit de hand”, weet Rolf. “Twee weken geleden zijn op de weg tussen Samedan en Bever in één nacht negen reeën aangereden. Die moeten allemaal opgeruimd worden, om maar te zwijgen over de schade aan de auto’s. Ze hadden toch beter op iemands bord kunnen belanden? Elk ­geschoten dier heeft een fantastisch leven gehad. Wild is het eerlijkste stukje vlees dat er te krijgen is.”

Natuurorganisaties in Zwitserland staan meer en meer aan de zijde van de jagers. Begin dit jaar rapporteerde het Forschungsanstalt für Wald, Schnee und Landschaft dat er nu bijna tien keer meer gemzen, edelherten en reeën in de Zwitserse bossen leven dan drie generaties geleden en dat dat geen goede zaak is voor de natuur in de Alpen. Als gevolg van de wildexplosie neemt de biodiversiteit af. Hoe meer hoef­dieren er in een bos leven, des te meer takken en schors er afgeknaagd worden. Dat ­veroorzaakt een aantoonbare toename van naald- en bladverlies bij vooral jonge bomen, waardoor er minder ‘volwassen’ worden. Hierdoor verschralen op termijn ook de ­soorten rijkdom in een bos.

De onderzoeken waarover het instituut rapporteerde, zijn over een tijdspanne van 20 jaar uitgevoerd.

Maar ik bespeur ook een primaire drang bij Eliane en Rolf, hoezeer ze ook de duurzaamheid en diervriendelijkheid van hun passie prediken. De Hochjagd loopt al over vier dagen af en de hun toegestane quota ­willen ze koste wat het kost halen.

“Is jagen dan een sport voor jullie?” waag ik te vragen. Van beiden krijg ik een stellige ontkenning terug. “Zeker niet!” (denkt na) “Het is een passie”, besluit Rolf. “Een ­levenswijze die je van kinds af meekrijgt. Een Rus belde mij ooit om te vragen of hij bij ons op vogels mocht komen jagen. Ik legde hem uit dat dat bij ons niet zo werkt. Toen belde hij het kanton op voor toestemming. Daar kreeg hij gewoon hetzelfde antwoord. Sport? Nee, sport maakt alles kapot.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234