Zaterdag 20/07/2019

Interview

"Met liefde alleen redden veel adoptiekinderen het niet"

Nicole Vliegen, hoofddocent klinische psychologie KU Leuven.. Beeld Franky Verdickt

De onthullingen over adoptiezwendel vanuit Sri Lanka raakten onlangs een gevoelige snaar. Nicole Vliegen schreef een boek over hulpverlening aan kinderen met een complex trauma en pleit voor een nog betere begeleiding van adoptieouders.

Het Nederlandse tv-programma Zembla onthulde onlangs een grootschalige adoptiefraude in Sri Lanka. Oog­getuigen vertelden dat kindjes levend het ziekenhuis werden uitgedragen, terwijl vlak daarvoor tegen de moeder was gezegd dat hun kind kort na de geboorte was overleden. Die kinderen werden dan ter adoptie aangeboden. Andere pasgeborenen werden bij hun moeders weggeroofd of voor een habbekrats gekocht en door valse afstandsmoeders of acting mothers afgestaan voor adoptie. Een voormalige acting mother zei dat ze voor haar diensten 2.000 roepie (10 euro) kreeg. En de Sri Lankaanse minister van Volksgezondheid gaf voor de camera voor het eerst het bestaan toe van baby farms, plaatsen waar baby’s voor adoptie ‘gekweekt’ werden.

Van de duizenden baby’s die in de jaren 80 vanuit Sri Lanka naar Nederland werden geadopteerd, waren in 70 procent van de gevallen de papieren vervalst. Suleika Van der Jeugdt, in 1986 door Vlaamse ouders vanuit Sri Lanka geadopteerd, kan erover meepraten. Toen ze tien jaar geleden voor het eerst terugreisde naar haar geboorteplaats, viel ze van de ene verrassing in de andere, vertelde ze vorige week in deze krant (DM 27/9, ‘Wanneer adoptie zwendel wordt’). Haar officiële geboorteakte stond vol fouten, haar adoptie was geregeld door een fixer die er grof geld aan verdiend had en al vlug bleek haar geboortemoeder niet haar echte moeder te zijn.

Die echte moeder vond Suleika uiteindelijk toch. Behalve wat kleren en schoenen had zij geen cent ­verdiend aan het onder dwang afstaan van haar dochter. Interlandelijke adoptie was diep in de jaren 80 in Vlaanderen de ­speeltuin van advocaten, idealisten, sjoemelaars en al dan niet goed menende hobbyisten. Dat blijkt ook uit de reeks ‘Adoptie zonder grenzen’, die eerder in september in Humo liep.

“Interlandelijke adoptie is ingewikkelde materie”, zegt professor Nicole Vliegen, hoofddocent klinische psychologie aan de KU Leuven. “Hoe een kind opgroeit, hangt in grote mate af van hoe een kind in het land van herkomst verzorgd werd en hoe het hier opgevangen werd. Het moet zeker schrikken zijn als je ontdekt dat je adoptie indertijd niet al te koosjer verlopen is. De ­eerste levensperiode is ontzettend belangrijk. Hoe slechter je ervaringen in die eerste fase, hoe groter het risico dat je later minder weerbaar zal zijn.”

Samen met haar collega Patrick Luyten leidt Nicole Vliegen de Leuvense AdoptieStudie (LAS), de tien jaar geleden opgestarte eerste langlopende studie naar de ­ontwikkeling van adoptiekinderen in Vlaanderen. In het universitaire praktijkcentrum PraxisP in het hart van Leuven behandelt ze samen met twaalf gespecialiseerde therapeuten kinderen die worstelen met onder andere ontwikkelings- of gedragsproblemen. “Wij werken veel met adoptie- en pleegkinderen”, zegt ze. “In de loop der jaren hebben we de reputatie opgebouwd dat we met die jongens en meisjes iets kunnen bereiken.”

In oktober publiceert ze samen met Eileen Tang en Patrick Meurs het boek Van kwetsuur naar litteken, hulpverlening aan kinderen met een complex trauma. Op 20 en 21 oktober vindt rond hetzelfde thema in Leuven een congres plaats.

De eerste levensperiode is zeer belangrijk, zegt u. Suleika Van der Jeugdt was dertien dagen oud op het moment van haar adoptie. Heel veel kan er in die korte periode toch niet misgelopen zijn?

Nicole Vliegen: “Geadopteerd ­worden op de leeftijd van dertien dagen, is een behoorlijk goede omstandigheid. Wat niet wil zeggen dat dat helemaal niets is. Adoptie is er ooit gekomen om kinderen die in moeilijke omstandigheden geboren zijn, toch een goed nest te bezorgen. Het moet hard aankomen om als ­volwassene te ontdekken dat er fraude rond je adoptie hing.”

In de jaren 80 werd er heel wat gefraudeerd bij interlandelijke adoptie, en niet alleen in Sri Lanka.

“Het internationale Adoptieverdrag van Den Haag dat kinderen en hun families tegen de risico’s van illegale adopties naar het buitenland beschermt, dateert van 1993. Dat verdrag vormt een breekpunt met het tijdperk van de minder goed geregelde adopties dat eraan ­voorafging.

Beeld Franky Verdickt

“In de jaren 80 verliepen adopties snel; na het Haags Adoptieverdrag moeten adoptie­ouders vaak lang wachten omdat er eerst een gedegen onderzoek gevoerd wordt. Dat wachten duurt zelfs zo lang dat sommigen zich luidop afvragen waarom kinderen in nood niet ­sneller gered mogen worden. Maar het Haags verdrag is er net gekomen om kwaadaardige praktijken als kinderhandel en adoptiezwendel de wereld uit te ­helpen. Landen die het verdrag ondertekend hebben, ­moeten eerst onderzoeken of er in het land van herkomst een oplossing voor het kind voorhanden is.

"Er moet ook nagegaan worden of de adoptie niet plaatsvindt tegen de wil van de ­biologische ouders in. In de jaren 80 werd wellicht niet altijd gezien dat er vaak druk uitgeoefend werd op moeders. ‘Je kind zal in het Westen een veel betere toekomst hebben dan hier.’

“Het Haags Adoptieverdrag is een zeer goede zaak en beschermt ook adoptieouders. Want nu kunnen ze een kind in nood een veilige plek geven, zonder ongewild en ­onbewust mee te werken aan een vorm van mensenhandel.”

De kinderen die hier bij u over de vloer komen, worstelen met hun adoptie?

“De overgrote meerderheid ­waarmee wij werken, worstelt daar inderdaad mee. Sommige adoptiekinderen brachten hun eerste levensmaanden in slechte omstandigheden door, waardoor ze van bij de start ernstig getraumatiseerd raakten. Soms heeft een kind echt honger gekend, of kreeg het te ­weinig aandacht. Of bleken ­kinderen bij aankomst veel ouder te zijn dan eerst werd aangenomen. Zij ­beseften heel goed wat er aan het gebeuren was op het moment dat ze voor adoptie werden afgestaan, maar hun entourage had dat niet in de gaten.

“Een adoptiekind heeft veel meer onaangename ervaringen in zijn mandje liggen dan een biologisch kind. Natuurlijk kan een biologisch kind óók anders starten aan zijn ontwikkeling – door bijvoorbeeld een genetische aandoening of zuurstoftekort bij de geboorte – maar het risico is kleiner. Elke ouder die een kind krijgt, verwacht dat het gezond zal zijn. Als dat niet zo is, doorprikt dat je verwachtingspatroon. Je ­verwacht ook dat je biologische kind iets van jezelf zal hebben, liefst een paar van je goede eigenschappen. (lacht) Bij adoptie is dat helemaal niet zo.”

Je weet niet waar je kind vandaan komt, of wat er gebeurd is bij de geboorte?

“Je hebt geen genetische informatie. Misschien was een van de ouders mentaal beperkt of had de moeder een alcoholprobleem waardoor haar baby moest afkicken na de geboorte. Die dingen bepalen mee de ontwikkeling van een kind.

“Wij krijgen de meest gekwetste kinderen in onze praktijk, waardoor mijn beeld zeker gekleurd is. Natuurlijk hebben niet alle kinderen problemen. Er is ook een groot ­verschil met vroeger: adoptie- en pleeg­ouders zijn nu goed voorbereid, waardoor ze zich meer bewust zijn van mogelijke ontwikkelings­problemen.”

Misschien meer dan biologische ouders?

“Misschien wel, ja. Het Haags Adoptie­verdrag zorgde bij ons ook voor verstrengde wetgeving rond adoptie. De vereisten waaraan ­adoptieouders moeten voldoen, ­liggen nu vrij hoog. Ouders worden op voorhand geëvalueerd en goed voorbereid.

“Vroeger waren potentiële adoptieouders er zich niet van bewust dat hun kind misschien wel een rugzak vol moeilijke bagage met zich meedroeg; ze verwachtten dat het in de eerste plaats behoefte had aan een warme plek om te wonen. Er was veel minder kennis over wat er al in het rugzakje van adoptiekinderen zat. Vandaag weten ouders dat wel. Ze zijn alerter en zullen ook sneller op consultatie komen als ze signalen opvangen dat de ontwikkeling anders verloopt.

“Een van de moeilijkste aspecten van onze hulpverlening is dat alle kinderen hun adoptie op een ­verschillende manier ervaren. Er zijn geen wetmatigheden. We ­kunnen gedrag uit het heden wel begrijpen vanuit vroegere ervaringen, maar we kunnen nooit voorspellen hoe het actuele gedrag verder zal evolueren. We helpen ouders het gedrag van hun kind te interpreteren: welke signalen wijzen op een gezonde ontwikkeling? Hoe zien we dat er iets fout loopt? Wat is er nodig om een verstoorde ontwikkeling weer op het juiste spoor te krijgen?”

Adoptie- en pleegouders worden gescreend en voorbereid; ­biologische ouders niet.

“Een Duitse collega zei ooit: ‘Als je een hond wilt, moet je naar de ­hondenschool. Als je een baby wilt, vraagt niemand je of je weet hoe je met dat kind moet omgaan.’ Adoptie- en pleegouders zijn inderdaad beter voorbereid op dat nieuwe kind in huis. Pleegouders worden nadien verder begeleid en gecoacht, ­adoptieouders niet. Zodra het ­adoptiekind er is, volgt er wel nog een nazorggesprek, maar daarna valt de omkadering weg.”

Zou het kunnen dat mensen met een kinderwens vaak niet goed inschatten wat hen te wachten staat?

“Zeker. Niet iedereen denkt daar even hard over na. Of er een soort van cursus zou moeten komen voor toekomstige ouders? Misschien is het belangrijker dat er plekken bestaan waar ouders terechtkunnen, zoals het Huis van het Kind.

“Ouders durven nu wel sneller dan vroeger aan te geven dat de opvoeding van hun kind niet van een leien dakje loopt. Maar er is nog werk aan de winkel. Te veel mensen blijven er jammer genoeg van overtuigd dat problemen met hun kinderen binnenshuis gehouden moeten worden.”

Waaruit bestaat de screening van adoptie­ouders?

“Ze worden onder andere gescreend op hun reflectief vermogen: of ze in staat zijn om te kunnen blijven nadenken over de redenen waarom een kind bepaald gedrag stelt. Waarom doet mijn kind zoiets? Wat is het achterliggende motief? Hoe kunnen we ons kind helpen zodat het dat soort van gedrag los kan laten en nieuw gedrag zal durven uitproberen? Dat is totaal anders dan de klassieke actie-reactie – ‘Je misdraagt je en daarom straf ik je’ – want zo beland je in een systeem van straffen en belonen en dat is bij de meeste kwetsbare adoptiekinderen niet altijd even verstandig.

Beeld Franky Verdickt

“Onderzoek heeft aangetoond dat kinderen met een traumarugzakje minder gevoelig zijn voor straffen en belonen. Een woedeuitbarsting bij een adoptiekind kan een uiting zijn van angst: ‘Als iemand achter mijn rug zijn handen op mijn schouders legt, interpreteer ik dat als gevaar en sla ik erop’. Het is dan veel zinvoller om met dat kind op zoek te gaan naar wat er precies gebeurd is. Hoe kunnen we die uitbarsting begrijpen? Hoe zorgen we ervoor dat je de volgende keer niet meer begint te slaan, maar anders ­reageert? Van adoptieouders wordt dus eigenlijk zeer veel gevraagd.”

Bij een gezin met adoptiekinderen uit mijn omgeving zag ik dat die ouders op een bepaald moment stevige verwijten van een van hun kinderen moesten incasseren.

“Wanneer kinderen in hun leven ooit op traumatische wijze gekwetst werden, zoeken ze een kapstok voor hun kwetsuren. Vaak krijgen dan de mensen die bij hen blijven de volle laag. Degenen die hen diep gekwetst hebben, zijn er niet meer. Het kan dus een goed teken zijn als je kind zijn boosheid op je richt, maar ­makkelijk is dat niet. Het wijst er wel op dat je kind zich veilig genoeg voelt om te tonen hoe boos het is, al maken dat soort van woedeuitbarstingen het gezinsleven soms ­complex en zwaar.

“Het is niet leuk om als ouder te moeten horen: ‘Je zorgt niet goed voor mij’, of als er ook nog een ­biologisch kind is: ‘Je houdt meer van hem dan van mij.’ Adoptiekinderen gaan soms tegen de leerkracht op school vertellen: ‘Ik krijg van mijn ouders geen woordenboek.’ Of ze zeggen als ze op schoolreis zijn tegen de juf of de meester: ‘Ik heb nog nooit een speeltuin gezien.’

“Op het eerstvolgende oudercontact krijgen ouders dan te horen: ‘Jullie kind krijgt dit niet en mag dat niet.’ Waarna die ouders verbaasd reageren: ‘Maar hij mag dat wél.’ Op zulke momenten is het goed dat je weet dat je kind in ­werkelijkheid op zoek is naar ­kapstokken voor ervaringen uit het verleden.

“Tijdens de therapie hoorde ik een kind zeggen: ‘Ik krijg thuis geen kleren.’ Waarop ik zei: ‘Maar wat je nu toevallig vandaag aanhebt, is heel mooi.’ ‘O ja, dat heb ik wel nog gekregen.’ (lacht) We moeten die kinderen vaak heel erg helpen om na te denken over ervaringen uit hun geschiedenis die voortdurend als dia’s voor alle andere beelden schuiven, waardoor ze concluderen: ‘Ze zien die andere liever.’ Die gedachten zitten geworteld in een gevoel dat ze ooit tekortgedaan zijn.”

Dat gevoel van tekortgedaan zijn, dateert uit hun babytijd?

“Ja. Kinderen die op dit moment voor adoptie afgestaan worden, zijn doorgaans veel ouder dan de dertien dagen van Suleika. Tweeënhalf jaar geldt nu zelfs al als behoorlijk jong. Soms zijn kinderen vier jaar of ouder. Hun ervaringen van ‘tekort’ kunnen immens zijn. Elk tekort is een ‘teveel’ voor hun stresssysteem.

“Vroeger leefde de overtuiging dat die tekorten tenietgedaan konden worden door die kinderen veel liefde te schenken. Maar zo werkt het niet. Een van onze kinderen hier kon jaren niet gaan slapen als er geen eten op zijn nachtkastje lag. ‘Als ik wakker word, moet er eten klaarstaan, anders sla ik in paniek.’ Hij kon ook nergens heen zonder dat er een appel in zijn zak zat.

“Soms vertellen ouders me over hun adoptiekind: ‘In het begin schrokte hij zijn eigen bord leeg en begon daarna onder tafel de ­kruimels van de vloer te rapen’. Sommige kinderen dragen dat gevoel van tekort fundamenteel in hun lijf en hun systeem mee en dat kan zeer lang hun gedrag bepalen.”

Hoe los je zoiets op?

“We helpen kinderen dat bij zichzelf te herkennen. Het gaat meestal niet weg. De titel van ons boek, Van kwetsuur naar litteken, is niet toevallig gekozen. De kwetsuren uit het verleden blijven littekens, gevoeligheden voor de rest van hun leven. Als je geleerd hebt om op tijd bij jezelf te voelen wanneer die oude kwetsuren weer de kop dreigen op te steken, zal het je beter lukken om te vermijden dat je in je gedrag weer helemaal door het lint gaat. Dan lukt het misschien ook beter om niet opnieuw je omgeving in je ontregeling mee te sleuren.

“Een jongen zei me: ‘Ik stop met school. Er is niets goeds aan.’ Toen ik vroeg wat voor vakken hij kreeg, antwoordde hij: ‘O, maar dat ene vak vind ik tof en dat andere ook.’ Hij was nieuw op die school en in zijn klas zat een jongen uit hetzelfde land van herkomst. In de refter had die jongen hem meteen een high five gegeven. Ik zei al lachend: ‘Goh, dat klinkt inderdaad als een heel slechte school. Nieuwe vrienden, toffe ­vakken…’ Op dat moment drong tot hem door: ‘Ai, daar ga ik weer.’ Het feit dat hij dat moment herkende, is hoopvol. Want zodra je als kind daar vat op krijgt, kun je je eigen gedrag bij­sturen.”

Helpen medicijnen?

“Bij deze kinderen zijn soms genees­middelen zoals antidepressiva, antipsychotica of angstremmers nodig. Als pillen helpen vermijden dat je binnenwereld geregeld zo overspoeld wordt dat het lijkt alsof je gek wordt, zijn ze verantwoord. Ook als ze helpen vermijden dat je door je ontregelde gedrag vijf keer na elkaar van school gestuurd wordt. Afgezien daarvan vind ik wel dat kinderen in het algemeen te snel medicijnen slikken.”

Van biologische ouders wordt gezegd dat ze van bij de geboorte van hun kind onvoorwaardelijke liefde voelen. Ervaren adoptie­ouders hetzelfde als ze hun kind gaan ophalen?

“Heel vaak wel. Er zijn best wel wat gezinnen waar vanuit die grote onvoorwaardelijke liefde zeer lang heel moeilijke dingen gedragen ­worden. Soms gaat dat over zaken waarvan ik denk: in een gewoon gezin was dat kind allang opgenomen. Veel ouders geven niet op.

“Als er al biologische kinderen zijn en er wordt een kind geadopteerd omdat er nog plaats in het gezin is, kan het jammer genoeg knap lastig worden. Want als het dan misgaat, krijgen ouders soms het gevoel: ‘We kunnen amper nog goede ouders zijn voor onze biologische kinderen.’ Dat knaagt dan aan die onvoorwaardelijke liefde.”

Nicole Vliegen: "Het zou helpen als adoptieouders hun hele ­ouderlijke carrière lang begeleid zouden worden. Een adoptiekind opvoeden is anders." Beeld Franky Verdickt

Zou het adoptieouders helpen als ze net als pleegouders hun ­ouderlijke carrière lang begeleid worden?

“Dat denk ik wel. Een adoptiekind opvoeden is anders. Geadopteerd worden zorgt altijd voor een breuk in je levensverhaal, zelfs als je op je dertiende levensdag door je adoptieouders afgehaald wordt en in een zorgzaam gezin terechtkomt.”

Suleika Van der Jeugdt trok op rootsreis, op zoek naar haar ­biologische moeder. Ze kwam bij een vrouw terecht die na een dag niet haar biologische moeder bleek te zijn. Zulke ervaringen moeten toch zeer ingrijpend zijn?

“Zonder twijfel. Wie vanuit het ­buitenland geadopteerd is, weet nooit waar hij tijdens een rootsreis op zal stoten. Het is sowieso al ­moeilijk om onder ogen te zien dat je biologische ouders je hebben afgestaan. Al kan dat wel voor een deel gecorrigeerd worden als je in een gezin ­terechtgekomen bent waar ze je net heel graag wensten.

“Ik vraag me af waarom de ­biologische moeder zo snel uit beeld verdween. Misschien om te vermijden dat ze van adoptie zou afzien? Bij binnenlandse adoptie krijgen biologische ouders twee maanden bedenktijd. Een kind gaat dan eerst naar een pleeg- of adoptiegezin. De adoptieouders zijn er zich dan wel van bewust dat de kans bestaat dat ze het kind terug zullen moeten geven als de ­biologische ouders zich bedenken. Dat is heel hard, maar het geeft afstandsouders wel de kans om niet meteen na de bevalling een ­onomkeerbare beslissing te moeten nemen.”

We zien kinderen doorgaans als weerloze, onschuldige wezens. Zou het toch niet kunnen dat er af en toe ook gewoon echte ettertjes tussen zitten?

(lacht) “Ze wórden soms ettertjes, want soms is de omgeving ­manipuleren de enige manier om voor zichzelf veiligheid te creëren. Kinderen hebben dan geleerd: ‘Als ik het zo aanpak, krijg ik mijn zin. Als ik braaf blijf zitten, heb ik niets.’

"Alle kinderen worden geboren met een bepaald temperament. Degenen met een heftig temperament lopen iets meer risico om in slechte omstandigheden uit te groeien tot moeilijke kinderen.”

De brave kindertjes lopen dan weer misschien het risico dat ze in hun kindertijd alles lijdzaam ondergaan en daar op latere ­leeftijd mentaal een prijs voor betalen.

“Dat klopt. De kinderen met een moeilijke achtergrond die het minst aandacht vragen, daar maak ik me zeker evenveel zorgen om. Een kind van wie de ouders zeggen: ‘Hij is zo gemakkelijk.’ Kinderen die vallen en opstaan en verder wandelen zonder te huilen. Zij hebben geleerd om geen troost of hulp meer te vragen. Ze hebben elk contact met zichzelf ­verloren, weten niet meer wat ze interessant vinden en zijn daardoor soms extra vatbaar voor depressie.

“Als je niet als baby of peuter geleerd hebt om te tonen wat je nodig hebt, zul je in de lagere school bijvoorbeeld niet zo makkelijk gepassioneerd raken door hobby’s. Ze beginnen aan hun puberteit ­zonder te weten wat ze willen en raken afgesloten van hun eigen gevoelswereld. Die kinderen zullen niet zo snel vanwege wangedrag van school worden gestuurd, omdat ze onder de radar blijven.”

Nicole Vliegen, Eileen Tang, Patrick Meurs, Van kwetsuur naar litteken, hulpverlening aan kinderen met een complex trauma, Pelckmans Pro, 200 p., 29,99 euro. Verkrijgbaar vanaf 18 oktober.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden