Maandag 17/06/2019

Reportage Urban Farming

Hoe de stadslandbouw bloeit in Parijs

Herder Guillaume Leterrier van Les Bergers Urbains met zijn kleine kudde schapen. Beeld AFP

Wie de Franse hoofdstad bezoekt, verwacht niet meteen een kudde schapen te kruisen. Ook aan rijtjes radijzen of scharrelende kippen denk je vast niet bij een koffietje op een terras. En toch bloeit de stadslandbouw in Parijs.

Alles kwam in een stroom­versnelling terecht toen ­burgemeester Anne Hidalgo in 2014 beloofde dat ze van Parijs de ­groenste hoofdstad van Europa zou maken. Twee jaar later al ging het project Parisculteurs van start, dat daken, muren en kelders van gebouwen ter beschikking stelt aan stadsland­bouwers. Tegelijkertijd wil Parijs tegen 2020 een derde van haar groene ruimte ­reserveren voor urban farming, en zo een voorbeeld zijn voor andere Europese steden.

Landbouw is overigens niet nieuw in Parijs. Tot in de 19de eeuw waren er in de stad een honderdtal boeren die op 600 hectare grond genoeg voedsel ­konden produceren om heel Parijs van eten te voorzien. Met de snelle ­verstedelijking na de Tweede Wereldoorlog verdween die landbouwcultuur en vandaag heeft een groente er gemiddeld 660 kilometer opzitten voor ze op een Parijs bord belandt.

Het Franse platteland loopt leeg en de steden blijven groeien. Daar groeit wel het besef dat lokale en ­duurzame landbouw de stad leefbaarder kan maken. Parijse landbouw­pioniers heroveren de stad.

Schaapjes tellen

Het is ochtend en uit het metrostation Front Populaire stromen mannen en vrouwen met slaapogen naar buiten, op weg naar hun kantoren. Op een boogscheut van deze plek ligt het Stade de France en overal waar je kijkt staan kranen. Bouwvakkers zijn op dit vroege uur al lang aan de slag. Er worden volop moderne appartementsgebouwen ­neergepoot. Hier in Saint-Denis, net als in veel andere banlieues, verwachten ze veel nieuwe inwoners die Parijs zullen ­ontvluchten om iets ruimer en goed­koper te wonen. Tussen de gebouwen vind je kleine parkjes en perkjes. Het is er best aangenaam.

Plots klinkt er een ritmisch gefluit en komen uit een zijstraat acht schapen gelopen, op de voet gevolgd door vijf lammetjes. Ze lopen recht naar het kleine park in het midden van het plein en beginnen er aan hun ontbijt. De ­pendelaars die net uit de Parijse ondergrond komen, onderbreken verrast hun tocht naar het werk om de levende ­grasmachines aan het werk te zien.

Het is de kudde van stadsherder Guillaume Leterrier, die eruit ziet als een echte herder. Zo eentje die dagenlang alleen met zijn kudde door de Pyreneeën trekt. Toch is hij geen doorgewinterde boer. “Ik was ambtenaar en werkte vooral rond sociale en solidaire economie”, vertelt hij. “In die tijd ­begeleidde ik het project La Ferme du Bonheur, een sociaal-culturele vrijplaats waar stadslandbouw en theater elkaar ontmoeten in wat men een ­‘moeilijke buitenwijk’ zou noemen. Daar zag ik voor het eerst de impact die ­schapen kunnen hebben op een­ ­stedelijke omgeving. Hun aanwezigheid bracht bewoners bij elkaar, daar waar sociale banden bijna helemaal ­verdwenen waren.”

Een kudde schapen in de straten van Parijs. Beeld rv

Guillaume begon na te denken over de mogelijkheden van schapen houden in de stad. De voorwaarde was dat het een rendabel project zou zijn, want ­volgens hem blijven veel stadslandbouwprojecten steken in het utopische ­stadium. “Om te blijven bestaan, moet je winst durven maken. Ik zie heel veel goeie ideeën, maar vaak zit er geen commercieel plan achter. Dat zijn projecten die geen lang leven beschoren zijn.” Leterrier ging aankloppen bij bedrijven: zijn schapen zouden namelijk hun terrein kunnen onderhouden. Hij vond al snel een aantal ­geïnteresseerden. Het enthousiasme van de bedrijven zorgde ervoor dat ook sociale huisvestings­maatschappijen en gemeentebesturen ­vragende partij ­werden.

“Wij passeren twee keer langs de kassa”, vervolgt Leterrier. “We worden betaald om met onze kudde te komen grazen, en daarnaast verkopen we het vlees van de schapen. Ze krijgen alleen gras te eten en dat is in de stad van heel goede kwaliteit. Dat proef je. Onder onze klanten vind je dan ook heel wat topchefs.”

Hoewel er soms kritiek is op de hoge prijs van het vlees (25 euro per kilo) is er in Parijs duidelijk een markt voor dit soort ‘kwaliteitsproducten met een verhaal’. De Bergers Urbains kunnen de vraag alvast niet bijhouden. “In de stad heb ik het geluk dicht bij mijn klanten te zijn. Ik weet wat ze willen en tegelijkertijd sensibiliseer ik hen. Die kennis kan ik delen met schapenboeren op het platteland. Ik deel mijn ervaringen graag, ook met mensen die hetzelfde willen doen als ik. Onlangs is hier nog iemand komen ­kijken; hij trekt nu met zijn kudde door Molenbeek.”

Er komt een man bij Guillaume staan, Brahim. Hij werkt als bouwvakker op een van de werven rond het plein. In Algerije had zijn familie ook schapen. “Zijn het Bleus du Maine? Prachtige ­dieren, de Rolls-Royce onder de ­schapen. Schitterend om hier even tussen de beesten te staan, net als in mijn kindertijd.”

“Parijs geeft me een energie die ik op het platteland misschien zou missen”, denkt Guillaume Leterrier. “Ik krijg dagelijks tientallen vragen van nieuwsgierige voorbijgangers en zie een groepsgevoel ontstaan rond de kudde. Het liefst trek ik dan ook naar zogenaamd moeilijke buurten, om te laten zien dat het daar helemaal niet zo erg is als men soms denkt. Ik hou van dat sociale aspect. Ik ben en blijf een stadsherder. Mijn schapen hebben hier 400 hectare grasland ter beschikking waar geen druppeltje glyfosaat ­(chemisch bestrijdingsmiddel, red.) op gespoten wordt. Hoeveel boeren op het platteland kunnen dat zeggen?”

Stadsbijen

De Petite Ceinture is een verlaten spoorweg die rond heel Parijs loopt. Die werd in het midden van de 19de eeuw aangelegd om de verschillende Parijse treinstations met elkaar te verbinden. Gemiddeld passeerde er om de tien minuten een goederentrein en op het hoogtepunt werden er zo’n 39 miljoen reizigers per jaar vervoerd.

Nadat in 1900 de Parijse metro in gebruik werd genomen, daalden die aantallen snel en stopte het personenvervoer op de Petite Ceinture. Toen fabrieken als Citroën, het slachthuis van Vaugirard en de beestenmarkt van La Vilette de stad verlieten, geraakte de spoorlijn in verval. De grond is nog steeds eigendom van de Franse spoorwegmaatschappij SNCF, maar de kans is klein dat er ooit nog een trein op zal rijden. Daarom stellen zij nu ook delen van de Petite Ceinture open voor urban-farming­projecten.

Stadsimker Volkan Tanaci aan het werk op een Parijs dak. Beeld RV

Aan de Porte de Clignancourt werd het oude station dat over de Petite Ceinture gebouwd werd omgetoverd tot het populaire restaurant La Recyclerie. Bijna alle groenten die ze er serveren, komen uit de stadsboerderij onder het gebouw. Op het middaguur heerst er in het restaurant een gezellige drukte.

Via een draaitrap kom je op een kleine mezzanine waar een paar zetels naast een muurbreed raam staan. Een deel van het raam kan open en wanneer je daardoorheen kruipt, voel je je als Alice in Wonderland. De wilde bloemen, siergrassen en heerlijk ruikende bloesems doen je vergeten dat vijf meter lager een van de drukste kruispunten van Parijs ligt. Dit is de favoriete plek van stads­imker Volkan Tanaci. “Mijn klein paradijs”, noemt hij het. “De bijen vinden het hier ook fantastisch. Het zijn mijn vriendelijkste volken, dat wil zeggen dat ze het hier uitstekend naar hun zin hebben.”

In Parijs staan er zo’n duizend bijenkasten, waarvan er vijftig van Volkans bedrijfje CityBzz zijn. “Vroeger was ik bang van vliegende insecten. Ik was een echte stadsjongen, had een goeie job bij een grote bank, al heb ik dat werk eigenlijk nooit graag gedaan. En toen kwam ik in contact met François, een imker, bij wie ik kon gaan werken.”

Zes jaar lang pendelde Tanaci ­tussen Parijs en het platteland, waar hij bij François de kneepjes van het vak leerde. “Op dag drie heb ik al mijn moed bijeengeraapt en ben ik voor het eerst naar de bijen gegaan. Dat was zo’n fantastisch gevoel, ik was mijn angst meteen kwijt.” Na zes jaar was hij het vele reizen beu, maar op het platteland gaan wonen zag hij niet zitten. Dus besloot hij in Parijs zelf bijen te gaan houden. “Ik vraag aan bedrijven en overheden of ik mijn kasten bij hen kan zetten, op een dak of in een tuin. Zij huren dan eigenlijk mijn kasten en diensten, want ik verzorg de bijen, organiseer activiteiten voor de werknemers en bezorg ze ‘gepersonaliseerde’ honing.”

“Natuurlijk kan ik nooit evenveel honing produceren als een plattelandsimker, die hebben zes keer zoveel kasten. Daarom gaan wij in de stad veel meer out of the box denken. Zo open ik binnenkort een centrum voor apitherapie, waarbij mensen plaatsnemen in een cabine die gevuld is met propolis (lijm­achtige substantie, gemaakt door honingbijen, red.) en bijenvolklucht. De lucht van een bijenkast inademen helpt namelijk tegen ademhalingsproblemen, waar nogal wat stadsmensen mee te kampen hebben. We hebben ook met een minicamera in een bijenkast gefilmd – dankzij virtual reality zal het lijken alsof je in een bijenkast zit.”

“We gaan met de Parijse honing nooit alle Parijzenaars kunnen bevoorraden. De traditionele imkers op het platteland blijven we dus nodig hebben. Maar wij kunnen experimenteren en een voorbeeld voor de imkers zijn, door hen te laten nadenken over de manier waarop gewerkt kan worden. Stap voor stap de wereld veranderen, zeg maar.”

Garagegroenten

Overal in Parijs staan deelfietsen en ­-steps, het metronetwerk is een van de beste ter wereld en ook taxi’s zijn er genoeg. Waarom zou je nog een eigen auto nodig hebben? Daarmee sta je hier toch vooral in de file. Bijgevolg staan veel ondergrondse parkeergarages in de hoofdstad gewoon leeg.

Aan de ingang van de garage van een sociale woningblok staat een container, tot de rand gevuld met grote champignons. Elke week vertrekt hier, vanuit hartje Parijs, drie ton witloof en champignons richting biowinkels, restaurants en de vroegmarkt van Rungis. “De champignons in die container ­worden niet verkocht, dat zijn restjes die worden verwerkt tot compost en biogas”, zegt Théo Champagnat, oprichter van La Caverne.

Achter de grote metalen poort is er bijna 9.000 vierkante meter beton. De nummers van de parkeerplaatsen staan nog op de muren, maar in plaats van auto’s staan er grote rekken in de vakken met blokken geperst stro waaruit shiitake’s en oesterzwammen steken. In een volledig donkere kamer een beetje verderop groeien witloof en microgreens, onvolgroeide groenten die wat op scheuten lijken. “Deze ruimte is zo groot dat we delen beschikbaar stellen voor andere bedrijven. Ruimte in grootsteden lijkt schaars, maar je moet het gewoon onder de grond of op daken gaan ­zoeken. En dat gebeurt nu.”

Het populaire restaurant La Recyclerie, boven op een oude spoorweg in de stad. Beeld Simon Lemarchand RV

“Toen ik begon als boer kende ik helemaal niets van champignons of witloof. Ik was weliswaar kok, maar ik had nooit zelf groenten geteeld. We hebben dat allemaal dankzij internet geleerd. Ondertussen hebben we een agronoom (landhuishoudkundige, red.) in dienst die zich uitsluitend bezighoudt met de gewassen.”

Er heerst een gezellige drukte onder de grond. Achter een zithoek met ­vintage zetels en een neonlicht met de letters van La Caverne, staat een groepje werknemers aan de lopende band witloof te sorteren. Het is een oude band uit de jaren 70 – sowieso wordt al het ­materiaal in de ondergrondse boerderij gerecupereerd van boeren die ermee zijn gestopt.

De zeventien werknemers komen allemaal uit de buurt. “In het begin stonden we er zelfs op dat er hier alleen mensen uit het 18e arrondissement (waar La Caverne gevestigd is) zouden werken”, zegt Théo. “Nu komen ze ook uit de omliggende arrondissementen, want het allerbelangrijkste is toch dat het goeie werkkrachten zijn. Zoals veel urban-framingprojecten willen we een sociaal aspect hebben, maar we zijn in eerste instantie een productief bedrijf dat goed moet draaien. De ­onverkochte groenten geven we aan de bewoners van het gebouw hierboven. Die hebben niet altijd het geld om lokale biogroenten te kopen. We doneren ook groenten aan de voedselbedeling, zo hebben we meteen ook relatief weinig afval.”

La Caverne heeft zowaar Europese ambities. “Steden als Londen, Berlijn en Brussel spreken ons wel aan. Overal is er immers vraag naar meer lokale ­producten en stedelijke projecten. Parijs heeft met Parisculteurs een soort ­revolutie op gang gebracht en speelt zeker een voortrekkersrol. We mogen onze beide handjes kussen voor de ­kansen die we hebben gekregen.”

Hop uit hartje parijs

Onder de grond, op daken, maar ook tegen muren kan aan stadslandbouw gedaan worden. La Parisienne is een Parijse microbrouwerij die sinds kort een 100 procent Parijs bier brouwt. De hop voor hun Intramuros kweken ze zelf. Tegen Parijse muren, dus.

“Zelf hop telen, is één groot avontuur”, zegt Lucas Lebrun van La Parisienne. “Wij zijn brouwers, geen landbouwers. Het ­eerste jaar was net een heel droog jaar en toen hebben we veel jonge planten ­verloren. Daarom worden nu professionals ingeschakeld om onze hopplanten te verzorgen.” Ondertussen zijn dat er 700, wat zo’n 21.000 flessen Parijs bier oplevert.

Het is eigenlijk een logisch huwelijk. Microbrouwerijen schieten als paddenstoelen uit de grond (Parijs telt er nu zo’n 60), hop groeit in de hoogte en aan hoge gebouwen is er in de stad geen gebrek.

Lebrun: “Het ziet er ook gewoon mooi uit. Een straat kan er echt van opfleuren. We krijgen dan ook veel positieve reacties van buurtbewoners. Dat contact met de buurt vinden wij heel belangrijk. Daarom organiseren we regelmatig een ‘plukmoment’, waarop iedereen uit de buurt mee hop mag komen plukken, en een echt oogstfeest, zoals ze dat bijvoorbeeld ook doen op de ­wijnvelden.”

Ook de hopteelt van de brouwerij is een resultaat van het Parisculteurs-­project van de stad. Ondertussen groeit er hop op in totaal twee kilometer Parijse muren. De vraag naar lokaal geteelde hop is groot, zeker bij microbrouwers. Muren van politiekantoren, het operagebouw, scholen en sport­zalen worden beschikbaar gesteld voor de hop.

“De stad zorgt dat we water hebben voor onze planten en toen het deze zomer zo droog was, zijn de mensen van de sporthal waar onze hop groeit zelf water komen geven”, zegt Lucas Lebrun.

La Parisienne heeft zes permanente bieren en een aantal roterende, ­waaronder de Intramuros. “Die zijn de deur uitgevlogen”, jubelt Lebrun. “Het is duidelijk dat mensen het lokale en artisanale verhaal wel lusten.”

La Caverne-oprichter Théo Champagnat tussen de shiitake’s en oesterzwammen. Beeld BELGAIMAGE
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden