Vrijdag 18/10/2019

Interview

"Mijn vader was in tranen toen hij zei dat het hem zo speet dat hij er niet vaker geweest was voor ons. Ik hoop dat ik later geen spijt zal moeten hebben”

Beeld Stefaan Temmerman

Schrijver Marcel Proust beantwoordde ze ooit in een vriendenboekje, nu geeft De Morgen er een eigenzinnige draai aan. Vijfentwintig directe vragen, evenveel openhartige antwoorden. Vandaag: Gwendolyn Portzky (43), dé Vlaamse autoriteit in suïcidepreventie. Wie is zij in het diepst van haar gedachten?

1. Hoe oud voelt u zich?

“Ik ben 43, maar telkens als ik de vraag krijg hoe oud ik ben, moet ik toch even nadenken. Alsof ik een paar jaar blijf hangen. Ben ik nu 41, 42? Nee, ik ben al 43, maar gevoelsmatig sta ik er niet echt bij stil. Ik heb daar ook niet zoveel tijd voor. (lacht)

“Hoopgevend vind ik wel mijn moeder. Ze is nu 72 en als ik zie hoe dynamisch zij is, denk ik: wow, als verouderen op die manier kan, heel fijn! In de tijd van mijn grootouders was dat toch anders. Toen associeerde ik ouder worden veel meer met verlies. Verlies van gezondheid, van mobiliteit, van fitheid. Maar nu, waarom zou je niet meer kunnen genieten op je 70ste of 75ste als je nog actief bent? Voor onze generatie ziet de toekomst er op dat vlak veel­belovend uit.

“Ik zou trouwens absoluut niet willen terugkeren in de tijd. De beginjaren toen ik aan de universiteit studeerde, zat ik niet zo goed in mijn vel. Dat loskomen van thuis en je eigen weg moeten zoeken gaf mij veel onzekerheid. Ik ben heel erg gesteld op sociaal contact, maar in die periode verliep dat wat moeilijker, waardoor ik me vaak eenzaam voelde. Ik vond dat de minst leuke leeftijd. Ik ben dus blij hoe ik met de jaren geëvolueerd ben.”

Wie is Gwendolyn Portzky?

- 43 jaar 
- licentiaat klinische psychologie en doctor in de medische wetenschappen
- professor in de medische psychologie (UGent)
- werd in 1999 coördinator van de Eenheid voor Zelfmoord­onderzoek (UGent)
- sinds 2013 directeur van het Vlaams Expertise­centrum Suïcide­preventie
- getrouwd, heeft twee kinderen  

2. Wat vindt u een belangrijke eigenschap van uzelf?

“Euhm, daar heb ik echt wel over moeten nadenken. Ik denk mijn betrokkenheid. Ik hoor toch vaak van mensen die dicht bij mij staan dat ik zo bezorgd ben om hen, soms wat te veel zelfs. Ook met mijn patiënten ben ik heel erg begaan. Ik zal altijd proberen om samen met hen uitwegen te zoeken, hoe moeilijk dat soms ook is. Menselijk contact moet voor mij echt en diepgaand zijn. Ik heb een hekel aan oppervlakkige contacten. Ik ben zo slecht in gesprekken over koetjes en kalfjes. Mensen die mij plots aan­spreken, denken wellicht: amai, die heeft ook niet veel te vertellen. Terwijl ik zoveel energie kan halen uit gesprekken die ertoe doen. Over hoe het met mensen gaat, over hun emoties en gevoelens.

“Het opbouwen van een therapeutische band met je patiënten is heel belangrijk. Soms gaat dat snel, soms duurt dat een half jaar of langer. Op zich is dat al een deel van de behandeling. Zeker voor mensen die het moeilijk hebben om contact te maken en anderen te vertrouwen. Als ze met jou leren praten is dat al een belangrijke stap. Voor elke hulpverlener is dat een permanente zoektocht, een permanent aftasten. Een leerproces ook, want soms zijn er patiënten die heel dichtbij proberen te komen of net veel afstand nemen of over je grenzen proberen te gaan. Maar de ervaring leert je om dat niet persoonlijk op te vatten. Zo’n band van wederzijds respect en vertrouwen ontwikkelen vind ik een van de mooiste aspecten van mijn vak.

“Al van jongs af aan raakte ik geïnteresseerd in de menselijke psyche. Mijn vader werkte namelijk voor een farmaceutische firma en kon heel boeiend vertellen over zijn bezoeken aan psychiatrische ziekenhuizen. En toen mijn moeder het zelf een tijdlang psychisch heel moeilijk kreeg, wist ik zeker dat ik psychologie zou gaan studeren. Ik was toen 15.

“Nu behandel ik zelf vooral mensen met een burn-out of depressie, van wie ongeveer de helft suïcidale gedachten heeft. Wat mensen drijft is mij blijven fascineren.”

3. Wat is uw passie?

“Mijn werk is mijn passie. Suïcide­preventie, mijn patiënten, les­geven: ik doe dat met hart en ziel. Omdat ik het zo belangrijk vind, zeker hier in Vlaanderen. Als ik iets zou kunnen veranderen aan de heersende attitude tegenover psychische problemen en geestelijke gezondheid, zou ik er echt van overtuigd zijn dat ik iets waardevols heb kunnen doen.

“Hoe meer getuigenissen er in de media komen van mensen die openlijk durven te vertellen dat ze een moeilijke periode hebben doorgemaakt, hoe beter, vind ik, want die negatieve attitude zit er bij de Vlaming heel hard ingebakken. Je moet sterk zijn en hard werken en je mag je vooral nooit zwak tonen. Mensen die het psychisch even moeilijk hebben, krijgen te horen dat ze zich niet zo mogen laten gaan. Ik ontdek vaak schaamte bij patiënten. Ze vinden zichzelf zwak omdat ze het niet alleen aankunnen. Maar waarom in godsnaam zou je niet met twee naar een probleem kunnen kijken? Wat is daar nu zwak aan, vraag ik me af.

“De laatste jaren is er een toenemende aandacht voor gezonde voeding, het belang van sporten, maar ons kopke verwaarlozen we! Het is net alsof er nog altijd een scheiding bestaat tussen lichaam en geest, maar neen, dat is één geheel! De hele dag door zijn we met ons kopke bezig. De hele dag door krijgen we prikkels en zijn we in de weer met de mentale verwerking ervan. Daarbij lopen geregeld weleens dingen fout, door een verkeerde communicatie of interpretatie van het gedrag van anderen. Waarom hebben we daar zo weinig aandacht voor? Als er één ding is dat ik met passie bepleit, is het wel: laten we alstublieft de aandacht voor onze mentale gezondheid wat hoger op de agenda plaatsen. Laten we van het kleuter­onderwijs af lessen mentale gezondheid geven. Als we jongeren willen leren te communiceren, moeten we daar beginnen. We moeten kleine kinderen les geven over emoties en veerkracht en coping. Wat kun je doen als je het moeilijk hebt? Ja, dit is absoluut mijn passie.” (lacht)

4. Is het leven voor u een cadeau?

“Ja. Ik leef ontzettend graag. Het leven kan ontzettend mooi zijn, in het samenzijn met je naasten, in het maken van contact met anderen, in je verbonden voelen met muziek, kunst of natuur.

“Ik vind het leven een cadeau. Absoluut. Inclusief al zijn harde en lelijke kanten. Ik zal dan ook nooit aan mijn patiënten zeggen dat ik hen zal leren positief te denken, of dat ik hen zal kunnen leren om gelukkig te zijn. Dat is niet de realiteit. De realiteit is dat er heel lelijke dingen op ons pad kunnen komen. In de vorm van ziekte, dood, verlies, conflict.”

Gwendolyn Portzky. Beeld Stefaan Temmerman

5. Wat is uw zwakte?

“Ik kan me moeilijk kwetsbaar opstellen. Als ik het heb over ‘de Vlaming’, heb ik het ook over mezelf. Als ik met iets zit, moeten mijn twee beste vriendinnen of mijn man het letterlijk uit mij trekken. Ik heb mezelf echt moeten forceren om dit interview te geven. Ik vraag heelder dagen aan mensen om open te zijn en om zich kwetsbaar op te stellen, en zelf doe ik het niet. Komaan, practice what you preach, denk ik dan. Ik laat echt niet makkelijk in mijn ziel kijken. Maar ik weet wel hoeveel deugd het kan doen en hoe belangrijk het is. Beroeps­halve zit ik natuurlijk altijd in de rol van luisterend oor. Soms vragen patiënten mij: ‘En hoe gaat het met u?’ Dan denk ik: aargh, neen, het moet over ú gaan.” (lacht)

6. Welke kleine, alledaagse gebeurtenis kan u blij maken?

“Als ik ’s avonds de garage binnenrijd en mijn dochtertje komt naar mij gelopen en roept ‘mama, mama, mama’, omdat ze zo blij is om mij te zien. Dat is puur geluk voor mij.

“En telkens als ik mijn kinderen in bed stop, vraag ik hen wat ze leuk en wat ze niet zo leuk vonden die dag. Zulke kleine momentjes vind ik heel fijn.”

7. Waar hebt u spijt van?

“Hm. Ja. Dat ik soms niet genoeg tijd doorbreng met mijn kinderen, met mijn gezin. Sinds ik mama ben, is dat een voortdurend innerlijk conflict. Ik merk dat die momenten samen met hen zo waardevol zijn, en tegelijkertijd heb ik er soms zo weinig tijd voor. Ik vrees dat ik daar op het einde van mijn leven weleens spijt van zou kunnen hebben. Mijn kinderen zijn nu 8 en 11. Ik zou de tijd willen vasthouden, maar hij glipt door je vingers. Ik denk dat veel mama’s dat gevecht leveren. Mijn vader heeft ook een stuk van mijn kindertijd gemist. Aan het einde van zijn leven heb ik hem daarmee zien worstelen. Hij was in tranen toen hij zei dat het hem zo speet dat hij er niet vaker geweest was voor ons. Vandaar mijn angst. Ik hoop dat ik geen spijt zal moeten hebben.”

8. Wat is uw grootste angst?

“Goh, nu moet ik het weer over mijn kinderen hebben. (lacht) Dat er iets met hen zou gebeuren. Ik denk dat ik nooit meer gelukkig zou kunnen zijn. En ook dat het met hen niet goed zou gaan. Ik ben bang om te overlijden op een moment dat ze nog klein zijn. Een ouder verliezen op jonge leeftijd heeft een grote impact op je verdere leven. Ik hoop dat ze dat niet hoeven mee te maken.”

9. Wanneer hebt u het laatst gehuild?

“Ik ben iemand die weinig huilt. Ik voel eerder boosheid dan verdriet. Dus ik heb moeten nadenken, maar een maand of twee geleden zag ik in Brugge een bewerking van het Requiem van Mozart, met grafzerken op het podium en filmbeelden van een vrouw die euthanasie pleegde, met de camera op haar gezicht gefocust. Ik ben toen onmiddellijk terug­gekatapulteerd in de tijd. Ik zat weer aan het sterfbed van mijn vader. Al die emoties kwamen weer naar boven. Ik wist even geen blijf met mijn verdriet. Het was daar ook zo stil in die concert­ruimte, je hoorde er elk kuchje. Dat snikken en naar adem happen was zeer heftig voor mij. Ik herbeleefde weer die laatste uren naast mijn vader, de vreselijkste die ik ooit al heb meegemaakt.”

10. Hoe is/was de band met uw ouders?

“Mijn vader is zes jaar geleden gestorven. Ik had een heel goede band met hem. Hij is zeer belangrijk geweest in mijn leven en ik keek enorm naar hem op. Hij was heel erg belezen en tot nog toe is hij de enige geweest met wie ik de liefde voor klassieke muziek en kunst kon delen. We konden heel goed babbelen met elkaar. Nu hij er niet meer is, mis ik die gesprekken. Hij was een beetje mijn gids. Hij kon me ook enorm het gevoel geven dat hij trots op mij was.

“Met mijn moeder heb ik een heel andere, maar ook een goede band. Mijn ouders waren twee uitersten. Mijn moeder is zeer gesloten en zorgzaam, mijn vader was exuberant, stond graag in de belangstelling. Maar ik vind het mooi hoe je met twee verschillende mensen toch iets moois kunt opbouwen.”

11. Wanneer bent u ooit door het lint gegaan?

“Velen zien dat misschien niet in mij, maar ik kan me nogal snel opjagen. In het verkeer bijvoorbeeld. Maar ik heb wel geleerd om de controle te bewaren.

“En waar ik het heel moeilijk mee heb, is als iemand mijn man of kinderen onheus behandelt. Ik heb het nog nooit meegemaakt, maar mocht de persoon in kwestie op het moment zelf voor mijn neus staan, ik zou uitbarsten, denk ik.”

Gwendolyn Portzky: “Ik zal nooit aan patiënten zeggen dat ik hen zal leren positief te denken of dat ik hen zal kunnen leren om gelukkig te zijn. Dat is niet de realiteit.” Beeld Stefaan Temmerman

12. Welk kunstwerk heeft een blijvende indruk nagelaten?

“Het Requiem van Mozart. Mijn papa heeft mij de film Amadeus leren kennen toen ik een jaar of 14 was en toen hij gestorven is, hebben we er een stuk uit getoond op zijn begrafenis. Ik vind het Requiem een van de mooiste muziek­stukken die ooit gecomponeerd zijn. Iedere keer als ik het live hoor, wellen de tranen op.”

13. Hebt u ooit een religieuze ervaring gehad?

“Neen, absoluut niet.”

14. Hoe kijkt u naar uw lichaam?

“Ja, goh. Dat kan wisselen. Het hangt ervan af hoe ik mij mentaal voel. Als ik me moe voel of ik maak me zorgen, heeft dat wel een invloed op hoe ik eruitzie. Of op hoe ik denk dat ik eruitzie. Wat ik dan ook doe met mijn haar of schmink, het lukt niet. Maar over het algemeen voel ik me wel goed in mijn vel.

“Ik sport twee dagen in de week. Op dinsdag is het bbb (billen, buik en benen, red.) op woensdag zumba. Ik heb dat nodig, dat maakt mijn hoofd leeg.”

15. Wat vindt u erotisch?

“Een subtiele aanraking kan zeer erotisch zijn, vind ik.

“Of ik veel aandacht krijg van mannen? Euhm. Ik heb dat lang niet doorgehad. Anderen moesten mij erop wijzen. Nu zie ik al sneller in dat sommige bedoelingen niet zo onschuldig zijn. Soms krijg ik weleens via LinkedIn een vrijpostig bericht. Tja. Of mannelijke patiënten maken weleens een opmerking, in de trant van: ‘Ik wou dat er van u een kloon bestond.’ En dan bespreek ik dat, zo kun je dat gevoel snel doorprikken.”

16. Wat is uw goorste fantasie?

“Voor mij gaan die twee niet samen. Een fantasie is voor mij iets moois of iets erotiserends, maar nooit goor.

“Vroeger was ik een dromer, maar ik heb daar precies geen tijd meer voor. Misschien komt dat ook voor een stuk door mijn wetenschappelijke vorming: alleen de feiten tellen. Dat fantaseren ben ik een beetje kwijtgeraakt.”

17. Welk dier zou u willen zijn?

“Ik voel het meest connectie met een kat. Een kat is enorm onafhankelijk maar komt op tijd en stond affectie vragen. Daar herken ik mezelf wel in.”

18. Hoe definieert u liefde?

“Ik kan dat heel moeilijk in woorden uitdrukken omdat liefde pure emotie is. Er is in de eerste plaats de liefde voor mijn kinderen en mijn man. Er is niets wat mij zo’n veilig gevoel kan geven als met mijn hoofd op de borstkas van mijn man liggen. Daarnaast is er ook de liefde voor mijn ouders, mijn broer, mijn beste vriendinnen. De liefde voor mijn patiënten. Voor mijn medewerkers. Liefde kan zoveel vormen aannemen, maar, en dit klinkt nu heel cliché en klef, het is absoluut het mooiste wat een mens kan ervaren.

“Mocht een van mijn patiënten dan toch suïcide plegen, zou ik dat aanvoelen als een persoonlijk falen? Ik heb het nog nooit meegemaakt, maar ik vrees van wel, al weet ik dat er uiteindelijk maar één iemand verantwoordelijk is voor zichzelf. Je kunt iemands denken en voelen niet constant beïnvloeden. Als therapeut probeer je je patiënten een andere uitgang te tonen dan de enige uitweg die zij zien, namelijk suïcide. Maar mocht het mij, als een van de weinige suïcide-experten in België, niet lukken, dan zou mij dat heel hard raken en verdrietig maken, ja.”

19. Bent u een goede vriend?

“Ja en nee. (lacht) Nee, omdat ik mezelf absoluut geen attente vriendin vind. Ik hou niet van berichtjes sturen bijvoorbeeld, ik heb liever echt persoonlijk contact. Maar ik mis ook verjaardagen. Gelukkig nemen mijn vrienden mij dat niet kwalijk. Ze kennen mij intussen. (lacht) Maar ik denk wel vaak aan hen. Het duurt lang voor ik iemand dichtbij laat komen, maar eenmaal iemand in mijn hart zit, is dat voor altijd. Ik ben ongelooflijk loyaal. Loyauteit vind ik heel belangrijk.”

20. Hoe zou u willen sterven?

“Het liefst in mijn slaap. Want afscheid nemen... Neen. Ik heb gezien bij mijn vader hoe moeilijk dat verlopen is.

“Wat ik zou kiezen als laatste avondmaal? Alleszins een goed glas wijn. Rood. En ik ben een enorme fan van oesters, al gaat rode wijn daar niet mee samen. (lacht) Oesters met champagne dus. En daarna een glas rode wijn.”

21. Wat is voor u de hel op aarde?

“Mijn gezin verliezen, zoals die man vorig jaar bij die enorme overstromingen op Sicilië. En mijn vrijheid en onafhankelijkheid kwijtraken.”

22. Hebt u zichzelf ooit betrapt op racistische gevoelens?

“Tussen mijn 15de en 18de heb ik een aantal nare ervaringen gehad met allochtone jongens, waardoor ik me heel lang onveilig gevoeld heb op straat. Het begon met handtastelijkheden, maar op een dag duwden ze mij in een steegje. Toen vreesde ik echt dat ze veel verder zouden gaan. Gelukkig zijn ze door twee voorbij­gangers gestopt. Daardoor heb ik een tijdlang een negatieve kijk gehad op migranten­jongens. Was dat racistisch? In zekere zin wel, omdat mijn oordeel gekoppeld was aan hun huidskleur. Met ouder worden heb ik dat beeld kunnen bijstellen. Intussen besef ik dat je overal foute individuen hebt.”

23. Wat betekent geld voor u?

“Geld is belangrijk, maar is voor mij geen drijfveer. Soms vragen mensen mij waarom ik geen eigen praktijk begin, ik zou veel meer verdienen. Oké, maar dat is voor mij niet het belangrijkste. Misschien komt het er ooit wel van, maar dan wel om onafhankelijk en in vrijheid te kunnen doen wat ik graag doe.”

24. Wat is uw vreselijkste vakantie­herinnering?

“Die heb ik niet. Ik ga zo graag even weg. Een lang weekend is al goed, ik merk meteen het verschil in het kopke.”

25. Wie zou u hier uw gedacht willen zeggen?

“Mensen die zich denigrerend gedragen naar mensen toe die het psychisch moeilijk hebben. Uitspraken als ‘een depressie, dat is aandacht­trekkerij’ of ‘die zelfmoord­poging, dat was niet ernstig, dat was alleen maar om zich aan te stellen’, kunnen mij erg kwaad maken. Als ik zoiets hoor, zal ik altijd reageren. Dan zeg ik: ‘Ik hoop dat het u nooit zal overkomen, want dan zult u wel anders spreken.’

“Ik kan me ook vreselijk ergeren als ik verneem wat mijn patiënten allemaal te horen krijgen van hun omgeving. Dat ze zwak zijn, of lastig. Op die manier is een behandeling soms twee stappen vooruit en drie achteruit. Ik kan mensen hier manieren aanleren om anders tegen de dingen aan te kijken, waardoor een en ander emotioneel wat minder diep bij hen binnenkomt, maar daarna staan ze weer open en bloot in de buitenwereld, die vaak keihard is. Dat is soms zo frustrerend. Door de inter­actie met anderen kan het soms zo fout lopen. Sommige reacties kunnen mensen weer helemaal terug­sleuren naar af. Daar wil ik wel graag even op wijzen.”

Wie met vragen zit over zelfdoding, kan terecht bij de Zelfmoordlijn op het gratis nummer 1813 en op www.zelfmoord1813.be.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234