Zaterdag 08/08/2020

Vakantieliefde

‘Nog steeds hoeft ze maar ergens binnen te komen en de tranen springen me in de ogen’

Beeld Getty Images

Corine Koole sprak met twee mensen die in een zomer smoorverliefd op elkaar werden. Hoe ging het verder? En hoe kijken ze daar nu op terug? Vandaag: Cato (73) en Mies (57) en hun zomer van 1988.

Cato

“Ik ontmoette Mies in 1988 in het vliegtuig naar Egypte. Zij kwam naast me zitten; al snel werd duidelijk dat ze met haar kersverse echtgenoot via hetzelfde reisbureau een vakantie had geboekt als ik en de vriendin die met me mee was. We raakten aan de praat; ze was een leuke, intelligente, nieuwsgierige jonge vrouw van 25 die ik bleek te kennen van het koor van mijn zus. Ik was 42, docent.

“De hele vakantie hebben we samen opgetrokken, drie vrouwen en Anton, haar man. Als er fooien moesten worden gegeven, verwezen we alle drie lachend naar ‘our husband’. Veel meer herinner ik me niet van die vakantie, alleen dat we in een taxi op weg naar een plek midden in de woestijn vier uur lang met elkaar praatten, en tijdens de terugweg opnieuw. Als ik achteromkeek in de minivan, zag ik stofwolken en slapende gezichten maar Mies bleef maar wakker, en niet alleen dat. Alert, nieuwsgierig, levenslustig stelde ze vraag na vraag en vertelde maar door. Haar belangstelling amuseerde me, maar in mijn hoofd borrelde nog zelfs geen verboden fantasie. Ik zat naast een jonge vrouw die net getrouwd was met een heel aardige man.

“Na de vakantie spraken we af, gewoon omdat dat vanzelfsprekend leek, wij hadden immers al de connectie van het koor. Ik bezocht weleens repetities, Mies en ik gingen fietsen, we begonnen theatervoorstellingen te bezoeken, en voor we het wisten zagen we elkaar twee keer per week. Het gegeven dat ik lesbisch was had daar niets mee te maken: ook als je op vrouwen valt heb je gewone vriendinnen, en Mies was een van hen.

“Tot het moment dat ik Anton bij toeval tegenkwam in een café op de markt. Het was overdag, ik kwam daar dagelijks en dronk er een koffie en rookte er een sigaret. Ineens zei hij: ‘Weet je wel dat Mies verliefd op je is?’ Ik schrok, maar was in het geheel niet gevleid of opgewonden. Van nature ben ik een voorzichtige vrouw die zich niet snel het hoofd op hol laat brengen, en Mies, wat moest ze met mij?

“Ik had al die maanden zo uitgesloten dat het iets tussen ons kon worden, dat ik niet eens bij benadering wist of ik me seksueel aangetrokken zou kunnen voelen tot haar. En ook nu was er niets wat oplichtte, niets wat mijn beeld van de nabije toekomst deed verschuiven. Integendeel: ik had het gevoel dat Anton mij met zijn mededeling iets afnam; een groeiende vriendschap werd in de kiem gesmoord. Ik was mijn onbevangenheid kwijt. Die avond belde Mies: het klopte wat Anton had gezegd, al had ze het me liever zelf verteld, maar zouden we misschien snel een keertje kunnen afspreken?

Ongemakkelijk en stijfjes zaten we een dag later tegenover elkaar in een restaurant. Weg was het gemak waarmee ze mij het hemd van het lijf had gevraagd in die taxi in Egypte, weg de welbespraaktheid die ik zo leuk aan haar vond. Dit keer vroeg ik haar van alles. Ik wilde weten waarom ze op een ‘oude’ vrouw als ik viel. Haar antwoord herinner ik me niet meer.

“Eigenlijk staat mij dertig jaar later vooral de volkomen verwarring nog bij. Wat had ik in gang gezet, in het leven van twee pasgehuwden? Hoe zou mijn plek in haar leven nu veranderen? Daarvoor was ik nog het meest beducht. Haar bekentenis had onze vriendschap beroofd van vrijheid en argeloosheid. Ik kon haar niet langer los zien van haar verliefdheid, tegelijk wist ik dat ik zelf nog altijd niet meer dan kameraadschap voelde.

“We begonnen elkaar uit de weg te gaan, en als het tot een toevallige ontmoeting kwam in de stad, zeiden we quasi formeel goeiedag tegen elkaar.

“Pas toen zij en Anton een paar maanden later samen op vakantie gingen, veranderde iets wezenlijks. Ik merkte dat ik haar onvoorstelbaar miste. Ik miste haar na de koorrepetities, ik miste onze toevallige ontmoetingen in de straten van het centrum van de stad. En omdat missen iets is wat buiten de intentie omgaat, kon ik er niet omheen.

“Daarop vroeg ik haar of ze een nacht in mijn tuin wilde komen slapen. Ik legde twee matrassen naast elkaar en zette een fles wijn koel. En hoewel ik haar niks liet blijken, drong de plechtige betekenis van mijn uitnodiging ook toen al tot me door. Als ze zou komen logeren, zou dat het begin worden van een langdurige verhouding. Zij was niet het type voor kortstondige affaires, dat kon ik haar niet aandoen. Als we zouden vrijen zou ik, die zo gesteld was op mijn zelfstandigheid, een relatie krijgen. En dat was goed, ik had genoeg gerommeld in mijn leven. Vanaf dat moment zijn we samen – een verbintenis uit duizenden. Die hele fase van fladderende verliefdheid heb ik overgeslagen, al dertig jaar voel ik diepe liefde. Zo onbekommerd en vol vertrouwen zijn we, dat als de een aan de ander vraagt: ‘Zullen we?’, het antwoord altijd ‘ja’ is. Wat dan volgt kan van alles zijn: een fietstocht, een filmmarathon, een wandeling... Alles is altijd goed.”

Mies

“‘Ik ken jou, jij bent die nieuwe in het koor van mijn zus’”, zei Cato tegen me toen ik op het punt stond naast haar neer te ploffen in het vliegtuig naar Egypte. Ik kon dat alleen maar verbouwereerd beamen. We begonnen al snel te kletsen en de rest van de vakantie waren we steeds samen: mijn man, ik, Cato en een vriendin van haar. In een taxi op weg door de stoffige woestijn naar Abu Simbel praatten wij – terwijl iedereen om ons heen lag te slapen – over elkaars levens en verwachtingen. Ik was 25 en laafde me aan de wijsheden van deze zelfstandige 42-jarige vrouw.

“Zonder dat we het erover hadden, wist ik dat ze op vrouwen viel. Zelf was ik net een paar maanden getrouwd. Ik hield van mijn man Anton. Mijn nieuwe gevoel voor Cato die vakantie veranderde daar niks aan. Sterker nog: ik had niet eens door dat er sprake was van een nieuw gevoel. Het begin van vrouwenvriendschappen gaat wel vaker gepaard met opwinding en plotselinge vertrouwelijkheid. Het afwijkende, overrompelende van wat ons bond, werd pas duidelijk toen de vakantie voorbij was en ik in de auto op weg was naar huis. Waar ik vrolijk had moeten zijn over een geslaagde vakantie, voelde ik alleen maar pijn, gemis en heimwee naar de taxi’s waar Cato energiek naast me zat. En in de dagen erna werd dat gemis alleen maar heviger.

“Ik begreep al snel dat ik verliefd was geworden, op een vrouw, op Cato, maar zei niemand iets. Het was zo al verwarrend genoeg. Ik woonde in die tijd twintig kilometer van haar vandaan, maar fietste soms zomaar naar haar toe om haar iets lekkers te brengen. Het risico dat ze me doorhad, bestond niet, zo zat ze niet in elkaar. Ze was verre van een inlevend moeder­figuur – velen vinden haar kortaf – en hoewel mijn ervaring vanaf het eerste moment anders was, werd me meteen duidelijk dat mijn verliefdheid haar verbeelding te boven ging. En dat was misschien maar goed ook, want zo kon ik haar nabijheid opzoeken zonder mijn ziekmakende geheim prijs te geven.

“Ik zag haar twee keer per week. Na een filmbezoek of na afloop van een koorrepetitie kon ik toetsen of mijn gevoel wel echt was. Intussen werd ze een almaar grotere obsessie in mijn hoofd. Als ik in haar stad moest zijn, reed ik overbodige rondjes in haar buurt in de hoop dat ik haar toevallig zou tegenkomen, en als dat niks opleverde, reed ik stoutmoedig door haar straat. Mijn geheim bezorgde me buikpijn, ik moest vaak overgeven en raadpleegde een psycholoog. Cato en ik gingen wel eens een eindje fietsen, wat ik oprecht het hoogst haalbare achtte. Ik was dan dicht bij iemand die ik superleuk vond, wat meer kon ik verwachten van een vrouw die acht jaar jonger was dan mijn moeder.

“Het veranderde toen mijn man haar op een dag vertelde dat ik verliefd op haar was. Ik was zo boos op hem, in vertrouwen had ik hem uiteindelijk verteld wat er aan de hand was. Maar ik had haar liever zelf gesproken. De psycholoog raadde me aan ‘deze vrouw’ maar even niet te zien. Toch zijn we met een gedeelde nieuwe kennis gaan eten: ze vroeg me van alles, maar nog steeds was er geen enkele aanraking van een hand op een tafel, een kus. Ik op mijn beurt vertelde dat ik haar heel leuk vond, maar niet hoe ziek ik was van liefde.

“Het had te maken ook met hoe ze eruitzag. Nog steeds hoeft ze maar ergens binnen te komen en de tranen springen me in de ogen. Natuurlijk heb ik haar achteraf vaak gevraagd waarom ze niet meer werk van me had gemaakt, en dan geeft ze steeds hetzelfde antwoord: ik was niet verliefd op je. Ik moet daar nu zo om lachen, een leven lang verder, natuurlijk was er iets, maar Cato stond zich geen fantasieën niet toe, om mij en mijn jonge huwelijk geen schade te berokkenen.

“Ik sloeg het advies van mijn hulpverlener in de wind en verhuisde samen met mijn man naar haar stad, alles om maar bij haar in de buurt te zijn, ik ging zelfs twee keer op een dag naar de markt, ’s ochtends met Anton en ’s middags met haar, verloor steeds meer gewicht, tot ik snapte dat ik niet bij Anton kon blijven.

“Het duurde toen nog een tijdje voor ze me uitnodigde in haar tuin, om daar de nacht door te brengen. Ze had twee matrassen neergelegd, er stonden fakkels en een koeler met witte wijn. Als een plank lag ik naast haar. Er gebeurde niks. Pas de volgende nacht, toen ik weer bij haar mocht logeren, viel ze tegen me aan in slaap. Toen wist ik: hier gebeurt iets. We zijn nu dertig jaar verder en nog steeds houdt ze vol nooit verliefd op me geweest te zijn, prima. De liefde is er alleen maar beter door. Tussen ons is een grenzeloos vertrouwen. Met Cato hoef ik nooit mijn best te doen. Alles is mogelijk, en niks is moeilijk.”

Cato en Mies zijn schuilnamen. De echte namen zijn bekend bij de redactie.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234