Maandag 21/10/2019

Interview

Kobe Ilsen ging diep voor nieuw tv-programma: "Ik heb heel hard moeten huilen"

Beeld Karmen Ayvazyan

In Volt flirtte hij met de kaap van 1 miljoen kijkers.  Met Over eten en De drie wijzen ging hij er vlotjes over, maar zijn meest ambitieuze tv-project start nu woensdag. Voor het programma Op één bezocht Kobe Ilsen zestien van de beste en allerslechtste landen ter wereld. Onderweg kwam hij ­meermaals zichzelf tegen.

Hij is net terug van New York, het laatste loodje van een programma dat hem bloed, zweet en tranen heeft gekost. Letterlijk. Hij zit op zijn tandvlees, fysiek en ­mentaal. Het gevolg van de jetlag, de diepe indrukken die de zestien landen op hem hebben gemaakt, de verhalen en mensen die onder zijn huid zijn gekropen en de ­vermoeidheid van vijf maanden de wereld rondzwermen, met tussendoor nog opnames van De drie wijzen.

Kobe Ilsen: “België was het voorbije halfjaar een soort waas. Meestal was ik een week thuis voor we opnieuw vertrokken. Soms maar een paar dagen. Ik voel dat ik nu nood heb aan rust en stilte, aan liefde en vriendschap. Ik ben zwaar in het rood gegaan voor dit programma. Ik heb vriendschappen verwaarloosd, relaties afgeblokt. Zelfs het verjaardagsfeest van mijn moeder moest ik laten schieten. (lacht) Die tijd wil ik inhalen.

“Ook emotioneel was het heftig. Ik heb zowat het hele spectrum doorgemaakt van wat een mens kan voelen. Het waren zoveel prikkels op korte tijd dat ik er nog niet in geslaagd ben om alles te verwerken. Door de tijdsdruk ging dat niet, we hadden per land maar een beperkt ­aantal draaidagen. Mijn herinneringen hebben veel weg van een collectie van tweeduizend cd’s die verspreid over de vloer ligt. De komende maanden ga ik die sorteren, maar nu lijkt het nog alsof er vijftien door elkaar spelen. Maar ik klaag niet, hoor. Het was een voorrecht om dit te mogen maken. Die acht afleveringen beschouw ik echt als mijn kinderen.”

Je hanteerde voor elk thema een wereldranglijst en bezocht telkens de koploper en de rode lantaarn, om te achterhalen wat België van die landen kan leren. Vanwaar kwam dat idee?

“Ik heb het concept samen bedacht met Hans Otten en Dries Martin van Warner Bros., het productiehuis ­waarmee ik Op één heb gemaakt. Hans is met de grond gelijkgemaakt door de media, maar hij blijft een geniale tv-maker.

“Aan de basis lag een zekere ergernis over het ­negativisme in België. We klagen zo veel. Als het even niet loopt zoals we wensen, is het hek van de dam. Een treinstaking, sneeuwval die files veroorzaakt: het minste is genoeg om kranten en sociale media te herleiden tot klaagmuren. ‘In wat voor apenland leven wij’, lees je dan. Wel, ik ben in die ‘apenlanden’ geweest en dat is toch nog wat anders. Wij wonen in een van de veiligste landen ter wereld, ons onderwijs en onze sociale zekerheid zijn top, we rijden over verharde wegen naar het werk… Maar we zijn onze welvaart te evident gaan vinden en dat maakt ons niet gelukkiger. Door te tonen hoe het elders in de wereld zit, wou ik de dingen eens in perspectief plaatsen. Waar staan we op de wereldranglijst? Hebben we echt reden tot klagen? Die oefening hebben we gemaakt voor de zeven belangrijkste thema’s in een mensenleven: wonen, werk, onderwijs, relaties, veiligheid, afval en obesitas. De laatste aflevering gaat – bij wijze van ­knipoog – over voetbal en wordt een opstapje naar het WK in juni.”

Hoe kijk je na zo’n trip naar de problemen in België?

“De neiging is groot om ze weg te relativeren. In India volgden we een arbeider die 70 uur per week rubberen zolen moest uitkappen. Een zware en vuile job in een fabriek uit de tijd van Daens. Hij woonde met zijn gezin in een primitieve arbeiderswoning ter grootte van een studentenkot. En toch was die mens gelukkig. Hij werkte zich suf om zijn kinderen een ander lot te geven. Zijn zoon wou voor dokter studeren, dat was de droom van dat gezin. Het alternatief was de fabriek. Kinderarbeid is daar doodnormaal. Zelfs een blinde jongen van elf stond er dag in, dag uit bakstenen te sorteren. Voor mensen uit de lagere kasten is het werken of bedelen, sociale ­zekerheid kennen ze daar niet.

“Als je dan ’s avonds op Belgische nieuwswebsites een verhitte discussie ziet over ambtenaren die nog altijd voor hun 55ste met pensioen willen gaan, of over wat politicus X of Y nu weer getweet heeft, vraag je je af waar we mee bezig zijn. Maar je mag geen problemen met elkaar vergelijken. Dat heb ik geleerd van Martine, een van de mensen die ik volgde in Doodgraag leven. Ze lag op haar sterfbed en zag dat ik me niet goed voelde. Ik vond het gênant om haar te vertellen over mijn ­kopzorgen. Die stelden niks voor in vergelijking met wat zij doormaakte. Toch wou ze horen wat er scheelde. ‘Wat voor de ene mens een detail is, is voor de andere een ramp’, zei ze. ‘Je moet dat niet tegen elkaar afwegen.’ Dat heb ik altijd onthouden.”

Zijn er nog mensen die je zijn bijgebleven na het maken van Op één?

“Veel. In Benin hebben we een twaalfjarig meisje gevolgd tijdens een schooldag. Inzake onderwijs scoort dat land dramatisch. Clarisse woont met haar gezin in een barak naast een drukke weg. Slapen doet ze op de grond. Haar vader is overleden en haar moeder rekent op haar voor het huishouden en de zorg voor de vijf andere kinderen. Toen we ’s morgens om zes uur bij haar thuis kwamen, was ze al water gaan halen, drie kilometer verderop. Zo’n ton van 25 liter. Dat meisje moet voor en na school de benen van onder haar lijf ­werken. De hele dag weigerde ze te praten. Aan het eind van de dag fluisterde ze me toe waarom dat was. Ik ga dat nog niet verklappen, maar ik was daar echt niet goed van.

“Als ik thuis in mijn zetel voor mijn flatscreen zit, vraag ik me soms af hoe het met haar is. Of met Rawand, de fixer die ons veilig door de Iraakse stad Mosoel heeft geloodst. Negen maanden geleden zwaaide IS daar nog de plak. Ik heb hun lijken zien liggen in het straatbeeld. En ik ben kotsmisselijk uit een kelder gekomen waar dode lichamen opgestapeld lagen. Die hele stad lag in puin. Het was de eerste keer dat ik in een oorlogszone kwam. Die mensen, onder wie Rawant, hebben de hel gezien, dat zag je in hun ogen. De verhalen waren ­verschrikkelijk.”

Beeld Karmen Ayvazyan

Hoe voelde je je in zo’n gevaarlijk gebied?

“Het grootste gevaar was geweken, maar je bent toch voortdurend superalert. Na twee dagen voelde ik heel veel tegelijk, maar ik kan het nog altijd moeilijk thuisbrengen. Ik heb mijn grenzen opgezocht en verlegd

voor dit programma. We zijn ook elders in beangstigende situaties verzeild geraakt. In een verloederde woonwijk in Detroit trok een zwarte junkie een geweer om ons weg te jagen. Hij haatte blanken. In de favela’s waren we buiten aan het filmen toen ze enkele straten verderop begonnen te schieten. Dat zijn dingen die ­blijven plakken.”

Je bent naar verluidt ook een paar keer in tranen uitgebarsten?

“Ik ben een gevoelige jongen, maar het was jaren geleden dat ik nog zo gehuild had. Vooral in Hong Kong ben ik gekraakt. We bezochten een coffin home, een klein appartement waar mensen in kasten wonen. Hong Kong is vreselijk dichtbevolkt, waardoor zelfs de betere ­middenstand er in appartementjes leeft waar de doorsnee Belgische student niet eens aan zou denken. Maar de sukkelaars in die coffin homes betaalden 230 of 240 euro per maand om in een groot uitgevallen doodskist te wonen. Ik interviewde een oude, vriendelijke mens die in dat snikhete kruipkot moest overleven tussen de ­junkies. Hij toonde me hoe hij sliep, half zittend tegen zijn bezittingen. En maar lachen en vriendelijk knikken.

“Ik vroeg waarom hij zo positief bleef. Hij zei: ‘Omdat ik nog gezond ben’. Dat was zo’n stomp in mijn maag. Er is zó veel moed nodig om in zulke diepe ellende toch nog zo’n antwoord te geven. Ik heb die mens de hand geschud, ben naar buiten gegaan en ben beginnen huilen. Dat gesprek trof me nog harder dan de vader uit Mosoel die vertelde dat hij zijn kind had moeten begraven op de binnenkoer van zijn huis. Ik weet niet hoe het is om kinderen te hebben, maar ik heb wel een grootvader gehad die mij heeft opgevoed als zijn eigen kind. Je weet dat mijn vader kort na mijn geboorte is vertrokken, en dat mijn moeder haar twee kinderen alleen heeft opgevoed. Mijn grootvader was de vader die ik zelf nooit had. Twee jaar geleden is hij gestorven. Misschien zag ik hem wel in dat moedige mannetje in Hong Kong. Ik heb een zwak voor mensen die ondanks alle miserie de moed vinden om er het beste van te maken. Mijn moeder heeft ons op die manier opgevoed, met een gebroken hart en een klein loontje. Daar zal ik haar eeuwig dankbaar voor blijven.”

Heeft dit programma je blik op de wereld veranderd?

“Ja. Ik ben bevrijd van alle stereotypen en oordeel ­minder snel. Na de aanslagen in Brussel heb ik me wel eens onveilig gevoeld. Als ik een moslima met hoofddoek zag, dacht ik soms ook: mevrouw, zet die toch af, laat zien dat je hier graag bent. Nu denk ik daar anders over. Het is niet alleen míjn idee dat telt. Zij zijn anders opgevoed en denken anders. Maar daarom niet slechter.

“Ik vind ons superioriteitsgevoel misplaatst. Het is niet omdat je de verlichting niet hebt meegemaakt, dat je geen goed mens kunt zijn. Ik heb in het kapotgeschoten Mosoel met moslims aan tafel gezeten, en het eerste wat ze zeiden was: ‘Sorry dat we u geen thee kunnen aanbieden, maar ons huis is gebombardeerd en we hebben geen water meer’. Dat zijn de vriendelijkste en meest gastvrije mensen die ik ooit heb ontmoet. Kom mij dus niet vertellen dat alle moslims slecht zijn. Ik wil dat niet meer horen. Wie dat nog altijd vindt, moet dat daar maar gaan vertellen, aan die brave mensen die hun ­huizen, vrienden en geliefden hebben verloren door de schuld van een bende waanzinnigen. Mij boeit het niet meer hoe mensen eruitzien, de mens achter de hoofddoek of tulband interesseert me.

“95 procent van de mensen die we hebben gesproken, waren heel warm. Misschien waren de minst fijne ontmoetingen wel met blanken. Ik sprak onlangs nog een CEO en ik kon alleen maar denken: kom, stap in je dikke auto, rijd naar je villa en blíjf daar. Die arme schoenzoolkapper uit India was véél wijzer. Die besefte dat het leven meer is dan hoeveel geld er op je rekening staat. Wat telt, is hoe je met je medemens omgaat.”

Baf, de essentie. Ben je nu waar je wilt zijn in je ­carrière?

“Ik heb niet het gevoel dat ik er al ben. Ik ben nog altijd voor mijn plaats aan het vechten. Er was zelfs een periode waarin ik echt vreesde dat ik uit de boot zou vallen. Na zes seizoenen werd Volt stopgezet en kreeg De laatste week geen vervolg meer. Dat bracht me aan het twijfelen. Gelukkig mocht ik daarna Over eten maken en werd dat een schot in de roos, met dank aan de fijne samenwerking met Danira (Boukhriss, copresentatrice, red.).”

En toch ben je nog altijd onzeker?

“Ja. Veel schermgezichten hebben dat, zelfs Tom Waes, Erik Van Looy en Jeroen Meus. Jeroen kreeg het doodsbenauwd voor de lancering van Goed volk. ‘Gaan de mensen wel aanvaarden dat ik uit mijn keuken kom?’ Voor mij wordt het ook bang afwachten hoe Op één wordt ontvangen.”

Met welke kijkcijfers ben je tevreden?

“Meer dan 600.000 kijkers zou mooi zijn. Maar ik hoop vooral dat mensen iets van het programma opsteken en hun kijk op de wereld een beetje bijstellen. Als ik nog maar de helft van de intensiteit kan overbrengen die ik heb gevoeld, zit het goed.”

De voorbije weken werd er gefocust op de clash op zondagavond: De drie wijzen tegenover De mol en Boer zkt vrouw. Was je daarmee bezig?

“Ik heb vanuit het buitenland wel geïnformeerd naar de cijfers, maar ik vind het onnozel dat er zo snel in termen van winnaars en verliezers wordt gesproken. De eerste week werden we geklopt door De mol, de week nadien was het omgekeerd. Het boeit me niet of ik ‘de clash met Gilles De Coster’ win. De mol is een knap programma, ik gun Gilles alle succes. Ik wil alleen dat mijn programma’s óók goed bekeken worden. Een afgang op de zondagavond van Eén kan ik me niet permitteren. 

“Tv-carrières worden steeds vluchtiger. Eén flop kan volstaan om afgeserveerd te worden. Ik weet niet wat ik dan zou moeten doen. Sinds mijn negentiende is tv en radio maken het enige wat ik ken. Tv heeft een snedigheid waar ik van hou: baf, de essentie in vijftig minuten, zonder een woord te veel. Zo leef ik ook. Ik hoef niet alle platen van David Bowie, de
best of volstaat. Op festivals kom ik ook pas als de headliners beginnen. Ik ga niet ‘s ­middags al in een snikhete tent staan om onbekende bands te ontdekken. Als die echt goed zijn, zie ik hen over drie jaar wel op het hoofdpodium.”

Beeld Karmen Ayvazyan

Ben je hard bezig met het bewaken van je imago?

“Ach, dat imago schiet alle kanten uit. Homo, vrouwenzot, ideale schoonzoon, ik heb alles al gehoord. Volgens de ene maak ik commerciële tv, volgens de andere is het allemaal te serieus. Aan welk van die tien imago’s zou ik dan moeten voldoen? Ik hoop dat ik er vooral in slaag om mezelf te blijven. Met de jaren lukt me dat beter en beter. Ik heb aanvaard wie ik ben: ik sta voor toegankelijke tv die ergens over gaat. Infotainment is voor mij een geuzennaam. Ik maak liever een programma over een boeiend onderwerp dat vlak na Thuis wordt uitgezonden, in een vlotte stijl, dan een kurkdroge documentaire op een zender waar niemand naar kijkt. “Op dat vlak ben ik een veelvraat zonder exclusieven. Mensen die keihard werken aan De buurtpolitie verdienen evenveel respect als iemand die zware onderzoeksreportages maakt. Sommige media, waaronder De Morgen, denken te veel in hokjes en doen alsof ze een monopolie hebben op de goede smaak. Daar verzet ik me tegen. Ik heb nooit mijn best gedaan om tot de ­correcte kliek te behoren. In eindejaarslijstjes zal ik bij ‘cd van het jaar’ nooit de nieuwe van Alt-J zetten.”

Vorig jaar presenteerde je zelfs de première van de film van De Romeo’s.

“Waarom niet? In de juiste setting en met het juiste gezelschap zijn De Romeo’s fantastisch. Ik luister naar Leonard Cohen, maar evengoed naar System of a Down of Cherry Moon. Ook carrièregewijs heb ik altijd mijn eigen weg gekozen.”

In het verleden bekende je dat je weleens wakker ligt van harde kritieken, is dat nog altijd zo?

“Nee, het lukt me veel beter om dat te relativeren. Al blijf ik me verbazen over de hardheid. Als je vindt dat mijn programma op niks trekt, moet je dat maar schrijven. Maar besef dat schermgezichten méér zijn dan wat je van hen ziet op het scherm. Sommige mensen denken dat ik alleen maar de vlotte presentator ben. Wie mij beter kent, weet dat ik niet altijd een vrolijke frans ben. En wie Doodgraag leven heeft gezien – of nu Op één – zal beamen dat ik ook andere dingen kan. Het is ook niet omdat iemand zich inschrijft voor Temptation Island dat hij per definitie een idioot is.

“We staan allemaal op de eerste rij om de Tims en Kevins in de pan te hakken, maar ook dat zijn mensen. Mensen met moeders. Zij kennen niks van de media, worden in één klap beroemd in Vlaanderen, en niet voor de mooiste dingen, en dan zetten we hen voor het vuurpeloton. Beseffen we hoe ingrijpend dat is? Ik heb ook al artikels over mezelf gelezen die niet op de bal, maar los op de man waren. Dat komt binnen. Andere scherm­gezichten ervaren dat ook zo. Ik zal nóóit op de man spelen. Mijn moeder heeft me altijd geleerd om respect te hebben voor iedereen. Als ik iemand op tv zie die ik niet moet, zap ik weg. Dan ga ik geen lelijke dingen tweeten. Laat iedereen maar in zijn waarde.”

Tegenwoordig lijk je de draak te steken met de roddels die over je circuleren. In Over eten trouwde je met Danira, en onlangs poseerde je samen met je ­vrienden Davy Parmentier en Viktor Verhulst voor de cover van een magazine, ook al wordt er rond­getoeterd dat je met hen allebei een relatie hebt.

“Ik heb al zoveel onwaarschijnlijke zever gehoord dat je er beter mee kunt lachen. De gekste roddel was dat ik in Parijs al kussend was gespot met mijn vorige baas, Jean Philip De Tender. Maar de meeste hardnekkige blijft mijn zogezegde relatie met Danira.”

Blij dat ze ‘van ‘t straat’ is?

“En of! (lacht) Zij en Bouba (Kalala, nam vorig seizoen deel aan De mol, red.) zijn een geweldig koppel en ik word niet meer lastiggevallen met die vragen. Dus: vooral samenblijven, vrienden!

“Nee, ik trek me die dingen niet meer aan. Alleen als ik iemand leer kennen, kan dat geroddel vervelend zijn. Als een nieuw lief mijn naam laat vallen in haar vriendenkring, is de kans groot dat iemand zegt: ‘Oei, ik heb dat en dat over hem gehoord’. Daardoor krijg ik niet altijd een eerlijke kans. Maar dat zijn luxeproblemen. Na het voorbije halfjaar besef ik dat meer dan ooit.”

Wegen de voordelen van het single leven nog altijd op tegen de nadelen van een relatie?

(twijfelt) “Het probleem is dat het single leven voor mij een tweede natuur is geworden. Ik heb twee lange ­relaties gehad en beide keren hield ik daar een gebroken hart aan over. Intussen is dat bijna tien jaar geleden. Sindsdien is alleen zijn een evidentie geworden. Maar af en toe mis ik een lief. Toen we met onze ploeg terug naar België vlogen, gingen onze crewleden naar hun gezin, ik kwam thuis in een leeg appartement. Als je een dag in de hel hebt rondgelopen, wil je je in de schoot van je lief ­nestelen. Of op z’n minst skypen. Op je 36ste bel je dan niet meer naar je moeder. En ik wilde ook mijn vrienden niet te veel lastigvallen. Dus trok ik me terug op mijn kamer om naar Netflix te kijken.”

Twee jaar geleden vertelde je in Zeno al dat je houdt van het kluizenaarschap en “het gevoel dat je de wereld kunt buiten sluiten”.

“Als ik me slecht voel, gaat de deur op slot. Ik vind troost in die eenzaamheid. Soms moet je daar gewoon even doorheen. Tijdens de voorbije opnames ben ik één keer smoorverliefd geworden. Een onmogelijke liefde. Slechts een paar mensen wisten dat.”

Waarom was dat een onmogelijke liefde?

“Laten we zeggen dat ik snel besefte dat die relatie geen toekomst had. Mijn hart stond in vuur en vlam, maar mijn hoofd wist dat blussen de enige oplossing was. Daar heb ik mee geworsteld. Uiteindelijk heb ik een brief naar haar geschreven, om uit te leggen hoe het zat. We ­kwamen terug van Rio en zouden twee dagen later weer vertrekken naar Gibraltar. De rest van de ploeg wilde naar huis, ik ben meteen doorgereisd naar het ­zuiden van Spanje, om te genieten van de rust en het mooie weer. ’s Avonds in de bar van het hotel schreef ik die brief, om mijn hart te luchten. Dat hielp.”

In Humo zei je vorig jaar dat een ex je ooit “de wandelende definitie van bindingsangst” noemde. Hoe werkt dat bij jou?

“De ene dag bepaalt mijn hart de weg, de ­volgende dag mijn hoofd. En ik slaag er maar niet in een connectie te maken tussen die twee. Het is een beurtelingse staatsgreep van twee dictaturen.”

En je krijgt de strijdende partijen niet aan tafel voor een vredesakkoord?

“Juist. (lacht) Eigenlijk wíl ik ook niet dat een van de twee wint. Maar het is verwarrend om heen en weer ­geslingerd te worden tussen die twee uitersten. Niet alleen voor mezelf, ik heb zo ook al mensen gekwetst. Vrouwen die dachten ‘dit wordt iets’, omdat ik hen in al mijn enthousiasme dat gevoel had gegeven. Tot ik begon na te denken en op de rem trapte.

“Toen we na de tweede dag in Mosoel ’s avonds terug in ons hotel kwamen, kreeg ik een sms van iemand met wie het is misgelopen. Er stond één woord in: ‘Vrede?’ Dat was wel heel toevallig. Ze wist niet waar ik was of wat we die dag hadden gedaan. Op zo’n moment spelen ratio, emoties en ego een raar spel met elkaar. Maar ik heb haar een vriendelijk antwoord teruggestuurd. Met de meeste exen kom ik prima overeen. Ik hou niet van conflicten.”

Beeld Karmen Ayvazyan

Nu je over ego begint, speelt dat je wel eens parten? Is het gegroeid door het applaus dat je krijgt?

“Ik ben me bewust van die valkuil, maar ik denk niet dat ik naast mijn schoenen loop of dat mijn ego al enorme brokken heeft gemaakt. Het applaus zal allicht wel mijn persoonlijkheid hebben gekleurd. Bekendheid, spontane complimenten op straat, selfies op een festivalwei, dat doet iets met een mens. In mijn vriendenkring zoek ik steeds vaker mensen op die in dezelfde situatie zitten. Zij kunnen vertellen hoe ze daarmee omgaan en kennen de keerzijde van de medaille. Mensen denken ten onrechte dat wij elkaar opzoeken om in een soort loge – de grote geheime BV-club – samen te hokken. Wij zijn gewoon ­collega’s die elkaar helpen. In Detroit heb ik ge-sms’t naar Jeroen, Sergio Herman en Gert Verhulst. Er was miscommunicatie ontstaan tussen mij en de cameraploeg, en ik wilde weten hoe zij zo’n ­situatie zouden oplossen. Daar kwam goeie feedback op. Schermgezicht zijn is soms eenzaam. Er staat meer volk achter de camera dan ervoor.”

Wat was er gebeurd?

“Ik was niet tevreden over hoe we een opname hadden aangepakt, en heb dat ook gezegd, blijkbaar op de foute manier. Plots kreeg ik de wind van voren, van mensen met wie ik al heel lang samenwerk. Dat was lastig, maar ik bleef overtuigd van mijn mening. In een cameraploeg ben ik een radertje in het geheel, maar ik wil graag dat dat voor een stuk op mij is afgestemd. Mijn kop is in beeld. Als het programma niet scoort, word ík afgemaakt, terwijl de rest van de crew de volgende dag rustig een ander programma kan gaan draaien.

“Uiteindelijk heb ik me geëxcuseerd en hebben we alles goed kunnen afwerken. Het is onvermijdelijk dat je tijdens zo’n trip situaties krijgt waarin je elkaar teleurstelt. Je zit van ’s morgens tot ’s avonds samen, in extreme omstandigheden, met een cocktail van stress en vermoeidheid erbovenop. Net daarom heb ik mensen gekozen met wie het klikt.”

Denk je dat de ervaring van Op één een blijvende indruk op je zal nalaten?

“Ja. Ik heb er veel voor opgeofferd, maar nog veel meer teruggekregen. Dit programma heeft van mij een betere en gelukkigere mens gemaakt. Milder. Begripvoller. Met meer relativeringsvermogen. Ik ben dankbaarder voor wat ik heb, voor het feit dat ik in België geboren ben. En ik heb me voorgenomen om daar nog harder van te genieten. Onlangs heb ik een nieuw appartement gekocht. Ik had tevreden kunnen zijn met wat ik heb, maar mijn nieuwe woonst is groter en mooier gelegen. Als het op wonen aankomt, ben ik nogal vernieuwingsgezind. Het leven is te kort om altijd op dezelfde plek te wonen. Je zou zeggen: ‘Waarom koop je nu een groter huis, nadat je hebt gezien in welke krotten miljoenen andere mensen leven?’ Maar ik voel me daar niet schuldig over. Het is niet omdat er elders in de wereld miserie is dat ik mezelf alle genot moet ontzeggen. Daar help ik niemand mee. Ik ben nu nog meer vastberaden om het leven te vieren.”

In dat geval: proost!

Op één: vanaf 25 april elke woensdag om 20.40 uur op Eén.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234