Woensdag 23/10/2019

Interview

Miet Smet: "Ik ben ook op andere mannen verliefd geweest"

Minister van Staat Miet Smet. Beeld Stefaan Temmerman

De Franse schrijver Marcel Proust beantwoordde ze ooit in een vriendenboekje, nu geeft De Morgen er een eigenzinnige draai aan. Dertig directe vragen, evenzoveel openhartige antwoorden. Vandaag: minister van Staat Miet Smet (74). Wie is zij in het diepst van haar gedachten?

1. Hoe oud voelt u zich?

“Ik word 75 dit jaar en ik voel me tussen de 70 en de 75. Ik heb mij nooit met mijn leeftijd beziggehouden. Tot ik 70 werd, dat vond ik toch een respectabel getal. Wilfried (Martens, voormalig premier en haar echtgenoot sinds 2008. Hij overleed in 2013, red.) is 77 geworden. Dat is niet zoveel ouder dan ik. Ik zou nog graag tien jaar leven, maar ik wil geen 100 worden. Zelfs geen 95.

“Ik heb al een kunst­knie en zal waarschijnlijk mijn schouders moeten laten opereren. Allemaal niet erg hoor. Gewoon ­mechanische mankementen die je op een zeker moment moet laten herstellen. Vroeg of laat laat de motoriek van je lichaam het afweten. Mijn knie was helemaal kapot, en dat komt, denk ik, omdat ik altijd zeer gedreven met de wagen gereden heb. (
lacht) Plankgas. (hilariteit) Ik moest altijd op tijd zijn, hè.

“Ik begin ook namen te vergeten. Ik ben nu al de hele tijd aan het denken aan de naam van de prinses die ik vanochtend ontmoet heb. De zus van Albert. (denkt na) Allez, ze woont in Londen. Nee, niet Delphine. Jullie moeten haar toch kennen, jullie zijn ­journalisten! Of ja, neen, was het de zus van Leopold? Zeg! (slaat met de hand op tafel) Dus ja, ik begin namen te vergeten. (lacht)

“Het plezierige als je in gezelschap bent van iemand van je ­leeftijd is dat die ook namen vergeet. Dan zeg je: het begint met een a. En dan zegt die: ja, ja... En zo komen we langzaamaan tot het woord.” (lacht)

2. Wat vindt u een belangrijke eigenschap van uzelf?

“Eigenlijk zou je dat aan anderen moeten vragen, maar ik denk dat ik een doorzetter ben. En dat ik ook risico’s durf te nemen. Ik ben voor vijf domeinen verantwoordelijk geweest in de ­regering: vrouwen, vluchtelingen, leefmilieu, OCMW’s en arbeid. Dat zijn nu vijf ministers, tussen haakjes.

“Voor de vrouwen heb ik veel gerealiseerd, wat niet zo ­gemakkelijk was. Want ik botste – ten eerste in mijn partij en in de andere partijen en ten tweede ook bij sommige vrouwen­groepen – op een stuk tegenstand en je moet die tegenstand overwinnen. In mijn partij (
CVP/CD&V, red.) had ik het grote geluk dat Wilfried en Jean-Luc (Dehaene, red.) mij steunden, maar dat was pas na verloop van tijd hè, want zij gingen zich ook niet 100 procent verbranden aan die zaken.

“Je moet ook goed beseffen waar we vandaan komen. Mijn vader was senator, hij had een thuisblijvende vrouw en vijf kinderen. Mijn moeder was hele dagen in de weer. Wassen deed ze nog met de hand, stel je voor! Huishoud­apparaten bestonden niet. Sindsdien is er enorm veel ten goede veranderd. Het werk dat traditioneel door de vrouwen werd gedaan, is compleet ingekrompen. Ze hebben ook minder kinderen. Vrouwen ­kunnen nu gaan werken. Vroeger zaten ze in het onderwijs en moesten ze ontslag nemen toen ze trouwden. Dat is allemaal voorbij. Ook al blijft de combinatie van arbeid en gezin voor vrouwen moeilijk. Ook al zijn de uitvoerende functies in de ­politiek voor een groot stuk nog altijd in handen van mannen. Burgemeesters. Deputés van provincies. Ministers. Het gros zijn nog altijd mannen, dus daar ligt nog een stuk dat we moeten veroveren.”

3. Wat is uw passie?

“Politiek. Politiek. Ik heb mij al dikwijls afgevraagd: zou ik nu iets anders hebben kunnen doen? Ik ben een geboren politieker. De biotoop van de politiek ligt mij. Het organiseren van de samenleving, daarover nadenken, dat is wat ik het liefst doe. Ik volg de politiek nog altijd, maar het is mijn biotoop niet meer. Ik heb er veel zien sterven, hoor. Wilfried, Jean-Luc, Frank Swaelen, Jos Chabert, Leo Tindemans. Mijn biotoop is daardoor voor een stuk weggevallen. En dat mis ik. Ik mis mijn biotoop. Ik mis ook mijn partner. Ik mis Wilfried om met hem over politiek te praten. Met wie moet ik nu over politiek praten? (lacht) Ik mis een sparring­partner. Als je minister bent, heb je een heel kabinet. Je rijdt ’s ochtends om zeven uur weg en je komt om half­negen weer thuis en de hele dag door doe je aan politiek. Nu rest er mij alleen nog ‘praten’ over politiek. Dus ik mis dat politieke leven. Dag in, dag uit, dag en nacht soms. Maar nu zou ik dat niet meer kunnen. Ik ben 75 hè.”

4. Waarvoor wilt u vechten?

“Voor het feminisme wil ik zeker vechten. Voor de vrouwen wil ik vechten. Euhm. Nu ook voor de ouderen. De groep ouderen groeit alsmaar, mijn kiespubliek wordt groter. (lacht) Niet waar hoor, ik kom niet meer op. Maar ik vind wel dat men in de politiek te weinig voor de ouderen doet. Ik denk dan bijvoorbeeld aan treinen toegankelijker maken voor ouderen. De opstap­tredes zouden hetzelfde niveau moeten hebben als het perron, zoals in Zwitserland. Er zijn ook veel te weinig openbare toiletten. Als oudere mensen op een bus staan te wachten, moeten ze naar het toilet kunnen gaan. Dat zijn ogenschijnlijk banale zaken, maar er is op dat vlak nog veel werk aan de winkel.”

5. Wat vindt u uw grootste prestatie?

“Misschien toch wel de arbeids­wereld afstemmen op de vrouwen­emancipatie. Want het is niet omdat vrouwen hun intrede deden, dat de arbeids­wereld daar klaar voor was. Het ouderschaps­verlof. Het palliatief verlof. Mijn campagne tegen seksueel ongewenst gedrag op het werk onder de titel: ‘sexcollega, ex-collega’ (startte in 1986, red.), de voorloper van #MeToo dus. (lacht) Ik heb toen alle bedrijven verplicht om een vertrouwens­persoon aan te duiden. Gelijk loon voor gelijk werk. Vroeger werden vrouwen­functies altijd minder betaald dan mannen­functies en dat berustte op functie­classificatie. Ik heb die parameters laten veranderen, wat niet makkelijk was, want ook de vakbonden waren lang een mannenbastion.”

6. Wat wilde u worden als kind?

“Ik zou graag archeologe geworden zijn. Maar mijn vader (Albert Smet, van 1958 tot 1971 CVP-senator, red.) zei altijd: ‘Allez Miet, in die puttekes zitten graven’. (lacht) Ik had graag geschiedenis gestudeerd. Uiteindelijk heb ik sociale school gedaan. Omdat mijn vader dat wilde. Dat was vrij simpel in die tijd. Wie binnen het ACW (nu Bewe­ging.net, red.) een hoge functie bekleedde, had sociale school gedaan. Dat was het summum. Toen ik mijn diploma behaalde, kwam mijn vader mij bedanken en gaf hij mij een cadeautje.

“Ik krijg soms de vraag of mijn vader mijn mentor geweest is. (
haalt de schouders op) Dat weet ik niet. Bij ons thuis werd er dagelijks over politiek gepraat. Ik kende al heel veel ministers voor ik ooit in de ­politiek zat. Als kind had ik al betogingen meegemaakt. Mijn pa ging niet graag alleen, dus nam hij zijn oudste dochter mee. Ik ben gewoon met de politiek opgegroeid. Maar toen ik uiteindelijk in 1978 in het parlement kwam, was hij al dood. Mijn moeder zei me ooit: ‘Ik had nooit verwacht dat ik de vrouw van een senator én de moeder van een minister zou worden’. Da’s toch mooi hé? Ik vind dat heel mooi. Mijn moeder was vooral zelf een politieker. Achter de ­schermen dan. Ze vond het fan-tás-tisch dat we aan politiek deden.”

Miet Smet: "Al die onnozelheid op tv. 'Boer zkt vrouw', 'Temptation Island'... Hoe kun je nu in godsnaam nog naar tv ­kijken?" Beeld Stefaan Temmerman

7. Wat was voor u een moment van groot geluk?

“Mijn grootste geluk is altijd Wilfried geweest. Wilfried. Altijd. Mijn huwelijk met hem. Ik hield veel van Wilfried. Hij was mijn grote liefde.”

8. Welke kleine, alledaagse gebeurtenis kan u blij maken?

“Werken in mijn tuin in Apt in de Vaucluse, waar ik een tweede verblijf heb. En de geur van ­lindebomen opsnuiven, dat vind ik fantastisch.”

9. Wat is uw zwakte?

(denkt na) “Ik ben zeer vergevings­gezind, maar dat kan ook een zwakte zijn. Je kunt makkelijk gekwetst worden. Ik denk dat ik de mensen te graag zie.” (lacht)

10. Wat is het decadentste wat u ooit hebt meegemaakt?

“Decadent in de zin van inhumaan vind ik vrouwen­besnijdenis. Gisteren was trouwens de International Day of Zero Tolerance for Female Genital Mutilation.

“Nu moet ik toch eerst iets vertellen over jullie krant. Ik had in de jaren 90 een seminarie gegeven over vrouwen­besnijdenis. En pagina één van jullie krant kopte: ‘Smet wil besnijdenis afschaffen’, waarop de VRT naar mijn partij­voorzitter Marc Van Peel belde voor een reactie. ‘Allemaal goed en wel, maar dat is niet het partij­standpunt’, antwoordde hij. Ze hebben mij toen totaal afgekraakt. Jullie krant was wel in de titel vergeten te vermelden dat het over vrouwen­besnijdenis ging, hè. Ik heb me toen de woede van alle Joden op de hals gehaald. Die wet is er toen natuurlijk niet gekomen. Gelukkig later wel (in 2000, wet tegen vrouwelijke genitale verminking, red.). Kijk, dat is jullie krant. (lacht) Amai, toen was ik kwaad.”

11. Waar hebt u spijt van?

“Dat ik geen partij­voorzitter geworden ben. (lacht) Dat was ik nog graag geworden. Maar in die tijd. En als feministe... (kijkt bedenkelijk) Nu apprecieert men wat ik gerealiseerd heb, maar toen ik minister was, lagen de zaken heel wat moeilijker.”

12. Wat is uw grootste angst?

“Sterven. Sterven. In de zin van dat het niet ineens zou zijn. Ik zou liefst plots sterven. Ik heb dat met Wilfried meegemaakt. Op het eind kon hij niets meer. De dood blijft voor veel mensen toch een groot vraagteken en dat is voor mij ook zo. Ik ben niet echt religieus. Als je sterft, ben je er niet meer. Je kunt er heel veel over filosoferen, maar uiteindelijk ben je weg. De wereld zal blijven bestaan, terwijl ik weg ben. Dat is toch niet zo ­gemakkelijk om te aanvaarden. Dat je hier tijdelijk bent, vind ik moeilijk te vatten. Ik weet niet of ik er bang voor ben, maar ik heb het er moeilijk mee. Dat je er geen zeggenschap over hebt. Over je leven heb je ook niet veel zeggenschap, maar over je dood al helemaal niet.”

13. Wanneer hebt u voor het laatst gehuild?

“Ik huil af en toe weleens. Sinds een maand heb ik Netflix. Ik ben nog niet verslaafd, maar dat komt nog. (lacht) Ik was naar iets aan het kijken en dacht: mocht Wilfried hier nu nog maar geweest zijn. En dan heb ik een paar tranen gelaten. Op Netflix zie je soms interessante programma’s, je kunt tenminste kiezen. Al die onnozelheid op de televisie, zeg. Boer zkt vrouw, Temptation Island... Hoe kun je nu in godsnaam nog naar tv ­kijken?”

14. Wat kan u plots uit uw humeur halen?

“Dommigheid.”

15. Wanneer bent u ooit door het lint gegaan?

“Door het lint gaan is te sterk uitgedrukt, maar ik word ziek van nationalisme. Letterlijk. Ik ben vóór Europa, vóór België, vóór Vlaanderen, maar tégen nationalisme. Nationalisme gaat mijn verstand te boven.”

16. Welke kunstvorm beroert u het meest?

“Beeldhouwkunst. Rodin. De beelden die hij heeft gemaakt van zijn geliefde, Camille Claudel. Telkens als ik naar Parijs ga, bezoek ik het Musée Rodin met zijn beeldentuin. Dat vind ik echt prachtig.”

17. Hebt u ooit een religieuze ervaring gehad?

“Nog nooit. Neen. Geen.

“Ik ging naar de mis zoals iedereen, maar minder dan Wilfried. Wilfried ging niet ter communie omdat hij gescheiden was. Zolang hij niet katholiek hertrouwd was, wilde hij niet. Op het einde van zijn leven zijn Wilfried en ik dan kerkelijk getrouwd. Dat kerkelijke huwelijk was vooral omdat Wilfried het wilde. Ik was er niet tegen hè, maar ik ben eigenlijk een beetje zoals mijn moeder. Ik vroeg haar eens: ‘Mama, hoe wil je begraven worden?’ Dat is verschrikkelijk hè, dat je dat moet vragen. ‘Wil je gecremeerd worden of gewoon in een graf in een kist?’ Ze antwoordde: ‘Alsof ik het nog zal beseffen’. Wel, zo ben ik ook een beetje: vrij realistisch.”

18. Hoe voelt u zich in uw lichaam?

“Weet je, bij ons thuis werd er nooit aandacht geschonken aan het lichaam. Mijn moeder zei nooit tegen haar kinderen dat we mooi waren. Ze maakte wel kleren voor ons. Ze vond het heel belangrijk dat we er goed uitzagen. Maar over het lichaam an sich werd niet gesproken. Over seksualiteit werd niet gesproken. Ik kom uit een tijd dat dit allemaal taboe was. Taboe. Dus als je mij nu vraagt: wat vind je goed aan je lichaam? Ik heb het nooit geleerd.”

19. Wat vindt u erotisch?

“Bij mezelf? Als ik écht moet kiezen: mijn haar. Als jonge vrouw had ik heel lang haar. Dat is natuurlijk niet echt erotisch, hè. (lacht) Toch wel? Wel, mijn haar dan, en mijn borsten. (lacht)

“En in het algemeen, goh, da’s te zien. Bij sommige mensen is dat het gezicht, de ogen. Wilfried had een kleine neus en kleine oren en ik vond dat mooi. Dus dat verschilt van mens tot mens.

“Ik zoek naar het innerlijke. Waarom hield ik van Wilfried? Voor zijn ziel. Omdat ik hem bezig zag en omdat hij zich totaal engageerde. Hij is heel mijn leven mijn grootste zielsverwant geweest. Dat wil niet zeggen dat ik nooit op andere mannen verliefd ben geweest. Maar Wilfried was mijn grote liefde. Ik heb hem echt bewonderd voor wat hij gedaan heeft. Ik weet niet of hij mij bewonderde. Het voorlaatste jaar voor hij stierf zei hij plots tegen mij: ‘Gij kunt goed spreken’. En ik antwoordde verbaasd: ‘Mo Wilfried, toch, heb je er zo lang over gedaan om mij dát te zeggen?’” (
hilariteit)

Miet Smet: "Soms zou ik eens een moord willen plegen. Op mensen met nazi­sympathieën. Op nationalisten. Maar ik zou dat natuurlijk nooit doen." Beeld Stefaan Temmerman

20. Wat is uw goorste fantasie?

“Soms zou ik eens een moord willen plegen. Op mensen met nazi­sympathieën. Op nationalisten. (draait een imaginaire kip de nek om) Krrrrrk. (hilariteit) Maar ik zou dat natuurlijk nooit doen.”

21. Welk dier zou u willen zijn?

“Wel, luister, miljoenen jaren hebben ze erover gedaan om van een aap een mens te maken, ik wil niet terug. (lacht) Ik ga niet terug hè!”

22. Hoe was de relatie met uw ouders?

“Liefdevol.”

23. Hoe definieert u liefde?

“In de ziel kunnen kijken van iemand. Bewondering hebben voor iemand. Respect hebben voor iemand. Dat is voor mij liefde. Meer kan ik er niet over zeggen.”

24. Hoe wilt u bemind worden?

“Op dezelfde manier.”

25. Hoe zou u willen sterven?

“Plots.”

26. Welk maatschappelijk probleem raakt u?

“Goh, jongens. Onrecht. Maar wie raakt dat niet? Populisme, nationalisme. Ik denk dat alle mensen daardoor geraakt worden. De vraag is: doe je er iets tegen? Nu ik ben aan het laatste stuk van mijn leven bezig, dus het is aan jullie om iets te doen.”

27. Hebt u zichzelf ooit betrapt op racistische gevoelens?

“Ah, weet je waar ik tegen ben? Tegen de hoofddoek. Ik durf dat niet aan mijn partij te zeggen, maar ik ben tegen de hoofddoek. In alle godsdiensten heeft de vrouw een onderdanige positie. Dat heeft ze te danken aan de man. De hoofddoek is daar een restant van en dat moet veranderen.”

28. Wat betekent geld voor u?

“Dat ik op reis kan gaan. Dat ik voorlopig kan betalen wat ik wil. Ik ben hieronder eens uit die smalle parking gereden: een schreef aan de zijkant van mijn auto! Drieduizend euro!

“Of ik veel geld spendeer aan kleding? Minder dan vroeger. Ik denk altijd: ik heb genoeg kleren totdat ik sterf. (hilariteit) Nee, ik ben geen geldzak. Nooit geweest. Thuis waren wij dat ook niet.”

29. Wat zoekt u op reis?

“Ik hou van de Romeinen en de Grieken. Ik ben dol op ­monumenten. Ik reis graag naar Italië, Griekenland, Tunesië. De Romeinen waren eigenlijk onvoorstelbaar hè. Die hebben heel dat Middellandse Zee­gebied geciviliseerd. Ongelooflijk.

“Ieder jaar ga ik met Simon, de jongste zoon van Wilfried, vier dagen op reis. Hij is nu 17. Vorig jaar wilde hij naar Rome, omdat we daar samen met zijn papa waren geweest, en hij wilde daar nog eens naartoe. Het is een heel lieve jongen en hij heeft iets wat sommigen missen, namelijk emotionele intelligentie. We hebben een heel goede band, ik vind het echt heel tof dat hij met mij op reis wil. Onze volgende trip wordt Praag.”

30. Hoe werkt u mee aan een betere wereld?

“Ik heb niets anders gedaan. Het enige wat ik wilde, is een betere wereld creëren. Ook voor de vluchtelingen, toen al. Het Klein Kasteeltje, bijvoorbeeld, is van mij (Miet Smet, toen staats­secretaris, vormde het Klein Kasteeltje in 1986 om tot eerste asielcentrum van ons land, red.). Allez, is er nog een vraag?”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234