Maandag 16/12/2019

Voorpublicatie Gezondheid

Jarenlang overleven met een eetstoornis: ‘Ik vroeg me zelfs af hoeveel calorieën er in sperma zitten’

Eva Cremers Beeld Eva Cremers

Dorien van Linge had jarenlang een eetstoornis. In haar boek Feminist fataal, speciaal geschreven voor jonge meisjes, is dit een van de hoofdstukken. Ook warm aanbevolen voor ouders.

“Ze is wel een beetje mollig geworden”, hoorde ik de ene turnjuf tegen de andere ­zeggen, terwijl ze haar ogen langzaam over mijn lichaam liet glijden. Ik was acht en had twee maanden niet kunnen turnen vanwege een keelontsteking. Iets wat ik verschrikkelijk vond, want ik turnde sinds mijn vijfde minstens twee keer per week. Na eindeloos gezeur mocht ik van mijn moeder weer een les volgen, en vol enthousiasme had ik me die ochtend in mijn blauwe fluwelen turnpakje gehesen. Na die opmerking maakte het enthousiasme plaats voor een steek in mijn maag. Het was de eerste keer dat ik openlijk op mijn lichaam werd beoordeeld. Ik besloot ter plekke tijdens het volgende verjaardagsfeestje maar geen stukje slagroomtaart mee te eten. Dit was het begin van een langdurige obsessie met mijn lichaam.

Ik houd erg van eten. Altijd al gedaan. Ik was een dikke baby. Mijn hoofd was zo rond als een voetbal, waarin de kuiltjes in mijn wangen twee flinke deuken vormden. In een brief van mijn babysitter aan mijn moeder sprak ze verwonderd over de ‘vele plooien’ in mijn vette beentjes. Mijn ouders zeiden dat ik als peuter al dol was op paprikachips. Als zesjarige keek ik uit naar de verjaardag van de beste vriend van mijn ouders, die eigenaar was van een visgroothandel, waar ik me kon volproppen met ­zalmsalade, gerookte paling op toast en haring met uitjes. En als ik na school theedronk met mijn moeder, kreeg ik altijd twee koekjes, ‘want op één been kun je niet lopen’.

De relatie met mijn lichaam ging stuk, maar het moment waarop dat gebeurde is niet aan te wijzen. Zoiets komt langzaam, slepend, tergend tot stand, en opeens is het daar. Zoals een relatie die kapotgaat, waarvan je ­achteraf denkt: er waren al zo veel ­signalen. De opmerkingen die je ­toegespeeld krijgt door vriendinnen (“Wow, schep je nu nóg een keer op?”), de ‘lieftallige’ kneepjes in je buik of zij. Opeens kijk je naar je kinderfoto’s en denk je niet meer: wat was ik ontspannen, wat was het daar mooi. Je denkt: waarom trek ik mijn buik niet in? Waarom poseer ik niet op een flatteuzere manier? Waarom ben ik niet kleiner, dunner, mooier, ­minder van mezelf?

Vinger in de keel

In het derde leerjaar besloot ik vegetariër te worden. Omdat ik het zielig vond voor de dieren, natuurlijk, maar ook omdat het me wel makkelijk leek. Als ik geen vlees meer at, sloot ik een complete voedingsgroep uit. Dan hoefde ik niet meer te beslissen of ik wel of niet het stukje hespenworst at dat de meneer van de slager me ­toestak. Datzelfde principe gold voor chocola. Ik had last van migraine­aan­­vallen (misschien omdat ik zo veel tijd spendeerde aan berekenen hoe ik af kon vallen) en toen ik ergens las dat cacao voor hoofdpijn kon zorgen, stopte ik per direct met het eten van boterhammen met hagelslag.

Op mijn elfde stak ik voor het eerst mijn vinger in mijn keel. Ik had veel spaghetti gegeten en voelde me vol. Ik had in tijdschriften gelezen over boulimia, wat ik interpreteerde als dat je maaltijden ongedaan kon maken door over te geven. Het ging vrij makkelijk en het luchtte op. Het leek ideaal. Op deze manier kon ik gezellig speculaas eten met Sinterklaas, maar kwam ik niet bij. Dat door boulimia je tanden wegrotten, je stem continu hees klinkt, je wangen bol worden, de bloedvaatjes in je ogen springen, je darmstelsel niet meer functioneert, je slokdarm kapotgaat, de meeste calorieën gewoon in je maag achterblijven en je hartritmestoornissen kunt ­krijgen waaraan je kunt overlijden; daar stond ik nog niet bij stil.

Wat ik ook niet had voorzien, is dat het obsessief bezig zijn met eten je honger- en verzadigingsgevoel ­behoorlijk overhoop schopt. Dankzij mijn anorectische trekjes at ik sommige periodes nauwelijks, waardoor mijn lichaam in een spaarstand terechtkwam. Ik werd moe en ­lusteloos. Dat was maar een beperkte tijd vol te houden. Ik kreeg last van eetbuien. Dan schoof ik zonder moeite een hele pizza naar binnen, en een doos koekjes erachteraan.

‘Gezonde basis’

Tijdens een eetbui mocht ik van mezelf dingen die ik normaal niet durfde en kwam ik terecht in een feest van smaken en texturen. Ik genoot ervan om me te laten gaan. Ik genoot ervan om in een zacht broodje met roomboter en hagelslag te bijten, om de warme, gesmolten kaas van een croque-monsieur te proeven en om klakkeloos alle snacks die ik kon ­vinden naar binnen te werken. Ik genoot van de gulzigheid die ik mezelf in het dagelijks leven niet gunde.

Na die eetbuien, die op het dieptepunt bijna dagelijks voorkwamen, werd ik overvallen door een gevoel van walging. Ik voelde me grieperig en mislukt, en maakte plannen over hoe ik het morgen allemaal anders ging doen. Morgen ga ik sporten. Ik ga kleine porties eten. Ik ga mezelf niet uithongeren. Ik wandel overal naartoe. Totdat er iets niet volgens plan ging – mijn toast brandde aan, mijn thee was te sterk, er was opeens ander eten in huis – en ik in paniek raakte. Dan begon het vaste riedeltje – sporten, lijnen, eten, overgeven – weer van voren af aan.

Om nog een beetje grip te houden op de situatie, hield ik me aan allerlei regels. Er waren de standaardregels, die ik al vanaf jonge leeftijd in ­vrouwenbladen las, zoals: ‘eet genoeg eiwitten’, ‘sla nooit een ontbijt over’ en ‘een handje rauwe amandelen is ook een heerlijke snack’ (wie dit ooit heeft bedacht: eet alsjeblieft een keer een zak chips leeg en besef wat leven is). Daarnaast maakte ik regels voor mezelf. Bijvoorbeeld over wat ik ­tijdens een eetbui wel mocht eten (room­ijs glijdt er net zo makkelijk weer uit) en niet (van koffiekoeken blijven te veel restanten achter in je maag). Ik was bang voor geel en beige eten, omdat ik die kleuren associeerde met ongezond: frieten, chips, cake, witbrood, kaas, popcorn. Ik at liever knapperig voedsel, zoals wortels en appels, omdat ik dan dacht dat tijdens het eten al iets van de calorieën werd verbrand. Als ik wist dat ik een eetbui ging hebben (soms voelde ik het aankomen of plande ik het zelfs) begon ik meestal met iets ‘gezonds’, zoals een bak tomaten of droge crackers, omdat ik op deze manier een ‘gezonde basis’ had voordat ik ging overgeven.

In sommige fases van mijn ­eetstoornis was ik enorm gefixeerd op calorieën tellen. Dan hield ik tot op de gram bij wat ik at en schreef schriftjes vol of vulde alles in op mijn fitness­app. Van mijn 17de tot mijn 22ste was mijn leven een plus-en-minsom. Dronk ik ’s avonds een glas witte wijn, dan at ik de dag erna twee appels ­minder. Ik vulde het zelfs in als ik een kauwgompje at (2 kcal) of lightdrankje dronk (2,5 kcal), en heb me met oprechte interesse afgevraagd hoeveel calorieën er in sperma zaten ­(ongeveer 15). In andere fases was ik extreem gefocust op ‘gezondheid’. Dan beangstigde al het bewerkte voedsel me, en at ik liever een hele watermeloen of twee komkommers dan dat ik één licht belegde cracker at of een glas cola light dronk – wat juist weer twee favorieten waren in mijn zo-min-mogelijk-calorieënfases.

Leugens om bestwil

Logica was ver te zoeken. De regels waren er alleen om mezelf enig houvast te geven en me af te leiden van het feit dat ik eigenlijk ongelukkig was. Toen ik het diepst in mijn eetstoornis zat, woog ik het meest. Hoewel eetstoornissen erfelijk zijn, komen ze in mijn familie niet voor. Mijn vader kan eten wat hij wil en blijft een dunne spriet. Mijn moeder is slank en sportief: ze houdt van wandelen, in de tuin werken en crackers met volle kaas. Het eetmoment was belangrijk voor ons gezin. We aten ’s avonds samen aan tafel en namen dan de dag door.

De enkele keer dat iemand mij ‘dik’ noemde – iets dat helaas in ieder meisjesleven voorkomt – heb ik in mijn hoofd zo vaak herhaald dat ik het zelf ook ging geloven. Ik ging het ook zien. Over mijn hele lichaam zag ik een laagje vet. Als ik mijn BMI berekende, had ik geen overgewicht, maar toch was ik volgens mezelf zeker wel dik genoeg om te moeten afvallen. Soms, op een kwetsbaar moment, checkte ik bij mijn vriendje of vrienden of ik echt dik was. Ze zeiden van niet. Maar ja, dacht ik dan, zij waren mijn vrienden, dus dat was vast een leugentje om bestwil. Ik kon het zelf toch gewoon zien? Ik had toch dat kwabje bij mijn navel?

Ik dacht dat anderen het ook zagen. Dat ze achter mijn rug roddelden over hoe dik ik was. Als ik mensen zag lachen, wist ik zeker dat het om mij was. Sommige dagen durfde ik niet naar buiten, omdat ik bang was kennissen tegen te komen die zouden schrikken van hoe lelijk ik was. Andere dagen deed ik dat toch, en als ik mezelf vervolgens per ongeluk in de weerspiegeling van een ruit zag, barstte ik in huilen uit. Toen ik op mijn 22ste met mijn vriend een weekend in Berlijn was, heeft hij over alle spiegels van onze Airbnb doeken gehangen, omdat mijn stemming zo omsloeg als ik mezelf zag. Ik werd dan niet alleen verdrietig, maar vooral ook kwaad op mezelf. Mijn ‘dik-zijn’ was mijn eigen schuld. Waarom was ik nog steeds zo’n vadsige trol?

Muurtje om me heen

Ik kon in twee modi raken: of ik werd een onuitstaanbare feeks, die ging krijsen en schoppen, of – en dit was misschien nog wel erger – ik werd een zombie. Ik staarde voor me uit en zei niets. Ik kon toch niet uitleggen hoe het is om jezelf zo te haten. Ergens wilde ik dat ook niet. Als je een eetstoornis hebt, creëer je een eigen wereld waarin je je altijd kunt terugtrekken. Niemand weet dat jij altijd bezig bent met wat je die dag gegeten hebt, wat je nog gaat eten en wanneer je gaat sporten. Als een gesprek me niet boeide, telde ik de calorieën van wat ik zou gaan eten, of dacht ik aan welke chirurgische ingrepen ik kon laten doen: het vet tussen mijn benen wegzuigen, liposuctie aan mijn armen, fillers in mijn lippen.

Beeld Eva Cremers

Over eten en afvallen praatte ik nooit, omdat ik het dom vond. Ik vond het hebben van een eetstoornis ijdel en niet passen bij mijn imago van een cool girl. Meisjes met eetstoornissen waren grijze muizen met een aandachtstekort. Ik had geen eetstoornis, ik vond het gewoon fijn om met gezond eten bezig te zijn. Ik had een perfectionistische persoonlijkheid, en dat uitte zich dan toevallig ook in eten. Ik had geen dramatisch ondergewicht. Ik ben nooit in het ziekenhuis opgenomen geweest. Een eetstoornis vond ik iets voor rijke, witte meisjes.

Toen ik 9 was, ging ik voor het eerst in therapie. Dat leek mijn moeder een goed idee nadat ik meerdere malen huilend uit school kwam en vertelde dat ik me zo alleen voelde. Ik moest spelen en tekenen terwijl de therapeut me observeerde. Ze zei dat ik ‘een muurtje om me heen’ had, en dat moesten we ‘steentje voor steentje afbreken’. Na een paar keer tekende ik mezelf en mijn vriendinnen, met een regenboog om ons heen. Toen mocht ik stoppen. Ik dacht: ik ben jullie ­allemaal te slim af.

Nachtmerrie

Een paar jaar later, zo rond mijn 14de, zat ik op de humaniora en volgde ik de vooropleiding voor de dansacademie. Mijn obsessieve eetgedrag verergerde. Ik wilde zo min mogelijk eten en zo veel mogelijk sporten, maar dat ging niet zoals ik wilde. Ik kwam bij. Waar ik eerst aan de ondergrens van een gezond BMI zat, was ik nu gemiddeld – mijn absolute nachtmerrie. Niets kon me nu meer schelen. Ik glipte het huis uit om stiekem te blowen of te drinken, was gemeen tegen mijn moeder, haalde onvoldoendes. Mijn ouders waren radeloos en ­stuurden me opnieuw naar therapie.

Ik kwam terecht bij de eetstoornisafdeling van een centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie. Ik begon met gesprekjes, één keer per week. Dat werd twee keer per week. Toen werd ik opgenomen in dagbehandeling en werd er een depressie geconstateerd. Acht maanden lang werd ik elke ochtend opgehaald bij mijn ouders thuis en ’s avonds weer afgezet. Naar school ging ik niet meer. Ik werd in een groep geplaatst met zowel anorexia- als boulimiapatiënten. Onze dagen vulden we met therapie en vaste eetmomenten. Om half 11 at ik een koekje en dronk ik fruitsap, om half 1 at ik drie boterhammen, om half drie een stuk fruit, om half zes avondeten: 200 gram ­aardappels, pasta of rijst, 250 gram groenten en 150 gram vleesvervanger.

Ik denk dat het een mythe is dat eetstoornispatiënten niet van eten houden. Het tegenovergestelde is vaak waar: veel van ons zijn zo gek op eten dat we er geobsedeerd door raken. We zijn bang dat we maar door- en door­eten, totdat we net zo uitgedijd zijn als de mensen in documentaires die alleen nog met een hijskraan het huis uitgetild kunnen worden. Mijn ouders vonden het vreemd dat ik als tiener kookprogramma’s bingewatchte, maar in de eetstoorniskliniek deed iedereen hetzelfde. Stiekem, als de begeleider even de kamer uit was (we mochten onze obsessie met eten niet voeden – no pun intended), zapten wij naar Masterchef. Wat moet dat een treurig gezicht geweest zijn: vijf lusteloze, magere tienermeisjes, met hun holle ogen starend naar het eten waar ze evenveel naar smachtten als een afkeer van hadden.

In die tijd had ik boulimia. Bij ­anorexia eet je niet of nauwelijks, bij boulimia wisselen eetbuien zich af met compensatiegedrag, zoals strikt lijnen, sporten of overgeven. Het rotte aan boulimia is dat je daar meestal aan de buitenkant niets van ziet. Ik had een gewoon, gezond gewicht voor een meisje van mijn leeftijd. Vrijwel alle andere meisjes uit de groep hadden anorexia. Zij waren zó dun, zo extreem mager, dat hun hoofdhaar uitviel en er donshaartjes op hun armen groeiden. Zelfs door hun wijde kleding heen zag je hun uitstekende botten. Waar een niet-eetgestoord ­persoon denkt: wat ontzettend zielig, voelde ik extreme jaloezie. Anorexia was het ultieme doel, datgene waar ik nooit genoeg discipline voor had. We hadden allemaal een eetstoornis, maar bij hen zag je het tenminste. Als ik in de auto naar de kliniek zat, werd ik daar ook dikwijls aan herinnerd door de ziekenhuischauffeurs: “O, zit je in die groep? Met al die dunne ­meisjes? Zij hebben pas écht een probleem.” In de wereld van de eetstoor­nissen staat anorexia bovenaan, zo zag ik dat. Boulimia is voor degenen die anorexia niet kunnen volhouden.

Huilen voor een Snickers

De gedachte achter groepstherapie is dat je elkaar steunt en je je met mensen omgeeft die jou begrijpen. Soms voelde dat ook zo. Als iemand begon te huilen omdat ze moest oefenen met een Snickers eten, dan waren wij vol medeleven; we wisten precies hoe ze zich voelde. Andere keren was de sfeer venijnig. Als ik zag dat iemand haar koek niet opat, maar verkruimelde en in haar mouw liet vallen, werd ik woest. Hoe oneerlijk! Als ik moest eten, dan zij ook! En dat terwijl ik zelf ook de boel bedroog. Vlak voor het weegmoment zei ik dat ik moest plassen, en dan dronk ik stiekem een halve liter water in de wc en stopte ik muntjes in de vulling van mijn beha zodat ik zwaarder was. Omdat ik meer woog dan de rest, werd ik minder scherp in de gaten gehouden en kon ik dat soort dingen doen.

Dankzij de kliniek leerde ik het af om over te geven. De wc’s waren gesloten na het eten en ik kon niet anders dan het gevoel van eten in mijn maag leren accepteren. Dat was fijn, ik wilde zelf ook van die rottige gewoonte af, maar ondertussen verviel ik in oude anorectische gewoonten: ik had strenge regels in mijn hoofd over wat, hoeveel, en wanneer ik mocht eten. Daarbij leerde ik ook trucjes van mijn medepatiënten (ik kreeg opeens de neiging ook springend tv te kijken. Geen aanrader). Ik viel af.

Desalniettemin ging het stukken beter. Dankzij de intensieve therapieën en prozac kwam ik af van mijn depressie. Ik begon weer met school. Ik deed drie schooljaren in één jaar – mijn alles-of-nietsmentaliteit was ik nog niet kwijt. Ik was gelukkig.

Toen ik 19 was, begon ik met studeren en ging ik op mezelf wonen. Het eerste halfjaar ging dat goed: ik was blij met de vrijheid om zelf te kunnen doen en laten wat ik wilde. Toch sloop mijn eetstoornis er langzaam weer in. Ten eerste omdat ik zelf kon bepalen wat ik wanneer ging eten. Ik wist precies hoeveel olie ik in de pan wou en als ik geen wafels in huis wilde, dan kocht ik ze gewoon niet. Daarnaast wilde ik als jonge student graag hoge cijfers halen, nieuwe vrienden maken en in de smaak vallen bij leraren. Mijn eetstoornis was een manier om om te gaan met deze onzekerheid.

Ik bedacht dat het prima was als ik focuste op gezond eten. Ik ontwikkelde orthorexia: een ziekte waardoor je weliswaar eet, maar alleen dingen die jij classificeert als ‘gezond’. In mijn geval betekende dat: niets bewerkts. Ik leerde op YouTube en Instagram over de fruitariërbeweging. Fruitariërs zeggen dat je zo veel mag eten als je wilt, zolang het maar fruit of groenten zijn. Soms deden ze iets wat ze ­‘bananeneiland’ noemden en aten ze dagenlang alleen maar bananen.

Langzaam nam de eetstoornis het weer over. Omdat het zo’n chaos was in mijn hoofd, probeerde ik orde te scheppen in mijn leven. Ik nam mijn studie extreem serieus. Ik ontwikkelde dwangmatig schoonmaakgedrag. In mijn huis, door een vriend ooit liefkozend omschreven als ‘een soort ziekenhuis, zo klinisch schoon’, zag ik overal viezigheid en stof. Als mijn lief langskwam, wilde hij soms meteen weer vertrekken als hij zag dat ik in een schoonmaakmanie beland was. Dan zat ik op mijn knieën drie uur lang de plinten te schrobben.

Toen het lente werd en iedereen naar buiten wilde, sloot ik mezelf ­liever op. Die zomer ging ik toch naar een festival. Iemand van mijn middelbare school kwam op me af: “Wat zie jij er goed uit!” Ik werd gefotografeerd. Thuis moest ik huilen om hoe dik mijn arm leek op de foto.

Na een familievakantie met veel huilbuien, onder meer omdat het servies een ander formaat had dan ik gewend was, besloot ik – onder lichte dwang van mijn moeder – weer in therapie te gaan. Dit keer startte ik bij Human Concern: een eetstoornis­kliniek met ervaringsprofessionals. De therapeuten hadden allemaal zelf een eetstoornis gehad. Voor de eerste keer in mijn leven kreeg ik hoop dat ook ik ervanaf zou kunnen komen. Ik ben weer bijna vier jaar in behandeling geweest. Dat maakt een totaal van zo’n 6,5 jaar, oftewel een vierde van mijn leven.

Geen medelijden, please

Voor mij voelde mijn eetstoornis als een verslaving. Of je nu alcohol drinkt, veel seks hebt, drugs gebruikt of bezig bent met eten: het leidt af van onderliggende gevoelens. Ik ben lang verslaafd geweest aan het denken aan eten. Toen dokters tegen me zeiden dat het beter ging, voelde ik iets dat nog het meest in de buurt komt van rouw. Ik wilde doorgaan met mijn ­eetstoornis totdat ik een écht dieptepunt zou bereiken – al wist ik dat dat onmogelijk was, omdat je je grenzen steeds verlegt. Gedurende mijn ­eetstoornis dacht ik ook vaak: als je niet aan eten denkt, waar denk je dan in vredesnaam aan?

Nu pas kan ik zeggen: ik ben over mijn eetstoornis heen. Ik heb geleerd mijn emoties te herkennen (een eetstoornis vlakt nogal af) en uit te spreken. Ik probeer nu meer toe te geven aan mijn gevoel. Te denken: waar heb ik zin in? Dat kan op kleine schaal (wat wil ik dragen vandaag) of op grote schaal (hoe zie ik mijn carrière voor me). Ik probeer te accepteren dat het leven niet altijd leuk is en dat dingen niet altijd goed hoeven te gaan. Ik ­probeer lief te zijn voor mezelf als ik dingen verkeerd doe. Ik besef dat gevoelens tijdelijk zijn en zelfs de grootste pijn weer weg kan ebben.

Toen ik naar buiten liep na mijn laatste therapiesessie, werd ik overvallen door verdriet. Ik was blij dat het afgelopen was en toch voelde ik me treurig. Zo lang was ik bezig geweest met de toekomst: als ik vijf kilo lichter was, dan zou ik gelukkig zijn. Nu ik officieel genezen ben, moet ik die hoop laten varen. Mijn eetstoornis blijft een zwakke plek. Als ik me onzeker voel, is mijn eetpatroon het eerste dat ik wil aanpassen. Ik vind een mager lichaam nog steeds mooi. Ik kan mijn lichaam van vroeger idealiseren. Dat vind ik echt rot, en ik probeer eraan te werken. Want ik weet ook hoe lekker pizza is. En sushi, en kaas, en chocola. Een eetstoornis voldoet niet altijd aan alle clichés. Een eetstoornis bestaat in alle culturen, bij alle genders en op alle leeftijden. Het hangt niet samen met gewicht. Het gaat niet om het eten, maar om de onzekerheden daarachter. Mensen met een eetstoornis vinden zichzelf niets waard en willen zichzelf straffen.

Het laatste dat ik met dit verhaal wil bereiken is medelijden. Het is geen bijzonder verhaal, het is een verhaal dat voor vele vrouwen en mannen een dagelijkse realiteit is. De gedachten die ik had tijdens mijn eetstoornis heb ik nog nooit aan iemand verteld, omdat ik me er zo voor schaamde. Ik was bang dat mensen me vies, dom of raar zouden vinden. Nu wilde ik mijn verhaal vertellen, in de hoop dat meer mensen hun verhaal willen vertellen. En dat daarmee alle schaamte die bij een eetstoornis komt kijken een beetje verdwijnt.

Wat je beter niet kunt zeggen tegen iemand met een eetstoornis

Wat zie je er gezond uit!”Gezond is gelijk aan dik in onze hoofden. We krijgen vaak te horen dat we er gezond uitzien als we bijkomen. We willen niet gezond zijn; we willen mager zijn.

”Wat schep jij goed op!” /“Wat ben jij goed aan het eten!”: Alsjeblieft, we zijn al zo bezig met eten, leg er niet nog meer de focus op. We willen ons geen vreetzak voelen.

”Ben je afgevallen?”Geen opmerkingen over ons lichaam, please. Ik werd er blij van als mensen dat tegen me zeiden, maar besefte ­tegelijkertijd dat het een ‘zieke’ ­gedachte was als ik er blij van werd. Dat leverde complexe emoties op.

”Je kunt nooit helemaal herstellen van een eetstoornis.”:Hoe vaak psychologen en psychiaters dat tegen mij gezegd hebben is ­onvoorstelbaar. Ik geloof wel dat het mogelijk is. Hulpverleners zouden je dat vertrouwen moeten schenken.

”Dan eet je die koekjes toch gewoon niet?”: Het eten of niet eten domineert ons. Het voelt niet alsof we een keuze ­hebben. Plus: dat kunnen we zelf ook wel bedenken, het lúkt alleen niet.

”Als je een eetbui voelt opkomen, ga gewoon een rondje wandelen/iemand bellen/afleiding zoeken.”: Vraag liever aan de persoon zelf wat diegene graag doet om afleiding te zoeken, en zoek samen naar een ­oplossing in plaats van advies te ­geven.

‘Feminist fataal’ door Dorien van Linge is uitgegeven bij Das Mag, 24,99 euro

Zelf last van een eetstoornis? Zoek hulp, bijvoorbeeld via proud2bme.nl/hulp

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234