Zaterdag 14/12/2019

Interview Kamal Kharmach

‘Op school zat die schaamte er diep in’

Beeld Thomas Sweertvaegher

Hij is een onverbeterlijke pleaser. Altijd geweest. Maar met zijn eerste eindejaarsconference doet comedian Kamal Kharmach (28) voor het eerst echt zijn goesting. ‘Ik ben geen komiek voor mezelf, ik heb een veel groter plan.’

Buiten toont de herfst zich van zijn druilerigste kant ­wanneer we ons in de bar van het Antwerpse Crown Plaza Hotel aan comedian Kamal Kharmach (28) kunnen warmen. Aan zijn humor, zijn lach en zijn drukke gebaren – want stilzitten kan hij niet, eenmaal hij ratelt en raast. Dat hij eerder op de dag nog in de fitness zat, vertelt hij, terwijl hij het cacao­poeder van zijn koffie schraapt. De eeuwige emo-eter, momenteel 123 kilo droog aan de haak, let opnieuw op zijn gewicht, nu zijn conference eraan komt. “Ik ben toch al 14 kilo kwijt. Dat is welkom, want die toer zal heftig zijn.”

Als eerste Vlaming met Marokkaanse roots vult Kharmach vanaf eind deze maand onze cultuurhuizen met zijn oudejaarsconference, Mag ik even?. Daarin steekt hij op lieflijke wijze de draak met onze politici, het gat in de begroting, de breuk tussen Samson en Gert, en de war on drugs in Antwerpen. “Soms heb ik schrik: wil de Vlaming dat wel allemaal van míj horen? En dat terwijl ik nog nooit zo hard heb gevoeld dat ik het recht heb om dit te doen. Voor het eerst kan ik in de spiegel kijken en zeggen: ‘Awel ja, dit klopt volledig, dít is Kamal’.”

Vijf jaar geleden, op je 23ste, haalde je zilver in Humo’s Comedy Cup. Was je al lang van plan om komiek te worden?

“Ik ben altijd al fan geweest van comedy, en ik wilde ooit op een podium staan. Maar in mijn hoofd was het duidelijk: ik zou academicus worden. Toen ik aan de unief Sociaal-Economische Wetenschappen studeerde, was ik jeugd­werker op het Kiel. Ik moest werken om mijn studies te betalen, want thuis hadden we geen geld. Op een keer ­hadden we voor de kansarme jongeren een humoristische literaire avond gepland. Toen het voorprogramma afbelde, grapten mijn collega’s: ‘Tja, Kamal, dan moet jij dat maar doen, hè’. Ik ging de uitdaging aan. Het is te zeggen: ik stemde toe omdat ik dacht dat het maar vijf minuten zou duren. Maar toen bleek dat ik drie kwartier moest vullen.” (schatert)

Klinkt spannend. Hoe ging die vuurdoop?

“Wel, ik heb daar de hele tijd staan ranten en doordrammen: over comedy, over diversiteit, integratie. Mijn helden waren ook stuk voor stuk maatschappelijk geëngageerde komieken: Chris Rock, Richard Pryor. Ik dacht dat ik daar hetzelfde stond te doen als de mannen naar wie ik opkeek. Maar dat was niet zo. Ik was totáál niet grappig. Ik stond daar maar te preken. (lacht) Die jongeren hebben drie ­kwartier lang naar een boze mens zitten kijken. Je zag hen denken: maar wat zegt die gast nu? Toen ik van het podium stapte, voelde ik: oké, die comedy hebben we nu wel gehad, het is uit mijn systeem.”

Kamal Kharmach

geboren in Antwerpen, 1991

studeerde sociaal-economische wetenschappen

geeft bedrijfseconomie en wiskunde aan de Karel de Grote Hogeschool

werd in 2014 tweede in Humo’s Comedy Cup

nam in 2015 deel aan De slimste mens, waar hij het tot in de finaleweken schopte

gaf in 2017 zijn eerste zaalshow: De schaamte voorbij

is bekend van tv-programma’s als Het collectief geheugen

komt binnenkort met een nieuw tv-programma, Andermans zaken, waarin hij kmo’s aanpakt en weer succesvol maakt.

heeft als hobby PlayStation spelen: “Na een drukke dag zet ik mijn VR-bril op, en ben ik een soldaat in Irak. Dan ben ik even weg.”

Niet dus. Een programmator pikte je op en voor je het wist, kreeg je les van grote namen, zoals Nigel Williams. Hoe was dat?

“Dat was een zalige tijd. Ik mocht toen ook al eens in het comedycafé The Joker optreden. Superzenuwachtig was ik. (bedenkt zich) Alhoewel, dat is niet waar. Want ik wist toen nog niet eens hoe belangrijk The Joker was.” (proest het uit)

Vier jaar geleden maakte je pas echt je entree, als kandidaat in De slimste mens ter wereld. Hoe heb je die doorbraak beleefd?

“Plots ging alles zo snel. (trekt grote ogen) Dat leek wel een kettingreactie. Ik kreeg een aanbod om bij Woestijnvis te beginnen, kon programma’s maken voor Eén, een comedyshow schrijven. Eerlijk gezegd, ik duizelde een beetje. Er kwam zo veel op mij af. Achteraf gezien ging het allemaal wat te snel. Daar heb ik soms spijt van.”

Hoezo, spijt?

“Ik was nog zo jong, comedytechnisch moest ik nog heel wat kilometers afleggen. Maar ineens móést ik van alles:  ik móést een show schrijven. Ik móést op tv komen, maar ik snapte niet hoe dat werkte – ik ben een academicus, remember? Weet je, eigenlijk had ik veel liever nu pas in De slimste mens gezeten. Nu ben ik veel matuurder, rustiger én grappiger.”

In je eerste zaalshow, De schaamte voorbij, leerden we je iets beter kennen. Je groeide op in Borgerhout, in een arm gezin met zes kinderen. Wat moeten we ons daarbij voorstellen?

“Voor alle duidelijkheid: met ‘arm’ bedoel ik niet ‘academisch arm’. Maar echt árm, punt aan de lijn. Zoals in: acht truien aantrekken om in de kou te studeren. Met vieren een slaapkamer delen van 2 bij 4 meter groot. Of nog: niet mee mogen op sportdag, ‘omdat je ouders de rekening toch weer niet zullen betalen’. Kregen we thuis speelgoed, dan was daar ook altijd een hoek af. Een knuffel die een arm miste. Een Power Ranger met een stuk van zijn dolk. Een PlayStation-controller waarvan de helft van de knoppen het niet deed.” (half grappend)

Op je veertiende begon je, buiten de schooluren, al te werken. Dat was uit noodzaak?

“Het punt is: mijn papa heb ik nooit weten werken. Hij is niet goed te been, kan geen Nederlands, en kreeg voor elke job het deksel op de neus. Hij sukkelde van stempelkantoor naar stempelkantoor, voor 1.000 euro dop in de maand. Samen met het kindergeld was dat de enige bron van inkomsten. Daarmee moesten mijn ouders zes kinderen voeden én alle facturen betalen. Dat was onhoudbaar.

“Ik kon bijklussen in de jeugdwerking, kleren sorteren in de H&M. Het geld dat mijn oudste zus en ik verdienden, gaven we thuis af om de mazoutketel te vullen. Ik was veertien en zat de goedkoopste stookolieprijzen uit te vlooien. Ook toen we met school naar Italië gingen, betaalde ik dat uit eigen zak. Dat was ons leven.”

Was de kleine Kamal daar beschaamd over?

“O ja. Niet in Borgerhout, daar zat iedereen in mijn directe omgeving zo’n beetje in hetzelfde schuitje. Maar op school zat die schaamte er diep in. Ik heb mijn papa dikwijls ­verboden om me te brengen of te komen halen, want hij had altijd gescheurde kleren aan. Op de lagere school werd ik daar jaren mee gepest. ‘Zelfs een zak van de Aldi is te duur voor u’, zulke uitspraken.

“Ik zat op het jezuïetencollege, waar je al een middenklasse had. Die kloof was erg groot. Ik weet nog hoe hard ik schrok toen ik hoorde dat zij hun auto’s nieuw kochten, recht van de band gerold. Mijn hoofd vatte dat niet. Dus als mijn papa me toch wilde oppikken met zijn gammele wagen – een zesdehands – liet ik hem om de hoek wachten. Dan liep ik zo snel als ik kon het blokje om, opdat mijn vrienden me niet zouden volgen.

“Opgroeien in Borgerhout was daarom wel plezierig, daar was ik normaal. Maar op school was ik een arme ­stinkerd. Letterlijk zelfs.”

Hoe bedoel je: ‘stinkerd’?

“Ik zal nooit vergeten hoe ik in het vijfde leerjaar, samen met een ander meisje, na de les bij de meester moest komen. Er waren klachten gekomen omdat wij stonken. Beeld je dat maar eens in: je bent tien en je stinkt. De meester moest ons uitleggen dat er zoiets bestaat als deodorant. Daarna had ik een panische angst om te zweten. In de ­kleedkamer stond ik heel ostentatief met mijn spuitbus te zwaaien: ‘Kijk gasten, ik heb deo!’ Als ik daar nu aan ­terugdenk, ben ik kwaad op mezelf. Want het enige wat ik toen deed, was hun beeld bevestigen. Ik had veel assertiever moeten zijn, had me niet zo mogen verantwoorden. Maar je zelfvertrouwen wordt natuurlijk keer op keer in de pan gehakt – tsjak, tsjak. Vandaar dat ik altijd zo hard heb willen pleasen. Want ik wou er echt bij horen, maar ik stonk én ik was arm én ik was dik.”

Beeld Thomas Sweertvaegher

Het is een publiek geheim dat je met de weegschaal worstelt. Op je twaalfde woog je al 104 kilo, op je veertiende 124 kilo. Hoe heftig was dat voor je?

“Dat zijn trauma’s. Vanaf mijn vijftiende kwam er elk jaar nog 10 kilo bij, tot 210 kilo. Eten was als kind al mijn comfort, dat gaf me liefde. Mijn ouders zien me graag, dat weet ik één miljoen procent zeker. Maar toen lieten ze dat niet altijd blijken. We waren te hard bezig met overleven. Affec­tie tonen, dat is iets wat pas kan als je gegeten hebt, denk ik.

“We hadden thuis ook geen structuur, het was totale chaos. Er bestond niet zoiets als ‘etenstijd’. Je kunt ook niet met acht man aanschuiven aan een tafel voor drie. Gevolg: iedereen at wanneer hij maar kon. Een gezond eetpatroon heb ik nooit aangeleerd gekregen. En als je dan uit eten ook nog troost haalt, zoals ik, ben je snel verslaafd. (grappend) Al een geluk dat ik één keer per jaar ramadan had.”

Een tijdje terug viel je, na een maagoperatie, in één jaar 120 kg af. Nadien vlogen de kilo’s er weer aan. Blijft dat een eeuwige strijd?

(knikt) “Ik heb het daar heel moeilijk mee. Nog nooit in mijn leven kon ik mijn gewicht langer dan een halfjaar aanhouden. Ik weet nooit wat mijn formaat is.

“Weet je wat me nog het meeste pakt? Toen ik mager was, kreeg ik veel berichtjes: ‘Merci Kamal, door jou heb ik weer hoop, nu weet ik dat het kan.’ Diezelfde mensen sturen nu hoe teleurgesteld ze zijn in mij. Dat doet me wel pijn: dat ik hen die hoop ontnomen heb.”

Ooit was je zo zwaar dat de dokter zei: ‘Kamal, we hopen dat je de dertig haalt.’ Dat was even slikken, neem ik aan?

“Eerlijk gezegd, sindsdien is die schrik om vroeg te sterven er nooit meer uit gegaan. Die angst verlamt ook veel: ideeën, acties. Terwijl ik nog zo veel wil bereiken. Toch blijft het zo’n grote rol in mijn leven spelen: eten, dik zijn, mezelf haten omdat ik me weer heb laten gaan.

“Mijn mama en papa spreken me daar ook altijd op aan: ‘Kamal, je bent weer dik aan het worden’. Telkens weer voelt dat als falen. Het gebeurt ook op straat, als ik iets aan het eten ben. ‘Kamal, zou je dat wel doen?’, zeggen ze dan. En dat gebeurt vaak. Ik krijg meer van zulke opmerkingen dan de vraag om een selfie.” (schatert)

Vorig jaar was je ambassadeur voor Warme William, de campagne met de blauwe beer, om het mentale welzijn bij onze jongeren op te krikken. Ben je zelf diep gegaan als tiener?

“Heel diep. Op een bepaald moment speelde ik met de gedachte aan zelfdoding. Vooral rond mijn zestiende, zeventiende had ik het zwaar. Ik werd vaak afgewezen, zat in een negatieve spiraal van ‘niemand moet mij, iedereen haat mij’. De Vlaamse en Marokkaanse cultuur mogen dan veel van elkaar verschillen, op één vlak zijn ze heel gelijkend: het zijn allemaal binnenvetters. Dus hield ik dat allemaal binnen.

“Het straffe is: ik was toen niet eens zo hard met mezelf bezig. Meer nog dan van mijn eigen dik zijn, lag ik wakker van de samenleving. Waarom is er al dat onrecht? Waarom kan ik daar niks aan doen? Dat heeft me erg diep geduwd. Plots was mijn eigenwaarde zo laag dat mijn hoogste goed alleen maar kon zijn dat ik iets voor anderen zou bereiken. Het idee: zelf ben ik niks waard, dus misschien ben ik dan maar de kamikazepiloot die moet knallen opdat anderen het beter zullen hebben. (haast zich) Of schrap dat ‘knallen’ maar. Dat woord ligt nogal gevoelig.” (lacht)

Dingen willen veranderen voor anderen. Heb je dat nog?

“Heel hard. Wat ik echt wil, is maatschappelijke verandering, de samenleving verbeteren. Ik zie comedy eerder als een middel dan een doel. Ik ben geen komiek voor mezelf, ik heb een veel groter plan. Veel grotere idealen.

“Hét plan is: een maatschappelijk platform creëren. Ik stop niet voor ik Vlaanderen beter achterlaat dan ik het gevonden heb. Ik wil geen steentjes verleggen, ik wil blokken verzetten.”

Klinkt vastberaden voor iemand die altijd wilde pleasen.

(verzucht) “Daar heb ik ontzettend veel spijt van: dat ik zo vaak heb gedaan wat anderen van mij wilden. Gewoon omdat ik wilde beantwoorden aan hun verwachtings­patroon – of dat nu sociaal, cultureel of religieus was.

“Aan de unief wilde ik eigenlijk filosofie doen, maar mijn papa zag daar geen toekomst in, geen centen. Dus koos ik een andere richting. Ik heb ook in de media projecten gedaan waar ik zelf niet achter stond. Typisch Kamal, ik wil dan geen conflict, dus doe ik het maar. Zelfs tot mijn ­huwelijk toe heb ik willen pleasen.”

Zeg je nu dat je getrouwd bent omdat het moest?

“Zo kun je het wel stellen. Pas op, niet dat ik mijn vrouw niet graag zie, integendeel. We kenden elkaar nog van ­vroeger, waren elkaar uit het oog verloren. Maar zodra we een relatie kregen, waren we vier maanden later al getrouwd. Hoewel onze ouders wel ruimdenkend zijn, was er veel culturele druk.

“Ik moet erbij zeggen: ik was ook smoorverliefd en kon niet snel genoeg trouwen. Het voelde meer als een zegen dan als een verplichting. Pas nadien, toen we samenwoonden, beseften we hoe vlug het allemaal was gegaan.”

Beeld Thomas Sweertvaegher

Geeft dat geen spanningen in je huwelijk?

“Eerlijk gezegd, het is een moeilijk jaar geweest. We waren bijna gescheiden. En – laat dat duidelijk zijn – dat lag helemaal aan mij. Dit jaar is er bij mij heel wat frustratie aan de oppervlakte komen borrelen. Alsof ik nu pas besefte hoe hard ik al die tijd voor anderen had geleefd. Plots begon dat te knagen.

“Dus ja, dan zit je daar ineens met twee mensen die nog jong en zoekende zijn. Die elkaar dolgraag zien – dat staat buiten kijf – maar die wel met elkaar moesten dealen. Want ik beken, ik was bij momenten heel kinderachtig, erg ­onzeker. En weer dikker ook.”

Je vrouw leerde jou kennen op je slankst. Hoe gaat zij met die metamorfose om?

“Ze leerde me kennen op mijn top: De slimste mens, bezig met een comedyshow, slank en afgetraind. Maar tijdens ons huwelijk ben ik zowat geëvolueerd naar een dikzak die ­twijfelt over zijn carrière: was het wel een goeie zet om mijn carrière aan de unief stop te zetten voor televisie? Ben ik nog wel trouw aan mezelf? Zit ik niet te veel vast in dat ­spelletje van ego’s?

“Kortom, ineens had mijn vrouw een totaal andere man. Maar zij is daar fantastisch mee omgegaan. Ook nu weer steunt ze mij volop om af te vallen. Zij is degene die mijn tussendoortjes maakt, omdat ze weet dat ik daar zelf te ­chaotisch voor ben. Want ik mag vooral niet wachten op de grote hongerdip. Dan eet ik alles wat er op mijn pad komt, en is het weer foutu.”

Je wilt scherp staan voor de eindejaarsconference. Michael Van Peel opvolgen, dat lijkt ook niet min. Geeft dat stress?

“Mijn grootste stress is: ik volg Michaels tíénde conference op. En Geert Hoste zijn zoveelste. Dan hoop ik dat het publiek mijn eerste niet zal vergelijken met hun laatste. Die redenering zou niet fair zijn. Daar ben ik dus wel wat bang voor: dat de mensen te veel zullen verwachten. Wat niet betekent dat ik niet naar het allerbeste streef.”

De rode draad in je conference is ‘kinderachtigheid’, zeg je. Wat bedoel je daarmee?

“Onze beleidsmakers – van wie we leiding verwachten – ­hebben zich nog nooit zo kinderachtig gedragen als dit jaar. Dat zit in kleine dingen: Jan Jambon die Toy Blast ­(puzzelspelletje voor de smartphone, red.) zit te spelen in het ­parlement. Geruzie over een vlag – of het een vod is of niet. Onze politici hebben zich het voorbije jaar zo kinderachtig gedragen dat ze hier zaten. (raakt met zijn hand net de tafel niet) Hun niveau was zo laag dat kinderen en jongeren dachten: ha, daar raken wij makkelijk over. Waardoor zij eigenlijk het werk van onze leiders begonnen te doen: Anuna De Wever, Greta Thunberg.

“Het klimaat, de economie, vluchtelingen: onze maatschappij verandert. En onze politici kijken ernaar als een puber die zijn eerste schaamhaar ontdekt: ‘Whááá, wa is dees?’ (wappert met zijn handen) En wat doe je dan? Je zoekt een leidraad. Zoals tieners vroeger de Joepie lazen, zo willen onze politici nu een canon. Ze willen helderheid, een identiteit.”

Aan het begin van de show grap je: ‘Of je nu links bent of rechts, dat maakt niet uit. Ik haat ze allemaal evenveel.’ Dit jaar leek radicaal stemmen het nieuwe normaal. Hoe kijk jij daarnaar?

“Ik zie dat zo: grijs past niet in onze zeitgeist. We hebben geen ruimte meer over in ons hoofd voor nuance. Er is zo veel druk, in combinatie met een veranderende wereld. Dat is de reden waarom onze meningen zo gepolariseerd zijn. Daarom stemmen we zo graag extreemlinks of extreemrechts. En wie zich het beste kan verkopen, wint. Vandaar dat politici zo graag roepen, net zoals pubers soms tegen hun ouders staan te schreeuwen. Maar dat ze zo puberaal doen, geeft hoop. Dat betekent dat het ‘maar’ een fase is. Het is altijd het donkerste net voor de zon opkomt.”

Even over die verrechtsing en het racisme: merk je daar zelf veel van?

“Zeker wel. Maar het vreemde is: op den duur vind je dat normaal. Alsof wij, jonge Vlaamse Marokkanen, dat al mee incalculeren. De ‘maroef’ of ‘makak’ filteren wij al weg, want – ha ja – de Vlaming kan racistisch zijn. Maar dat wij nu opnieuw onder de indruk zijn van wat er, met die hele ­verrechtsing, aan het gebeuren is, zegt genoeg. Dat is geen positieve evolutie.

“Ik merk dat ook in mijn dichte omgeving. Hoogopge­leide vrienden die geen huurwoning vinden, geen job. Zelfs bij mijn eigen vrouw heb ik het gezien. Ze kon aan de slag in een kledingwinkel, want ze waren dolenthousiast over haar proefdag. ‘Wanneer mag ik beginnen?’, vroeg ze. ‘Tja, als je die hoofddoek uitdoet, morgen.’ Want de klanten, hè.” (rolt met zijn ogen)

Vang jij soms racistische opmerkingen?

(knikt heftig) “Zelfs in de comedywereld zijn er collega’s die me zeggen: ‘Kamal, gij zijt er toch ook alleen maar geraakt omdat ge Marokkaan zijt. (imiteert hun vette knipoog) Dat zijn toch die quota, hè?’ Maar dan denk ik: jij ziet het misschien als quota, maar ik zie dat ik een unieke stem heb. Daarom val ik op. Ik ben niet de veertigste blanke kerel die ook eens gaat vertellen wat hij in de wachtzaal bij de dokter heeft geobserveerd.

“Wat ik trouwens ook vaak te horen krijg, is dit: ‘Maar gij, gij zijt ne goeien’.” (windt zich al op)

Dat klinkt als ‘Kamal, de knuffelallochtoon’?

“Ridicuul vind ik dat. Is al de rest dan slecht? Is mijn papa dan ne slechten? (fel) Kijk, ik heb unief gedaan, heb daar geassisteerd, ik geef nog altijd les aan de hogeschool, én ik ben sociaal werker geweest, én ik ben comedian, én ik kom op televisie én ik betaal belastingen. Dat allemaal, om te kunnen horen dat ík ne goeien ben. (verontwaardigd) Amai, dat is wel veel werk, om door u aanvaard te worden.”

Toch zeg je: ‘Ik snap rechts. Dat zij soms het gevoel hebben: die mannen mogen hier alles.’ Dat moet je eens uitleggen.

“Het ding is: wij zijn vaak zo hard bezig met onszelf te ­verdedigen dat we de fouten van links niet durven te benoemen. Velen gaan ervan uit: als je Marokkaanse roots hebt, moet je links stemmen. Bullshit, vind ik dat. Links – met het salon­socialisme – heeft ons vroeger even hard opgeëist als dat rechts nu het verwijt krijgt ons weg te duwen. Dat vind ik even fout.

“Pas op, ik wil ook niet te streng zijn. Ik ben letterlijk het resultaat van een links beleid. Maar links heeft wél, puur uit profileringsdrang, zijn beleid zodanig georganiseerd dat het Marokkaanse stemmen zou winnen. ‘Maar Ali toch, jij hoeft geen Nederlands te leren. Blijf maar thuis. Hier is uw uitkering. Pakt maar, jong.’ Hetzelfde met de snel-Belg-wet. Dat deden de socialisten niet voor de Marokkaanse gemeenschap. Ze deden het voor zichzelf, om stemmen te winnen en de macht te behouden. Maar zo hebben ze wel een hele generatie verwoest. Met achteraf alle pijnscheuten vandien. Op dat vlak verwijt ik links veel meer dan rechts. Rechts is tenminste duidelijk: van hen moet ik niks verwachten.”

Kortom: je papa had hier een heel ander leven kunnen hebben?

“Op korte termijn was dat natuurlijk allemaal makkelijk. Maar nu vindt mijn papa het doodjammer dat hij de taal niet heeft geleerd. Had hij wel Nederlands gekund, dan had zijn leven er hier totaal anders uitgezien. En dat van ons ook. Al die ‘de’- en ‘het’-fouten die wij maakten, dat accent van ons. Ook de samenleving was dan veel beter geëvolueerd. Maar links heeft, als een rat in een val, rare dingen zitten doen. Dingen waar we nu pas de gevolgen van zien. Want nu is mijn papa de ‘niet-geïntegreerde tamzak die te lui was om te werken of de taal te leren’.”

Wow, nu klink je echt als de scherpe fileerder. Terwijl je op het podium toch eerder de voorzichtige knuffelbeer bent, die vrede wil?

“Zelfs in de titel van de conference – Mag ik even? – ben ik mezelf alweer aan het verantwoorden. (lachje) Maar laat ik het zo zeggen: in hoe ik de dingen zeg, ben ik heel lief. Maar wat ik zeg, daar is wel over nagedacht. Al zie ik mezelf nu ook niet als de grote geniale komiek. Maar Kamal is echt een tweespalt: filosoof én clown.”

Zeker dat je toch niet beter voor een titel zou gaan als Kamal rekent af?

(lacht) “Nee, mijn prioriteit op het podium is humor. De ­eindejaarsconference moet vooral leuk, sfeervol en luchtig zijn. Het moet weer een plezant familiegebeuren worden. Dit is hoe ik het mij voorstel: je hebt net een lekkere fondue gehad, zit samen gezellig weggezakt in de zetel, hebt Home Alone uitgekeken. En dan kom ik. Ik wil heel Vlaanderen ­verbinden in het uitlachen van onze politici. Want dat is nodig, willen we er weer mensen van maken. Zie het als een soort collectieve therapie.”

Ga je ook met jezelf lachen dan?

“Om met anderen te grappen, moet je ook met jezelf kunnen lachen. Dat neem ik heel serieus. Ik stel mezelf niet boven het publiek, ik zet me ernaast. ‘Zeg mannen, hebben jullie dat nu ook gezien? Daar wil ik toch iets over zeggen. Mag ik efkes?’ Ik speel ook heel hard op de mop, niet op de man. Op die manier kun je lachen met Anuna De Wever, de N-VA en baby Pia, zonder mensen te schofferen.”

Hoe doe je dat eigenlijk: van al die ernstige dingen comedy maken?

“Geloof het of niet, maar ik werk daar met bijna wiskundige precisie aan. Tja, ik blijf die academicus, hè. Ik ga voor gemiddeld 2,5 grappen per minuut. De show duurt 75 minuten, dus moet er ruim 185 keer gelachen worden. (haalt zijn smartphone boven) Kijk, in de scripts van mijn try-outs tik ik dat allemaal uit: wanneer er gelach valt, wanneer ik applaus krijg. Kleine lach, grote lach, applaus: dat is de cadans die je moet hebben.”

Aan hoeveel ‘lachjes’ zat je al tijdens de try-outs?

“Aan 140.”

Oei, dat is nog niet genoeg dan?

“Nee, ik kan wiskundig stellen dat mijn show nog niet ­grappig genoeg is.” (gniffelt)

Beeld Thomas Sweertvaegher

Lig je daar dan niet wakker van?

“Wel, ik heb nu al twintig try-outs gedaan. Achttien gingen heel goed, één was minder, en nog één liep faliekant af. In Beveren was dat. Drie keer raden welk optreden er nu in mijn hoofd blijft spoken. (lacht) Na die voorstelling ben ik echt in paniek geschoten: als dat hier niet werkt, werkt het elders misschien ook niet. Stel je voor dat ze dat dan op tv moeten uitzenden. Dan ben ik helemaal gescheten.

“Mannekes, ik heb echt trauma’s van die avond gekregen. Maar het goeie was: het kwam op het juiste moment. Ik begon me net wat té zeker te voelen over mijn materiaal. En dan, slash, terug met de voeten op de grond.”

Het is telkens weer in je blootje staan?

“Daar zeg je zoiets. Dat is ook het grote verschil met andere kunsten. Als je een schilderij maakt, zit je er niet bij als de mensen komen kijken. Je hoort het niet als ze zeggen: ‘Pff, dat vind ik maar bucht.’ Bij comedy wel. Het is alsof je Leonardo da Vinci de hele tijd naast zijn Mona Lisa zou zetten. En dat hij toeschouwers bedenkelijk hoort mompelen: ‘Hmm, precies toch maar een klein schilderijtje.’ (lacht)

“Comedians hebben een ego, maar tegelijk zijn ze zo down-to-earth. Nu snap ik hoe dat komt. Het kan niet anders, want je wordt zo hard met je neus op de feiten gedrukt.”

Je hebt nog grote plannen, zei je al. Waar zien we jou over tien jaar?

“Een van mijn grootste dromen is om een free clinic op te starten voor vluchtelingen en mensen zonder papieren, waar ze gratis juridisch advies kunnen inwinnen.

“Maar eerst wil ik nog lange tijd de conference doen. Een stem worden, want dat ben ik nog niet genoeg. Ik heb nog veel te bewijzen. Ik hoop dat de mensen zullen denken: ‘Dat wordt iets met Kamal’. Daar werk ik dag en nacht aan.”

Die eerste conference wordt alvast iets om van je bucketlist te schrappen?

(knikt heftig) “Echt wel. Dit was voor mij altijd al het hoogste wat ik kon bereiken. En dan te bedenken dat ik tien jaar geleden nog aan het werken was om mijn schoolreis naar Italië te betalen. Ik denk wel dat de kleine Kamal nu had gezegd: ‘Goed gedaan!’”

Kamal Kharmach tourt vanaf 29/11 met Mag ik even? door Vlaanderen, speeldata op kamalcomedian.be. Op oudejaarsavond wordt de eindejaarsconference op Canvas uitgezonden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234