Zaterdag 19/10/2019

interview

Jan Mulder: "Ik zou dolgraag eeuwig leven"

Jan Mulder: "Om nou ook nog te moeten doodgaan... Kom op zeg. Wie heeft dat bedacht?" Beeld jef boes @ initials la / Assiten

Ja, er zijn tóch Hollanders op tv tijdens het WK voetbal. Eentje zal zelfs weer de show stelen, want dat is wat analist Jan Mulder nu eenmaal altijd doet. "Soms weet ik: nú moet het gesprek een andere wending krijgen."

In een klein dorp hier ver ­vandaan woont Jan Mulder. Hij kan er de Nederlandse Wadden ruiken, maar zijn hart, en dat van Johanna, al vijftig jaar zijn vrouw, ligt in Brussel. “Daar begon ons leven. Ik vind het zo fijn als ik nu door die stad loop. Met niks kan ik zielsgelukkig zijn. Met helemaal niets. Het feit dat ik er sta.”

Op dat laatste woord legt hij de klemtoon. De ‘a’ trilt nog een poos na. Het is een genot om naar hem te luisteren. Het is zijn intonatie; het is een woord in de mond laten rijpen en dan met kracht die passie verraadt, ­afvuren op zij die hem willen aanhoren. Trefzeker. Alsof hij nog steeds die spits is van weleer, die hij al veertig jaar niet meer is en uiteindelijk ook maar tien seizoenen was: zeven bij Anderlecht en drie bij Ajax.

En toch, soms tellen jaren dubbel en meer. “Mijn leven is goed omdat ik bij Anderlecht gespeeld heb.” Hij zegt het ­zonder ironie, ook al weet je dat bij hem nooit helemaal zeker.

Afbouwen. Dat was hij van plan te doen, enkele jaren geleden. Hier en daar nog wat columns schrijven, dat wel nog, maar meer niet. “Ik weet niet waarom. Gewoon langzaam stoppen. Maar toen wou Matthijs van Nieuwkerk me in De wereld draait door ­hebben.” De voetbalprogramma’s in België volgden. Weg pensioen.

Wie is Jan Mulder? 

* Geboren op 4 mei 1945, Bellingwolde (Groningen) * Is 50 jaar getrouwd met Johanna; twee zonen Youri en Geret. * Begon zijn voetbalcarrière in Winschoten, en kwam in 1965 in Anderlecht terecht. Begin jaren 70 trok hij naar Ajax.  * Columnist bij Humo, Het Laatste Nieuws. Eerder ook bij Het Nieuwsblad, en in Nederland bij o.a. de Volkskrant, de Tijd en Elsevier. * Voetbalanalist bij Extra Time (VRT) en graag geziene gast bij EK's en WK's en in het Nederlandse actuaprogramma De wereld draait door. * Presenteerde op Vier Dwangers * Is niet meer echt sportief. Af en toe traint hij zijn bovenbenen nog, met een blik tomatenpulp of sperziebonen in een zak.

Binnenkort onderzoekt hij op de Nederlandse televisie het eeuwige leven, daarover straks meer, en mag hij commentaar leveren bij de WK-wedstrijden aan tafel bij Karl Vannieuwkerke, maar tijdens het jaar doet hij het wekelijks met Frank Raes in Extra Time. “Dat gekke gedoe”, zegt hij met veel warmte. Hij heeft er nota bene elke week een autorit van vijf uur voor over. Dat doet hij naar eigen zeggen al juichend, en met Klara op de achtergrond. In tv-programma’s zorgt hij vaak voor lichte opwinding. Hij is zowel olijk als dwars en dat tegelijkertijd. En ja, dat is een rol maar toch ook niet. In de wereld van Jan Mulder telt zwart-wit niet. Zo is hij tégen de VAR (video assistant referee), maar ook vóór. Tégen de play-offs want “onrechtvaardig!”, maar ook vóór, want “spannend!”

“Ik haat dat cliché-analistengedoe. Je kunt, vooral wat betreft voetbal, in een tunnel zitten. Ik kan daar niet goed tegen en dan krijg ik iets dwars. Atletico Madrid wordt gezien als een defensief uitstekend elftal, vind ik ook wel, maar als ik daar in een wedstrijd verdedigend geknoei zie, zeg ik dat Atletico defensief niet goed is, bijvoorbeeld.

“Soms bekruipt mij in zo’n talkshow het gevoel van: nu moet het gesprek een wending krijgen. Nou hebben we genoeg over het middenveld van SK Lokeren gesproken. Ik vind dat zo’n programma onderhoudend moet zijn. Ik kan dan wel eens wat geks zeggen. Fuck the system! Of ‘dom blondje’ tegen Mathilde toen ze een keer zo enthousiast omhoog sprong en mij uit het publiek de vraag werd gesteld of ik de koningin leuk vind. Dat is dan ook lekker. En dan krijg ik die naam. En dan zeggen ze mij: ‘Jan, zeg eens iets geks.’ Maar zo bijdehand ben ik helemáál niet. Op een gegeven moment wordt dat als een maniertje beschouwd. Ja, daar komt Jan weer. Maar meestal ben ik dan net bloedserieus.”

Rommelzolder

“Gek genoeg ben ik een voetballertje pur sang vanaf mijn zesde, maar ik ben niet blind. Ik zie wel waar het aan schort, op zo’n veld, aan het gedrag van spelers. Maar ik ben ook niet de doorsnee voetbalanalist. Ik sta er gek genoeg goed buiten. Ik ben geen liefhebber van tactische varianten. Die zijn van ondergeschikt belang. Ik ben een realist. Degene met de beste techniek wint. Al doet die het met de slechtste tactiek. Zo zit het in elkaar. Messi wint. Ik zou niet deugen als trainer. Ik zou namelijk beginnen te zeggen in de kleedkamer: ‘Jongens, ik spreek, maar luister niet naar me. Veld op en we gaan beginnen.’”

Zich voorbereiden op het WK doet hij niet. “Ik heb vijftig jaar voetbal in mijn hoofd. Als je mij vraagt: ‘Weet je nog die dribbel in de Cup Final van ’53?’, dan weet ik dat nog wel. Het is een opslagplaats van jewelste, deze kop.”

Vanuit de andere kamer schaterlacht Johanna, zijn vrouw. Tijdens het gesprek zal ze heen en weer lopen en zogezegd niet meeluisteren, maar het toch allemaal gehoord hebben. Het spoort Mulder aan om nog wat luider in haar richting te praten: ”Het is een rommelzolder, maar het ligt erin”. Johanna bevestigt plagerig: “Het ligt er zeker”.

“Ja, dom gepraat over voetbal, nou vergeet het maar. Dat is allemaal heel goed onderlegd en gedocumenteerd en het gaat om een gevoelsintelligentie over het spel. Ik vind dat prachtig. Miljarden mensen leven op voetbal. Dat is onbegrijpelijk, maar het is toch waar. Vrede op aarde en het spel. Het spel. Als dat niet ontaardt in een slachtpartij op het voetbalveld, als het buiten met die fans en zo rustig blijft, dan blijf ik dat beeldschoon vinden.”

Wordt het deze keer iets met De Rode Duivels? “Kampioen hoeven ze niet te worden, maar het moet wel beter dan de vorige keren. Met angst en beven zien we dat tegemoet. Weet je wat het is? De gewoonte. Duitsland en Brazilië die gaan ervan uit dat ze winnen. Ze doen het gewoon. Ze zijn niet bang. Dat komt ook omdat die grote landen zo’n toernooi volmaakt voorbereiden. Dat is systematisch opgebouwd. De weg naar de finale. Dat zit ’m in de organisatie, maar ook in dat collectieve geheugen van spelers en publiek. Dat erf je bijna. Nee, die gewoonte hebben de Belgen nog niet.”

Jan Mulder: "Kampioen hoeven de Belgen niet te worden, maar het moet wel beter dan de vorige keren." Beeld jef boes @ initials la / Assiten

Kloppende meisjesharten

Zelf op dat veld staan zit er al veertig jaar niet meer in. Het zij zo. “Ik heb nooit het gevoel als ik nu een wedstrijd kijk: goh, wat jammer dat ik niet meer speel. Helemaal niet. Maar als ik eerlijk ben, was dat wel het mooiste wat me ooit is overkomen.”

In een fractie katapulteert Jan Mulder zichzelf terug in de tijd. Alsof hij weer die jongen is van toen hij nog speelde. Zijn stem gaat met hem aan de haal. “Ja!  Het stadion. Het geluid. Het publiek. De arena. Het is een beetje kinderlijk, maar ik krijg bijna kippenvel nu ik het zeg. Dat gevoel. Die hartstocht van het publiek. Langzaam maar zeker zien ze een doelpunt ontstaan, dankzij jouw schit-ter-ende dribbel. En de meisjes hun hartjes horen kloppen. Wat wil je nog meer?

“Ik heb voor het publiek gespeeld. En voor mezelf, natuurlijk. En dan die mooie grasmat. Als je ziet waar wij vroeger op speelden, je gelooft het niet. Modder?Alleen maar. Nu ligt dat allemaal zo schitterend, voordat er een speler oploopt, geniet ik al van dat kunstwerk. Die lijnen, dat strakke. Het is abstracte kunst. Prachtig beeld.

“Kijk, het voetbal is tien keer beter dan toen ik speelde, en véél mooier. De techniek van die kunstenaars als Messi, Neymar, Salah, Ronaldo: bloedmooi is het. Dat zag je in mijn tijd niet. Maar over het algemeen is de sport veel te hard geworden én van een gecommercialiseerde gevaarlijke onzin. Dat eindigt in een catastrofe. Dat wil zeggen: over zes,  zeven jaar voetballen er nog acht clubs.  BMW sport, Nike FC, Shell United, en nog iets van Qatar. Het is nu al half zo. Sjeikvoetbal. Ver weg van die leuke sport in de dorpen en steden.”

Met een krak in de stem en een octaaf later gaat hij verder: “Voetbal is ook: een vrouw achter het doel van haar man. Voetbal is traditie. Maar als het geld het wint, dan...” De pauze die hij laat vallen is relatief lang, dreigend en niets van dat alles. “Dat is niet gezond. Anderlecht is groot geworden door een Paul Van Himst, geboren daar in de buurt, als achtjarige lid van Anderlecht en er bijna zijn hele leven gebleven. Nu, als je twee keer in de kruising een bal schiet, dan betalen ze 40 miljoen voor je. Voor de zekerheid. Voordat iemand anders je inpikt. Dat gaat zeer ten koste van clubs als Anderlecht en Ajax. Ook het profijt van zo’n groot talent. Je kunt er maar een paar maanden van profiteren en dan zijn ze weg. De vader en moeder krijgen drie miljoen euro. Ernstige business.”

En dan pakt de tegenstrijdige Mulder het over. “Ja, natuurlijk zou ik vandaag nog willen spelen. Dan had ik nu niet in dit dorp gewoond, maar op zes schepen tegelijk in de Middellandse Zee.” Onmiddellijk gevolgd door: “Ik hoop dat je enige ironie in mijn stem hoort. Daar verlang ik helemáál niet naar. Maar ja, soms, ik moet ook wel bekennen, snap ik wel dat jongens die 30 miljoen per jaar kunnen verdienen naar China gaan. Daar heb ik geen enkele kritiek op. Ik ben ook niet jaloers. Dat is zo goed te keuren, vind ik.”

Kinderlijk karakter

Voetbal bezorgt hem nog steeds kippenvel en te zeggen dat zijn glansrijke, dat wel, carrière zo kortstondig was. “Ik ben heel droevig aan mijn einde gekomen. Een blessure. Nog geen 29. Maar kijk, ik heb bij Anderlecht en Ajax gespeeld. Ik ben er dolgelukkig mee. Mijn droom als jongetje is helemaal uitgekomen.

“Nee, ik heb een vrij naïef en kinderlijk karakter zo nu en dan, maar dat einde heb ik als een man gedragen. Ja. Ik  heb geloof ik wel zitten mokken. Het is ook niet het stoppen, maar wel het jaar dat eraan voorafgaat. Dat is zwaar. Ik heb veel ziekenhuizen gezien. 

“Ach man. Dat alleen trainen terwijl die andere jongens naar een wedstrijd gaan. Daar werd ik doodop van. Ik was blij dat het afgelopen was. Weet je wat ik ook altijd leuk vond? Samen in de bus. De ploeg, het teamverband. Ik was een individualist, maar ook heel erg een teamspeler.”

J
an Mulder speelde aan de zijde van een gouden generatie, daar in dat destijds grote Anderlecht. Paul Van Himst, Jef Jurion, Laurent Verbiest, om er maar een paar te noemen.

Jan Wauters, die meer dan bespraakte voetbalcommentator, vond hem niet de beste speler, wel de mentale leider. “Nee. Ik was helemáál geen leider. Maar dat zagen de Belgen wél in mij. Ik ben namelijk een Hollander en Belgen zijn gemoedelijker en zachtaardiger en een Hollander gaat voorop in de strijd. Ik was een enthousiaste spits en snel, maar als je me het op de man af vraagt: ik was mentaal juist niet zo goed. Snel ontmoedigd door een slecht veld, of een bal die te stroef was, of kousen die te vaak gewassen waren. Ik was een klager.

Jan Mulder: "Volgens Jan Wauters moest een goede spits een fors geslachtsdeel hebben." Beeld jef boes @ initials la / Assiten

“Later hoorde ik dan wel eens jongens, en daar schrok ik echt van, jongere spelers die bij ons in de ploeg kwamen. Die waren bijna bang voor mij, zeiden ze. Agressief. Dat vond ik erg om te horen. Ik was heel erg woedend, verbaal dan, als iemand niet zo goed was als ik. Ik schaam mij. Zo heb ik dat niet ervaren, maar ik geloof dat het wel waar is. 

“Jan Wauters had wel meer speciale opvattingen, hoor. Geweldige verslaggever, fijne man. Maar die hield er ook een theorie op na en hij kon het weten, want in mijn tijd stonden de journalisten vijf minuten na de wedstrijd bij de douche, en volgens Jan moest een goede spits een fors geslachtsdeel hebben. Je kunt dat zien, zei Jan. Het lijkt me betrekkelijke nonsens. Meer zeg ik niet. Hij zei dat dan heel serieus tegen mij. Ga maar na. Hij had, ik geef toe, originele, maar rare standpunten soms.

“Ik wil zelfs geen leider zijn. Geen ambitie voor. Ik geef alles wat ik met mijn talent bezit, en dan moet een trainer of een directeur van een bedrijf, of de televisiemaker maar zien wat die daar mee doet. En ik wil me dan een beetje schikken, maar niet te veel.”

Saaie minnaar

Jan Mulder staart voor zich uit. Dat doet hij als hij nadenkt. Of hij luistert naar de geluiden die zijn vrouw Johanna in de kamer ernaast maakt, dat zou ook kunnen. “Ik ben geen strateeg of zo. Ik doe alles op het kleine talent dat ik heb. Ik denk ook niet na over mijn weg in het leven. Toeval. En ik zie wel. Dat ik geblesseerd geraakt ben – ik heb wél spijt dat ik Anderlecht verlaten heb, dat is een vlek, ik ben een één-clubspeler – heeft mijn leven zo gunstig beïnvloed.

“Ik ging toen gewichtstraining doen op een etage boven een café, het beroemde Scheltema in Amsterdam. Daar zaten kunstenaars, journalisten, schrijvers, weet je wel. En dat heeft mijn leven een andere wending gegeven.”

De geblesseerde voetballer werd columnist. Veertig jaar lang schrijft hij ondertussen stukjes. Hij had zelfs jarenlang een wisselcolumn met de schrijver Remco Campert op de voorpagina van de Volkskrant. Dat doen hem niet velen na. En toch. In eerste instantie vond hij niet dat hij er talent voor had. “Ik ben een laatbloeier. Niet zo in het voetbal, maar in andere dingen wel. Ik ben zo’n schooljongen, maar ik ben niet helemaal dom. Ik kan nu een stukje schrijven, in zekere zin. Ik ben geen schrijver. Ik ben een beschrijver.

“Taalgevoelig ben ik. Mijn vader was dat ook. Verbaal sterk. Ik hou van woorden, lezen, schrijven. Heerlijk. Het ene woord lokt het andere uit. Dat vind ik zo’n wonder. Dat vind ik een hoogst genot. Maar niet zoals voetbal, hoor. Het zou me niets kunnen schelen als geen mens het leest, maar het moet wel gepubliceerd worden. Dat wel. Als ik alleen op een eiland zou wonen, zou ik niet schrijven. Bomen schaven en in het zand lopen.

“Ik ga ervan uit – maar dat is misschien ook mijn verlegenheid – dat er geen kip in geïnteresseerd is. Ik heb geen geldingsdrang als schrijver. Dat had ik als voetballer wel. Dat komt door het feit dat ik een voetballer ben. Ik ben een speler. Een jongetje dat droomde van een stadion. Daar klamp ik me met alles wat ik heb aan vast. Mijn leven is goed omdat ik bij Anderlecht gespeeld heb.

“Ik hou van Anderlecht. Ik kende alle supporters die op training kwamen bij naam. Ik zat altijd tussen die supporters. Die oude mannetjes, vrouwen, weet je wel. Ik trok ook veel op met de terreinknechten. Daar stond ik graag bij. Gaf ik alles wat ik had. De liefde voor het veld, dat zag ik dan en dat vond ik fijn.”

Tussendoor geeft hij mee dat het met Marc Coucke, de nieuwe eigenaar van Anderlecht, wel goed komt. Dat hij tenminste geen rijke Thai of sjeik is. En dat hij zich weert in de media kan hij ook wel appreciëren.

De liefde voor zijn club Anderlecht is niet groot, maar groots. En even trouw is hij zijn vrouw Johanna. Vijftig jaar al. “Ja, ik ben een saaie minnaar.” De lach die volgt is dubbel. Ja, er waren minnaressen. “Ik ben niet van steen.” Hij brengt ze zelf in het gesprek aan en voegt eraan toe dat zijn Johanna ook niet onderschat mag worden. “Ze is een gevaarlijke vrouw.” Johanna kan het niet laten zich te moeien, ze roept: “Dat zegt hij alleen maar om zich zelf vrij te pleiten”.

Eventuele wonden zijn duidelijk geheeld. Onverstoord gaat Mulder verder. “Ik voel het goed aan. Bij Johanna zag ik het. Niet dat ik vijftig jaar getrouwd wilde zijn, maar daar heb ik nooit een seconde aan getwijfeld. Het is verwantschap. Ja, vertrouwdheid en dat voelde ik bij Anderlecht ook meteen. Dat gebeurt intuïtief en dan kun je er nog wel naast schieten, hoor. Je moet ook ontzettend geluk hebben. Toeval brengt veel ellende voort, maar bij mij niet.

Beeld jef boes @ initials la / Assiten

“Maar je moet zelf ook wel een kans pakken. Kijk, mijn vader en moeder zeiden ook: ‘Jan, Jan, Brussel?’ Wij woonden in Winschoten (nabij Groningen, red.). En in zekere zin hadden ze gelijk, dacht ik achteraf. Je kunt bij zo’n voetbalclub in de handen van een verkeerde trainer komen en drie maanden later speel je bij Roeselare, hè.

“Dat was bij Anderlecht allemaal heel erg prettig. In wezen was dat toen een amateurclub, net als het clubje waar ik vandaan kwam in Winschoten. Dezelfde bestuursmanieren, leuk en warm. De kantine – ik at daar elke dag. Ik heb me daar vanaf de eerste dag als thuis gevoeld. Dat helpt natuurlijk wel. Dat is nu wel allemaal anders hoor.

“Als een kans zich voordoet, dan moet je het wel doen. Dat was met het schrijven ook zo. Ik schreef een eerste stukje op vraag voor het weekblad De Tijd in Nederland, maar het tweede stukje ben ik ongevraagd zelf gaan inleveren. Omdat ik het gevoel had: dit wil ik doen. En Johanna zei tegen mij: ‘Dit ga je toch niet je leven lang doen?’ En ik zei: ‘Ja, ik denk het wel.’ Ik weet niet waar ze aan dacht op dat moment – financiën, misschien?”

Dagen zwijgen

Dat schrijven van stukjes heeft hem geen windeieren gelegd, integendeel. Bij zijn transfer in 2015 van Het Nieuwsblad naar Het Laatste Nieuws kwam er kritiek. Grootverdiener Jan Mulder. Geldwolf. De bedragen die genoemd werden, waren dan ook hoog, erg hoog. Iets met vijf nullen.

“Daar kon ik helemaal niets aan doen. Nee. Ik schreef stukjes voor Het Nieuwsblad voor 300 euro. Ik deed het helemaal niet om het geld. Maar toen kwam het WK voetbal en zat ik elke dag bij de VRT, en werd ik opeens bekend in België. Telefoon van Het Laatste Nieuws: we bieden je zoveel, ik denk 100.000 euro. Ze zijn tegen elkaar beginnen opbieden. Nou, ik vond het best.

“Kijk, er stonden toen stukjes in de krant: ‘Jan Mulder krijgt 5.000 euro voor een column’. Helemaal niet! Nee, Het Laatste Nieuws heeft mij een contract aangeboden. Man, ik stond vanachter op bussen; ik was toen een soort populair uithangbord, veel minder columnist dan een gezicht, een naam. Ze hebben me ingezet voor spotjes. Nou, Het Nieuwsblad had me eerder beter moeten betalen in plaats van plots in dat opbod mee te gaan.”

Omgaan met kritiek blijkt niet zijn sterkte. “Als voetballer ook al niet. Als mijn naam niet in de krant stond na een ­wedstrijd, dan dacht ik: wat is dat voor een onrechtvaardigheid. Dat moet je als – ik wou kunstenaar gaan zeggen – als ­voetballer moet je een soort geldingsdrang hebben. Maar ik was wel snel terneergeslagen bij kritiek. Zwakke mentaliteit. Zwak. Da-gen zwij-gen. Ik overdrijf een beetje, maar in de kern vind ik mezelf mentaal niet sterk bij tegenslag.”

Afgelopen jaar had Mulder af te rekenen met spierreuma. Draaien in bed werd moeilijk, schouderpijn als hij uit de auto stapte. Hij kreeg een kuur voorgeschreven en die triggerde ­diabetes.

“Moest ik insuline spuiten, en toen had ik ineens een verschrikkelijke smaak in mijn mond. Ik kon niet meer eten. Viel in veertien dagen 15 kilo af. Ik heb het nu nog. Een afkeer van voedsel. Ik weet niet waarom. Ik heb toen allerlei onderzoeken, kijkoperaties in mijn keel ondergaan. Dan moet je toch een paar keer naar zo’n afspraak, en dan ben je toch nerveus. Ja meneer, u hebt keelkanker of zo. Maar ik was zo gezond als een vis. Wat het wel is, dat hebben ze niet kunnen achterhalen.

“Wel lastig hoor. Het slijt heel langzaam. Maar goed, je ruikt het niet. Daar was ik een beetje bang voor. Verdorie, als ik dan zo’n vrouwelijke fan moet kussen. Zo eentje­ ­tussen de zestig en tachtig, die nog bij Anderlecht wezen ­kijken is, die kus ik dan. Dan wil je niet uit je mond rieken. Daar was ik wel een beetje down van. Maar verder niet. En ja, ik heb hoogtevrees. Ik ben bang in een dakgoot.”

Leuk meegedaan

Leeftijd doet hem naar eigen zeggen niks, uit zijn mond klinkt dat zo: “Ik haat doodgaan. Het systeem deugt niet. Er bestaat ook heel veel leeftijdsdiscriminatie. Dat merk ik aan grapjes. Voor de zoveelste keer krijg ik dan te horen dat Jan dat beter kan uitleggen. En dan zeg ik: ‘Ja, want ik kom uit de middeleeuwen.’ Dat vermoeit wel.

“Ach, het is een bijkomstigheid van het ­keiharde feit dat ik straks 75 word. Maar niet getreurd, in augustus begin ik op de Nederlandse televisie met een zesdelige ­televisieserie over het eeuwige leven. Een ­onderzoek naar wat al mogelijk is. Ik zou ­dolgraag eeuwig leven. Sorry televisiekijkers. God beware eeuwige Jan!”

Hij laat er een luide en aanstekelijke lach op volgen, maar hij meent het wél. “Ik begrijp niet dat er mensen zijn die dat niet willen. Ik ben geboren, waar ik niet om gevraagd heb, maar om nou ook nog te moeten doodgaan. Kom op zeg. Wie heeft dat bedacht? Nee, ik wil graag honderden jaren leven. Tienduizend. En als ik opnieuw kan kiezen voor een leeftijd, dan vijftig. Geestig. Een beetje leven in de brouwerij. Letterlijk.

“Ik moet er niet aan denken dat ik dit mis. Een ­restaurant. Een brasserie. Het leven erin. Een mooie vrouw of man. Dat allemaal niet? Nee, daarvoor heb ik dat te lang gedaan om daar afstand van te kunnen nemen. Geen haar op mijn hoofd dat eraan denkt.”

Terwijl Johanna pakketjes met heerlijke boterhammen in onze handen duwt voor de lange terugreis, begint Mulder aan zijn slotpleidooi. “Nee. Niet alles wat ik wil, lukt. En dat lukken is dan toch tot op een bepaald niveau. Zelfs bij het voetbal kun je zeggen: ik vind dat het gelukt is, maar als je de hoogste maatstaf neemt, dan niet. Ik heb Anderlecht geen Europees kampioen gemaakt, ik heb gewoon heel leuk meegedaan. Geen WK gewonnen. Ik was een goede spits en dat ik een Anderlecht-speler was, is voor mij meer dan geslaagd.

“In wat ik belangrijk vind, ben ik niet mislukt. Als vader van mijn twee jongens, helemaal goed. Met mijn Johanna. En met al mijn minnaressen: redelijk goed gedaan. Laat ik het zo zeggen: mijn leven vind ik wel gelukt. Ja. Ik hoef niet naar de psychiater te rennen. Maar ik durf al eens dubbel te zijn. Nou, om de waarheid te kennen van mensen, wat mensen écht vinden, moet je wat ze zeggen omkeren. Bijna altijd. Ga maar na. Dus als ik zeg dat ik geen psychiater nodig heb, dan bedoel ik waarschijnlijk diep van binnen: het wordt tijd om een keer een goed gesprek aan te gaan.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234