Maandag 23/09/2019

Voedsel

Moeten we echt bang zijn van de E-nummers in onze voeding?

Beeld Studio V

We willen goed eten: duurzaam, diervriendelijk, gezond. En we willen lekker eten. Maar hoe? Volkskrantkatern V onderzoekt in een serie de 10 Geboden van Goed Eten. Vandaag het vierde gebod: Gij zult géén E-nummers eten, want dat is ongezond. O ja?

Stel: ik bied u een doosje aan waarin iets eetbaars zit. Op het etiket staat dat het behalve water, eiwit, suiker, koolhydraten en vezels de volgende bestanddelen bevat: E621, E160a, E160d, E101, E300, E330 en E296. Zou u het dan willen eten? Waarschijnlijk niet. Maar misschien wel als u het doosje open maakt en ziet wat erin zit: een tomaat.

E-nummers: er is weinig waarover zo veel onbegrip bestaat. Er is ook geen ander onderwerp in de voedingswereld waarover zo heftig strijd wordt geleverd. Die gaat tussen twee kampen die lijnrecht tegenover elkaar staan.

Aan de ene kant de anti-E-activisten die van de daken roepen dat je van E-nummers kanker, hersenbeschadiging of allerlei ander verschrikkelijks krijgt. Aan de andere kant de gevestigde wetenschap die bij hoog en bij laag volhoudt dat het spul nagenoeg onschadelijk is: eet u maar rustig door.

Het is een discussie tussen doven: hoe harder het ene kamp zijn waarheid verkondigt, hoe overtuigder de tegenpartij raakt van het eigen gelijk. Daartussenin hangt een grote groep weifelaars die wel eens wat opvangt, zich af en toe misschien zorgen maakt, maar er eerlijk gezegd niet zo veel van begrijpt. E-nummers, daar wás toch wat mee? Of niet? Of toch wel?

Laten we daarom bij het begin beginnen: wat zijn E-nummers ook alweer? De officiële definitie is een ambtelijke volzin die een alinea beslaat, maar het komt hierop neer: E-nummers zijn stofjes die aan etenswaren worden toegevoegd om ze beter te laten smaken (smaakversterkers), ze er beter te laten uitzien (kleurstoffen) en/of ze langer te kunnen bewaren (conserveermiddelen).

Let op het woordje 'toegevoegd', dat is cruciaal. Op een tomaat hoeft niet te staan dat hij E620 bevat, omdat dat er van nature in zit. Maar stopt een fabrikant E620 (een smaakversterker) in zijn soep, dan moet hij dat op het etiket zetten. Het stofje is precies hetzelfde.

Voorbeelden te over. Wortels zijn oranje omdat ze caroteen bevatten. Zit het in de margarine om die een gelig kleurtje te geven, dan moet het als E160a op het etiket staan. Citroenzuur, het zuur van een citroen, wordt in de voedingsindustrie vaak gebruikt om iets langer houdbaar te maken. Dan heet het E330. Gebruikt een snoepfabrikant de kleurstof uit biet, die zijn zuurtjes rood kleurt, dan moet dat op het etiket vermeld staan als E162 (bietenrood). Vitamine C heeft E-nummer 300.

Additieven is eigenlijk een beter woord voor wat de meeste mensen onder E-nummers verstaan, want pas in zijn hoedanigheid als toevoeging krijgt een stof een nummer. Ze zijn er in drie hoedanigheden: natuurlijke E-nummers (stoffen die ook in de natuur voorkomen zoals caroteen en citroenzuur), natuur-identieke (stoffen die er precies zo uitzien als natuurlijke, maar in het laboratorium zijn nagemaakt zoals sorbine- en melkzuur) en synthetische (stoffen die in het lab zijn gemaakt en in de natuur niet voorkomen, zoals de zoetstof aspartaam).

E-nummers zijn overal. Niet alleen in Cup-a-Soup en margarine, maar ook in tomaten, appels, brood en kaas - zelfs in de lucht. Zuurstof heeft nummer E948. Een kookboek dat beweert te koken zonder E-nummers is een recept voor honger: zelfs gebakken lucht bevat E's.

Arme E-nummers: onbemind, ongewenst en onbegrepen. Eigenlijk is het een tragisch verhaal. Zo lang de mens kookt en eten conserveert, worden hulpstoffen aan voedsel toegevoegd. Maar het gebruik ervan nam pas echt een vlucht met de opkomst van de moderne voedselindustrie in de vorige eeuw.

Er was sprake van wildgroei. Daarom besloten de landen van de Europese Unie in de jaren tachtig enige ordening en controle aan te brengen in het gebruik van additieven in voedsel. Er werd een verordening geschreven en een toelatingsprocedure bedacht: voortaan waren alleen nog stoffen toegestaan die op grond van degelijke laboratoriumtesten en ruime veiligheidsmarges als absoluut veilig werden beschouwd. Alleen die stoffen kregen een E en een nummer. De E stond, behalve voor Europa, voor veilig en betrouwbaar.

Slechte naam

Hoe zijn E-nummers dan aan hun slechte naam gekomen? Voor het antwoord hoef je maar op willekeurig welk etiket te kijken. E-nummers zijn door voedselfabrikanten vooral gebruikt om hun producten beter te laten lijken dan ze in werkelijkheid zijn: smaakversterker in de pasta in plaats van echte oude kaas, kleurstof met suiker in het ijs in plaats van echt fruit, emulgator met lucht in plaats van inhoud.

Dat hoeft niet altijd slecht te zijn. Zonder E-nummers zouden veel producten minder lang bewaard kunnen worden en er minder mooi uitzien. Maar ze zijn toch ook iets te vaak misbruikt om inferieure etenswaren mee op te krikken.

'Operatie stiekem', noemt microbioloog Pieter ter Steeg dat, in het verleden werkzaam als wetenschapsleider bij Unilever Research in Vlaardingen. Productontwikkelaars bij grote voedselproducenten kregen de uitdrukkelijke opdracht om waar mogelijk dure bestanddelen te vervangen door goedkope hulpstoffen. Het resultaat kon zoiets zijn als een kuipje smeerkaas dat voor minder dan de helft kaas bevat.

Dat kun je lang volhouden, maar het valt een keer op. Dat proces heeft zich de afgelopen jaren langzaam voltrokken bij de consument, die werd wakker geschud door kranten, tijdschriften en tv-programma's. Met als gevolg dat het stempel van betrouwbaarheid is omgeslagen in zijn tegendeel: E-nummers zijn nu synoniem voor alles wat vies, voos, nep en namaak is. E staat voor eten dat niet is wat het lijkt te zijn, producten waarmee gerommeld is, voedsel dat onbehaaglijk (s)maakt. E-nummers zijn eng.

Dat soort vage onlustgevoelens zijn de voedingsbodem waarop de anti-E-lobby groeit en bloeit. Wie wil, kan het groter zien. Het is hetzelfde soort onbehagen dat het vertrouwen van de burger heeft ondergraven in de politiek en de wetenschap. Het gevoel dat je jarenlang voor het lapje bent gehouden, dat deskundigen ook maar wat zeggen en dat je niemand meer op zijn woord kunt geloven.

Een van de meest uitgesproken protagonisten van de anti-E-nummer activisten is de Française Corinne Gouget. Gouget schreef in 2006 een handzaam E-nummer-gidsje met de titel Wat zit er in uw eten? Teksten op de kaft als 'Let op! Gevaar!' laten weinig te raden over wat Gougets opvattingen zijn.

In het boekje zijn 353 E-nummers beschreven. Bijna de helft, 173, krijgt de kleur rood mee, wat staat voor 'echt vermijden'. 105 E-nummers hebben code oranje: 'additief waarover tegenstrijdige wetenschappelijke analyses bestaan. Pas Op'. Slechts een minderheid van 75 krijgt het groene licht: 'wordt tot op heden als onschuldig beschouwd'.

Het gidsje van Gouget is een bestseller. In Frankrijk is het aan de vijftiende druk toe; volgens Gougets eigen website zijn er 180 duizend exemplaren verkocht. In Nederland staat de teller op 160 duizend. Het is vertaald in het Italiaans, Spaans en Roemeens.

Waar Gouget haar expertise vandaan haalt, is onduidelijk. In het voorwoord staat slechts dat ze zich in het onderwerp ging verdiepen toen ze zwanger raakte. Haar Nederlandse uitgever Will Jansen (van gastronomisch magazine Bouillon!) kan en/of wil niks zeggen over Gougets wetenschappelijke of professionele achtergrond. Een vraag naar informatie via Gougets website wordt niet beantwoord.

Als bron voor haar informatie refereert Gouget aan 'wetenschappelijke studies en internationale bronnen'. Achter in het gidsje staat een lijstje met websites en boeken. Een daarvan is Excitotoxins , The Taste That Kills, van de Amerikaan Russel Blaylock, die ook op Gougets website prominent figureert als deskundige de renommée internationale.

Complotdenken

Na enig onderzoek blijkt Blaylock in de Verenigde Staten een man van controverse te zijn, wiens theorieën door weinig collega's worden gedeeld. Deze (voormalige) neuroloog stelt niet alleen dat aspartaam (E951) en MSG (E621) giftig zijn, hij zegt dat ook van amalgaam tandvullingen, aluminiumpannen, fluor in het drinkwater en inentingen tegen ziekten.

Blaylock beweert dat de Russen drugs, hepatitis en aids hebben verspreid onder Amerikaanse jongeren om de VS te ondermijnen. Obama's pogingen om een ziektekostenverzekering voor alle Amerikanen op te zetten, noemt hij de opmaat tot een new world order die 'niet veraf staat van het gedachtengoed in nazi-Duitsland'. Via zijn website verkoopt Blaylock supplementen die alzheimer en parkinson zouden genezen.

Overigens blijkt Gouget ook niet vies van een staaltje complotdenken. Op haar website vraagt ze om (financiële) steun in haar strijd om de voogdijschap terug te krijgen over haar twee kinderen Melody en Coralie. Die is haar ontnomen kort na de eerste publicatie van haar gidsje. Mede, zo suggereert ze, vanwege haar strijd tegen de voedselindustrie.

Daaruit kun je concluderen dat dit niet meteen mensen zijn op wie je een betrouwbaar oordeel kunt bouwen over wat wel en niet te eten. Maar invloed hebben ze wel. Kopschuw geworden door alle wilde verhalen beginnen voedselfabrikanten E-nummers te weren van hun etiketten.

Soms alleen voor de vorm door de naam van een hulpstof gewoon uit te schrijven in plaats van het E-nummer te gebruiken. Dan staat er ascorbinezuur in plaats van E300, citroenzuur in plaats van E330, xantaangom in plaats van E415. Soms ook door een stof toe te voegen die geen E-nummer is, maar hetzelfde doet. Nogal wat (biologische) producten worden op smaak gebracht met gistextract. Dat bevat E621, hetzelfde spul als de gehate smaakversterker MSG (zie kader). In plaats van bietenrood (E162) kan een fabrikant bietensap toevoegen. Bijna hetzelfde, maar het klinkt toch anders.

Clean labeling worden dit soort praktijken genoemd. Een witwasserij waarmee de voedselfabrikanten uiteindelijk in hun eigen voet schieten. Want als zelfs gerenommeerde bedrijven E-nummers gaan weren, dan moet er toch wel iets mee mis zijn?

Nuchter beschouwd lijkt er geen reden voor ongerustheid. Het aantal mensen dat overgevoelig zegt te zijn voor E-nummers lijkt met de dag te groeien. Maar het Wetenschappelijke Comité voor Voedsel van de EU becijferde in een rapport uit 1995 dat op basis van dubbelblind onderzoek (waarbij zowel de onderzoekers als proefpersonen geen weet hadden van de stoffen die verstorend zouden kunnen werken) niet niet meer dan 1 procent van de Europese bevolking daadwerkelijk last heeft van voedselintolerantie of -allergie.

Absurd advies

Bij de Stichting Voedselallergie zijn E-nummers 'geen thema'. Daar maken ze zich drukker om natuurlijke stoffen zoals noten, koemelk, schaaldieren en pinda's die allergische reacties kunnen veroorzaken. Overgevoeligheid voor sommige hulpstoffen komt voor, maar is uiterst zeldzaam.

De angst voor E-nummers kan zelfs een averechts effect hebben. Een product dat is gezoet met aspartaam, is waarschijnlijk gezonder dan hetzelfde product met suiker - zeker voor de tanden. Als fabrikanten smaakversterkers in hun producten vervangen door zout, dan worden die juist ongezonder. Bovendien, zo zeggen voedingsdeskundigen, leidt de discussie over schadelijkheid van E-nummers de aandacht af van wat echt kwaad doet in ons eten: zoals verzadigd vet, suiker of zout.

Dat is de nuchtere kijk van de wetenschap op E-nummers. Een kleine groep kwetsbare consumenten - kleine kinderen, mensen met overgevoeligheid of aandoeningen zoals astma - moet een beetje uitkijken met sommige E-nummers, maar voor het gros geldt: niks om je druk over te maken. 'Als je kanker zou krijgen van aspartaam, hadden we al lang een kankerexplosie gehad', zegt een wetenschapper laconiek.

Discussie gesloten dus? Bijna. Want er zit nog één addertje onder het gras. E-nummers mogen dan overal voorkomen, het zijn net mensen: ze gedragen zich anders onder verschillende omstandigheden. E621 zit van nature in tomaat, maar het is de vraag of het zich daarin op precies dezelfde manier gedraagt als het E621 dat een fabrikant in gezuiverde vorm toevoegt aan zijn soep.

Er is een - groeiende, lijkt het - groep voedingskundigen die wat voeding betreft een 'matrix'- theorie verkondigt. Daarin stellen zij dat stoffen in hun natuurlijke omgeving in een netwerk zijn gevangen waardoor ze bij inname een ander effect op ons lichaam hebben dan wanneer we ze in geïsoleerde vorm tot ons nemen.

Dat geldt overigens zowel in positieve zin - de toevoeging van vitamines en ijzer aan producten heeft minder effect dan het eten van producten waarin die van nature zitten - als in negatieve zin. E-nummers die in hun natuurlijke omgeving onschadelijk zijn, zijn dat misschien niet of minder als ze gezuiverd worden toegevoegd.

Daar zou best een kern van waarheid in kunnen zitten, zegt levensmiddelentechnoloog Ralf Hartemink, E-nummer-deskundige van Wageningen Universiteit. Maar hoe onderzoek je dat? Voeding en de manier waarop ons lichaam daarmee omgaat, is zo complex dat we daar nog lang niet het fijne van weten. Honderd procent veilig bestaat niet, benadrukt Hartemink.

Maar dat geldt niet alleen voor chips, frikandellen en cola, maar ook voor appels, tomaten en wortelen. 'In sommige tomaten zit meer E621 dan wettelijk zou zijn toegestaan in een product. Als basilicum vandaag zou worden voorgedragen als nieuw product zou het worden afgekeurd omdat het te veel schadelijke stoffen bevat.'

Je kunt het ook omdraaien, zegt hij. Ons eten bestaat uit honderdduizenden verschillende chemische substanties - alles op aarde is een chemische verbinding. 'Van 350 daarvan weten we bijna alles. Dat zijn de E-nummers.'

Wat doen we dan met E-nummers? Eet geen E-nummers zou een tamelijk absurd advies zijn. Zelfs de stelling: producten zonder E-nummers zijn gezonder dan met, is niet altijd vol te houden. Meestal wel, overigens: hoe meer E-nummers een product bevat, hoe groter de kans dat er minder nuttige voedingsstoffen in zitten. Een zelfgemaakte groentesoep zal allicht meer vitamines en ander nuttigs bevatten dan een pakje soep uit de fabriek. Maar laten we eerlijk wezen: wat smaak betreft gaat niets boven vers en onbewerkt voedsel. Dat ook vol zit met E-nummers. Maar die hóren erin.

Hoofdpijndossier: MSG

Als je van MSG hoofdpijn krijgt, waarom kijkt dan niet iedereen in China scheel van de koppijn? Dat is wat de Amerikaanse voedselschrijver Jeffrey Steingarten zich afvroeg in zijn boek Nieuwe avonturen van de man die alles at (2003). Toch zijn er veel mensen die menen dat ze ziek worden van MSG. Volgens Steingarten denkt ongeveer een derde van de Amerikaanse bevolking dat.

MSG (oftewel mononatriumglutamaat, oftewel ve-tsin, oftewel E621) is een cause célèbre in de voedingswereld. Het werd in het begin van de vorige eeuw geïsoleerd door de Japanse professor Kikunae Ikeda uit een bouillon van zeewier (kombu). Ikeda noemde het umami, de vijfde smaak (naast zuur, zout, zoet en bitter). Die laat zich het best omschrijven als vol, vlezig, hartig.

MSG wordt op grote schaal toegepast in de voedingsindustrie om producten zoals bouillons, soepen en sauzen meer smaak te geven. Het dankt zijn slechte naam aan wat bekend staat als het Chinese Restaurant Syndrome (CRS), in 1968 beschreven door dr. Ho Man Kwok in het New England Journal of Medicine.

Kwok schrijft daarin dat hij telkens nadat hij in een Chinees restaurant heeft gegeten achteraf het gevoel krijgt dat hij een kater heeft. Dat werd (door anderen) toegeschreven aan het ruimhartige gebruik van ve-tsin.

Sindsdien staat MSG in een kwaad daglicht. Critici zeggen dat je er migraine van krijgt, pijn op de borst, hartklachten en zelfs alzheimer. MSG wordt ook verantwoordelijk gehouden voor het verslavende effect dat sommige etenswaren hebben. Er zijn fabrikanten die het om die reden vermijden of het onder een vermomming op het etiket zetten (gistextract). Er zijn zelfs Chinese restaurants die op hun deur zetten dat ze zonder ve-tsin koken.

Maar bij wetenschappelijke testen is nooit hard bewijs gevonden voor de kwalijke effecten van MSG, zelfs niet bij de inname van hoge doses (in een studie uit 1970 aten elf proefpersonen zes weken lang dagelijks 147 gram MSG).

Wetenschappers wijzen erop dat ons eigen lichaam ook glutamaat aanmaakt dat vergelijkbaar is met dat in MSG. Moedermelk is een rijk bron van glutamaat. Bovendien komt glutamaat in natuurlijke vorm voor in tal van voedingsstoffen die veel mensen zonder problemen eten zoals oude kaas, sojasaus, ketchup, ketjap, Marmite, wijn en paddestoelen.

Bijna alle grote wereldkeukens kennen een smaakmaker die is gebaseerd op glutamaat. Denk aan sojasaus, vissaus, ketchup, maggi. Wie overgevoelig is voor MSG zou daar ook last van moeten hebben. Die mensen zijn er, maar ze zijn uiterst zeldzaam.

MSG of ve-tsin is in zijn pure vorm te koop als een fijn wit poeder. MSG wordt al lang niet meer uit zeewier gewonnen. Het wordt tegenwoordig gemaakt uit bietsuikermelasse, tarwegluten en soja-eiwit.

Gij zult

'Geef ons heden ons dagelijks brood.' Die opdracht is ingewikkelder dan ooit tevoren. De moderne consument moet zich een weg banen door een mijnenveld dat is bezaaid met meningen, borrelpraat, elkaar tegensprekende onderzoeken, hele en halve waarheden. De voedingsindustrie, de boeren, de milieubeweging, de supermarkten, de klimaatactivisten, Slow Food, ieder heeft zijn eigen agenda. Wie moet je nog geloven en wie niet? Om de consument de weg te wijzen door dit oerwoud heeft V de 10 Geboden van Goed Eten opgesteld. In een onregelmatig verschijnende serie worden alle geboden aan een diepgaand onderzoek onderworpen. Aan het eind hopen we in elk geval meer te weten.

De 10 geboden

1 Eet lokaal.

2 Eet biologisch of in ieder geval producten waarvoor geen of zo min mogelijk bestrijdingsmiddelen zijn gebruikt.

3 Eet minder en alleen diervriendelijk geproduceerd vlees.

4 Eet geen producten waar E-nummers aan zijn toegevoegd.

5 Betaal meer.

6 Kook zelf. Besteed dagelijks minimaal anderhalf uur aan uw eten.

7 Eet aan tafel, samen met anderen.

8 Probeer een deel van uw eten zelf te verbouwen, hoe klein dat deel ook is.

9 Verspil geen eten.

10 Eet lekker.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234