Dinsdag 15/10/2019

Huis van Hiele

Linda De Win: "Ik ben geen allemansvriend"

Beeld Wouter Van Vooren

Iedereen kent Linda De Win (61) als ‘de pitbull van de Wetstraat’, de Villa Politica-journaliste die recht op haar doel afgaat. Maar in het leven naast de camera loopt dat niet altijd even vlot. "Ik kan mezelf heel slecht verkopen."

Of we met haar van stoel willen wisselen? De zon schijnt in haar gezicht en ze zou niet graag met dichtgeknepen ogen op de foto’s staan. Foto’s die ze voor publicatie ook graag eerst wil zien. “Sorry, maar er heeft ooit een heel lelijke foto van mezelf in jullie krant gestaan. Ik ben toch een beetje jaloers op studio­ankers die altijd mooi belicht worden. In Villa Politica moet ik het stellen met de lampen van het parlement. Niet altijd flatterend.”

Linda De Win geeft het – heerlijk onbeschroomd – toe: ze is niet gespeend van enige ijdelheid en controledrang. Een verademing. Dit is geen vrouw die haar ‘kleine, menselijke kantjes’ angstvallig probeert te verstoppen. “Voor faken heb ik geen talent. Ik ben geen gemakkelijke”, zegt de politiek journaliste bij het aperitief.

Veel politici die op dit moment wellicht heftig van ‘ja’ knikken. Sommigen zetten het spontaan op een lopen als ze de Villa Politica-journaliste, de microfoon daadkrachtig in de hand geklemd, op zich af zien stormen in het Vlaams Parlement of de Kamer. Omdat ze na vijftien jaar weten wat volgt: Linda’s spervuur aan vragen doorbreekt zelfs de grootste politieke omerta. Voor je het goed en wel beseft, heb je toch iets gelost wat de volgende dag alle kranten haalt.

“Ik heb best een hoge standaard”, vertelt De Win, terwijl ze goedkeurend van haar glas witte wijn uit het Heuvelland nipt. “Ik laat niet graag dingen over aan andere mensen. Hotelkamers boek ik om die reden altijd zelf. Als het dan niet goed is, kan ik het tenminste alleen mezelf verwijten.”

Toch schuilt er ook een avonturierster in de perfectioniste. Nu Kamer en Senaat de out of office hebben ingesteld, maakt De Win zich klaar om door Mexico, Guatemala en Honduras te trekken. Eerder reisde ze al naar Bolivia, Zuid-Afrika, de Verenigde Staten, Rusland en China. Hoe meer uit de comfortzone, hoe beter. Meestal gaat ze alleen, of met haar jongere zus. Enkel vorig jaar, in China, liet ze zich verleiden tot een geleide groepsreis.

“Een moeilijke oefening. In de pas lopen is niets voor mij. Als zo’n begeleider zegt dat je maar anderhalf uur op het Tiananmenplein krijgt, moet ik me al bedwingen. En dan moeten al die zestigplussers eerst nog naar het toilet, zodat er nog minder tijd overblijft. (corrigeert zich snel) Zeventigplussers. Want bij die zestigplussers hoor ik ondertussen al zelf. Bon, helemaal zen was ik daar dus niet.” (lacht)

Beeld Wouter Van Vooren

Kunt u het werk en de politiek makkelijk achter u laten op vakantie?

Linda De Win: “De nieuwssites check ik toch dagelijks. Een paar medialoze dagen en je riskeert niet helemaal mee te zijn als je terug bent. Dat kan ik me niet permitteren. Toen de regering enkele jaren terug tijdens mijn verlof werd gevormd, kon ik het niet laten om te sms’en: ‘Hoe zit dat nu precies met Open Vld?’ In de nasleep van alle heisa in Brussel en Wallonië zal dat nu wellicht niet anders zijn.”

Staat u na vijftien jaar politieke verslaggeving nog te kijken van een graaischandaal meer of minder?

“Absoluut. Temeer omdat elke partij wel boter op het hoofd heeft. Als de sp.a meldt dat politici bij hen maximaal maar 6.600 euro, met mandaten bij, kunnen verdienen, denk ik: hoezo ‘maar’? Hoeveel mensen verdienen er 6.600 euro netto per maand? Ik alleszins niet.

“En dan is Bart De Wever er snel bij om te verkondigen dat sp.a beter in eigen hart zou kijken. Wellicht om de aandacht van de N-VA af te leiden. Is hij de Telenet-kwestie met Siegfried Bracke al vergeten en de mandaten van Koen Kennis? Geen enkele partij aan de macht bedankt voor de postjes.”

Het gevoel van verontwaardiging is nog niet afgevlakt?

“Totaal niet. Dat het in Brussel om Samusocial, een daklozen­organisatie gaat, maakt het nog erger. Het tart alle verbeelding dat mensen met een ongelooflijk goed loon daar nog extra geld in hun zakken steken. ‘We gaan dat hele boeltje hier nu eens opkuisen’, zeggen politici dan altijd na zo’n schandaal. Geen kiezer die dat nog gelooft.”

Heeft de job u cynisch gemaakt?

“Ik verlies sneller mijn geduld in interviews als ik een politicus opnieuw hetzelfde antwoord hoor geven. ‘Ja, ja, maar dat hebt u al verteld.’ Zoiets zou ik vroeger nooit gezegd hebben voor de camera.

“Maar cynisch ben ik niet. Eerder van nature kritisch en wantrouwend. Als de juf op school mij vroeger een bepaalde taak gaf, vroeg ik ook altijd eerst ‘waarom?’.”

Is het stilaan naïef te denken dat politici nog vanuit engagement vertrekken?

“De meesten beginnen zo. Maar er zijn er veel die onderweg de band met de realiteit verliezen. Ze leven onder een stolp. Hebben nog weinig contact met de gewone man. Ze nemen de trein niet meer, worden gebracht door een chauffeur. Vliegtickets worden door de secretaresse geboekt. Ego’s worden continu gevoed. Macht doet naar meer verlangen.

“Maar ik ben vooral achterdochtig ten opzichte van het systeem. Ik heb nog altijd respect voor hardwerkende politici. En zo zijn er nog veel. Het zijn niet allemaal graaiers. Alleen: als mensen zien dat er ergens voordeel te halen valt, denken ze blijkbaar toch vaak: ‘Waarom zou ik daar dan niet van mee mogen profiteren?’ Dat geldt ook voor de politiek. En zo ontstaat er een cultuur.”

Tijd voor de nieuwe generatie? Of zijn dat ook maar vertegenwoordigers van diezelfde politieke cultuur?

“Het is niet omdat je al dertig jaar in de politiek zit, dat je helemaal opgeslorpt bent door het systeem. Al moet ik toch serieus nadenken om tegenvoorbeelden te vinden. Omgekeerd is lang niet elke jon­ge politicus een nieuwe frisse wind. Al zijn er wel.”

Wie dan?

“Ik denk dat ik die vraag aan mij voorbij laat gaan.”

Met dat antwoord zou u zelf ook geen genoegen nemen.

“Als ik een naam noem, springt iedereen daar meteen op.”

Moet iemand met uw staat van dienst dan nog zo haar woorden wikken?

“Ik zie die mensen wel wekelijks, en moet ze nog voor de camera krijgen. Het is een wisselwerking. Vraag het mij nog eens na mijn pensioen. (lacht)

“Bovendien word ik op Twitter nu al regelmatig in de socialistische hoek geduwd. Wat ik totaal niet begrijp, maar kom. Al was het maar omdat mijn voorkeur allang niet meer bij één partij ligt. Door er zo dicht op te zitten is het soms heel moeilijk om tout court nog een voorkeur te hebben. Je weet vooraf dat principes verloochend zullen worden. België blijft het land van het compromis.”

Met een guitig lachje zet gastvrouw Shannah een volgend gerecht op tafel: ‘Ons verwend nest’. De Win lepelt het eitje met truffel, noordzeegarnaal en karnemelk, geestig gepresenteerd in een nestje, volledig leeg. Dankbaar dat de hapjes met rauwe oesters zijn gepasseerd – “als er nu één ding is dat ik écht niet lust”.

32 was de historica toen ze – na het gevreesde examen – bij de toenmalige BRT aan de slag ging. Een droom die werkelijkheid werd. Maar de realiteit bleek toch lastiger. “Je kreeg toch het gevoel dat je blij mocht zijn om bij een instituut als de BRT te mogen werken. En ik kon naar BRT-normen niet netjes praten. Die Antwerpse i. Als ik mijn naam zei, verraadde ik me al. (lacht) Ik had nooit logopedie gehad, dus dat was best zwoegen. Maar ik wilde absoluut journalist worden. Ik denk dat veel mensen in mijn situatie allang de handdoek in de ring hadden gegooid.”

Na de radio kwam een reportersbaan bij Het journaal. Nieuws­junkie De Win wilde zich bewijzen. “Maar dat was zonder een paar eindredacteurs gerekend die er plezier in leken te scheppen om mij te frustreren.”

Pestgedrag bij de openbare omroep?

“Stelde ik voor om een interessant politiek item te coveren, werd ik naar de nieuwe koalabeertjes in Planckendael gestuurd. ‘Linda, politieke verslaggeving is niks voor u.’ Of ze gaven mij drie vroege shiften per week, terwijl ze goed wisten dat ik absoluut geen ochtendmens ben. Gewoon om mij op mijn paard te krijgen. Omdat ze wisten dat ik spel zou maken.

“Je hebt mensen die dat dan ondergaan, die wachten tot het overwaait. Misschien een betere strategie, maar zo zit ik niet in elkaar. Als er iets zwaar tegen mijn goesting is, kan ik dat niet weg­steken. Je leest dat op mijn gezicht. Helaas. Anders was een en ander in mijn carrière misschien een stuk makkelijker gegaan.

“Nu is de sfeer gelukkig totaal anders. Veel van die mensen zijn al lang weg. Maar toen lag ik bij sommigen zeker niet in de bovenste schuif.”

Aan wat lag dat dan?

“Wie zal het zeggen? Zoals ik al zei: ik ben ook geen gemakkelijke.”

Wat maakt u dan zo moeilijk?

“Moeilijk is een groot woord. Ik vind gewoon niet alles zomaar goed. Een voorbeeld: op de VRT merk ik soms dat het bon ton is onder sommige collega’s om elkaar complimenten te geven. Wederzijdse schouderklopjes op vergaderingen: ik zeg iets goed over u, jij over mij. Ik doe daar niet aan mee. Als ik het echt goed vind, zeg ik het, maar anders ook. Al heb ik wel geleerd dat het soms beter is om te zwijgen. Of te zeggen: ‘Ja, ik vond het goed, maar...’” (lacht)

Kunt u zelf goed om met kritiek?

“Toch wel. Ik zie ook dikwijls van mezelf dingen die niet goed waren.”

Welke Villa Politica-aflevering bezorgt u nog altijd schaamrood op de wangen?

(denkt even na) “Geen enkele, maar natuurlijk zijn er altijd dingen die beter kunnen.”

Maar in die vijftien jaar is er geen enkele aflevering die u liefst voorgoed uit de annalen zou wissen?

“Er was die keer dat ik hopeloos struikelde over mijn intro. ‘Kom mannekes, dat doen we opnieuw.’ Bleek dat we al op antenne waren. Maar dat is geen inhoudelijke faux pas.”

U stelt zich liever niet te kwetsbaar op? Zelfs mensen die heel goed zijn in hun vak maken soms fouten.

“Nee, dat is het niet. Ik denk echt vaak na een aflevering: verdomme, waarom heb ik dat nu niet gevraagd? Ik kan me gewoon nu niets voor de geest halen. Dat wil misschien zeggen dat ik het al bij al nog makkelijk kan loslaten. Of toch makkelijker dan vroeger.

“Mijn eerste Villa Politica herinner ik me wél nog heel goed. Villa was toen nog een reportage­magazine, en mijn eerste taak bestond uit een paar quotes opknippen. Tot daar mijn persoonlijke bijdrage. En net rond die periode brak in Antwerpen de Visa-crisis uit. Daar was het te doen, dus daar wou ik zijn. Maar ik zat vast in Brussel in het parlement. Verschrikkelijk.

“Ik wilde mij bewijzen. Ik heb toen aan Leo De Bock, toenmalig hoofdredacteur van Het journaal, gevraagd of ik een extra weekendshift mocht kloppen. Zodat ik toch nog iets over die Antwerpse politieke crisis kon doen.”

Beeld Wouter Van Vooren

Dat streberige kantje heeft ze al van jongs af. Moge­lijk het gevolg van het beruchte, zij het niet al te wetenschappelijke, middelste­kind­complex. “Mijn oudste zus deed Latijnse en was een heel goede studente. Zij gold als het voorbeeld. Mijn jongste zus werd als kleinste verwend en met rust gelaten. Ik viel er voortdurend een beetje tussen. Daardoor had ik het gevoel dat ik me moest bewijzen. Maar streberig zou ik mezelf niet noemen. Ik ben gedreven.

“Mijn leergierigheid heb ik misschien ook wel van mijn moeder geërfd. Ze studeerde tijdens de oorlog en had spijt dat ze nooit een hoger diploma dan onderwijzeres haalde. Dus stimuleerde ze mij om het wel te doen.”

De Win groeide op in een gewoon Antwerps gezin. Haar vader was afdelings­chef bij de spoorwegen, haar moeder onderwijzeres in een katholieke school. “Ze lag constant overhoop met de nonnen daar. Dat rebelse kantje heb ik dus van geen vreemde.”

De Win was 36 toen ze haar moeder, zelf 69, verloor. Haar vader volgde jaren later. “Mijn vader was een doodbrave mens. Als ik thuis ruzie had, was het met mijn moeder. Een sterke vrouw. Toen ze ziek werd, wou ze dat niet toegeven aan zichzelf. De dokter gaf haar nog zes maanden, uiteindelijk leefde ze nog vijf jaar. Maar in al die tijd mocht niemand het woord kanker uitspreken. Ze wou haar eigen sterfelijkheid niet onder ogen zien en wij moesten daar in meegaan. Een bizarre, moeilijke situatie. Probeer dan maar eens een gesprek over behandelingen aan te gaan.

“Na haar dood werd ik even bang. Had ik nu ook meer kans om kanker te krijgen? Ik heb ook geen kinderen, wat vaak sowieso al een verhoogde kans inhoudt. Na onderzoek bleek gelukkig van niet.”

Is dat een bewuste keuze geweest, om nooit moeder te worden?

“Nee. Ik ben daar eigenlijk nooit mee bezig geweest. Met het ouder worden misschien iets meer. Het beperkt de dingen. Via je kinderen ontmoet je andere mensen. Dat netwerk heb ik dus niet. Mijn zussen zijn ook kinderloos gebleven, dus ik heb ook geen neven of nichtjes. Dat had ik wel fijn gevonden.

“Zelf heb ik nooit in een relatie gezeten waar er serieus over werd gesproken. Al vind ik kinderen krijgen ook niet vanzelfsprekend, relatie of geen relatie.”

Mogen we vragen of u op dit moment vrijgezel bent?

“Ik ben single ja.”

Mogen wij u vervolgens vragen hoe het in godsnaam mogelijk is dat u nog steeds vrijgezel bent?

(lacht) “Goede vraag. Misschien kom ik te weinig onder de mensen? Ik ben ook niet actief op zoek naar een lief. Als zogezegde BV of publiek persoon is dat sowieso moeilijk. Mannen behandelen je vaak anders. Of ze starten met bepaalde vooroordelen, of ze plaatsen je op een voetstuk waar je alleen maar af kunt donderen. Of het zijn stalkers. Al is het in mijn geval nooit verder gegaan dan wat vreemde brieven waar ik nooit op in ben gegaan.”

In De Standaard schreef u in 2012: ‘Ik heb hem ontmoet, de man van mijn leven. Maar jammer genoeg zaten de omstandigheden niet mee.’

“Ondertussen denk ik: als het echt de man van mijn leven was geweest, dan hadden de omstandigheden – wat die ook waren – niet uitgemaakt. Dan zou het uiteindelijk wel goed gekomen zijn.”

Maar u gelooft wel in het concept ‘de man van uw leven’?

“Ja, toch wel. Dat kunnen er volgens mij ook meerdere zijn. Romantische liefde is mooi, maar een sprookje. Je weet vooraf dat het niet romantisch blijft. Je moet je kunnen blootgeven, slechte kanten en al. En dan maar hopen dat de ander je aanvaardt. Als het klikt, kan ik dat. Dat heb ik in het verleden al gemerkt. Tot mijn eigen verrassing. (lacht) Alleen ben ik het nog niet vaak tegengekomen.

“Zo veeleisend ben ik nochtans niet. Iemand die intelligent, aangenaam en grappig is, met soortgelijke interesses en die er een beetje goed uitziet. Het hoeft geen model te zijn, een mens moet realistisch zijn.” (lacht) Dat is bij nader inzien best veeleisend.”

Hoopt u er nog op?

“In mijn omgeving zie ik geen enkele relatie waar ik jaloers op ben of waarmee ik zou willen ruilen. Er zijn ook veel voordelen aan alleen zijn. Je kunt eten wat en wanneer je wil, hoeft niet op tijd thuis te zijn. Die vrijheid heb ik allang, en geef ik niet zomaar op. Fulltime samenwonen zou ik sowieso niet meer kunnen, denk ik.

“Natuurlijk heb ik ook eenzame momenten. Zondagavonden zijn soms lastig. Veel mensen zitten dan thuis bij hun gezin. Ik zit alleen. Maar ik ben niet iemand die anderen op zo’n moment gaat bellen en daarmee lastigvallen. Wat ik soms ook mis, is iemand tegen wie je ongestoord mag klagen of fulmineren na een slechte dag. Bij een lief kan dat, bij uw vrienden of collega’s ligt dat toch iets moeilijker. Al gaan mijn vriendschaps­relaties wel al veel langer mee dan de romantische liefdes die ik al heb gehad.”

Bent u iemand met veel vrienden, of eerder een handvol vertrouwelingen?

“Het laatste. Ik ben geen allemansvriend, spreek zelden in grote groepen af. Eén keer heb ik al mijn goede vrienden samen geïnviteerd voor een verjaardags­etentje. Met mij erbij waren we met negen. Ik geef mij alleen bloot aan dat selecte gezelschap. En ze gaan allang mee.”

Zijn er politici die u vrienden noemt?

(stellig) “Nee. Ik spreek ze zelfs niet met de voornaam aan. Hoe kun je nu met iemand de ene avond gezellig samen pinten pakken en die de volgende dag...”

Fileren?

“Dat kan toch niet?”

Ivan De Vadder, die naar verluidt de hele politieke top van België op zijn trouwfeest had uitgenodigd, vindt dat het ene het andere niet uitsluit.

“Hij zal via die weg wellicht ook informatie vernemen die ik bijvoorbeeld nooit zal horen. Iedereen doet natuurlijk wat ie wil. Ik vel zeker geen oordeel over Ivan. Voor mij persoonlijk lukt die aanpak gewoon niet.”

Jan Peumans van de N-VA heeft u in het verleden nochtans een goede vriendin genoemd.

“Tja, ik kan hem dat moeilijk beletten. Wat denken jullie misschien dat ik met hem doe? (lacht) Jan Peumans is een fijne mens. Met sommige politici klikt het natuurlijk beter dan met andere. De ene is al sympathieker dan de andere. (snel) Nee, ook nu noem ik geen namen.”

Hebt u al oneerbare voorstellen gekregen van politici?

“Daar ben ik ondertussen te oud voor, denk ik.”

Vroeger is het dus wel gebeurd?

“Op buitenlandse missies probeerden sommigen weleens hoe ver ze konden gaan. Bij mij dus niet ver.”

Hugo Camps noemde u ooit de paaldanseres van de Wetstraat in zijn column.

“Dat is op zijn Hugo Camps’ natuurlijk. Op het moment zelf vond ik dat niet zo leuk. Nu zou ik me dat al veel minder aantrekken. There is no such thing as bad publicity. Beter dat ze over u spreken dan dat je wordt doodgezwegen. Toch?”

Tim Pauwels of De Vadder zijn bij ons weten nog nooit de Chippendales van de Wetstraat genoemd.

“In het algemeen zal men mannen niet snel verwijten dat ze flirten voor de camera. Komaan, alsof ik dat wel doe? Het interview waar Camps naar verwees, was nota bene met Geert Bourgeois.(lacht) Ik denk niet dat de man zoiets zou appreciëren.

“Los van dat zogezegde flirten: er wordt van mannelijke journalisten tout court meer geaccepteerd en getolereerd. Ik heb in de loop der jaren mannelijke journalisten gezien die echte tafelspringers waren, met een groot ego. Maar dat wordt blijkbaar makkelijker gepikt.”

Bent u de binnenkant van het parlement na al die jaren niet stilaan beu gezien?

“Het fijne aan Villa Politica is net dat je veel kunt improviseren. Vooraf weet je nooit wat er uit de bus komt. Maar ik ga niet liegen: er zijn saaie periodes. Toen er 541 dagen geen regering was, werd ik na een tijd helemaal gek. Elke week moesten we opnieuw hetzelfde rondje doen bij dezelfde politici: ‘En? Nog nieuws?’

“De maanden voor het Samusocial-schandaal was ook zo’n saaie periode. Sommige politici zullen mij wellicht pakken op dat woord, maar er gebeur­de bijna niets. ‘Komaan mannekes, kom eens met iets behoorlijks’, dacht ik toen. En: ‘Hoe lang ga ik dat hier op die manier nog volhouden?’ Een gevoel dat me in het verleden nog niet vaak is overvallen.

“En als er dan iets gebeurt, zoals de afgelopen we­ken met de Brusselse en Waalse regering, krijg je amper iemand voor de camera. Je probeert dan een PS’er te pakken te krijgen die een goed mondje Ne­der­lands spreekt. Maar de weinigen die er al zijn, wil­len niet. (blaast) Dan wordt het lastig werken hoor.”

Collega Joël De Ceulaer verklaarde het politieke interview twee jaar geleden al dood. Probeert u het tegen beter weten in nog te reanimeren?

“Het wordt alleszins moeilijker en moeilijker om een goed interview te doen. Een partij als de N-VA kneedt haar nieuwe parlements­leden goed. Zodat ze voortdurend hetzelfde antwoord geven. De zogenaamde debatfiches.”

Misschien moeten journalisten in België volhardender worden? Zoals de Britse tv-interviewer Jeremy Paxman, die desnoods dezelfde vraag twaalf keer herhaalt.

“Dat vind ik zelfs wat overdreven. Het is wel zo dat er meer politici zijn die weigeren om met een bepaald medium te praten. Dat zag je vroeger veel minder.”

Net omdat ze geen al te kritische vragen willen. Wat doe je daar dan aan?

“Louis Michel (MR) wil niet meer in Villa Politica komen sinds ik zogezegd ‘afspraken’ heb geschonden door toch te vragen naar de toekomst van Didier Reynders (MR), die toen naast de job van Europees Commissaris had gegrepen. Terwijl ik nooit iets beloofd had. Ik moet toch mijn job kunnen doen? Tant pis. Ik denk niet dat we veel missen.”

Dat voorval dateert wel al van 2014. Moet u niet wat vaker met politici in de clinch liggen?

“Ik voel me niet aangesproken, vind dat ik net wél kritische vragen stel. ‘Als ik aan u een interview geef, heb ik daarna altijd miserie’, zei Bart De Wever mij ooit. Al kan het natuurlijk dat hij gewoon mijn ego probeerde te strelen. En onlangs heb ik hem nog geïnterviewd, zonder problemen voor hem of voor mij.”

Hebt u zich ooit al House of Cards-gewijs gebruikt gevoeld door een politicus?

“Nee. Om mij voor een kar te spannen moet je al veel moeite doen. Ook in het gewone leven. Nu, misschien zou ik eerst House of Cards moeten zien voor ik echt op die vraag kan antwoorden.”

Een politiek journaliste die House of Cards nog niet heeft gezien: ondenkbaar.

“Ik kom er gewoon niet toe. En misschien speelt mijn tegendraadse kantje ook wel een beetje mee. Als iedereen zegt: die serie móét je zien, denk ik al snel: ja ja, het zal wel.”

Beeld Wouter Van Vooren

Het hoofdgerecht – of beter: het weinige dat nog overblijft van de licht gepekelde, gebakken kabeljauw – wordt afgeruimd. Het signaal voor de fotograaf om De Win mee richting duinen te lokken, voor het mooie avondlicht onherroepelijk verdwijnt. Even kijkt ze naar haar strakke rode jurk en hoge hakken (“als ik dat had geweten had ik beter sneakers aangedaan”), om zich vervolgens gewillig te laten meetronen.

Ze heeft eigenlijk weinig of niets met de zee, vertelt ze als ze even later terug aan tafel schuift. “Al die mensen die bij de eerste zonnestraal in drommen naar de kust rijden en er uren voor in de file staan: ik begrijp ze niet.” Ook in het buitenland zul je haar niet snel op een strand vinden. “Twee weken aan de kust is voor mij de hel.”

Waar ze wel gelukkig van wordt? Als ze tegen al­le verwachtingen in toch kaartjes voor theatervoorstellingen op de Zomer van Antwerpen in de wacht kan slepen. “Maar evengoed: een mooie opera, een stevige BBB-sessie (voor de fitness­leken: buik-billen-borst­training, KVDP/STS), rustig koken in mijn huis of een spannende voetbalmatch bekijken.”

Ze mag dan een vrouw zijn die haar binnenkant liever reserveert voor een handvol ingewijden, met de ondergaande zon zakt ook dat pantser beetje bij beetje. Ze praat over wat haar raakt (“die foto van die schoenen voor de uitgebrande Grenfell Tower in Londen”), wat haar kwetst (“De ‘zet die op de trein naar Auschwitz’-commentaren bij mijn deelname aan De slimste mens vond ik echt choquerend. Nie­mand wordt graag gehaat. Gelukkig beperken de ergsten zich nu tot ‘vuile rode hoer’”) en over ambities die nog op haar professionele bucketlist staan.

Uw fans vinden dat u al lang een politiek praatprogramma op Canvas zou moeten hebben. Vindt u dat zelf ook?

“Als ik nu ja zeg, krijg ik het waarschijnlijk nooit. Siegfried Bracke zei toen hij nog op de VRT werkte altijd: je moet niks gaan vragen, je wordt gevraagd.

“Maar ik denk dat elke politieke journalist dat wel ambieert. Eén keer per week een hard interview van een half uur of een uur waarin je vragen kunt blijven stellen.”

Uw bijnaam is alvast een ideale programmatitel: de pitbull van de Wetstraat.

(lacht) “Ja. Maar ik denk niet dat het er nog van zal komen.”

Hoe komt dat? Te veel naar Siegfried Bracke geluisterd?

“Misschien wel. Bovendien ben ik heel slecht in lobbyen.”

U werkt toch al lang genoeg bij de VRT om te weten bij wie u strategisch aan het koffie­apparaat moet gaan staan?

“Ik kan mezelf heel slecht verkopen. En dat heb je nu eenmaal nodig om ergens te raken. Zeker als je de concurrentie ziet. De openbare omroep telt veel goede interviewers. Villa Politica zit ook niet in primetime: voor de bazen is dat niet het belangrijkste, of meest in het oog springende programma.”

Hebt u het gevoel dat u over het hoofd bent gezien?

(ontwijkend) “Ik weet eigenlijk niet hoe dat werkt. In een gesprek met Luc Rademakers heb ik die wens voor een praatprogramma ooit wel uitgesproken. Hij heeft dat genoteerd. Er is daarna nooit meer iets over gezegd of van gekomen.”

U hebt onderweg misschien op te veel tenen getrapt? Of op de verkeerde?

“In mijn beginperiode bij de openbare omroep heb ik misschien te veel op korte termijn gedacht, ja. Maar veel van die mensen zijn er nu niet meer. Vandaag is er een heel andere hoofdredactie. Waardoor je steeds opnieuw moet lobbyen. Als dat dan je zwakke punt is...

“En ergens zou ik liever hebben dat ze het mij vragen, in plaats dat ik erom moet smeken.”

U omschreef uzelf ooit als een principieel iemand, een zwart-wit­denker over zowat alle onderwerpen. Is dat op uw 61ste nog steeds zo?

“Dat moet lang geleden zijn. Met de jaren is dat veel verbeterd. Er is meer ruimte in mijn hoofd voor nuance. Vroeger was ik soms te snel in mijn oordeel. Over de wereld, over mensen. Daar let ik nu veel meer op. Ook aan mijn gebrekkige diplomatische kantje probeer ik te werken. Om niet meteen uit te vliegen als een cameraman in de fout gaat bijvoorbeeld. Dan is dat ouder worden toch nog ergens goed voor.”

Het smeuïge aardbeiendessert is inmiddels verteerd, de theemok leeg. De dekentjes die Shannah halverwege het gesprek heeft aangereikt, volstaan niet meer tegen de friste van de avond. Voor ze in de wagen stapt, houdt De Win nog even halt. Ze zit nog met iets. “Stom dat ik zo weinig voorbeelden kon geven van afleveringen waarbij ik zelf de mist inging. Dat is echt niet uit onwil. Als ik nog iets bedenk, laat ik het weten.”

Enkele dagen na het gesprek volgt er een mailtje met een paar voorbeelden. “Zoals beloofd. Hopelijk ben je er nog iets mee. Vergeet je die foto’s niet door te sturen?”

Aan het strand van Koksijde: ‘Al die mensen die in drommen naar de kust rijden en er uren voor in de file staan: ik begrijp ze niet’, zegt Linda De Win. ‘Twee weken aan de kust is voor mij de hel.’ Beeld Wouter Van Vooren
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234