Donderdag 12/12/2019

Interview

Marie-José Van Hee ontwierp de Antwerpse Modenatie en de Gentse Stadshal: ‘Architecten zijn sterke mensen, hoor’

Beeld Jef Jacobs

Haar werk wordt internationaal geprezen, en ook hier heeft de vakpers het over ‘la grande dame van de Belgische architectuur’. Toch doet de naam Marie-José Van Hee bij opvallend weinig niet-architecten een belletje rinkelen. Tijd om daar verandering in te brengen, zeker nu er, vlak voor haar zeventigste verjaardag, een lijvig overzichtsboek wordt uitgebracht.

Goed dan, toch even een snelcursus in het curriculum van Van Hee. Dat bestaat sinds de oprichting van haar eigen bureau in 1990 vooral uit woningen, zowel nieuwbouw als renovatie. Ze kreeg er internationale erkenning voor en stelde tentoon in binnen- en buitenland, onder meer drie keer tijdens de Architectuurbiënnale in Venetië. Dat u haar van deze privéopdrachten niet kent, is niet zo verwonderlijk. Maar misschien bezocht u ooit het Modemuseum in Antwerpen? Rond de eeuwwisseling was dat Van Hee’s eerste grote openbare project. Misschien sloot u de Stadshal op het Emile Braunplein in Gent – ‘de Schapenstal’, weet u nog – intussen ook in uw hart? En u flaneerde mogelijks weleens over de Leopold de Waelplaats, ’t Zuid in Antwerpen? Beide stadsprojecten ontwierp ze in samenwerking met Robbrecht en Daem, het bureau waarmee ze in Gent ook een fysiek kantoor deelt.

Ze verbaast er zichzelf over dat ze dit interview toezegde. Van Hee maakt deel uit van een van de vijf resterende ontwerpteams die in de running zijn voor het nieuwe M HKA in Antwerpen. De deadline hangt nogal zwaar in de lucht, ze wil er niets over kwijt. “Het is erg druk ja, en dan zeg ik dit nog toe…”, lacht ze. “Maar goed, kom binnen, tasje koffie?”

De Stadshal op het Gentse Emile Braunplein ontwierp Van Hee samen met Robbrecht en Daem. Beeld Tim Van de Velde

Marie-José Van Hee

geboren in Gent in 1950, waar ze nog steeds woont

studeerde in 1974 af aan Sint-Lucas in Gent. Gaf daar van 1991 tot 2015 ook les en was in 2016 gastdocent aan de prestigieuze architectuurschool ETH in Zürich

ontving in 1997 samen met Robbrecht en Daem de tweejaarlijkse Vlaamse Cultuurprijs voor Architectuur en werd in 2008 lid van de Koninklijke Academie voor Wetenschap en Kunst

bekendste openbare projecten zijn de Leopold de Waelplaats (2001) en de Modenatie in Antwerpen (2002), de markt en de Leie-oevers in Deinze (vanaf 2009) en de herinrichting van het Gentse stads­centrum, met de Stadshal als sluitstuk (2012), buiten de Modenatie alles in samenwerking met Robbrecht en Daem

stelde wereldwijd tentoon, onder meer tijdens de Architectuurbiënnale in Venetië in 1991, 2000 en 2018 lanceerde in 2017 haar eigen meubelcollectie bij Maniera

kreeg in datzelfde jaar het RIBA International Fellowship, een vooraanstaande Britse onderscheiding

brengt na een eerste overzichtswerk in 2002 straks een tweede monografie uit, Marie-José Van Hee Architecten. More Home, More Garden.

mjvanhee.be

Het huis in het Gentse Prinsenhof dat Van Hee in de jaren negentig voor zichzelf bouwde, is een schoolvoorbeeld van haar uitgepuurde, haast sacrale stijl. Studenten uit binnen- en buitenland komen er aankloppen voor een rondleiding. “Het is hier een beetje een bedevaartsoord”, lacht de architecte. “Als ik naar die interesse van de buitenwereld kijk, merk ik dat deze woning een erg belangrijke plaats in mijn oeuvre inneemt. Het is natuurlijk mijn meest persoonlijke werk. Ik heb er meer dan tien jaar over gedaan om het te voltooien, om alles wat te veel was eruit te halen en de pure essentie over te houden.”

Marie-José Van Hee heeft een sterke fascinatie voor abdijen en kloosterbouw, vooral het cisterciënzerklooster Le Thoronet, in Zuid-Frankrijk, is een inspiratie. “Dat is echt een referentie voor het denken over rust, intimiteit, stilte en akoestiek. Toen ik daar voor het eerst was, dacht ik: hoe komt het toch dat ik me hier zo goed voel? Daaruit heb ik zaken gepuurd voor mijn werk.” Ze is niet de enige; ook de Franse architect Le Corbusier gebruikte het klooster als voorbeeld voor zijn eigen abdij, La Tourette, vlak bij Lyon.

Rust en privacy

In de voorgevel van haar woning in Gent zitten de verticale ramen een stuk boven ooghoogte. Sta je in het steegje, dan keert het huis je haast de rug toe. Het stadsbestuur vond het maar niks, door die hoogzittende ramen kreeg Van Hee ei zo na geen bouwvergunning: ‘Te afstandelijk naar de omgeving toe.’ “Ik heb nog nooit iemand verboden om binnen te komen, maar waarom zou je per se ook eerst binnen moeten kijken?” De gevel geeft dan misschien weinig vrij, toch weet je meteen: dit is geen spektakelarchitectuur. Dit is niet het werk van een architecte die schreeuwt: heb je mij gezien?! Integendeel. Stap je er binnen, dan overvalt je een zeldzame stilte en sereniteit.

“Rust en privacy zijn erg belangrijk, al worden die steeds moeilijker om te bewaren. Bouwgronden worden kleiner, we gaan met steeds meer op, onder en naast elkaar wonen. Maar je wil toch niet altijd de stappen van je buur horen? De nood aan stilte wordt steeds groter en die creëer je niet enkel door de eliminatie van rumoer van buitenaf. Ook architectuur kan stilte genereren.”

Beeld Jef Jacobs

Op welke manier precies?

“Ritme geeft rust, net als bij muziek. De herhaling van de balken in het plafond, van de ramen in de voor- en achter­gevel. Goed licht is essentieel, zodat je niet achter jezelf ­aanloopt. En juiste proporties, elke ruimte heeft zijn verhouding. Daar bestaan allerlei theoretische snedes voor, maar je moet daar niet te veel naar kijken. Iedereen heeft een gevoel voor verhoudingen, of je nu architectuur studeert of niet.

“Alles begint met de vraag: hoe kan ik me hier thuis voelen? Hoe kan ik een zekere intimiteit creëren?”

Voor de meeste mensen betekent dat: zich omringen met persoonlijke zaken: foto’s, herinneringen. Velen zouden het hier wel erg leeg vinden.

“Ik woon nochtans niet als een asceet, hoor. Je wordt hier toch snel de warmte gewaar? Als je binnenkomt, krijg je ­meteen koffie, wijn, eten.

“Hier staan wel persoonlijke dingen, maar toch zo weinig mogelijk. Voor mij is dat allemaal ruis. Ook kasten worden ingebouwd. Zo verhoud ik me ook tot meubelen, voor veel mensen zijn dat dé elementen in de ruimte. Ik had een bed en een tafel nodig, dus heb ik die zelf ontworpen. (ze bracht ze in 2017 uit bij de Brusselse galerie Maniera, MVS) Ik zou daarvoor toch niet naar de winkel gaan? Een bed en een tafel, dat is structuur, die vormgeving is zeer architecturaal. Maar aan stoelen heb ik me nooit gewaagd, dat is zo ergonomisch.”

Beeld Jef Jacobs

Ik heb me laten vertellen dat hier nog maar een paar jaar een sofa staat.

“Klopt, ik had tot voor kort enkel een tafel en stoelen. Studenten die hier op bezoek kwamen, snapten dat niet: ‘En waar is uw salon?’ Hij staat er nu, maar ik zit er nooit in. De poes wel, en soms gasten. Dat is toch onhandig, in een zetel de krant of een boek lezen? Ik zit altijd op een stoel aan tafel, ik heb nooit veel meer gehad dan dat.

“Soms probeer ik middagdutjes in de sofa te doen, maar ook dat lukt echt niet. Eigenlijk kan ik dat alleen buiten. Dan leg ik een matrasje op de muur tussen de kolommen van de gaanderij en de binnentuin, en in de winter neem ik er een dekentje bij. Zalig, zo in de zon. Maar als het regent, zoals vandaag, kan ik geen dutje doen.” (lacht)

Toen ze stage liep, midden de jaren zeventig, woonde ze al op deze plek. Op de plaats van de huidige woning stonden vier arbeidershuisjes, waarvan Marie-José er eentje huurde. Een krot waar het vocht letterlijk langs de muren liep en ’s winters de oven aan moest zodat het in de keuken niet zou vriezen. Eén klein kacheltje moest de rest van het huis verwarmen. Het toilet was gezamenlijk, achteraan het perceel. “Je moest er door de regen naartoe, in het huis zelf was geen plaats voor een badkamer.”

Beeld Jef Jacobs

Dat arbeidershuisje begon ze toen al te verbouwen. Ze maakte een gat in het plafond, want dat was te laag, metselde extra muurtjes om de vochtige plekken te verstoppen, liet een driehoekig raam steken. Het koertje brak ze uit, in de plaats kwam een boom, die ze ergens op het platteland had uitgestoken. Hij groeide uit tot een monument, de gigantische boom bij dat kleine huisje. Toen ze zoveel jaren later de nieuwe woning begon te schetsen, moest ze eromheen. De boom moest blijven.

Nog voor het nieuwe huis af was, trok Van Hee er al in. Kamperen was ze gewoon. “Geef mij een tent en ik zet ze ergens, ik kan met weinig middelen mijn plan trekken. Mensen willen te vaak dat alles meteen af is. Het is helemaal niet erg om even te kamperen tijdens verbouwingen, maar je moet dat natuurlijk wel aankunnen.”

Hoe kwam u er eigenlijk bij om architectuur te studeren?

“Mijn vader was aannemer. Ik zat heel vaak bij hem in het atelier, op zondag hielp ik hem met de facturen. Hij had altijd gedroomd van een zoon om hem op te volgen, en poef, daar was een dochter. Dus heeft die dochter heel hard haar best gedaan om de vervangende zoon te zijn. (lacht) Enfin, uiteindelijk heeft mijn jongere broer de zaak overgenomen en was hij tevreden.

“Maar ja, hoe kwam ik erbij? Ik tekende graag en won daar op school wedstrijden mee. Op mijn dertiende kregen we de opdracht ons droomhuis te tekenen. Voor de meesten werd dat iets zeer traditioneels, muren met een dak erop, deurtje, raampje, gordijntje, bloempotje. Ik was gefascineerd door een paar vernieuwende bouwwerven op de steenweg onderweg naar het internaat in Eeklo. Huizen met vlinderdaken, gekleurde glasdallen, zwevende betonnen ­tredes, fijne, geplooide stalen handgrepen. Dankzij Expo ’58 was er toch wat modernisme in de architectuur geslopen. Dus tekende ik voor die opdracht exact zo’n huis, met vlinderdak en van die fijne handgrepen, zeer gedetailleerd. Ik won er een prijs mee.”

Werd uw talent op school aangemoedigd?

“In het atelier van de zuster die tekenles gaf, mocht ik op woensdagmiddag af en toe gaan steendrukken of lino’s maken. Dat was echt mijn passie. Je kon wel tekenles volgen, maar daar wilden mijn ouders niet voor bijbetalen. De internaatschool was al duur genoeg. Wiskunde was ook echt mijn ding, die lerares was een vrijgevochten vrouw die studenten die verder wilden studeren extra pushte. Uiteindelijk heeft zij me jaren later naar het ingangsexamen op Sint-Lucas gebracht.

“Dat ging erg goed. We moesten verschillende doorsnedes tekenen, kegels en kubussen. Als je zo’n snede maakt zonder je te kunnen visualiseren hoe het eruit moet zien, zit je zo maar wat lijnen te tekenen. Mijn grote voordeel was dat ik wist wat dat moest worden. Ik had toen al het ruimtelijk inzicht dat nog altijd in mijn werk zit. Ik kan iets perfect voor me zien en dan daarnaartoe tekenen.”

Beeld Jef Jacobs

Uw ouders waren minder enthousiast over uw studiekeuze.

“Mijn vader was iets opener, maar mijn moeder had een andere toekomst voor mij bedacht: ik zou lerares worden. Ideaal voor een vrouw, trouwen en veel tijd hebben voor de kindjes. Maar ja, ik beantwoordde niet echt aan dat profiel. Mijn ouders hebben de oorlog gekend, ze hebben nooit de kansen gekregen die wij wel hadden. Zij hielp mijn vader met zijn aannemersbedrijf, en zorgde intussen voor drie kinderen en haar eigen moeder, die bij ons inwoonde. Drie generaties samen, je kan je wel inbeelden dat er af en toe stof opwaaide. Zij vond dat we toch wel wat naar haar mochten luisteren, terwijl ik zoiets had van ‘vrijheid blijheid’. Ik doe mijn ding, nog altijd. Uiteindelijk ben ik toch les beginnen geven aan Sint-Lucas. Toen waren ze heel gelukkig, vooral mijn moeder.”

Het was destijds toch niet evident om als meisje voor architectuur te kiezen?

“Nee, bovendien had de directrice van de middelbare school mijn moeder gezegd dat ik die richting enkel koos omwille van de jongens, wat natuurlijk niet zo was. En dan nog, ik snap niet wat daar fout aan zou zijn. (lacht)

“Het was 1968, meisjes waren nog maar enkele jaren toegelaten aan Sint-Lucas. We waren met vier, op tachtig eerstejaarsstudenten. Er waren natuurlijk pestkoppen die het grandioos vonden om ons te ambeteren.”

Hoe kijkt u op die jaren terug?

“Fantastisch, hè. Er is niks zo mooi als de studententijd, ik denk dat veel studenten dat vergeten. Er is zo veel vrijheid. Enfin, we vóchten toen ook voor vrijheid – mei ’68, dat was niet echt een lieflijke tijd. Maar er was muziek, en eigenlijk zeer veel openheid. Heel anders dan het internaat.

“De eerste jaren zat ik niet op kot, maar uiteindelijk ben ik thuis vertrokken. Het ging niet meer, het clashte te hard. Dat is jezelf vrij vechten, maar het blijven natuurlijk jouw ouders. Je gaat je eigen weg en uiteindelijk kom je terug bijeen. We zijn een heel hechte familie. Een van mijn eerste huizen bouwde ik voor mijn ouders, maar mijn moeder wou niet verhuizen. Ze vond het te modern. Uiteindelijk is mijn broer er gaan wonen.”

Hebt u het gevoel dat u als vrouw in een mannenwereld harder hebt moeten knokken?

“Het was niet evident, nee, als vrouw ben je vaker een slachtoffer. Als het fout loopt, hoor je snel: ‘Zie je wel, het is weer een vrouw’. Je moet op je qui-vive zijn. De bouwwereld is sowieso niet altijd een gezellige wereld. Er zijn veel vrouwen die dubbel zo hard hebben moeten werken om geloofwaardig te zijn. De quota in de verschillende sectoren, van politiek tot het bedrijfswezen, hebben er wel voor gezorgd dat er meer bewustwording is. Maar dan nog is het niet eenvoudig. Vrouwen worden vaak in een functie gezet die nog geen geschiedenis heeft, en dan zijn ze de eersten die weer kapseizen.”

Wilt u een voorbeeld voor jonge meisjes zijn?

“Er zijn er veel die zeggen dat ik dat ben. En dat ik niet mag stoppen.” (lacht)

U gaf bijna vijfentwintig jaar les, tot een paar jaar geleden. Mist u het contact met jonge mensen niet?

“Er komen hier nog veel studenten over de vloer en ik heb nog steeds jonge mensen op het bureau. Na het Sint-Lucas was ik ook nog een jaar gastdocent op het ETH in Zürich (een gerenommeerde Zwitserse architectuurschool, waar onder meer Frank Gehry afstudeerde en doceerde, MVS).

“Het deed deugd om uit de cocon van het eigen bureau te komen. Je kan bij die studenten ook niet constant over je eigen werk staan praten, het pusht je dus om je in ander werk te verdiepen. Ik zei altijd dat ik nooit les wilde geven, ‘wat had ik nu te vertellen’? Tot ik hoorde dat ze op zoek waren naar architecten die in de praktijk stonden en ervan overtuigd waren dat de puur theoretische modellen niet het enige zaligmakende was. Ja, daar kon ik wel iets over vertellen.” (lacht)

De Modenatie in Antwerpen (Marie-José Van Hee, 2002) wordt momenteel gerenoveerd door B-architecten. De houten trap wordt gelukkig bewaard. Beeld Corbis via Getty Images

Pure theorie en regels zijn niet aan u besteed?

“Niet echt. Ik heb een erg groot verantwoordelijkheids­­gevoel en heb vaak het gevoel dat regeltjes een manier zijn om die verantwoordelijkheid te ontlopen. Een gemakkelijkheidsoplossing om je achter weg te stoppen. Er komen altijd maar voorschriften en regels bij, onder andere in het kader van duurzaamheid. Natuurlijk is dat nodig, maar het straatje wordt steeds nauwer. Ik vind het wel belangrijk dat de deur open blijft voor menselijkheid in de architectuur.”

Het lijkt me vrij bijzonder dat u zo’n bekendheid hebt verworven, maar toch voornamelijk woningen bent blijven ontwerpen.

“Wat denk je, dat is toch iets voor vrouwen? (lacht) In mijn beginjaren heb ik bij andere bureaus ook aan grote projecten gewerkt, de Concert Noble in Brussel bijvoorbeeld, en de Rijkswachtkazerne in Gent. Ook nu zijn we met grote projecten bezig. Maar woningen kunnen even complex zijn. Als architect moet je begrijpen hoe die mensen leven, hoe ze hun toekomst zien. Willen ze kinderen, dan moet je ervoor zorgen dat het huis kan meegroeien. Kleine kinderen slapen maar al te graag samen, maar eens ze ouder worden, willen ze toch meer privacy. Misschien komen de grootouders ooit wel op een of andere manier inwonen, ‘apart together’. Ik vind het wel boeiend die complexiteit in een project te verwerken.

“Als je voor anderen bouwt, probeer je je zo dicht mogelijk bij hen aan te sluiten. Maar je dringt niets op. Ik kom op die eerste gesprekken niet met een uitgepuurd plan, met vaste breedtes en dieptes van ruimtes. Zo’n eerste ontwerp is niet klaar, bij mij zit er altijd nog rek op. En het is belangrijk dat de opdrachtgevers zelf weten waar ze met het huis naartoe willen. Ik wil geen carte blanche.”

Beeld Jef Jacobs

Een Marie-José Van Hee-ontwerp begint bij potlood­schetsen op papier, uw befaamde ‘zwarte tekeningen’.

“Het levendige van die tekeningen laat nog veel aan de verbeelding over, zo kan een lijn evengoed een muur of een raam zijn. Maar het geeft de bouwheer of -vrouw een eerste idee van hoe ze er kunnen wonen. De verschillende manieren om door de woning te circuleren, hoe het licht zal binnenvallen.

“Ik vind dat eerste moment altijd plezierig, maar heb ook nog altijd een beetje trac. Je hoopt toch dat ze het zullen begrijpen. Soms sturen de mensen van mijn bureau me met een kleine maquette op pad. ‘Anders gaan ze het niet snappen’, zeggen ze dan.” (lacht)

De ‘zwarte tekeningen’ werden eerder al geëxposeerd op de Architectuurbiënnale in Venetië en krijgen nu ook een bijzondere plek in de nieuwe monografie, More Home, More Garden. Dat boek geeft een uitvoerig overzicht van haar oeuvre en focust bovendien op het belang van context en natuur in haar werk. Zo denkt ze, bij elke woning die ze bouwt, mee na over de groene omgeving. Waar het kan, plant ze een boom, specifiek voor dat huis uitgekozen. Net zoals ze toen bij haar kleine arbeidershuisje deed.

Elk ontwerp begint met een ‘zwarte tekening’, zoals hier voor de woning Van Aelten - Oosterlinck in Opwijk. Beeld RV

De monografie moest per se More Home heten, niet More House. “Mijn werk gaat over een thuis creëren, niet enkel in een privéwoning, maar ook in een publieke ruimte.”

Toen Robbrecht en Daem en Marie-José Van Hee de Stadshal in Gent bouwden, stuitten ze op nogal wat onbegrip van de Gentenaren. Die vonden het niet kunnen dat een project met zulke proporties tussen die historische gebouwen kwam te staan. ‘Misbaksel’, ‘Schapenstal’, de koosnaampjes waren legio. Intussen is het wel goed gekomen, daar in Gent. Of toch ongeveer. “Af en toe zetten ze er nog wel eens een plastic tent ónder, wat natuurlijk te zot is. Maar dat is dan ook maar tijdelijk. Als je een huis voor iemand bouwt en die zet er afschuwelijke meubelen in, trek ik me dat ook niet aan. Wie weet staat er binnenkort iets dat beter bij de context past, denk ik dan.”

Een van haar andere openbare projecten, De Modenatie in Antwerpen, wordt momenteel gerenoveerd. Vreemd genoeg niet door haar eigen bureau, maar door B-architecten, die de wedstrijd wonnen. Ze geeft toe dat ze het er wat lastig mee heeft, vooral omdat het nieuwe bestuur drastische ingrepen wil doorvoeren die de historiek van het gebouw aantasten. Gelukkig blijft het kroonstuk van haar oorspronkelijke ontwerp, de houten trap, wel bewaard. “B-architecten waren de enige kandidaten die hem er niet uit wilden gooien.”

Uw ontwerpen worden als ‘tijdloos’ omschreven. Hoe kijkt u er zelf op terug?

“Ik zie soms wel elementen die ik nu anders zou oplossen. Of ik merk dat er, ondanks die zoektocht naar een neutraliteit, toch materialen of vormen insluipen die specifiek aan een bepaalde tijdgeest gelinkt zijn. Dat is niet per se slecht, nee, anders zou er geen architectuurgeschiedenis bestaan.”

Beeld Jef Jacobs

Het ligt hier vol boeken en tijdschriften, uw bibliotheek puilt uit. Stopt het werk ooit?

“Ik werk hier ’s avonds wel door, dan kan ik me echt goed concentreren. Op het bureau is er altijd tijd nodig voor overleg en andere zaken buiten het ontwerpproces. Maar als ik op reis vertrek en de deur achter me dichtsla, is ze ook echt dicht. Dan mag het team me niet lastigvallen, tenzij in uiterste nood. Dan moeten ze maar hun verantwoordelijkheid opnemen en het zelf oplossen. Of het moet wachten. Sommige processen worden te veel versneld. Tijd is toch een belangrijke factor om tot een goed resultaat te komen.”

Volgende lente wordt u zeventig, maar ik begrijp dat stoppen totaal niet aan de orde is?

“Architecten worden oud hoor, ondanks de stresserende omgeving. Het zijn sterke mensen die aan architectuur beginnen.” (lacht)

Juliaan Lampens, die pas overleed, werd 93.

“Naar het schijnt heeft hij tot zijn laatste snik getekend. Hij was een architect in hart en nieren, maar heeft ook moeten vechten om zijn gebouwen te kunnen maken. Hij leefde in een periode waarin architectuur op een zeer laag pitje stond. De ‘uitdeelperiode’, ons kent ons. Tot er voor een project eindelijk eens een open oproep kwam en ook ‘niet-vrienden’ aan bod kwamen. Jammer genoeg zijn zijn ideeën om budgettaire redenen niet altijd door de juiste mensen uitgevoerd. Minder budget betekent minder kwaliteit. Veel mensen wijten dat dan aan ‘rare concepten’, maar het is echt niet altijd de fout van de architect. Kom kom.”

Als we afscheid nemen, komt de zon er na een grijze, natte ochtend eindelijk door. Perfect moment voor een middagdutje, al is daar helaas geen tijd voor, straks staat er alweer een meeting gepland. Maar in het weekend schakelt Marie-José Van Hee een versnelling lager. Onder de gaanderij staan twee zakken kweeperen te wachten, van de boom in de tuin. “Heel lekker bij schapenvlees, aangebakken met een beetje curry. Dan gaat het huis heerlijk ruiken. Wil je er een paar?”

De monografie Marie-José Van Hee Architecten. More Home, More Garden verschijnt op 8 december bij Copyright Slow Publishing. 79 euro, pre-orders via copyrightbookshop.be

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234