Vrijdag 15/11/2019

Reizen

Hoe de schoonheid van landkaarten stilaan verloren ging en de gps keizer werd

Beeld Stephan Vanfleteren

Ooit was zijn wagen een vergaarbak vol wegenkaarten, maar de komst van de gps heeft zijn liefde voor papier niet doen uitdoven. Integendeel: duw Stephan Vanfleteren een kaart in de handen, en hij is vertrokken. De wereld in. Soms voor echt, soms alleen in zijn fantasie.

Zie je dat daar, helemaal onderaan op de kaart hierboven? Die vijftien letters? Toukoutoukouzou. Hoe mooi is dat niet? Daar verbleekt zelfs Timboektoe tegen. Een plaats aan de kust, dat kan je afleiden uit de kaart. Misschien is het zelfs geen dorp. Misschien maar zeven hutten en een pirogue. Er loopt zelfs geen weg naartoe. Ik lees ook Brousse, Savane en Forêt. Niet zomaar een bos, maar een ‘Forêt très épaisse sans village’.

Topografische kaarten zijn gedichten. Het zijn klanken die je fantasie op hol doen slaan. Exotische plaatsnamen die je tong in de knoop leggen, zeker voor een dyslecticus als ik. Maar sommige opeenvolgingen van letters zijn je mild, zoals Toukoutoukouzou. De naam is lang maar bekt als een vogeltje. In Massachusetts ga ik daarentegen nooit wonen, dat woord kan ik niet uitspreken.

Kaarten. Je ziet ze minder en minder. Wie herinnert zich het beeld niet van vader die urenlang gebogen zat over de kaart, net voor de vakantie. Plannen, reistijden berekenen, overnachtingen ­bepalen. De tocht begon zodra de kaart op tafel werd uitgevouwen. Een prachtig ritueel. Toen ­straalden les routes nationales nog de Franse suprematie uit.

Google Earth en de gps hebben de wegenkaarten verdreven naar het reservaat van de nostalgie. Mijn auto lag vroeger vol met kaarten. De kaart van België natuurlijk, maar ook die van Nederland en Frankrijk. En stratenatlassen, dikke boeken waar iedere straat van de Lage Landen in stond, er moest maar eens een nieuwsfeit gebeuren waar ik me voor deze krant naartoe moest haasten.

Maar wie heeft nog kaarten in zijn auto liggen? De gps is keizer geworden. En dan zwijgen we nog over Waze, een nog betere uitvinding voor de gehaaste chauffeur. Het nadeel is dat we het overzicht en ons ruimtelijk gevoel kwijt zijn. Vraag iemand om van Zelzate naar Aarschot te rijden en hij of zij zou het begot niet meer weten. Vroeger zat de gps in ons hoofd. Straks zal de satelliet zelfs het verkeersbord ­overbodig maken. De gps toont je letterlijk hoe je moet rijden. We zijn volgzame schapen van de digitale herder. Al gebiedt de eerlijkheid me te zeggen dat het een geweldige ­uitvinding is.

We zijn allemaal eikels in het ­verkeer, omdat we denken dat onze auto het centrum van de wereld is. Een kaart daarentegen geeft de juiste proportie van de mens weer. Een kaart maakt je nederig.

De schaal is natuurlijk ook belangrijk. Wie in een klein land woont, zoals wij, mispakt zich daar vaak aan. Ons brein miskijkt zich op kaarten van grote landen. Een Frans stadje naast l’autoroute op een Michelin-kaart kan al snel een uurtje rijden zijn, terwijl een stad op een banale Belgische Falk-kaart een omweg van vijf minuten betekent.

Ooit was ik op weg van België naar Pointe-Sarene in Senegal. Toen we na vier dagen rijden op onze slaapplaats bij de betwiste grens tussen Marokko en de Westelijke Sahara arriveerden, bekeken we een vergeelde wereldkaart tegen de muur aan de receptie. Tien centimeter stond gelijk aan vijftig uur rijden. De kaart was meer dan een meter lang.

Sindsdien zeg ik nooit meer dat de wereld klein is. Een leugen, ­tenzij het uit de mond van een astronaut komt. Grootte is niet belangrijk, it’s proportion that matters. Voor de gemiddelde bewoner van deze planeet is de aarde geweldig groot. Tenzij je vliegt. Maar dat is niet reizen, dat is transporteren.

Lege plaatsen op kaarten trekken me vaak aan. Ik vind het fascinerend dat er nog plekken bestaan waar geen mens woont. Antarctica, de jungle in Papoea-Nieuw-Guinea of vergeten atollen in de Stille Zuidzee. Ook in de Mauritaanse woestijn gaapt er een leegte: op de kaart heb je volledige vlakken waarop niets staat, behalve hier en daar een gedroogde rivierbedding. En ja, oases bestaan echt.

Bijzonder aan die lange tocht naar Westelijk Afrika was dat je in de ochtend de zon links van je dashboard zag opkomen en ’s avonds rechts weer zag ondergaan. Ook het gelaat van de mens veranderde van blank naar brons naar zwart. En de landkaart transformeerde. Van groen naar bruin, van bruin naar oker en daarna weer naar groen. Kleuren zijn belangrijk op een kaart. Blauw voor oceanen, groen voor bossen of velden, oker voor woestijnen, bruin voor bergen en soms wit voor de eeuwige sneeuw.

Gerimpeld, vol wijsheid

Als ik een bergkaart bekijk, zie ik een macro-opname van de huid. Gerimpeld, vol wijsheid en geheimen. Bergen bewijzen dat de aarde oud is. Het zijn reuzen waarvoor je ontzag moet hebben. Iedere wielrenner vreest ze. Bergbeklimmers staan nog dichter bij de berg. Een cliché-antwoord van een berg­beklimmer op de vraag waarom hij per se op de top wil staan, is: ‘Omdat hij er is’. Ik heb dat altijd raar gevonden. Het is toch niet omdat iets bestaat dat je het moet bezitten, veroveren of beklimmen. Vrouwen zijn er ook. Je moet ze toch ook niet allemaal beklimmen.

Beeld Stephan Vanfleteren

Een zeiler zegt niet dat hij de oceaan moet oversteken omdat dat water er nu eenmaal is. Voor alle duidelijkheid, ik heb niks tegen bergbeklimmers, behalve tegen de idioten die per se de Mount Everest willen opklimmen om dan een ­selfie op het dak van de wereld te kunnen maken. Zogezegd voor zichzelf, maar eigenlijk vooral voor de anderen. Hoogmoed versus laaglanders. Het belachelijke idee dat je boven alle andere 7,7 miljard mensen op aarde staat. Jammer dat de klimmers naast hun afval ook hun ego niet achterlaten. Echte bergbeklimmers zijn bescheiden over hun tochten.

Maar ik wijk af. Terug naar de mooie bergkaart. Ja, kaarten doen je dwalen. Een mooie contradictie. Er is op deze bergkaart geen dorpsnaam te bespeuren. Zelfs niet de naam van het land. Je ziet enkel een paar okerrode stippen, rode en witte lijnen. Vermoedelijk wegen en rivieren. Het ene gebouwd door de mens, het andere door de zwaartekracht. Kronkelende ­rivieren volgen de gemakkelijkste weg. Water stroomt altijd naar omlaag, logica die je leven kan ­redden wanneer je verdwaald bent. En ga je stroomopwaarts tot waar het getekende lijntje van de rivier stopt, dan kom je aan de bron. Een lekkende graszode op een Alpen­weide. Een druppel die maanden later in de oceaan aankomt.

Drijvende bibliotheek

Een maritieme kaart is ook altijd geweldig. Blauwe fantasie met ­lijnen die de diepteverschillen omhelzen, met middenin cijfers die de exacte diepte weergeven. Een zeekaart dient een schip en zijn bemanning. Een mens hoort niet thuis op zee. De zeekaart behoedt je voor kleine drama’s en grote rampen.

Beeld Stephan Vanfleteren

Elke maand ga ik op bezoek bij een oude visser. Marius rolt dan de kaart uit en we kijken samen naar dat papieren wonder. Je ziet iets en dan vraag je: “Wat is dat, Marius?” Het antwoord is een veelvoud van de vraag. Je ziet het symbool van een lichtschip, boei, gasleiding, olieveld, zandbank, het wrak van een duikboot… Er komt een ­vloedgolf uit de mond van de ­visser. Marius is een drijvende bibliotheek. Hij vertelt over Haddock Bank, of den Hazebrouck zoals Marius de veranderlijke klif onder water noemt. “Als je daarop vaart, is het schip verloren.” Een jeugdvriend van hem is er ­verdronken. Er valt net geen traan op de maritieme kaart.

Op de kaart staan ook havens als Grimsby, Aberdeen, Oostende… Het cliché dat een zeeman overal wel een liefje had, blijkt te kloppen. En hoe je vrouwen van lichte zeden had van vijf pond, tien pond of vijftien pond, al naargelang hun leeftijd, schoonheid of hun geldnood. Ook verhalen over café­gevechten waarbij er net zoals in de films weleens iemand door het raam vliegt, blijken niet uit de lucht gegrepen.

Manhattan, heilige grond

Het dambordpatroon van ­horizontale straten en verticale ­avenues, met enkel het diagonale Broadway dat het schiereiland Manhattan kruist: het staat in schril contrast met hoe een Europese stad is opgebouwd. Middeleeuwse, uitdeinende cirkels tegenover 19de-eeuwse, uitgetekende rechthoeken. Heb je al eens aan een Amerikaan de weg gevraagd? Hij stuurt je via de windstreken terwijl wij links of rechts gebruiken.

Nergens lijkt de natuur verder weg dan tussen de wolkenkrabbers van Manhattan. Het kan claustrofobisch zijn, zoals in Hanover Street, of net een gevoel van ruimte geven, ­wanneer je in het midden van het voetpad het einde van de rechte avenues niet ziet liggen.

Beeld Stephan Vanfleteren

Manhattan werd ontdekt door Henry Hudson in 1609 op, jawel, 11 september. Dat hier ooit Native Americans hun schiereiland ­verkochten aan een Duitser voor 60 gulden aan prullen, nu de waarde van 1.000 dollar, is behoorlijk schokkend. Onvoorstelbaar dat dit nu onbetaalbare stuk land ooit slechts een rots met wat heuvels, bossen en moerassen was.

Ik kan blijven kijken naar die ­lijnen en strepen op de kaart. Ik heb er rondgedwaald als beginnende fotograaf, op zoek naar een beklijvend beeld, in dezelfde straten als legendarische fotografen zoals William Klein, Diane Arbus of Saul Leiter. Je staat op diezelfde straathoek, onder het gedempte licht van Wall Street, The Bowery, aan Times Square toen het nog ruig was. Manhattan is heilige grond voor straatfotografie.

Vrouwenparochie

Tien jaar geleden mocht ik Friesland fotograferen. Daar was de kaart, naast mijn fototoestel en wagen, mijn belangrijkste ­instrument. Kilometers, mijlen reed ik in die verlaten noordelijke provincie rond. Uitstappen, dijkje oplopen, even door de zoeker kijken. Twijfelen of fotograferen. Even wachten. Opnieuw instappen. De topografische kaart bekijken. En weer rijden naar een plekje dat aantrekkelijk leek op de kaart. Een weg aan een meer, een kruisje als symbool van een kerkhof, een ­uitstulping aan het IJsselmeer of een mooie naam van een dorpje.

Onderschat nooit de kracht van de poezië van een topografische kaart. Die overtreft vaak de werkelijkheid. Zo klinkt Sexbierum op de kaart heel rock-’n-roll, het dorpje Exmorra als een Napolitaanse maffiawijk, Moddergat als een plaats met ontregelde darmflora. En een dorp als Vrouwenparochie, wie bedenkt nou zoiets? Lesbiennes? Nonnen? Tampax-fabrikanten?

Het hoeven ook niet altijd ­exotische namen te zijn. Soms zijn het plaatsen die je kent, waar je opgegroeid bent. Op een oude kaart van België zoomde ik in op de Westhoek. Alle plaatsnamen zijn in het Frans, behalve vreemd genoeg de Noordzee.

Beeld Stephan Vanfleteren

Er zijn twee slagvelden in Nieuwpoort. Eentje uit 1600, in volle Tachtigjarige Oorlog. En dan was de slag bij Cassel, in 1328. Een welgestelde boer uit Lampernisse vocht er tegen de Franse koning, Filips VI. Hoe het afliep, kan je wel raden. Op de schoolbanken ­hadden we anders, naast 1302, ook wel het jaartal 1328 in onze ­hersenen gelepeld gekregen.

De kaart dateert duidelijk nog van voor de Eerste Wereldoorlog, want over de dramatische veld­slagen rond Ieper en Diksmuide wordt niets vermeld. De kaart zweeft nog in onschuld.

Dat is het nadeel en tegelijk een voordeel van kaarten. Ze kunnen niet geüpdatet worden. Het zijn momentopnames, eens gedrukt zijn ze definitief, stil en onbeweeglijk. Net als een foto.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234