Donderdag 19/09/2019

Reizen

Met de tent in de kano beleef je de Biesbosch op zijn best

Beeld Tim F Van Menschbrugghe

De Biesbosch, bij Dordrecht, verken je het best in een kano. Neem ook een tent mee, want in één dag ontdek je maar een heel klein stukje van Europa’s grootste zoetwatergetijdengebied. Een zomers reisverslag, speciaal voor wie nu al zonnige vakantieplannen maakt.

"Kunnen jullie een beetje voortmaken, jongens? Er moeten hier straks boten aanmeren!”, roept de kanoverhuurder ­vanuit het deurgat van zijn houten kot in de haven Vissershang. Kennelijk hoor je allerlei formaliteiten te passeren om de haven te mogen gebruiken. Maar wij moeten nu eenmaal op het water geraken en dan trekken twee Belgen hun plan. We zijn geen anderhalf uur van Gent naar de Biesbosch gereden om regeltjes te volgen, enkel om eraan te ontsnappen.

Medepeddelaar Wouter en ik gooien onze bagage in de boten, springen aan boord en stuiven ervandoor. De Biesbosch ligt aan onze ­peddels. Iedere slag in het water stuwt ons verder naar het hart van het meest spectaculaire natuurpark van Nederland, een netwerk van rivieren en kreken, van zandbanken en eilandjes, een groene vlek die op de kaart groter is dan de stad Antwerpen.

J-slag voor dummy’s

De legende wil dat de Bies­bosch in één nacht ontstaan is, tijdens de Sint-Elisabeths­vloed van 19 november 1421. De golven verzwolgen toen dertig dorpen, 100.000 mensen verdronken. Historici beweren dat het allemaal zó ­dramatisch niet was en dat de Bies­bosch vele decennia nodig had om in zijn plooien te vallen, maar laat historici rustig bij hun dikke boeken zitten wanneer je gaat ­peddelen in de natuur.

We waren hier vorig jaar ook, toen peddelden we in een driezitter van 40 kilogram die ik tweedehands van het internet had geplukt. Nu heeft die oude boot het gezelschap van een nieuwe Old Town Discovery 119 van amper 22 kg. Elk apart in een kano: onze J-slag kan maar beter deugen, of de wind blaast ons in het riet. Het principe achter de J-slag is dat je aan één kant van je kano blijft peddelen en toch rechtdoor vaart. In één beweging gebruik je de peddel als voortstuwing en als roer. Een kajak besturen vergt minder techniek dankzij de dubbele peddel, maar een kajak kun je niet vol reisgerief stouwen. Evenmin kun je je fototoestel binnen handbereik houden, want dan glibbert die meteen het sop in. Daarom: leve de kano! (Als we ermee vooruit geraken.)

Beeld Tim F Van Menschbrugghe

Nog maar net ben ik de haven uit gepeddeld of de Biesbosch overweldigt mij alweer met haar weidsheid. We dobberen op een knooppunt van vaargeulen, uit alle richtingen lijken motorsloepen, zeilboten en vracht­schepen te komen. Nergens in Vlaanderen vind je iets dat te vergelijken valt met de Biesbosch. Ach, enkele riviertjes kronkelen gezapig door ons landschap en één stroom durft heel breed te worden, maar een doolhof van sloten en geulen waar je zonder kaart hopeloos verdwaalt? Afwezig.

Karekiet

Op mijn smartphone ­consulteer ik de gps-app ViewRanger, waarin ik op voorhand enkele kanoroutes heb uitgestippeld. Ietwat onwennig steken we het grote water over. De route stuurt ons naar een inham die afgesloten lijkt. Witte vogels waden in het ondiepe water: lepelaars. Beesten die ik enkel ken uit natuurdocumentaires. Op een dode wilg zit een aalscholver het zijne te denken van de steltlopers. We passeren de vogels en varen de Palingsloot in, een gracht met hoog riet aan weers­zijden – je kunt de oever niet eens zien.

Ons doel is paalkampeerplaats de Bevert, waar kanovaarders hun tent kunnen opslaan. Dat klinkt als een bestemming, maar nú al ben ik waar ik moet zijn. Het gevoel dat je kunt peddelen waar je belieft, die plaats wil je in je hoofd bereiken. Totale vrijheid. En ondertussen om de vijf minuten een ijsvogel zien opvliegen.

We varen de Palingsloot uit en komen terecht in het Steurgat. Aan de overkant van die geul kunnen we aan land op een ministrand. Wouter haalt zonder verpinken een gasvuurtje en een waterkannetje boven. “Thee?”, vraagt hij. Ook een zwerm bijtvliegen komt opdagen, de beesten zetten hun kaken in ons vel. Wouter kan zich net voldoende beheersen om niet met zijn kannetje kokend water te beginnen te zwaaien. Gelukkig jaagt de wind de insecten naar andere oorden.

Na haast vier uur peddelen bereiken we de aanlegsteiger van de Bevert, een grasplekje aan het water omgeven door dicht bos. Volgens ViewRanger lag onze gemiddelde snelheid op 2 kilometer per uur. Een wandelaar met een looprek had ons voorbijgestoken, maar met een looprek ben je niets in de moerassen van de Biesbosch.

We sleuren onze kano’s op het droge en zetten onze ­tenten op, netjes binnen een straal van 5 meter van de houten paal die er is neergepoot. Geen gedoe met een loket: hier mag je vrij kamperen. In de laatste zonnestralen koken we ons avondmaal: twee blikken cassoulet met bakrijst. Mijn lijf snakt naar de proteïnen en de koolhydraten, meer verfijning dan worst met bonen hoef ik niet.

Ter ontspanning gaan we na het eten nog wat varen in de schemering, misschien laten er zich enkele bevers zien. Wouter houdt zijn vogelgids in de aanslag. Voor hem is de gedachte ondraaglijk dat hij een vogel spot en er geen naam op kan kleven. Vertel hem niet dat je een karekiet hebt gezien. “De karekiet bestaat niet. Het is de grote of de kleine karekiet. Als je niet weet welke het was, dan heb je gewoon een vogel gezien”, doceert hij.

Orval bij avondlicht

Een luidruchtig beestje trekt zijn aandacht. Wouter haalt zijn verrekijker boven, bladert door zijn vogelboek, tuurt weer door zijn verre­kijker en besluit: “Een watersnip!” (Ik kan me niet herinneren of het een grote of kleine, bonte of grauwe watersnip was.)

Wanneer we aan de Reugt, een van de grotere geulen, arriveren, staat de zon nog net boven de horizon. We peddelen naar de overkant van het water en ik vis twee Orvals uit mijn frigobox – smakelijker wordt een zonsondergang niet. Het voelt alsof we in een documentaire van National Geographic zitten. Akkoord, er zwemmen hier geen leeuwen rond, maar ik ben al heel tevreden met de fuut die de laatste gloed van de zon opvangt.

Beeld Tim F Van Menschbrugghe

Bij het terugkeren probeer ik met de jachtslag, waarbij je de peddel niet uit het water haalt, zo geruisloos mogelijk door het water te glijden, maar bevers laten zich niet zien. ’s Nachts zal ik wel een beest rond mijn tent horen snuffelen en ik maak mezelf wijs dat dat een bever was, maar het was te fris om mijn hoofd naar buiten te steken.

Ochtendnevel

Om kwart voor zeven ’s ochtends sluit ik mijn nachtrust af. Boven het water drijft een dikke laag mist. Ik moet nú het water op, besef ik. Vanuit Wouters tent weerklinkt een kreun. Een zucht. Een scheet. Nog een zucht. Ja, ook Wouter is wakker. We gooien onze kano’s in het water en ik begin aan de mooiste dauwtrip van mijn leven. Peddelen door de ochtendnevel is alsof je door een zomers sneeuwlandschap zweeft. De wind ligt nog te pitten, ik voel de warmte van het water op mijn hand stralen. Er klinkt een zwaar gezoem, iets logs dat door de lucht klieft: boven de boomtoppen verschijnt een koppel zwanen, hun veren zijn vloeibaar goud in de ochtendzon.

Beeld Tim F Van Menschbrugghe

Tijdens ons ontbijt krijgen we het gezelschap van groene kikkers, die tussen het gras happen naar vliegjes en ander ongedierte. Of neen: wij mensen hebben ons geïnstalleerd op hun ontbijttafel. Uit beleefdheid pakken we snel ons boeltje in en scheren we ons weg.

Het traject dat we gisteren aflegden, was redelijk rechtdoor. Vandaag gaan we voor kronkelingen, voor stukken wildernis die je enkel met een kano mag verkennen. Mijn gps-app stuurt ons in een sloot waar waterplanten alle ruimte tussen bodem en wateroppervlak hebben ingepalmd, het riet laat nauwelijks genoeg plaats voor een kano. Bijtgrage beestjes springen van alle kanten op mijn vel. Ah, de geneugten van de woeste natuur.

Een dik kwartier later zijn we nauwelijks 200 meter ­verder geraakt en de begroeiing wordt enkel dichter. “Tim, gelooft gij nu nog altijd dat we op de juiste route zitten?!”, blaast Wouter. Ik check mijn smartphone en knik: “Mijn app zegt van wel.” Ik neem er voor alle zekerheid ook de papieren kaart bij, waarop de namen staan van de geulen, polders en moerassen in de Bies­bosch. “We zijn net aan het Doolhof gepasseerd. We ­zitten nu nabij de Dood”, deel ik mee.

We arriveren op een soort vijver, volledig omsloten door riet en wilgentakken. Aan één kant is er een oplopende weide waar een stier van zijn oren staat te maken. View­Ranger raadt mij aan om rechtdoor te varen, in de muur van riet. Oké dan, deze kanovaarder legt zijn lot in de handen van de moderne ­technologie. De rietstengels belagen me langs alle kanten, maar ik zet door en kom terecht in een kreek waar waterplanten nog niet elk beetje water hebben ingepalmd. Vijftig meter verder kunnen we onze peddels weer gewoon in het water duwen zoals het hoort. Aan Wouter vertel ik niet dat het pittoreske omwegje volstrekt onnodig was. Wat ik een avontuur vind, noemt hij een mensonterend gebrek aan comfort.

Het wordt stilaan heet, we kruisen steeds meer gehuurde motorsloepen. Zonde dat mensen zich daaraan laten vangen: zo bekijk je de natuur zonder er deel van uit te maken. Met een kano voel je het water tenminste, zie je de vissen langs je boot schieten. In zo’n motorsloep zie je ­telkens hetzelfde tafereel: vader aan het roer, strak voor zich uitkijkend, moeder die waakt over de kinderen, en kinderen die zich liggen te vervelen. Of klagen dat hun schoen in het water gevallen is, tot grote ergernis van papa.

We passeren een kudde Highland-runderen. Twee exemplaren zoeken verkoeling in het water. De roodbruine beesten met hun forse hoorns zijn niet eens geneigd om snel weg te vluchten als je ze nadert.

Volgens de kaart is er vlakbij een uitkijktoren. Wanneer we er aanleggen, zijn we de enige bezoekers. Van op de toren zie je de afgegraven polders die werden teruggegeven aan het water. Blauwe reigers, zilverreigers en allerlei soorten ganzen vragen er onze aandacht. Plots spot ik met mijn telelens een roof­vogel met een iets te forse vleugelslag om een buizerd te zijn. “Wouter? Wat is dát?”

Wouter tuurt door zijn verrekijker en waagt een gok. “Een bruine kiekendief of... Het is de visarend, denk ik”, zegt hij.

Mammeloezen

De vogel laat zich opeens naar beneden vallen, plons in het water. Met mijn telelens slaag ik erin een foto van het beest te nemen. Het plaatje komt overeen met de tekening in Wouters vogelgids. De witte buik, de donkere streep door zijn ogen, zijn geknikte vleugels: geen twijfel mogelijk, we hebben de visarend te pakken. Nederland mag een pannenkoek zijn, ze hebben verdorie indrukwekkend fauna rondfladderen.

Mijn voldoening is volkomen wanneer ik weer in mijn kano kruip. Niets kan de dag nog beter maken – al moet ik toegeven dat de twee dames die hun mammeloezen onbeschroomd laten bruinen in hun sloep de dag ook niet slechter maken.

Een troep jonge ijsvogels. In de Biesbosch komen de prentjes uit je vogelboek in volle pracht tot leven. Beeld Tim F Van Menschbrugghe

We moeten nog een mean­derende kreek door en dan zijn we weer bij ons vertrekpunt. Tijdens de laatste paar honderd meter verlang ik niets anders meer dan een fris pintje. Tot opeens een blauw-oranje glans mijn aandacht trekt. Ik knipper met al mijn ogen. Op enkele meters van mij zitten vier ijsvogeltjes in een dorre struik, jongen die wellicht pas uitgevlogen zijn. Terwijl ik nader, laten ze zich uitgebreid fotograferen. Pas als mama of papa zich komt moeien, vliegen de ­dieren op.

Wanneer ik vijf minuten later aanmeer in Vissers­hang, komt de kanoverhuurder weer roepen: “Haast jullie! Jullie hebben geluk dat de havenmeester jullie niet heeft gezien!” Sorry, beste man, maar iemand die net vier ijs­vogels in één struik heeft mogen aanschouwen, laat zich niet opjagen, die zit met zijn gedachten nog op het weidse water van de Biesbosch.

Beeld Tim F Van Menschbrugghe

PRAKTISCH

Rijden Vanuit Antwerpen is de haven Vissershang net geen uur rijden. ­Andere haventjes zijn Drimmelen en Spieringsluis, maar vanuit Drimmelen moet je de Amer, een drukke waterloop, oversteken en vanuit Spiering­sluis is het een heel eind varen naar de interessante stukken van de ­Biesbosch. Net ten zuiden van de ­parking van Vissershang is er een aanlegsteiger voor kano’s.

Ontdekken De Biesbosch is gigantisch en er staan geen richtingwijzers. Download op voorhand een kaart op je smartphone of nog beter: gebruik een gps-app als ViewRanger om vaarroutes uit te stippelen. De papieren kaart van het Staatsbosbeheer (7,5 euro) is een aanrader: daarop staan alle aanlegsteigers, kampeerplaatsen en uitkijkpunten.

Varen Het grootste stuk van de Biesbosch kun je enkel per boot bereiken. Je kunt een motorsloep huren, maar daar is weinig avontuur aan. De kano is het meest geschikt om de Biesbosch te beleven. In de haventjes kun je kano’s huren – plastic bakken waar je een kolenschop als peddel bij krijgt. Een kajak vaart sneller, maar geeft minder comfort en laat minder ­bagage toe.

Overnachten Er is één camping in de Biesbosch: de Biesboschhoeve van Jan en Ellie Saarloos. Die is enkel per boot bereikbaar. Er is klein, maar proper sanitair. Bij Jan en Ellie kun je melk, vlees en ander lekkers van eigen kweek kopen – vlees moet je op voorhand bestellen. Voor het echte avontuur in de wilde natuur moet je naar de paalkampeerplaatsen, waar kanovaarders vrij mogen kamperen. Hun locatie vind je online of op de kaart van het Staatsbosbeheer.

Meer informatie vind je op np-debiesbosch.nlbeleefdebiesbosch.nl of biesboschcentrum.nl. Op ­staatsbosbeheer.nl/natuurgebieden/biesbosch/routes en np-debiesbosch.nl/te-doen/kanoeen/ vind je enkele kanoroutes.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234