Dinsdag 12/11/2019

Misdaaddokters

“Ik wil alle stadia van ontbinding zelf doorlopen. En ik wil een zwarte kist met paarse fluwelen binnenbekleding”

Beeld Geert Van de Velde

“Na een autopsie van een zwaar toegetakeld lichaam doe ik graag iets frivools. Een pull in de foute kleur kopen, bijvoorbeeld. Of confituur maken, om vier uur 's nachts.” Wetsdokter Evy De Boosere steelt meteen je hart met haar relativerende humor in het Canvas-programma Misdaaddokters, waar ze samen met zes collega's het werk van de forensische patholoog fileert. Een West-Vlaams dorpsmeisje met een fascinatie voor schedels trok naar Brussel om geneeskunde te gaan studeren. Vandaag kent ze elk adres in de hoofdstad waar de afgelopen twintig jaar een moord werd gepleegd.

Wetsdokter Evy De Boosere is verbonden aan het UZA in Antwerpen. Ze werkt al meer dan twintig jaar als forensisch patholoog voor het Brusselse parket, maar denkt elke dag aan stoppen. “Vooral als ik opgeroepen word voor een lijk in verregaande staat van ontbinding. Die geur, ik raak er nooit aan gewend. Dan komt mijn chagrijnige kant boven: 'Why me? I hate my life!' De medewerkers van het lab kennen me intussen zo goed dat ze me al op voorhand waarschuwen: 'Het is een why-me-I-hate-my-life-geval.' Dan weet ik wat me te wachten staat.”

Van alle vrouwelijke wetsdokters in België heb jij de langste staat van dienst.

“We zijn destijds met een redelijk aantal vrouwen begonnen, maar gaandeweg haken ze af. Omdat het zo moeilijk te combineren valt met een gezin, omdat je een sociaal leven mag vergeten. Je werkt altijd in de vuiligheid, 's avonds en 's nachts, je ziet de meest zwarte kant van het menselijk bestaan. En het betaalt niet eens zo royaal. Pas op, ik doe mijn werk gráág. Maar het is een hondenstiel.”

Je had al van jongsaf een fascinatie voor lijken.

“Ja, ik ben ook geneeskunde gaan studeren in de hoop om in het forensisch onderzoek terecht te komen. Mijn grootmoeder was gefascineerd door alles wat er met je lichaam gebeurt na de dood, en ik herinner me de gesprekken die ik daarover als tiener met haar voerde aan de keukentafel. Ze vroeg zich af hoe overleden familieleden er nu zouden uitzien in hun kist. In een schuif van de buffetkast bewaarde ze een aantal polaroidfoto's van opgebaarde familieleden. Als kind ging ik geregeld stiekem naar die foto's kijken.”

Je verzamelt ook schedels.

(lachje) “Vroeger droeg ik ook oorbellen, riemen en T-shirts met afbeeldingen van schedels.”

Was je een gothic meisje?

“Nee, ik was níét Wednesday uit The Addams Family, of zo'n meisje met een vogelnest op haar hoofd en zwartomrande ogen! (lacht)

“Ik heb onlangs een briefje teruggevonden waarop ik als zesdejaars mijn studiekeuzes geschreven had. Archeologie stond er ook op, en het restaureren van oude schilderijen. Ook daar zit weinig leven in, besef ik. Ik denk dat ik dingen voor zich wil laten spreken. Zoals je met oude scherven probeert te reconstrueren wat er in de geschiedenis is gebeurd, probeer je als wetsdokter te achterhalen hoe de mens die voor je ligt aan die verwondingen is geraakt. Wat is er in de laatste minuten van dat leven gebeurd? Was dat pijnlijk? Als je dat kunt verhelderen voor de familie of de magistraat die het onderzoek voert, geeft dat voldoening.”

Dat zoeken begint al op de plaats delict.

“Als ik aankom op de plek waar het lichaam gevonden is, zie ik in één oogopslag hoe de meubels in het huis geschikt staan, welke kleren het slachtoffer draagt, hoe de familie zich gedraagt. Ik heb een goed visueel geheugen. Is het slachtoffer het hoofd ingeslagen met een stomp voorwerp, dan denk ik aan de zware asbak die ik daar op de schouw heb zien staan. Ik vind het ook wel leuk om dat allemaal te weten te komen. Ik ben heel nieuwsgierig van aard. Het verhaal achter al die mensen interesseert me uitermate.”

Ook van de lijken die op je snijtafel liggen?

“Ieder mens heeft toch zijn leven gehad? Het klinkt misschien sentimenteel, maar het is altijd iemands kind, iemands partner, iemands ouder. Een mens die heeft liefgehad, gedroomd, gevoeld. Waarom wordt een man alcoholist en eindigt hij op mijn tafel met een gigantisch hoog promille in het bloed? Dan hoor je bijvoorbeeld dat hij een kind heeft verloren in een brand. Als ik een verhanging moet onderzoeken, vraag ik altijd wie de dode heeft gevonden, en of er iets gebeurd is die dag. Mensen kunnen twintig jaar depressief zijn, maar wat maakt dat hij net die dag heeft beslist om er een eind aan te maken? Dan heeft hij bijvoorbeeld ruziegemaakt met een vriendin. Of het is een vader die na een echtscheiding zijn kinderen niet meer mag zien en net die dag nog eens het deksel op de neus heeft gekregen. Zulke dingen vind ik belangrijk om weten.”

Maakt empathie voor de dode het niet moeilijk om die open te snijden?

“Je móét empathie hebben. De dag dat het mij niks meer doet, weet ik dat het tijd is om ermee op te houden.”

Dat is het omgekeerde van wat wetsdokter Werner Jacobs in Humo zei: 'Je moet een lijk depersonaliseren.'

“Daar heeft hij ook niet helemaal ongelijk in. We discussiëren daar wel vaker over onder collega's, en een gezond evenwicht tussen beide is wellicht het beste. Sommige autopsieën vallen me zwaarder dan andere. Een kind, een tiener, een oude moeder die brutaal is doodgeslagen en die nog uren op de vloer heeft liggen zieltogen. Bijna automatisch gaan je gedachten naar je eigen leven: dit had míjn moeder kunnen zijn.”

Wat gebeurt er bij een autopsie?

“We onderzoeken het lichaam eerst aan de buitenkant. Je zoekt naar verwondingen, scheurtjes in de huid, blauwe plekken... Heel belangrijk zijn de vingernagels: daar kan DNA van de moordenaar onder zitten, of sporen van een gevecht. Het eerste wat we doen bij een verdacht overlijden is de handen verpakken in papieren zakken om geen sporen verloren te laten gaan.

“Daarna volgt het inwendige onderzoek, beginnend bij het hoofd. Je zaagt de schedel open, haalt de hersenen eruit en snijdt die in plakjes. Dan volgen borstkas en buik, met een snede van de kin tot het geslacht. De organen worden er één voor één uitgehaald. Het materiaal dat we gebruiken, lijkt erg op keukengerei. Een weegschaal om organen te wegen, een mes om ze in plakjes te snijden, een vork om weefsel weg te trekken, een lepel om een bloeduitstorting uit het lichaam te halen.”

Je collega Dingeman Rijken eet nooit lever. Volgens hem ruikt dat in de pan precies hetzelfde als de verse lever van een lijk.

“Helemaal juist! Ik eet nooit orgaanvlees. Dat doet me te veel aan mijn job denken.”

In een interview in een Franstalige krant had je het ooit over madenlijken die geluid maken: 'Le bruit des larves dans le cadavre.’

“Soms is het lichaam zo ontbonden dat er heel veel insecten en maden op zitten. Zoveel dat je een subtiel geritsel hoort. Dat zijn de vliegenlarven die het lichaam aan het verorberen zijn. Het kan ontzettend snel gaan, ik vind het elke keer weer onthutsend. En het went ook niet.”

Na al die jaren?

“Het wordt zelfs erger. Als je jonger bent, sta je daar minder bij stil. Vroeger kon ik ook beter tegen de geur. Zo'n ontbonden lijk ruik je al van ver. Ik werd een tijdje geleden opgeroepen voor een verdacht overlijden in een brede villalaan en moest een eind verder parkeren. Ik wist niet precies waar ik moest zijn en er stond ook geen politie voor de deur. Wel, ik heb gewoon de geur gevolgd.”

Beeld Geert Van de Velde

Hoe ruikt dat?

“Als een soort zoete vuilnisgeur. Eén keer geroken en je vergeet het nooit meer. Ontzettend hardnekkig. Ook al heb je er maar even in gezeten, het kruipt in je kleren, in je haar, je stinkt tot op je ondergoed. Je stapt in je auto en je zit in een cocon van stank. Je moet telkens al je kleren vervangen én je haar wassen, ook al heb je dat 's ochtends nog gedaan. Anders zie je iedereen in je omgeving terugdeinzen.”

De mangamoord

Moet je een beetje raar zijn om dit vak te doen?

“Je moet eigenlijk goed gek zijn, zeg ik elke dag. Er scheelt aan alle wetsdokters wel iets, vind je niet? Ik denk dat we het uit een soort idealisme doen. Het is een roeping, heb ik ooit gezegd, en daar lachen ze mij op het werk nog altijd voor uit.

“Hoe vaak staan we niet tussen de uitwerpselen in een vies kruipkot of een morsige kelder? Ik moest eens een lijk gaan onderzoeken in een leegstaand gebouw in Brussel dat bekendstond als een plek voor krakers. De dode lag in een hoek op een matras, de mensen van het lab moesten met hun zaklampen de ratten op afstand houden terwijl ik mijn onderzoek deed. Als je het lichaam van een drugsverslaafde onderzoekt, moet je uitkijken dat je geen naalden in je vingers krijgt. Erg hoopgevend is het allemaal niet. Je ziet nooit stralende gezichten, alleen verdriet.

“Na een zware autopsie, bijvoorbeeld van een lichaam dat erg toegetakeld is, heb ik de behoefte om iets frivools te doen: bloemen kopen, of een pull in de foute kleur. Ik heb een collega die in de auto luid zingt om te ontladen. Dat doe ik ook. En confituur maken, om vier uur 's nachts. Ik wil dan bezig zijn met mooie kleuren, een mooie textuur, dingen die troost brengen.”

Maken jullie soms grapjes tijdens een autopsie?

“Er wordt soms wel gelachen in de autopsiezaal. Dat houdt het leefbaar. Maar ik wik mijn woorden, want het kan pijnlijk zijn voor de nabestaanden. Je moet oppassen hoe je iets formuleert. Er hangt nog altijd een taboe rond de dood. We kunnen er niet mee om. Vroeger werden de overledenen thuis opgebaard en bleven ze daar een week liggen, om iedereen de kans te geven een laatste groet te brengen. Dat vind ik een fantastisch gegeven. Nu brengt men ze zo snel mogelijk naar het mortuarium.”

Zorg je soms voor een doorbraak in een moorddossier?

(schouderophalend) “Ik ben daar nogal bescheiden in. We brengen elementen aan die voor de doorbraak zorgen, ja, maar je bent altijd een schakel in een geheel. Ik kan soms uit het lichaam van het slachtoffer afleiden dat wat de dader vertelt niet klopt. Maar dan is het aan de speurders om iets te doen met die informatie.

“Ik herinner me een zaak van een hoogbejaard koppel. De vrouw was zeven, acht keer het hoofd ingeslagen met een Engelse sleutel, de man lag in de badkamer met snijwonden aan de keel en de polsen, maar leefde nog. Hij zei dat ze het slachtoffer waren geworden van een roofmoord: de avond voordien waren mannen de flat binnengedrongen die de koffer met geld hadden geëist. Ze hadden de vrouw eerst het hoofd ingeslagen en zich nadien tegen de man gekeerd. Ik vond zijn verhaal heel vreemd. De vrouw was bruut het hoofd ingeslagen en had meerdere schedelbreuken, terwijl zijn snijwonden veel oppervlakkiger waren. Ik heb aan de speurders gesignaleerd dat hij de wonden ook zelf kon hebben toegebracht. Op zijn broek zat bovendien hersenweefsel van de vrouw. Uiteindelijk heeft die man toegegeven dat hij zijn vrouw had gedood. Buren hadden hen de avond voordien ruzie horen maken.”

Beeld Geert Van de Velde

Wat is de meest bizarre zaak waaraan je ooit hebt meegewerkt?

“De mangamoord, in 2007. Ongetwijfeld de beste mise-en-scène in de Belgische moordgeschiedenis. Het was een vrijdagavond, ik werd opgeroepen naar een park in de omgeving van Brussel. Wandelaars hadden daar de romp en de dijbenen van een volwassen man gevonden. Vlakbij lag ook een papier met een Japanse boodschap erop, die te vertalen was als: 'Ik ben Kira.' Dat verwees naar een populaire mangastrip over een wreker die alle criminelen in de wereld vermoordt. Rond de romp lagen ook rijstkorrels. Het was een groot mysterie. De speurders zochten drie jaar lang naar een spoor bij mangaspecialisten.

“Uiteindelijk kwamen ze door een onwaarschijnlijk toeval achter de identiteit van het slachtoffer. In een onderzoek naar een groepsverkrachting werd op een zetel DNA gevonden. Dat bleek van het slachtoffer van de mangamoord te zijn. De romp die al drie jaar bij ons in de koelkast lag! De daders zijn kort daarna gevonden. Het was niet één of andere psychopaat, maar drie door drank en drugs dolgedraaide twintigers, die bezeten waren van mangastrips. Ze hadden ruzie gekregen met het slachtoffer en hadden hem in hun roes doodgeschopt. Toen zaten ze daar natuurlijk met dat lijk. Waar moesten ze ermee naartoe? Ze hadden geen auto om het lichaam ergens te dumpen. En dus besloten ze om het in stukken te zagen. Ze hadden de hele kelder afgedekt met plastic. Daarna hebben ze geprobeerd om de lichaamsdelen op te lossen in zuur, zoals de Hongaarse dominee András Pándy met zijn slachtoffers deed. Toen dat niet lukte, zijn ze de lichaamsdelen overal in Brussel gaan verspreiden, met de tram en met de metro: de armen en benen in een krakerspand in Anderlecht, het hoofd in het kanaal, de romp in het Dudenpark. De mangaboodschap was een ideetje van het laatste moment: zo hoopten ze om de voorpagina's van de kranten te halen. En dat was ook gelukt. Er kwamen zelfs filmploegen uit Japan. De rijstkorrels hadden er uiteindelijk niets mee te maken. Die waren daar toevallig beland tijdens de doortocht van een pasgetrouwd koppeltje in het park.

“Ik stel me dan vooral de vraag: hoe beslis je als mens, in groep, wat je met het lijk gaat doen? Wat gaat er door je hoofd als je zo'n lichaam in stukken aan het zagen bent? Ik vind het zo luguber, maar het lijkt wel een gangbare praktijk in Brussel om lijken te doen verdwijnen. Zelf heb ik het al in vier moordzaken gezien. Telkens waren het jonge kerels die in groep iemand doodden en nadien niet wisten wat ze met het lijk aan moesten.”

Afdalen in de hel

Je was er ook bij na de aanslag op 22 maart 2016 in metrostation Maalbeek, waar zestien doden vielen.

“Die zaak kleeft nog altijd aan mij. Ze had een enorme impact. Ik moest die middag, een paar uur na de aanslag, samen met een Franstalige collega in de metro afdalen. De overlevenden waren al geëvacueerd, de gewonden waren afgevoerd, en toen was het onze beurt om de doden te onderzoeken.

“Toen ik er aankwam, was de Wetstraat afgesloten en doods. Geen verkeer, geen mensen. Ook in het metrostation was het vreemd stil. Geen muziek. Er hing een walm van rook, op de vloeren en muren zaten bloedspatten. Dan ga je de trappen af en tref je beneden die ravage aan. Al die doden, lichamen, bloed, verhakkelde wagons... Het was afdalen in de hel.”

Wat denk je op zo'n moment?

“Dat je een nachtmerrie hebt en dat het niet echt is. Het is surreëel. Die mensen waren op weg naar hun werk, naar school of naar familie, met hun rugzakje, hun aktetas of hun boekentas. Je staat 's ochtends op, je zegt 'tot vanavond', en je komt nooit meer terug. Dat is toch niet te vatten?

“We hebben de hele dag en nacht in de metro doorgewerkt. Je moet beschrijven hoe de slachtoffers worden gevonden, wat hun verwondingen zijn, en alles eromheen. Spullen, brokstukken, bloed, lichamen. Wie werd waar aangetroffen? Zat die in de metro of stond hij te wachten op het perron? Stond deze vrouw dicht bij de dader? Was er één dader, of meerdere? Je weet op dat ogenblik nog niets. Alles moet gefotografeerd worden. Het is monnikenwerk. Er waren niet één, maar zestien doden in een gigantische crime scene.

“Het meest verschrikkelijke waren de telefoons van de slachtoffers die maar bleven rinkelen. Elke beltoon was een steek door mijn hart. Al die mensen die ongerust zijn en zoeken naar hun partner, kind, vriend... Jij staat erbij, je weet dat ze daar liggen, dat ze nooit meer gaan opnemen. Ik vond dat heel confronterend.

“We waren om twaalf uur begonnen en hebben doorgewerkt tot de volgende middag. Af en toe gingen we naar boven, adem happen. Dan was het alsof je even in de bewoonde wereld kwam, en de realiteit je overviel. In een nabijgelegen hotel konden we terecht voor koffie en een broodje. Je staat op dat ogenblik niet te veel stil bij wat je gezien hebt. Het moet vooruitgaan. Je wilt dat die families zo snel mogelijk nieuws krijgen. Je draait op adrenaline, je denkt niet aan slapen, je bent niet moe, je moet vooruit. Ik weet nog dat ik mijn telefoon nam en even door de sociale media scrolde. Ik zag berichten verschijnen van mensen die op zoek waren naar slachtoffers die ik had onderzocht. Dát was een coup de poing in mijn gezicht.

“Het heeft dagen gekost om al die mensen te identificeren, men wilde geen fouten maken. Dat ík iemand had herkend, betekende nog niet dat de mensen meteen ook zeker wisten: mijn zus, mijn vader, mijn partner ligt daar.

“Maar goed, je raapt je moed bij elkaar, je haalt diep adem, en hup, je gaat weer naar beneden. Alsof je onder water duikt. Die trap was voor mij symbolisch, een scheiding tussen de boven- en de onderwereld.

“Na vierentwintig uur waren we klaar. Ik ben even naar mijn kantoor gegaan om een douche te nemen, en dan begonnen de autopsieën. Ook dat was moeilijk. We hadden de slachtoffers beneden al gezien in die verhakkelde wagons, maar dan liggen ze voor je op tafel. Je hebt meer tijd om alles te bestuderen, je neemt de juwelen af om ze aan de familie te geven, je ziet de verwondingen in detail. Dat komt extra hard binnen.

“Na die intense week kwam ik thuis en heb ik confituur gemaakt. Dat had ik nodig. Het was anders dan anders, alles was uitvergroot. Er waren vrienden die mij berichtjes stuurden: 'Gaat het? We denken aan je.' Ik schrok daarvan, maar het deed me enorm veel deugd. Dan besef je plots hoe de buitenwereld kijkt naar die overdonderende zaak waar je middenin zit.

“Ik liep thuis een beetje verloren, alsof ik in een zwart gat viel. Je hebt dagen doorgewerkt zonder stoppen, en dan val je stil. De adrenaline vloeit weg, de vermoeidheid slaat toe.”

Denk je dan aan de daders, en waarom die zoiets doen?

“Ja, maar ik was toch vooral bezig met de slachtoffers. Ik had de indruk dat ik hen goed kende. Je bent al die dagen met ze bezig geweest. Je hebt ze tot in de kleinste details beschreven. Je weet waar ze zaten of stonden, welke spullen bij hen hoorden. Wie hij of zij was, waarheen ze op weg waren, wat ze deden in hun leven. Je hebt hun verwondingen gezien, hun littekens, moedervlekken, bijzonderheden. Dat is toch erg intiem. Veel dichter kun je niet komen. Ik ben hun verhalen nadien ook in de media blijven volgen.”

Kostte het meer moeite dan anders om de zaak los te laten?

“Ja. Ik ben kort daarop naar de heropening van het metrostation Maalbeek gegaan. Ik moest zien hoe het was in een 'normale' toestand, om het verhaal af te sluiten. Die vierentwintig uur in de hel lieten hun sporen na. Ik voelde me niet op mijn gemak in gesloten ruimtes, zocht direct naar de nooduitgangen, hield anderen in het oog. Waarom doet die man zo raar? Wat zit er in die rugzak? Ik was altijd opgelucht als ik weer buiten was. Ik heb ook een tijdje grote massa's vermeden. Ik bleef weg van concerten en evenementen. Maanden heeft dat geduurd. Eigenlijk vind ik het flauw van mezelf. Als je tijd gekomen is, kun je er toch niet aan ontsnappen. Dat besef dat we allemaal gaan sterven, dat het eindig is, is altijd aanwezig. Het leven is niet veel. Het kan in een vingerknip gedaan zijn.

“Als er in de opleiding een lichaam op tafel ligt voor een autopsie, zeg ik altijd tegen mijn studenten: 'Kijk, zo eindigen we allemaal. Het is echt niet nodig om je beter te voelen dan een ander, of jezelf belangrijk te vinden.' Dat is mijn slechte karakter (lacht). Mijn werk, de dood, het is de ultieme les in bescheidenheid. Ik ben er ook sterk door gaan relativeren.”

Geloof jij dat er nog iets komt na de dood?

“Nee. Ik vrees dat het gedaan is. Ik zou heel graag van het tegendeel overtuigd worden, want het is een deprimerende gedachte.”

Wil je na je dood gecremeerd worden, of begraven?

“Ik wil begraven worden. Ik wil alle stadia van ontbinding zelf doorlopen. En ook: als iemand mij iets heeft aangedaan, is er tenminste nog een lijk dat ze kunnen opgraven. En ik zeg het er meteen maar bij: ik wil een zwarte kist met paarse fluwelen binnenbekleding.”

Misdaaddokters, Canvas, woensdag 20 februari, 21.20

©Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234