Woensdag 15/07/2020

GetuigenisLeander Verdievel

‘Ik wou niet meer liegen, dus zei ik het zoals het was: ‘Ik ben onvruchtbaar’’

Leander Verdievel: ‘Adoptie is een ontzettend delicaat, gelaagd, onzeker en fragiel proces.’Beeld Thomas Sweertvaegher

Leander Verdievel (36), auteur van de succesvolle tv-reeks Gevoel voor tumor, werd onvruchtbaar na een behandeling tegen kanker. Zijn wens om vader te worden bleef daardoor lang onvervuld. Tien jaar om precies te zijn. Het werd een tragikomedie van wachten, wenen en glimlachen. Maar het kwam goed. Hier schrijft hij hoe dat gebeurde.

Een netjes geföhnde man – duidelijk een ingehuurd, compleet onrepresentatief model – zit ontredderd op de rand van het bed, de handen iets te theatraal voor de mond gevouwen. Op de achtergrond ligt een vrouw – duidelijk een ingehuurd, compleet onrepresentatief model – onverzadigd en duidelijk ontevreden te mokken met de armen gekruist. In de periode waarin chemo door mijn lijf pompte tegen levensbedreigende lymfeklierkanker en bijgevolg onvruchtbaarheid mijn schaamstreek stormenderhand veroverde, ging ik wanhopig op zoek naar verhalen van mannelijke lotgenoten. Ik was 23. Het enige dat ik vond waren die irritante clichéfoto’s. Probeer het zelf eens: tik ‘man onvruchtbaar’ in en je snapt direct wat ik bedoel.

Ik heb er lang mee geworsteld, ik was kwaad dat die kutkanker ook dat deel van mijn lijf had verwoest. Ik praatte mezelf een schuldgevoel aan en hoe vaak mijn vrouw ook herhaalde dat ik er helemaal niets aan kon doen, het maakte me kapot. Onvruchtbaar: dat is een schrale akker waarboven kraaien rondcirkelen in de ijdele hoop iets levends uit de kapotte grond te kunnen snaaien.

Plan B

Al sinds de eerste dag dat we samen waren, wisten Karen en ik dat we kindjes wilden. Liefst veel. Maar ook niet te veel. Een achterbank van een auto vol, zoiets. Nu kon dat niet meer. Of in elk geval niet volgens het standaard romcomscenario waarin jongen en meisje verliefd worden en seks hebben die negen maanden later culmineert in een naar zeeën van Zwitsal geurende wolk van babygeluk. Nope, dat zou niet meer lukken. Gelukkig had ik wel een plan B in de diepvriezer. Want net voor ik een eerste bombardement aan chemo over me heen kreeg, raadde mijn hematoloog me aan mijn zaadcellen in te vriezen ‘omdat er een kans op onvruchtbaarheid bestaat’. Dus vertrok ik meermaals naar de dienst fertiliteit; maar nooit kwam het in me op dat dit later weleens nuttig zou zijn.

In 2008 begonnen we aan onze eerste ivf-poging. Als je als koppel vruchtbaarheidsproblemen hebt, voel je schaamte, omdat je denkt dat je de enige op deze planeet bent met die problemen. Ik noem het de omerta van de onvruchtbaren. Pas toen we de deur van de wachtkamer opentrokken, werd duidelijk dat we met veel meer zijn en dat er in onze maatschappij een club bestaat van mensen die niet zomaar een kindje kunnen krijgen. Zowel in België als in Nederland is dat voor een op de zes koppels moeilijk. Opeens zaten wij erbij: in de kinderwensclub.

Zonnebloemmutsjes

En dan zit je daar, op een ontiegelijk vroeg uur in een wachtkamer met babyfoto’s van Anne Geddes aan de muur. Je kent ze wel, die baby’s in bloemkolen of met zonnebloemmutsjes op. In bijna elke wachtruimte hangen ze en meermaals – na de zoveelste mislukte poging – stond ik op het punt ze in een bui van razernij van de muur te rukken. Maar toen, bij die eerste poging, was alles nieuw en waren we nog heerlijk naïef, doordrongen van hoop en een rotsvast geloof in de medische wetenschap. Onverstoorbaar optimistisch begonnen we aan een all-inreis rond de wondere fertiliteitswereld met tussenstops in pittoreske plekjes als Clomid en Pregnil.

Ik had mijn schaamte over mijn onvruchtbaarheid een plaats gegeven. Lang kon ik er met niemand over praten, want ja, hoe begin je aan zo’n gesprek? Het voelde alsof een cruciaal deel van mijn man-zijn me was ontnomen. Alsof ik een lege huls was, nutteloos en disfunctioneel. In die horrorroetsjbaan bleven mijn gedachten loopings draaien: je bent geen echte vent, je kunt haar geen kinderen geven. Tot ik voor het eerst simpelweg de waarheid sprak toen een oom me op een familiefeest vroeg ‘waarom er nog geen kindjes waren’.

Beeld Thomas Sweertvaegher

Opeens had ik er genoeg van. Ik wou niet meer liegen, dus zei ik het zoals het was. ‘Het ligt moeilijk bij ons.’ Ik aarzelde even. ‘Omdat ik onvruchtbaar ben.’ De oom knikte, nam een slok van zijn pintje en antwoordde: ‘Gelukkig kunnen de dokters veel, vandaag de dag.’ Hij zal het niet hebben beseft maar aan mijn voeten, open en bloot in het zicht van iedereen, lag eindelijk de loodzware molensteen die ik al zolang met me meezeulde.

Als man kon ik dikwijls niet anders dan wat nutteloos aan de zijlijn observeren hoe Karen bij een volgende ivf-poging dapper door de hormonale hoosbuien laveerde. Het frustreerde me dat ik niet meer kon doen, dat ik enkel kon toekijken hoe artsen haar pijn deden, hoe dokters bij de pick-up van de eicelletjes binnensmonds vloekend aan haar werkten en morrelden alsof ze een tweedehandswagen was. Maar het resultaat was goed: zeven eicellen waarvan de beste enkele dagen later werden teruggeplaatst. En dan moest je wachten. Zenuwslopend wachten op dat ene telefoontje waarin droogweg medisch werd meegedeeld of Karen zwanger was of niet.

En toen: tranen van geluk deden onze kussen zout smaken. We dansten zielsgelukkig rond de tafel in onze woonkamer. Karen was zwanger, we kregen een kindje!

Het was een heerlijke maar korte droom.

Koortsdroom

Het waren geen tranen van geluk die over mijn wangen biggelden toen een verpleegkundige het bed waarin Karen lag, wegvoerde naar de operatiezaal. Karen had een buitenbaarmoederlijke zwangerschap. Een operatie volgde. Ze sneden in de buik van mijn lief om haar eileider te verwijderen. Ons kind was weg. Het was als een koortsdroom, iets wat voor de buitenwereld nooit had bestaan, maar wat ons in onze gedachten al tot mama en papa had gemaakt.

Er volgden nog zestien mislukte ivf-pogingen. Jawel, zestien.

Het is te gemakkelijk achteraf te zeggen dat het nooit zo ver had mogen komen, want op het moment zelf konden we simpelweg niet meer helder zien. Als alles emotioneel beladen wordt, lukt het niet meer rationeel te denken. Iedereen in onze vriendengroep kreeg kinderen. Elke week waren er babyborrels waar vrienden arriveerden met een auto volgestouwd met kinderen. Onze achterbank bleef pijnlijk leeg. Ik herinner me nog hoe ik op een van die babyshowers naar Karen keek, omsingeld door buggy’s en maxicosi’s. Ze glimlachte, maar ik kon zien dat ze ontzettend ongelukkig was. Hoe begripvol en lief onze familie en vrienden ook waren, vaak voelden we ons moederziel alleen.

Pas toen een dokter ons zwart-op-wit aanraadde te stoppen, keken we achterom naar de vijf jaren die verstreken waren. De dagen nadien praatten we amper, elk verzonken in ons eigen wanhopige gepieker. Tot Karen mijn muur van getob met een welgemikte sloopkogel doorboorde. ‘En nu?’

Huilen

Ik wist het niet. Misschien moesten we ons erbij neerleggen dat we nooit kinderen zouden hebben, maar zodra ik die zin had uitgesproken, begonnen we allebei te huilen. We wilden geen leeg huis zonder tekeningen en kindergejoel, waar de muren op ons afkwamen. Onze kinderwens bleef zo groot. En voorzichtig, alsof we na een periode van duisternis moesten wennen aan het licht, durfden we het aan vooruit te kijken. Naar een toekomst waarin nog steeds kinderen rondhuppelden. Na veel praten, opzoeken, uren overleggen over welke opties ons nog restten, besloten we een informatiesessie over adoptie bij te wonen.

Beeld Thomas Sweertvaegher

Toen we de zaal binnenkwamen, zakte de moed me meteen in de schoenen. We werden gebombardeerd met slecht nieuws over wachttijden, mogelijke ziektes en trauma’s. We moesten lessen volgen om een soort geschiktheidsstempel te halen en pas als we ons ouderdiploma haalden, zou een rechter ons toestaan te adopteren. Ik vind het nog altijd een van de meest surrealistische periodes uit mijn leven. We bezochten een informatieavond waar een dokter gruwelijke close-upfoto’s van mogelijke schimmelaandoeningen bij Afrikaanse adoptiekindjes liet zien, een psychiater vroeg geïnteresseerd of ik mijn vrouw sloeg en een begeleidster hield ons voor dat adoptie niets te maken heeft met onze kinderwens en dat het enkel maatschappelijke dienstverlening kan en mag zijn. We voelden ons bijna schuldig dat we wilden adopteren.

Achteraf snap ik waarom ze dat doen. Omdat adoptie een ontzettend delicaat, gelaagd, onzeker en fragiel proces is, waarvan helaas nog te veel voorbeelden zijn van hoe ontzettend fout het kan lopen en welke vreselijke impact dat kan hebben. Maar vooral ook omdat je beseft wat je te wachten staat. Toen we de hele voorbereiding succesvol hadden afgelegd, waren we in de zevende hemel: we dachten domweg dat ons geluk binnen handbereik lag.

In plaats daarvan kregen we een plaats op de pre-wachtlijst, ofwel de wachtlijst vóór de echte wachtlijst. Vier jaar lang doolden we door deze woestijn der wachtenden. Het was een traditie geworden om oudejaarsavond samen met vrienden te vieren. Telkens als het vuurwerk losbarstte, stond ik met Karen te huilen. Weer een jaar voorbij. In het begin zeiden onze vrienden dat ‘volgend jaar ons jaar zou worden’. Zo werden we ‘het volgend jaar gezin’. Twee mensen met steeds weer de belofte van groot geluk in het vooruitzicht, tot de nieuwjaarsklok ons eraan herinnerde dat het voorbije jaar opnieuw een verloren jaar was geweest.

Op 23 maart 2018, een slordige tien jaar na mijn laatste chemo, kreeg ik telefoon. Of we binnen drie weken naar Zuid-Afrika konden afreizen? We werden mama en papa van een meisje van 4 en een jongetje van 5. In Zuid-Afrika was er niemand die voor hen kon zorgen. Nu kregen ze een thuis.

Een man en een vrouw liggen in bed. Het zijn beiden volstrekt normale, representatieve mensen. Naast hen wriemelen twee giechelende kindjes onder de lakens. Bijna elke ochtend sluipen ze stilletjes onze kamer binnen en kruipen bij ons in bed. Soms slapen we met zijn viertjes verder, meestal kietelen we ze en vertellen we elkaar verhaaltjes. Over de bijen in onze tuin of over wat ze op hun boterham zouden smeren. Choco of toch honing? De man en de vrouw kijken naar elkaar en glimlachen. We hebben het gehaald. Het volgend jaar gezin bestaat niet meer. We zijn eindelijk gewoon een gezin.

Leander Verdievel, 'Het volgend jaar gezin', Lannoo, 256 pagina’s, 19,99 euroBeeld RV
Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234