Donderdag 19/09/2019

Reportage

Hij overleefde twee zelfmoordpogingen en een tsunami. Nu trotseert Bruno Hansen de golven zonder gevoel in zijn benen

Bruno Hansen heeft geen gevoel meer in zijn benen, maar voelt zich nergens meer thuis dan op zijn plank tussen de golven. Beeld Tom De Reuck

Na een carjacking raakte de in Zimbabwe geboren Bruno Hansen verlamd vanaf zijn middel. Twee zelfmoordpogingen en de tsunami kostten de verlamde surfer bijna zijn vel. Toch werd deze waaghals keer op keer gespaard en zo in de banen geleid van een buitengewoon leven. Dat speelt zich af in en op het water, want alleen daar voelt hij zich thuis.

Het is een heldere novemberochtend in Bali, en Bruno Hansen is op weg naar Nusa Dua Beach, een surfspot op de zuidflank van het eiland. Hij heeft er net de getijdentabel op nageslagen en is erop gebrand om in het water te liggen tegen 9 uur.

Hansen verplaatst zich op een aangepaste motorfiets, die hij helemaal zelf naar zijn hand zette. Of beter gezegd: naar zijn lijf. Dankzij een speciale versnellingspook van roestvrij staal kan hij remmen en schakelen zonder zijn voeten te hoeven gebruiken. In het zijspan rijden zijn surfplank en rolstoel mee. Op de ­parking dropt hij eerst de surfplank tegen een banyanboom. Hansen parkeert een paar meters verderop en lost in één vlotte beweging de elastiek die zijn benen samenhoudt. Vervolgens glijdt hij van zijn zadel in zijn rolstoel, die hij behendig achterwaarts uit de sidecar stuurt. Hij tovert een sarong tevoorschijn, spreidt die netjes open over zijn rolstoel om zijn onderlichaam af te schermen en hijst zich in zijn surfshort.

Hansens lijf is strak en sterk, met brede schouders en gespierde armen. Zijn gezicht is gebruind en getekend. Zongebleekt haar bungelt tot op zijn sleutelbeenderen, en een dun laagje witte stoppels bedekt zijn kin. Maar zijn lichaam is gespleten. Zijn benen horen niet bij hem. Ze zijn slap, elke spierspanning ontbreekt. Hij beweegt zijn onderste ledematen met zijn handen, als iemand die een lastig touw dat in de weg ligt opzijschuift.

Hij komt op gang nu, manoeuvreert zich naar zijn plank. “Je kunt niet de hele dag in de sportschool hangen en denken dat je daarvan fitter wordt”, zegt hij. “De enige manier om te oefenen, is surfen. De connectie met de oceaan behouden.” Uiteraard hebben alle surfers een band met de zee. Maar voor Hansen is die band eens zo sterk: in het water wordt zijn lichaam niet beperkt door de omstandigheden. Met de surfplank balancerend tussen zijn knieën en de voetsteun van zijn rolstoel, begeeft Hansen zich richting strand. De plank wiebelt vervaarlijk heen en weer, valt er net niet af. Hij houdt even halt om hem wat steviger vast te maken.

Hij moet zich over een stenen rand op het strand takelen, en laat zich zo’n vijftien meter van de zee met een plof uit zijn stoel in het zand vallen. Met een koord maakt hij zijn surfplank vast aan zijn enkel, en bindt zijn benen weer tesamen. Dan begint hij zichzelf achterwaarts naar het water te hijsen, zijn gezicht weggedraaid van de zee, handpalmen plat op het zand. Het is een moeizaam proces. Zo gaat hij even door en trekt dan zijn surfplank naar zich toe met het koord. Dan gaat het weer verder. Terwijl hij zijn kreupele lichaam meezeult, vertrouwt hij me toe dat zijn benen voor hem een ballast zijn. Hij overweegt, zegt hij doodleuk, om er eentje af te hakken. “Gewoon om het wat minder zwaar te maken, snap je?” Hij kijkt naar me op, zijn ogen turen in de zon. “Dat zijn nu eens levenbeslissingen van mijn kaliber”, zegt hij vrolijk. “Kap ik een van mijn benen af of niet?” Eenmaal in het water deint zijn lijf zichtbaar opgelucht mee met de golven. Hij laat zijn hoofd achterovervallen, maakt zijn haar nat en peddelt richting branding.

Wanneer Hansen in het water zit, voelt hij zich bevrijd. Aan land is alles een opdracht, wordt hij een uitgewezene. Maar in het water glijdt al het harde labeur van hem af. Zijn lichaam wordt gewichtloos. Hij kan uitademen. Hij wordt onaantastbaar, gedreven door instinct en kennis. Hij is in the zone. Terug thuis.

En toen...

Ik ontmoette Hansen voor het eerst enkele jaren terug in Bali, voor hij tweevoudig kampioen ISA World Adapative Surfing werd. Hij klopte 75 atleten uit 19 andere landen en werd zo ’s werelds beste surfer met een dwarslaesie (onderbreking van de zenuwen in de rug, met verlamming tot gevolg). Hansen surft in de ‘Prone’-divisie, waarbij deelnemers met hun buik plat op hun plank de golven afracen, enkel vertrouwend op de kracht van hun bovenlichaam. Dat alleen al is een prestatie op zich. De ware uitdaging voor verlamde surfers zoals Hansen begint pas eens hij zijn plank verliest en een speelbal wordt van de golven, zonder benen die hem veilig terug naar de oppervlakte kunnen trappelen.

Maar Hansens ronkende surftitels zijn nog de minste van zijn prestaties. Zijn levensverhaal is een aaneenschakeling van ‘en toen...’ – een rist hondsbrutale, van de pot gerukte avonturen en penseelstreken rampspoed.

Hansen groeide op in de jaren zeventig in Zimbabwe en bracht zijn leven als jongvolwassene voornamelijk al surfend en reizend door. Soms werkte hij als kapitein op plezierjachten in Zuidoost-Azië. Totdat het noodlot toesloeg en bij een carjacking in Zuid-Afrika zijn ruggengraat verbrijzeld raakte. Zes jaren van diepe duisternis volgden, maar Hansen sloeg terug. Hij zeilde de Indische Oceaan over. Toen brak de dag aan dat hij moederziel alleen op zijn boot in Thailand de tsunami uit 2004 overleefde, de vloedgolf die honderdduizenden levens eiste.

Stuur Hansen een sms’je met de vraag ‘Waar ben je?’ en het antwoord kan Costa Rica zijn, Engeland, Zuid-Afrika of Califor­nië. Tegenwoordig loop je de meeste kans hem te treffen in Panama. Hij wil er een ‘seahab’-instituut uit de grond stampen waar invaliden kunnen leren surfen, kajakken, duiken en zeilen, en de oceaan leren gebruiken om hun lijf en ziel aan te sterken.

Bruno Hansen: "Sinds ik in een rolstoel zit, ontmoet ik de mooiste vrouwen." Beeld Tom De Reuck

Wat mij vandaag zo intrigeert aan Hansen is hetzelfde als zoveel jaar geleden: een vrijer mens heb ik nooit ontmoet. Hij is op geen enkele manier beperkt, wordt door verantwoordelijkheden noch door angst geremd – zelfs zijn fysieke tekortkomingen lijken irrelevant. “Velen dromen ervan grootse dingen te verwezenlijken, maar slechts een handvol slaagt er daadwerkelijk in om ook maar iets in beweging te zetten”, zegt James Taylor, kameraad-avonturier en goeie vriend van Hansen, met wie hij in 2004 de Indische Oceaan overstak tijdens een zeiltrip van een jaar. “Bruno is een van die mensen. Wat hem nog bijzonderder maakt, is dat hij alles doet zonder benen.”

Die vrijheid kwam er niet zonder slag of stoot, maar is hem ondertussen zo eigen dat ze wel aan zijn vel gestikt lijkt. Hansen: “Toen ik heel diep zat, besloot ik om wild en vrij te leven, om enorme risico’s te nemen, om het gevaar recht in de ogen te kijken en het uit te lachen. Liever dat dan een veilig leven te leiden, eentje waarin ik oud, ongelukkig en kwaad zou geworden zijn, overpeinzend wat ik allemaal had kunnen doen.”

Die nacht in Kaapstad

In 1998 was Hansen 27 en kapitein van een charter die Zuid-Afrikanen meeneemt op surf- en duiktrips naar Sumatra en Phuket. Zijn robuuste look en manier van doen waren toen nog die van een geboren verleider. Hij leefde zorgenvrij, hongerig naar avontuur, zat niet verlegen om een goed verhaal en kon mooie meisjes doen lachen. Meestal zat er wel eentje aan zijn zijde. Soms ook twee. Op een avond zat Hansen op het dek te praten met een van de opvarenden. Het ging over hun grootste angsten. Die van Hansen was: zijn benen verliezen. “Niet meer kunnen surfen,” zei hij. “Of niet meer hand in hand met een meisje over het strand kunnen wandelen.”

Drie maanden later ontwaakte hij in een ziekenhuis in Kaapstad. De eerste woorden die hij hoorde, waren niet mis te verstaan. “Ik ga er geen doekjes om winden”, zei de dokter naast zijn bed. “Je bent verlamd en je zult nooit meer kunnen lopen.”

Hansen was op blitsbezoek in Afrika om zijn biologische vader te bezoeken. Ook had hij een meeting met zijn baas, de eigenaar van het charterbedrijf, die opereert vanuit Kaapstad. Daags voor zijn vertrek terug naar Thailand ging hij met zijn baas dineren. De avond mondde uit in een feestje, waar Hansen een aantrekkelijke jongedame leerde kennen met dezelfde ­avontuurlijke levensstijl. Al gauw bleek dat ze een boel gemeenschappelijke vrienden hadden, het klikte meteen. Op weg naar huis kwam de blondine aangescheurd in een cabriolet. “Hey Bruno! Ik geef je een lift!” Bruno moest geen twee keer ­nadenken. Hij sprong in de bolide en weg waren ze. Terwijl ze over de donkere autosnelweg bulderden, lachten en praatten ze honderd­uit. Ze misten een afslag. En dan: twee koplampen ­achter hen, die langzaam dichterbij kwamen. Een paar seconden later trok het voertuig wild op en kwam naast hen hangen. Een van de vier mannen in het voertuig opende zijn raam en schreeuwde dat ze moesten stoppen. Toen Hansen en het meisje weigerden, klonken er schoten.

De rest van het verhaal is vaag en ligt verbrokkeld in Hansens geheugen. Alles werd zwart. De wagen ging overkop en begon te tollen, om tot stilstand te komen op zijn dak. Hansen weet het alleen van horen zeggen. “Ik hing ondersteboven”, herinnert hij zich. “Het meisje hing ondersteboven. Uiterst kalm zei ik haar: ‘Niet panikeren. Laten we er heel rustig uit kruipen. Alles komt goed.’”

Dan verschenen twee van de carjackers. Ze begonnen het meisje uit de wagen te sleuren. De twee anderen trokken Hansen eruit. Net toen hij half uit het raam hing, begon de wagen opnieuw te rollen, hij schoof de berm af en belandde recht op het meisje. De motor verbrandde haar. “Ik lag daar maar op mijn rug, compleet hulpeloos, te luisteren naar haar geschreeuw”, zegt Hansen. Het meisje overleefde de crash, maar Hansen heeft haar nooit meer teruggezien.

Bewogen kindertijd

We zitten in een lokaal strandbarretje in Bali. Hansens ogen zijn fel en direct. Terwijl hij zich alles weer voor de geest haalt, blijft hij onbewogen en bij de feiten. “Wanneer je een ander mens zo hoort schreeuwen – ik heb het niet over een ‘Argh! Een spin!’-­gilletje – dan spreek ik over diepe doodsangst en pijn”, zegt hij. “Het is een afschuwelijk geluid dat je blijft achtervolgen.”

Terug naar het accident. Hansen op zijn beurt probeerde te begrijpen wat er gebeurde. “Ik kon mijn vingers niet meer bewegen, enkel mijn ogen. Ik verloor een paar keer het bewustzijn.” Nog steeds was hij niet bang. “Misschien was ik overmoedig door mijn jonge leeftijd”, zegt hij. “Maar op dat moment dacht ik nog steeds: alles komt goed. Ik was groot en sterk, kon de wereld aan. Ik voelde me onoverwinnelijk.”

De T12-wervel bevindt zich onder aan de thoracale wervelkolom, ter hoogte van de borst. De schade aan de wervelkolom bepaalt de ernst van het letsel. In het ziekenhuis kreeg Hansen te horen dat de schade bij hem totaal is. Zijn rug is gebroken, hij zou nooit meer kunnen bewegen vanaf zijn middel. In één plotse maar radicale milliseconde was hij verlamd voor het leven.

Het was niet de eerste keer dat rampspoed Hansens leven totaal overhoop gooide. Hij werd in 1971 geboren in Bulawayo, nu Zimbabwe, toen nog Rhodesië. Een door oorlog verscheurd land dat toen wemelde van Robert Mugabes ‘freedom fighters’ en hun allesoverheersende terreur. Zijn moeder, Diana Hansen, een Britse, kan zich nog goed herinneren hoe hij als zesjarige jongen naar school wandelde op een weg die ook gefrequenteerd werd door bavianen, luipaarden en nu en dan een olifant. “Soms waren er mortiergranaten. Bruno’s perceptie van gevaar moet nogal intens geweest zijn toen.”

Diana kwam als dochter van Engelse expats ter wereld op een boerderij in Rhodesië. Bruno’s biologische vader, een Italiaanse eigenaar van een bakkerij, vertrok toen Bruno twee werd. Diana trouwde met Hans Hansen, een Deen, die Bruno als zijn eigenlijke vader beschouwt. Als enig kind is Hansen nog steeds erg close met zijn ouders, die hem een onwankelbaar gevoel van zelfvertrouwen bijbrachten.

Dat bleek al als ukkie. In 1978 bevonden Diana en Hans zich aan boord van Air Rhodesia’s vlucht 825 naar Salisbury, de hoofdstad van het land, toen het toestel meteen na het opstijgen werd geraakt door een raket van het Zimbabwe People’s Revolutionary Army. Achtendertig passagiers kwamen om in de crash zelf. Nog eens tien werden afgeslacht toen het toestel terug aan de grond kwam. Hans en Diana behoorden tot de acht overlevenden. De kleine Bruno vernam het nieuws van de crash een paar uur later bij zijn oom en tante. Terwijl zij zich ernstige ­zorgen maakten, bleef hij kalm. Hij wist gewoon dat zijn ouders het zouden halen. “Ik voelde geen angst,” herinnert hij zich, “instinctief wist ik dat ze zouden overleven.”

Bruno Hansen op zijn motorfiets, die hij volledig naar zijn hand zette. Beeld Tom De Reuck

De familie vluchtte daarop naar Zuid-Afrika, het begin van een volatiele en wispelturige kindertijd. Van Zuid-Afrika ging het naar Denemarken, dan naar Portugal, Spanje, Frankrijk, Duitsland. Hij zag 14 scholen ­passeren in 12 jaar tijd. Hansen leerde om zich aan te passen aan andere talen en werd immuun voor verlies: huizen, huisdieren, vrienden, routines. Als nieuweling werd hij vaak gepest. Het maakte hem sterker. Uiteindelijk nestelde het gezin zich weer in Durban, Zuid-Afrika, waar Hansen de smaak van het surfen te pakken kreeg en een onverwoestbare band met de zee opbouwde. De oceaan werd zijn heiligdom.

Een rijk leven

Op het moment van de carjacking woonden Hansens ouders in Cornwall, Engeland. Zodra ze het nieuws vernamen, vertrokken ze naar Kaapstad, waar Bruno een maand in het ziekenhuis lag. Na een complexe operatie waarbij zijn rug werd versterkt met stalen pinnen, werd Hansen stabiel genoeg geacht om ­overgevlogen te worden naar een ziekenhuis in Engeland. Volgens de dokters zou zijn rehabilitatie anderhalf jaar in beslag nemen. Hansen hield het precies acht maanden uit. “Hij zei: ik heb het gehad hier”, zegt Diana. “En in onvervalste Bruno-stijl kwam hij terug thuis wonen in Cornwall, in een afschuwelijk slecht aangepast huis. Hans droeg hem de trappen op en af. Het was allemaal hartverscheurend en triest.”

Hoe we op een bepaalde plek belanden op een bepaald moment. Hoe onze keuzes en de daaruit voortvloeiende volgorde van gebeurtenissen onze levens tekenen. Hansens hersenspinsels proberen al de ‘wat als?’-vragen aaneen te rijgen. Wat als hij niet mee was gaan feesten met zijn baas die avond? Wat als het meisje de afslag niet had gemist? Vandaag is Hansen ervan overtuigd: als hij zijn benen niet was verloren in het accident, was hij ze wel op een andere manier kwijtgespeeld. Hij kan niet precies uitleggen waarom, toch is dat hoe hij denkt. Terwijl de jaren verstreken, is hij gaan geloven – net zoals sommige mensen dat in God doen, of in het lot – dat dit hem overkwam om van zijn leven een nog rijkere ervaring te maken.

Onmiddellijk na het ongeluk was er van acceptatie of begrip nochtans geen sprake. Hansen probeerde positief te blijven, maar de pijn was intens. Slapen werd onmogelijk en al snel deed wanhoop haar intrede. In 1999 vertrok hij uit Engeland. Hij reisde met een verpleegster en goede vriend naar een verre ­uithoek in Brazilië om er een spirituele genezer te ontmoeten, genaamd John of God. Toen dat op een sisser uitdraaide, bezocht hij een arts in San Diego die gespecialiseerd is in een controversiële operatie. Ze moest uitgevoerd worden in Tijuana, Mexico, wegens illegaal in de VS. Zijn rug werd opengesneden voor de transplantatie van babyhaai-embryocellen naar zijn ruggenwervel, in de hoop dat ze het beschadigde gebied zouden doen herstellen. “Dat is het allerergste wat ik geprobeerd heb, het was zelfs erger dan het ongeluk”, bekent Hansen.

Toen hij na enkele maanden hersteld was in San Diego, ­versierde hij een lift bij “een stel hippies” in een kampeerbusje. Alleen, in zijn “oude, shitty rolstoel” schuimde hij de kust verder af richting Mexico. Hij doolde, dronk, woedend en verloren. Op een avond zat hij bezopen rond de tafel met een stel Mexicanen. Een revolver werd zijn richting uit geschoven. Alle kogels zijn eruit gehaald, behalve één. “Die vent zei: ‘Stoppen met zeuren, man. Stop met klagen over je leven’”, vertelt Hansen. “Mexica­nen zijn macho’s, die doen niet aan medelijden.” Waarop Hansen het wapen nam. Hij plaatste de loop tegen zijn slaap en haalde de trekker over. De kogelkamer was leeg. Hij legde de revolver neer en viel in zwijm.

In een algehele staat van verdoving trok hij naar Rio Nexpa, een strand aan de Stille Oceaan waar hij enkele surfers over had horen praten. Het was een wilde gok: platzak was hij, zonder ook maar het minste idee te hebben waar hij mee bezig was. Ondanks alles was zijn radar voor vrouwelijk schoon intact gebleven. “Ik zag een mooi blond meisje passeren en ik vroeg: ‘Sorry, maar weet jij of hier toevallig geen Zuid-Afrikanen op doortocht zijn?’ Toen ik nog surfte was ik redelijk bekend, dus ik wist dat zij me zouden helpen. Waarop het meisje zei: ‘Ik denk dat er nog één iemand is achtergebleven’.” Het toeval wil dat er net die dag inderdaad een paar Zuid-Afrikanen waren vertrokken. Maar één man was gebleven: Craig Sanderson, een van Hansens beste vrienden in de lagere school. De laatste keer dat ze elkaar gezien hadden, was toen Sanderson op bezoek kwam bij Hansen in het ziekenhuis in Engeland. “Maar hij had me nog nooit in een rolstoel gezien”, zegt Hansen. “Hij dacht dat hij hallucineerde.”

Het was Sanderson die zijn vriend aanmoedigde om weer de oceaan in te gaan en richting golven te peddelen. Maar Hansens eerste weerzien met zijn surfplank draaide uit op een teleurstelling. Exact een jaar eerder was hij nog zorgeloos aan het surfen in Indonesië. Nu voelde hij zich stijf, zwak en verloren. Hij bleef proberen, maar elke zuchtje verlichting dat de zee hem bood, bleek maar van korte duur.

De golf

Op een ochtend peddelde hij rond op een longboard. In somber gepeins over zijn toekomst verzonken, besloot hij dat hij ­liever verdronk. Hij gleed zijn plank af in de veronderstelling dat hij rustig vanzelf naar de diepte zou zinken. Maar hij bleef drijven. “Ik probeerde om naar beneden te zwemmen, maar ik kon niet, mijn achterste leek wel van kurk en ik dreef”, zegt hij. “Ik weet nog dat ik naar de lucht keek en God vervloekte: bloody hell, waarom kunt u me nu niet gewoon laten gaan?”

Hansen hees zich terug op zijn plank en zocht ruiger water op, waar hij dacht meer succes te zullen hebben. Maar het tegendeel gebeurde: per ongeluk pakte hij een golf. Zijn instinct nam het over en hij begon de golf af te rijden. Plots wou hij niet langer sterven. “Het gevoel valt nog het best te omschrijven als diepe vreugde”, zegt hij. “Ik was gewoon helemaal in extase omdat ik had gesurft.” Het was een gevoel van pure blijdschap: snelheid, kracht, beweging, maar dan allemaal tesamen. “Geen enkel orgasme komt nog maar in de buurt van wat er toen die dag door mijn lijf ging”, lacht hij.

Terwijl we zitten te praten, zwellen zware elektrobeats aan van ergens vlakbij. De bassen dreunen zo zwaar door dat we stoppen met praten en rondkijken om de geluidsbron te detecteren. Een patserige Rus met zonnebril draait het volumeknopje van de luidsprekers op zijn motor nog wat meer open. Hansen staart hem dood. “Dat is nu eens het type vent dat ik meteen een dreun had verkocht mocht ik nog op mijn benen hebben gestaan”, zegt hij zonder zijn blik ook maar een seconde los te laten. “Ze dringen hun voorkeur op aan iedereen.” Hij blijft ­zwijgend naar de Rus kijken. Ik beeld me in dat binnen in hem nu de hartenpijn van een strijder raast – het onvermogen om niet te kunnen handelen op basis van fysieke agressie. Dan zegt hij: “Yep, ik was een beetje een idioot toen”.

26 december 2004

Na zes maanden Mexico keerde Hansen terug naar het grijze Engeland, waar hij opnieuw begon af te glijden. Hij probeerde om een ‘normaal leven’ te leiden in het kuststadje Bournemouth. Hij hummelde er wat rond met een handfiets, maar hij was blut, rusteloos en verveelde zich kapot. Het merendeel van de tijd bracht hij blowend door met vrienden. Op een dag trakteerde een kameraad hem op een vliegticket naar Zuid-Afrika, waar ze het idee kregen om wiet van Afrika naar Europa te smokkelen in de wielen van zijn rolstoel. Hansen overhandigde een lading aan een vriend die het verkocht. Met het geld keerde hij terug naar Zuid-Afrika, waar hij een oude boot kocht die hij oplapte en omruilde voor een grote catamaran.

Uiteindelijk was het een golf die Bruno’s wil om te leven weer aanwakkerde, en hem redde van de ondergang. Beeld Tom De Reuck

“Ik besliste dat ik het leven terug wou zoals ik het ooit had geproefd”, zegt hij. “Ik wilde mijn oude leven terug.”

Zo begon er na zes jaar duisternis eindelijk weer wat licht aan het einde van de tunnel te schijnen. Samen met James Taylor, die hij eerder dat jaar in Mozambique tegen het lijf liep, knapte hij een maand lang de catamaran op. Hun plan was om niet minder dan een jaar door te brengen op de Indische Oceaan. Zeilen, surfen, op schattenjacht gaan, ze gingen voor het echte avontuur. “We hadden simpelweg één missie”, beaamt Taylor. “Voor mij was het heel duidelijk dat hij zich niets in de weg zou laten leggen.”

Een maand later voeren ze van Durban naar Mozambique, Madagascar, Comoros, de Seychellen, de Malediven, vervolgens zetten ze koers naar Thailand. Hansen bediende het roer vanuit zijn rolstoel, Taylor nam het grootste deel van het zware werk voor zijn rekening, zoals het grootzeil en het anker optakelen. Er werd van hen het uiterste gevergd. Woeste stormwinden en enorme golven tilden Hansen uit zijn stoel en lieten hem meermaals op het dek rondscharrelen op zoek naar veiligheid. Hij werd dooreengeschud en uitgedaagd. Maar het gevaar heelde hem ook voor een stuk. Er was geen tijd om te contempleren over zijn netelige situatie. “Ik leerde om te gaan met ontbering zonder te klagen”, blikt hij terug. Onderweg leerde hij ook hoe het is om wél dingen te kunnen: surfen, duiken en speervissen. En hij ontwikkelde een talent voor freediving: hij kan zijn adem zo’n zes minuten inhouden.

Toen ze uiteindelijk aanmeerden in Phuket, Thailand, vloog zijn maat Taylor terug naar Zuid-Afrika om Kerstmis te vieren. Na een jaar op zee was Hansen in staat om ook in zijn eigen leven het roer weer over te nemen. Hij kon autonoom zijn jacht af, in een dinghy klimmen, naar het strand roeien, het bootje vastankeren, de rolstoel overboord gooien, naar het strand zwemmen en de rolstoel met een touw aan land trekken. Eens aan land verplaatste hij zich op een scooter, die hij met een groentekrat ‘uitbreidde’ om zijn stoel overal mee te kunnen nemen. Het waren gelukkige tijden.

Het plan was om bij Taylors terugkomst naar Sumatra te zeilen. Het draaide even anders uit. Tijdens de ochtend van 26 december was Hansen alleen op zijn boot toen uit het niets de tsunami toesloeg. Kerst heeft hij lunchend doorgebracht met een aantal surf- en zeilmaten. Hij stond op met een kater. Een vreemde wind stak op langs achteren en hij merkte dat een deel van het rif opeens zichtbaar werd. Al snel bevond de boot zich in een draaikolk. Dan kwam de eerste golf. Bijna twee meter hoog was die. Hansen kroop snel naar de boeg, sneed het ankertouw door en stuurde de boot richting branding, naar dieper water. Hij slaagde erin de motor aan de praat te krijgen, maar zag meteen de volgende golf op hem afkomen: dit keer doemde een watermassa van zes meter voor hem op. “Dat was het moment dat ik besefte dat het niet goed zat. Ik voelde geen angst, er was vooral ongeloof.”

Met loeiende motor probeerde hij dwars de golf op te varen, in de hoop nog over de schuimkoppen te geraken, voor het punt dat de golf brak. “De oceaan,” vertelt hij, “sloeg tilt.” Hij haalde het, ook van de vierde en grootste golf, een watermuur van liefst negen meter hoog. Eens de storm geluwd was, wachtte Hansen af in veiligere, diepere wateren. Stoelen en brokstukken kwamen voorbijdrijven. Ook lijken. Al gauw zat hij zonder brandstof, voedsel en water. “Ik weet nog goed dat ik dacht hoe nietig onze levens zijn en hoe belangrijk we denken te zijn”, zegt hij. “In 15 minuten tijd kan alles veranderd zijn. Uiteindelijk heeft de natuur altijd het laatste woord.”

Na drie dagen dook een zeiljacht op dat hem bekend voorkwam. Het was de Moonpath, een Zuid-Afrikaans schip waarop hij zelf nog geschipperd had, zes jaar eerder. Hij vroeg over de radio om hulp. Zo voeren zijn schip, de Sunlord, en de Moonpath, zij aan zij in een vreemde symmetrie hun redding tegemoet.

Aframmeling van de natuur

Het leven van Hansen werd gespaard. Alweer. Gered door een combinatie van geluk, handigheid en timing. Waarom? In plaats van de gebeurtenissen keer op keer te herkauwen, ontdekte hij dat de situatie níet analyseren veel productiever is. “Je kunt het vergelijken met raften. Je bevindt je op het hefstigste stuk van de rivier, je wordt kopje onder gezogen en de stroomversnellingen blijven elkaar maar opvolgen, maar als je lang genoeg volhoudt, kom je ergens weer boven in helder, rustiger water. De natuur hielp en heelde me met een flinke aframmeling.”

De rit naar Hansens huis duurt langer dan gewoonlijk omdat ik hem volg in een taxi. De weg die hij normaal neemt, is niet toegankelijk voor auto’s. Wie in Bali vanuit het niets een huis wil beginnen bouwen, wacht een oefening in geduld. Maar Hansen pachtte een stukje land op een verscholen heuvelrug en slaagde er wonderwel in. De woning voelt aan als een boomhut zonder muren, overgoten door daglicht. De plek is sober ingericht en uitgerust met een lift die Hansen naar de tweede verdieping kan brengen.

Want sinds de tsunami heeft Hansen niet stilgezeten. Hij verruilde Thailand voor Bali, zette er wat houten hutten neer en surfte er op de pittigste golven die het eiland te bieden heeft. Hij beleefde nieuwe avonturen aan boord van jachten van vrienden en voer de oostkust van Afrika op en af. Hij bracht opnieuw een bezoek aan de Braziliaanse sjamaan – dit keer eindigde de ontmoeting in vrede. Hij ging raften in Uganda, waar zijn ouders wonen. En hij wil dat het geweten is: “Sinds ik in een rolstoel zit, ontmoet ik de mooiste vrouwen.”

Binnenkort keert Hansen terug naar Californië om er zijn surftitel te gaan verdedigen. Hij wil graag winnen, maar van nervositeit of angst is geen sprake. “Ik ben ongevoelig voor stress, pieker niet”, klinkt het. “Ik freak over niets. Niets maakt me bang. Onlangs vroeg ik me af: wat jaagt me echt de stuipen op het lijf? Ik kon niets bedenken. Tenzij ­misschien de vrees om iemand te kwetsen.”

Hij grijpt naar een doos met gedroogde zoete tamarinde. “Wil je proeven?”, vraagt hij. Hij breekt de lange, kromme vrucht open, verwijdert het vezelige binnenste en haalt er iets uit dat op een uitgerekte dadel lijkt. “Je eet de zaadjes op.”

Tijdens onze gesprekken zijn er tal van momenten geweest waarop Hansen een zin besloot met: “dat heeft me gemaakt tot de mens die ik vandaag ben”. De anekdote uit zijn kindertijd, de dag in Mexico waarop de golf zijn systeem rebootte, de oversteek van de Indische Oceaan, de tsunami die hij overleefde. “Mijn geest is onbreekbaar”, besluit Hansen, en hij is bloedserieus. Zijn fysieke transformatie dwong hem zijn blik naar binnen te richten. Hij kreeg er wijsheid voor in de plaats.

Ik vraag hem opnieuw of er echt niets is dat hem angst inboezemt. Hij denkt lange tijd na en schudt zijn hoofd. “Niets.” Dan begint hij te glimlachen. “Wel,” zegt hij, en ik weet echt niet of hij het nu meent of niet, “het zou toch erg vervelend zijn, mocht ik een arm verliezen.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234