Donderdag 17/10/2019

Interview

Na vijf verstilde jaren besloot ze dat ze één keer wilde praten. Eén keer, en dan nooit meer

Beeld Wouter Van Vooren

In 2014 verloor actrice Mieke Laureys (43) haar zoon Ziggy (6) bij een dodehoekongeval in Deurne. Vijf jaar later probeert ze zijn dood nog altijd een plaats te geven. En vallen er in Antwerpen nog altijd fietsslachtoffers. ‘Sommige politici zijn tégen verkeersveiligheid.’

Ze had gewikt en gewogen. Ze had overlegd met haar man – acteur Marc Stroobants (55) –, haar psycholoog, en haar innerlijke ik. En ze had besloten dat ze, na vijf verstilde jaren, één keer wilde praten. Eén keer, en dan nooit meer.

Ze had zich drie doelen gesteld. De mensen helpen begrijpen wat het is, je kind verliezen. De vertegenwoordigers van justitie aanporren om de slachtoffers van misdrijven beter te begeleiden. En onze politici oproepen om hun dure eden over verkeersveiligheid eindelijk eens in daden om te zetten.

Maar wanneer Mieke Laureys op de afgesproken dag het Antwerpse café l’Entrepot du Congo binnenstapt, wordt ze gechaperonneerd door twijfels. “Ik weet niet of ik dit interview wel moet doen”, zegt ze zonder haar jas uit te doen. “Ik ben bang dat ik mij niet goed genoeg ga uitdrukken. Dat elk woord dat ik uitspreek er één teveel zal zijn. En dus denk ik: ik kan beter zwijgen. Misschien moet je in Zeno maar een aantal pagina’s blanco laten. Accurater kun je mijn verhaal niet vertellen.”

BIO * geboren in 1974 in Sint-Niklaas * freelance actrice en theatermaker * speelde in tv-series als Thuis, Spoed, Flikken, Witse en W817 * heeft een relatie met acteur Mark Stroobants * mama van Ziggy (†) en Sjarel-Spijker (2) * woont in Mortsel

We bestellen thee en koffie en verklaren interviews principieel ondergeschikt aan gemoedsrust. Toch besluiten we om ons gesprek te laten doorgaan. We evalueren nadien wel of het door stilte overtroffen kan worden.

Al gauw blijkt dat de woorden die Mieke uitspreekt er niet alleen voor staan: ze worden te hulp geschoten door assertieve handen, ogen vol liefde en bodemloze zuchten. Woorden schieten niet tekort. Ze hebben alleen nu en dan wat assistentie nodig.

Harteloos ziekenhuis

“Ik ga je proberen te vertellen wie Ziggy was”, zegt Mieke. “Maar noteer alsjeblieft dat het onmogelijk is om hem in een paar zinnen te typeren, oké?”

“Ziggy was een heel beschouwende jongen. Hij kon zich dingen afvragen die niemand anders zich afvroeg. ‘Als onze poes ná ons sterft’, zei hij ooit, ‘hoe weten ze in de hemel dan dat ze met óns herenigd moet worden? Moeten we de wachters aan de hemelpoort een foto van haar geven?’

“Hij hield enorm van duidelijkheid. In de klas lagen alle pantoffels altijd kriskras door elkaar. Behalve die van Ziggy: die stonden netjes náást elkaar. Hij had behoefte aan overzicht, aan harmonie. Als zijn klasgenoten lawaaierig waren, zei hij tegen de juf: ‘Ze zijn druk vandaag.’ (glimlacht)

“Ziggy had grote voelsprieten. Bijna letterlijk: nieuwe kleren liet hij altijd door zijn vingers glijden voor hij ze paste. Hoe kledingstukken aanvoelden, was voor hem belangrijker dan hoe ze eruitzagen.

“Ik heb altijd het gevoel gehad dat een deel van de opvoeding van Ziggy bij zijn geboorte al geregeld was. Marc en ik moesten hem zelden terechtwijzen. Zelfs als we uren aan een stuk in de bergen gingen wandelen, klaagde hij niet. ‘Ik word hier rustig van’, zei hij dan.

“In sommige gezinnen doet iedereen zijn eigen ding. Maar wij waren heel close. We vormden een drie-eenheid. Ik ben ontzettend dankbaar voor de jaren die Ziggy bij ons is geweest.”

Terug naar 8 september 2014 dan maar, zij het met honderd kilogram lood in de schoenen.

Het is vier uur in de namiddag, school’s out, Ziggy fietst met zijn vader naar huis. Op een kruispunt van de Turnhoutsebaan in Deurne staan ze – samen met een vrachtwagenchauffeur – voor het rode licht. Wanneer het licht op groen springt, wanen Marc en Ziggy zich veilig en rijden ze rechtdoor. Maar de vrachtwagenchauffeur slaat op hetzelfde moment rechtsaf: zijn spiegels zijn niet goed afgesteld en merken Marc en Ziggy niet op. Marc kan nog net op tijd stoppen. Ziggy is al ter hoogte van het zebrapad en wordt aangereden. Hij wordt overgebracht naar het ziekenhuis, waar hij vrijwel meteen overlijdt.

Drie weken voor zijn zevende verjaardag.

Drieënzeventig jaar vroeger dan de Belgische levensverwachtingsstatistieken beloven.

Mieke is op het moment van het ongeval aan het repeteren in de Warande in Turnhout. Ze krijgt te horen dat Ziggy is aangereden en wordt door een collega naar Antwerpen gebracht. Onderweg krijgt ze telefoon van het ziekenhuis: ‘Ziggy is overleden, mevrouw.’ Alsof het een nieuwtje is waar ze even van op de hoogte gebracht moest worden. Alsof het heel gewoon is om mensen telefonisch mee te delen dat hun leven nooit nog hetzelfde zal zijn.

Ook Marc krijgt in het ziekenhuis het minder humane gelaat van de geneeskunde te zien. Bij aankomst wordt hij in een klein kamertje ondergebracht. Wat later komt iemand hem zeggen dat Ziggy het niet heeft gered. Nog wat later wordt hem gevraagd of hij alstublieft wat minder hard wil roepen. En nee, hij mag niet naar buiten, hij is een gevaar voor zichzelf.

“Ik ben een paar maanden na Ziggy’s dood opnieuw naar het ziekenhuis gegaan”, zegt Mieke. “Ik heb gezegd: ‘Ik hoop dat ouders van een verongelukt kind nooit meer op zo’n harteloze manier te horen moeten krijgen dat hun kind overleden is.’”

‘Moe maar op en dolend’

Van het eerste jaar na de dood van Ziggy herinnert Mieke zich enkel flarden. Haar verdriet heeft gaten in haar geheugen geschoten: gebeurtenissen worden niet langer op een tijdlijn uitgestald, maar lukraak door elkaar heen gegooid.

Dit weet ze zeker: ze is binnen het jaar verhuisd. Ziggy werd aangereden op honderd meter van zijn ouderlijke woning. Het was voor Marc en Mieke een marteling om zo dicht bij de plaats van het ongeval te wonen. “We gingen niet naar de winkel omdat we bang waren dat iemand ons vragen zou stellen over Ziggy. We gingen niet naar het park omdat de herinneringen aan hem er te pijnlijk waren. En we maakten omwegen van twintig minuten om te vermijden dat we op het kruispunt zouden komen waar hij verongelukt is. Hoe moeilijk we het ook vonden om het nest te verlaten waarin Ziggy is opgegroeid: we moesten er echt weg.”

Ook dit is een zekerheid: één maand na de dood van Ziggy stond Mieke al opnieuw op de planken. Ze speelde een hoofdrol in – wat kunnen titels buitengewoon toepasselijk zijn – Moe maar op en dolend van Abattoir Fermé. “Ze hebben mij op het podium geduwd en ik heb mijn rol gespeeld. Geen idee hoe ik het voor elkaar heb gekregen. Maar ik dank de mensen van Abattoir Fermé nog altijd op mijn blote knieën dat ze mij hebben laten meespelen. Na de dood van Ziggy was ik even bang dat niemand nog met mij zou willen werken. Dat alle regisseurs zouden denken: ‘Ze zal wel niet in staat zijn om te spelen.’ Gelukkig is dat niet gebeurd.

“Mijn werk is tot op zekere hoogte mijn redding geweest. Als je toneel speelt, kruip je in de huid van iemand anders. Ik kon – en kan – mij daar geweldig aan optrekken. Als er al momenten zijn waarop ik kortstondig vergeet wat er gebeurd is, dan zijn het de momenten waarop ik een rol aan het spelen ben.”

Dat ze zo snel weer ging acteren, werd moedig genoemd. Maar moed heeft er volgens Mieke niks mee te maken. “Mensen denken dat je ervoor kíést om verder te leven. Maar dat is helemaal niet zo. Het gebeurt gewoon. Je eet, je drinkt, je slaapt, je vindt een manier om te functioneren. Keuzes maken doe je tijdens zo’n proces niet. Je lichaam neemt het van je over.”

Nog een populaire misvatting: dat de scherpste kanten van het verdriet er na vijf jaar wel afgevijld zullen zijn. Miekes hart is nog altijd een emotioneel rampgebied, de impact van de reddingswerken blijft beperkt. “Ik neem mijn verdriet overal mee naartoe”, zegt ze. “Het kan niet anders en ik wil het ook niet anders. Mocht ik in mijn binnenste niet treuren, zou ik Ziggy oneer aandoen.

“Ik probeer vooral om niks te vergeten. Om mijn herinneringen aan Ziggy vast te houden. En er indien mogelijk nog wat nieuwe te sprokkelen. Onlangs vertelde mijn beste vriend dat hij ooit tegen Ziggy had gezegd: ‘Je mag niet te lang in de zon zitten, anders word je zo rood als een tomaat.’ En dat Ziggy dat zo grappig had gevonden, dat de zon je kon transformeren in een tomaat. Dat soort verhalen koester ik. Ik vind het heerlijk als iemand een herinnering aan Ziggy met me deelt.”

Rouwen in je eentje

Ik pluk een fragment uit een Zeno-interview dat ik twee jaar geleden had met neurochirurge Mania De Praeter. “Koppels die een kind verliezen, krijgen het doorgaans bijzonder moeilijk”, had De Praeter gezegd. “De dood van een kind legt vaak verschillen tussen partners bloot waarvan ze zich niet bewust waren voor hun kind stierf.”

Mieke beantwoordt mijn vraag nog voor ik ze gesteld heb. “Marc en ik zijn elkaar nooit verloren. En dat komt omdat wij heel snel begrepen hebben dat we niet samen hoeven te rouwen. Wij zijn twee verschillende mensen, het is heel normaal dat wij ons verdriet elk op onze eigen manier beleven. We geven elkaar daar ook de ruimte voor. We erkennen en respecteren elkaars gevoeligheden. En precies dat houdt ons samen.

“Het klinkt natuurlijk gemakkelijker dan het is. Want Marc en ik confronteren elkaar continu met ons verdriet. Gewoon al door samen in dezelfde ruimte te zijn. Als wij aan tafel zitten, kijk ik in de ogen van de vader van mijn overleden zoon. Dat is soms heftig en hartverscheurend. Maar het drijft ons niet uit elkaar. We hebben alle belangrijke beslissingen na Ziggy’s dood samen genomen. En daar hadden we in de meeste gevallen heel weinig woorden voor nodig.”

Ik vraag of ze het geluk heeft om omringd te worden door mensen die niet weglopen van verdriet. Die zich ook in het bijzijn van een tragedie een houding weten te geven. “Marc en ik worden heel goed opgevangen, ja. Er zijn mensen die hetzelfde meemaken als wij, maar in een sociaal isolement terechtkomen. Dat moet verschrikkelijk zijn.

“Maar dat neemt niet weg dat ik mensen soms zie schrikken als ze horen dat wij onze zoon verloren hebben. In het begin had ik de neiging om hen gerust te stellen: ‘Het is oké. Ik kan nog nadenken, ik ben nog aanspreekbaar.’ Maar ondertussen hebben ze mijn geruststelling niet meer nodig, hoop ik.

“Ik vraag mensen altijd om ons niet uit hun leven te verbannen. Ik begrijp wel dat vrienden soms denken: ‘We zullen dit maar niet met Mieke delen, ze heeft andere dingen aan haar hoofd.’ Maar zelf denk ik: ‘Blijf mij alsjeblieft alles vertellen. Ik ben al zoveel kwijt, neem mij niet ook nog jullie verhalen af.’ Ik wil niet gereduceerd worden tot de-actrice-die-haar-zoon-verloren-heeft. Ik ben ook nog een vriendin. En een partner. Ik kan nog over andere onderwerpen praten dan Ziggy.”

Welkom, Sjarel-Spijker

Meer dan twee jaar was er alleen de afwezigheid van Ziggy. Sinds twee jaar en twee maanden is er ook de aanwezigheid van Sjarel-Spijker: het broertje van Ziggy dat op 1 maart 2017 werd geboren. Je zou de geboorte van Sjarel-Spijker een overwinning van het leven op de dood kunnen noemen. Al zou dat in de oren van Mieke een tikje te euforisch klinken.

“Veel van onze vrienden waren opgelucht toen ze hoorden dat er een tweede kindje op komst was. ‘Een baby zal het verdriet van Mieke en Marc wel verzachten’, dachten ze. Een begrijpelijke reactie, maar zo werkt het niet. Hoe blij Marc en ik ook zijn dat Sjarel-Spijker er is: we blijven Ziggy even hard missen. Onze vreugde omwille van Sjarel-Spijker staat los van ons verdriet omwille van Ziggy.”

Dat ze na de dood van Ziggy onmiddellijk opnieuw zwanger wilde worden, noemt Mieke een geval van biologische overmacht. “Ik kon me een toekomst zonder kind niet voorstellen. Ik wilde ons gezinnetje terug. Dat was een oergevoel. Iets overweldigends.”

Ze neemt haar smartphone en toont me mooie foto’s van haar zonen. De fysieke gelijkenis tussen de broertjes Stroobants is treffend. Ik permitteer me de vraag of Sjarel-Spijker zou leven, mocht Ziggy niet gestorven zijn. “Nee”, zegt Mieke. “Sjarel-Spijker heeft zijn leven in zekere zin te danken aan Ziggy. Zijn overleden broer zal voor altijd een deel van hem zijn.”

Aan de keuze voor een naam als Sjarel-Spijker ging vast een woelig selectieproces vooraf, zeg ik. “Marc en ik hebben inderdaad lang naar een goeie naam gezocht. (lacht) Op den duur zei ik: ‘Als we niks vinden, heet hij gewoon Sjarelke.’ Daar moest Marc altijd om glimlachen. Spijker vonden we ook een mooie naam, en dus hebben we voor Sjarel-Spijker gekozen. En geloof me: die naam past perfect bij hem. Ziggy was heel rustig en bespiegelend, Sjarel-Spijker is heel vrolijk en aanwezig.”

Het valt op: zelfs het woord ‘vrolijk’ dompelt Mieke in een bodempje tristesse. Alsof ze niet langer ongegeneerd blij durft te zijn. “Sinds de dood van Ziggy ben ik fulltime bang”, geeft ze toe. “Al mijn zekerheden zijn weggevallen. Ik heb het gevoel dat ik geen enkele controle meer heb over het leven. Vroeger wist ik: ‘Mijn kind vertrekt ’s ochtends naar school en ’s avonds zie ik het terug.’ Nu ben ik daar niet meer zo zeker van. Als ik thuiskom van mijn werk denk ik nog elke keer: ‘Oef, Sjarel-Spijker leeft nog.’ Ik ken weinig mama’s die dat soort gedachten hebben. Maar voor mij is het feit dat mijn zoon leeft allesbehalve een evidentie. Als ik mij met Sjarel-Spijker in het verkeer begeef, ook al is het met de auto, gaat mijn hart nog altijd in overdrive. Ik wéét hoe onvoorspelbaar – en onrechtvaardig – het verkeer kan zijn.”

Verontwaardiging

De vrachtwagenchauffeur die Ziggy aanreed, werd veroordeeld tot drie maanden cel met uitstel, een boete van 2.400 euro en een rijverbod van drie maanden. Ook moest hij zijn rijexamen opnieuw afleggen en een psychologische test ondergaan. Maar of hij dat daadwerkelijk gedaan heeft, weet Mieke niet. “Sinds de strafrechtelijke uitspraak hebben Marc en ik geen inzage meer in het dossier van de dader. Wij weten niks over die man. Heeft hij zijn straf uitgevoerd? Gaat hij gebukt onder spijt? Rijdt hij nog altijd met een vrachtwagen? We hebben er het raden naar. En die onduidelijkheid maakt mij verschrikkelijk onrustig. Het ontneemt mij de mogelijkheid om wat er gebeurd is een plaats te geven. Of beter gezegd: om dat te proberen.

“Een vorm van dialoog tussen slachtoffer en dader is een essentieel onderdeel van het verwerkingsproces. Daders zouden verplicht moeten worden om de vragen van slachtoffers te beantwoorden. Desnoods via een bemiddelaar. Vandaag kun je als slachtoffer enkel vrágen om een herstelbemiddeling. Maar als de dader daar geen zin in heeft, heb je dat gewoon te aanvaarden.

“Dit gaat niet alleen over Marc en mij. Dit gaat over álle mensen die iemand verloren hebben in een misdrijf. Ook de ouders van Julie Van Espen zouden de mogelijkheid moeten hebben om – als ze dat ooit willen – contact te hebben met de moordenaar van hun dochter. Nu is het daarvoor nog veel te vroeg. Maar mochten ze hem op een dag willen spreken, zouden ze dat moeten kunnen afdwingen, vind ik. Slachtoffers moeten zelf kunnen kiezen hoe ze met hun verdriet omgaan.

“Ik weet wel dat je daders niet kunt verplichten om te praten. Maar juist daarom zou justitie er alles aan moeten doen om hen te overtuigen van de noodzaak van een dialoog. Om hen erop te wijzen dat ze nog iets kunnen betekenen voor de slachtoffers. Dat gebeurt nu onvoldoende en dat vind ik een gemiste kans.”

Het verdriet van Mieke wordt aangelengd met verontwaardiging, haar toon wordt feller. En al helemaal wanneer we het onderwerp verkeersveiligheid aansnijden.

In 2016 schreef ze – samen met Marc, de Fietsersbond en het Belgisch Instituut voor Verkeersveiligheid – een open brief waarin ze onze beleidsmakers vroeg om alle kruispunten in Vlaanderen conflictvrij te maken. Lees: om ervoor te zorgen dat fietsers die rechtdoor willen en voertuigen die moeten afslaan niet langer op hetzelfde moment groen licht krijgen.

Zowel Vlaams minister van Mobiliteit Ben Weyts (N-VA) als zijn Antwerpse evenknie Koen Kennis (N-VA) beloofde er werk van te maken. Een engagement dat ze nog eens herhaalden nadat Antwerpen in oktober 2017 drie fietsdoden in één maand te betreuren had.

Toch ziet Mieke nog altijd een partijoverschrijdende onwil om onze steden écht verkeersveilig te maken. “Politici zeggen voortdurend: ‘We zijn ermee bezig.’ Maar in de praktijk verandert er bitter weinig. Sterker nog: ik hoor beleidsmakers verdacht veel redenen opsommen om onze kruispunten níét conflictvrij te maken. ‘Er is niet genoeg ruimte om voor fietsers en voetgangers aparte stroken te maken.’ ‘Dit is een gewestweg, wij zijn alleen bevoegd voor lokale wegen.’ En de absolute topper in het genre: ‘Als we onze verkeerslichten conflictvrij maken, moeten auto’s en vrachtwagens te lang wachten en moedigen we hen aan om door het rood te rijden.’

“Dit is de waarheid: investeren in conflictvrije kruispunten is een no-brainer. Je kúnt niet tegen conflictvrije verkeerslichten zijn: ze verkleinen de kans op letselongevallen met 40 procent. Dat sommige gevaarlijke kruispunten nog altijd niet conflictvrij zijn, kan dus maar één ding betekenen: blijkbaar zijn sommige politici tégen verkeersveiligheid.

“Politici geven de ‘doorstroming’ van auto’s en vrachtwagens altijd voorrang. Omdat dat goed is voor de economie. Maar je kunt niet én meer auto’s en vrachtwagens in de stadskern verwelkomen én beweren dat je bekommerd bent om de veiligheid van de kwetsbare weggebruiker. Wil je het vrachtverkeer in stadscentra alle ruimte geven? Genoteerd. Maar zeg er dan in één adem bij dat je de levens van fietsers en voetgangers niet als een prioriteit beschouwt.”

Voor de cynicus in uzelf begint te denken dat Mieke Laureys uit haar tranen een politieke carrière wil distilleren: haar verdriet is te groot om met een megafoon rond te lopen. Maar ze roept anderen op om wél van zich te laten horen. “Kom op straat. Ga in gesprek met onze politici. Maak van verkeersveiligheid een knoert van een verkiezingsthema. Het maakt niet uit welke partij straks voor veiligere kruispunten zorgt. Als het maar gebeurt. De politiek kan toch niet blind blíjven voor de fietsdoden in het verkeer? Politici hebben toch ook kinderen die naar school gaan?”

Wankele constructies

Ze neemt wat gas terug en verbergt zichzelf even in haar gedachten. Dan, met een kwetsbaarheid die me torpedeert: “Vroeger was ik bezorgd, vandaag ben ik ronduit bang. Als ik er nog maar aan denk dat Sjarel-Spijker hier later ooit zal moeten fietsen, krimp ik helemaal in elkaar. En die schrik zal ik mijn hele verdere leven met me meedragen.

“Ik probeer mijn angst zo goed mogelijk te kaderen. Het is niet de bedoeling dat Sjarel-Spijker er onder lijdt. Maar mijn zoon maakt het me niet gemakkelijk: hij maakt zo graag wankele constructies om op te klimmen. Het is voor mij echt een uitdaging om daar niks van te zeggen. (na een stilte) Nu goed, andere mama’s maken zich zorgen over de eetgewoonten van hun kind. Daar heb ík dan weer geen last van.” (lachje)

We slaan de laatste restjes koffie en thee achterover en beginnen aan onze verbale coolingdown. “Je bent niet opnieuw beginnen te twijfelen”, zeg ik. “En je hebt wijze dingen gezegd. Geen blanco pagina kan het halen van jouw woorden.”

“Ik denk”, vult ze aan, “dat Ziggy me een beetje geholpen heeft. Als ik een voorstelling speel, heb ik ook vaak het gevoel dat hij naast me staat. Zoek er niks spiritueels achter. Hij is er soms gewoon. Het is niet uit te leggen.”

Het hoeft ook niet uitgelegd te worden. We staan op en nemen afscheid met een knuffel. In de auto op weg naar huis luister ik naar ‘Ziggy (Un garçon pas comme les autres)’, in de versie van Rufus Wainwright.

Wat kunnen titels buitengewoon toepasselijk zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234