Donderdag 17/10/2019

Interview Interview

Herman Brusselmans: “Op een dag kreeg ik een telefoon: ze was dood”

Herman Brusselmans. Beeld Stefaan Temmerman

Schrijver Marcel Proust beantwoordde ze ooit in een vriendenboekje, nu geeft De Morgen er een eigenzinnige draai aan. Vijfentwintig directe vragen, evenveel openhartige antwoorden. Vandaag: schrijver Herman Brusselmans (61). Wie is hij in het diepst van zijn gedachten?

1. Hoe oud voelt u zich?

“Mijn leeftijd. 61. Soms voel ik mij in de fleur van mijn leven en soms denk ik: ik ben op weg naar het einde. Soms wil ik nog van alles doen en soms denk ik: wanneer ga ik dat allemaal doen? Over twintig jaar ben ik tachtig en twintig jaar is niks, hè. Twintig jaar geleden was ik 41, dat lijkt gisteren wel. Ik heb nu mijn tachtigste boek beëindigd en kan dus niet meer denken dat het allemaal nog moet gebeuren. Het is al gebeurd. Wat wel helpt, is dat ik een jonge vriendin heb. Lena is 27. Ze wil dat ik lang leef. Ze wil dat ik stop met roken en geeft mij fruit en groenten. We zijn heel gelukkig samen, alles is koek en ei, maar dat heeft ook een schaduwkant: wij kunnen nooit samen oud worden. Meer dan ooit besef ik dat ik er niet meer zal zijn voor haar. We praten daar ook vaak over. Bij de gedachte dat ik ga sterven, lopen de tranen over haar wangen. Ik wil zonder jou niet verder, zegt ze dan. Daardoor ben ik bang. Niet voor de dood, maar wel om haar alleen te laten. In dat opzicht was mijn zestigste verjaardag een kantelpunt. Het besef dat mijn moeder op haar 61ste gestorven is, heeft mij een krak gegeven. Ze is maar zo oud geworden als ik nu ben. Wat nog moest volgen, is voor haar niet gevolgd.”

2. Wat vindt u een belangrijke eigenschap van uzelf?

“Bescheidenheid, denk ik wel. Hoewel ik honderdduizend keer geschreven heb: ‘Ik ben de beste schrijver van Europa’. Wat uiteraard spielerei is. Ik kan mezelf goed relativeren. Ik vind mezelf niets bijzonders, zonder dat het ziekelijk wordt.

“Ik heb ook altijd geleefd voor mijn partners. Ik ben dolgelukkig als mijn partner dolgelukkig is.”

BIO

• geboren in Hamme op 9 oktober 1957

• schrijver, columnist, 
tv-figuur, voetbalanalist

• was een verdienstelijk voetballer; speelde bij de UEFA-junioren van Lokeren samen met o.a. Raymond Mommens

• studeerde in 1980 af in de Germanistiek aan de UGent

• debuteerde in 1982 met de verhalenbundel
Het zinneloze zeilen

• brak in 1985 door met
De man die werk vond

• veelschrijver; zit met de recente publicatie van
Zo dom als Albert Einstein al aan boek nummer 78

• sinds begin de jaren 90 columnist bij
Humo, later ook bij Het Laatste Nieuws

• had een rubriek in het tv-programma
Het huis van wantrouwen, maakte daar furore met de catchphrase ‘Ik dank u voor uw wááándacht’

• heeft een relatie met de jonge Amsterdamse Lena; was eerder getrouwd met Gerda Baeyens (1980-1991) en met Tania De Metsenaere (2005-2010) 
   

3. Wat is uw passie?

“De liefde en de literatuur. Ik ben daar dag en nacht mee bezig.”

4. Ervaart u het leven als een cadeau?

“Ja. Er zijn rampen gebeurd, zoals de dood van mijn moeder, maar voorts ben ik wel blij met het leven. Je kunt niet anders dan bijna op alle ­niveaus van het leven in clichés denken. ‘Maak er het beste van’ of ‘het kan nog erger’. Ook al vind ik de wereld een hellegat, anders zou ik geen ­schrijver zijn.”

5. Welke kleine, alledaagse gebeurtenis kan u blij maken?

“Samen met mijn lief op de bank zitten of samen iets gaan eten. Elkaar vragen waarmee we bezig zijn. De geneugten van het kleine, huiselijke, bijna burgerlijke leven.”

6. Wat is uw zwakte?

“Als jonge schrijver heb ik een periode gehad dat ik zwaar aan de drank zat. Ik keek enorm op naar drugsverslaafde, bezopen kunstenaars die alles uit het leven persten. Tot ik inzag dat alles uit het ­leven persen voor mij zoveel mogelijk schrijven betekende, zodat ik geen tijd meer had om mezelf naar de vaantjes te helpen. Ik ben toen gekapt met de drank, maar neerslachtigheid zit wel een beetje in mij, hoewel ik het ook kan relativeren. Wie ben ik immers om te denken dat ik er slecht aan toe ben? Er zijn miljoenen mensen die er honderd keer slechter aan toe zijn. Je moet maar beelden zien van een vluchtelingenstroom. Wat zou ik hier in mijn verwarmd huis in Gent een beetje zitten klagen van oei, ik ben neerslachtig. Op de rand van de depressie heb ik nooit gestaan, maar ik heb wel last gehad van paniek- en angstaanvallen. Maar ook daar moest ik vanaf. Geen bullshit. Hoewel dat zeer ernstig was.”

7. Waar hebt u spijt van?

“Ik had meer tijd moeten doorbrengen met mijn moeder. Zij was nierpatiënte, maar ik besefte niet hoe levensbedreigend dat was. Ze heeft haar lijden altijd weggestoken. Op een dag kreeg ik een telefoon: ze was dood. Dat is nu 27 jaar geleden, maar hoe ouder ik word, hoe meer ik haar mis. Kijk, daar op mijn bureau heb je de urne van Woody, die de drie-eenheid van mijn doden ­vertegenwoordigt: mijn moeder, mijn vader en mijn hond. Iedere dag spreek ik tegen hen. Ik ­vertel hun dat ik hen graag zie en wat ik zoal ­gedaan heb. In het begin met veel verdriet, maar dat verdriet is nu ingekapseld in mijn leven. 

“Vind ik het jammer dat ik zelf geen kinderen heb? Als ik terugkijk niet, nee. Een kind is nog altijd ­mogelijk, maar we twijfelen omdat we weten dat we niet samen oud gaan worden. Tegelijk zou er dan toch íéts van me overblijven als ik er niet meer ben.”

Herman Brusselmans: “Mensen zien aftakelen die je graag ziet is het ergste wat er is.” Beeld Stefaan Temmerman

8. Wat is uw grootste angst?

“Dat Lena ziek zou worden. Laat ze nog honderd jaar leven. Liefst met mij erbij, maar laat haar niet ziek worden want mensen zien aftakelen die je graag ziet is het ergste wat er is.”

9. Wanneer hebt u het laatst gehuild?

“Bij de dood van Woody. Ik ben geen huiler. Ik heb enorm gehuild toen mijn moeder overleed in 1992. Ik heb gehuild in 2004 na de dood van Woody. Toen mijn vader stierf in 2008 heb ik niet gehuild, maar ik was wel helemaal kapot. Lena neemt het me soms kwalijk dat ik niet gemakkelijk huil. Hoewel ik bij de minste flutfilm waarin een kindje ziek wordt of zo een krop in de keel kan krijgen.”

10. Wanneer bent u ooit door het lint gegaan?

“Net als mijn vader heb ik een agressieve ­component in mij, maar echt door het lint gaan, nee. Soms ga ik door het lint-je, ook in mijn ­relatie, maar de dag nadien ben ik al vergeten waarom. Dan zeggen wij tegen elkaar: zeg, van de week hadden wij ruzie, waar ging dat over? Meestal om een kleinigheid.”

11. Welk kunstwerk heeft u gevormd?

“In de eerste plaats De avonden van Gerard Reve. Ik las dat en dacht: kijk, dit wil ik ook. Een grappig boek schrijven over schlemielachtige personages die eigenlijk niets doen, niets betekenen, die cynisch en ironisch zijn. Ik ben zot van kunstenaars met oeuvres. Van figuren als Reve, Magritte, Picasso, John Lennon. Ik bewonder heel graag. En dat gaat van de ­drummer van Prince of Bruce Springsteen tot de loodgieter die hier een wc placeert.”

12. Hebt u ooit een religieuze ervaring gehad?

“Ja. Op 6 juli 1992. Het was een mooie zomerdag. Halftwaalf. Ik lag met een kater in bed mijn roes uit te slapen tot ik plots gewekt werd door het ­geklepper van de openstaande luiken. Was er een onweer op til? Ik keek door het venster, niets te zien, alles was windstil. Vreemd. Een paar uur later kreeg ik telefoon. Mijn moeder was gestorven. Om halftwaalf. Was zij afscheid komen nemen? Is dat een religieuze ervaring? Is dat een ­paranormale ervaring? Hoe verklaar je dat? Ik weet het niet. Dus ik ben agnost. Je gaat dood en waarschijnlijk is er niets, maar je weet nooit.

“Hoewel ik toch een beetje twijfel aan het bestaan van de hemel. Tot nu toe hebben er 102 miljard mensen op aarde geleefd, las ik ergens. Beeld je de hemel in als een reusachtig Rock Werchter. Vind daar maar eens je hond, je vader en je ­moeder terug!” (lacht)

13. Hoe kijkt u naar uw ­lichaam?

“Goh, dat is wel oké. Ik heb nog niet het ­uitgezakte lijf van sommige zestigers. Maar ik zit natuurlijk wel met die kop. In veel literaire recensies moest ik horen hoe lelijk ik wel was. Daarom heb ik mezelf dan maar de mooie, jonge oppergod genoemd. Maar al de vrouwen met wie ik ben geweest, vonden mij een zeer mooie man. ­(opgetogen) Raar genoeg, maar soit. Dan heb je de kwestie van dat haar. Van mijn vader mocht ik geen lang haar hebben. Als ik ooit op eigen poten sta, dacht ik, laat ik mijn haar groeien om hem te kloten. En het hangt hier nog.” (lacht)

14. Wat vindt u erotisch?

“Alles wat een vrouw is en doet en zegt kan mij erotiseren. De manier waarop ze kijkt. Ik ben toch wel een heel zware heteroseksueel, moet ik ­zeggen. Of ik ooit gekust heb met een man? Neen. Ook nooit aan gedacht. Toen ik jong was, heeft Tom (Lanoye, red.) weleens gezegd dat ik een ‘niet onknappe jongeman’ was. (lacht) En dan denk je weleens: zou die Tom ooit in zijn ­gedachten...? (lacht) Bon, je weet nooit, maar het is mij nooit opgevallen.”

15. Wat is uw goorste fantasie?

“Ik heb een tijdlang gefantaseerd over een triootje, wat je nu niet echt goor kunt noemen. Tania had mij dat beloofd voor mijn veertigste verjaardag. (lacht) Maar eigenlijk ben ik een broekschijter. Ik had horen zeggen dat dat weleens kan tegenvallen. De een wordt dan jaloers op de ander, weet je wel. En Tania is ook totaal hetero, dus dat triootje is een langzame dood gestorven.

Eigenlijk heb ik altijd een normaal seksleven gehad. Toen Tania weg was, heb ik zelfs drie jaar geen seks gehad. Hoe langer je geen seks hebt, hoe meer de behoefte verdwijnt, merkte ik. Ik heb nooit op ontploffen gestaan. Ik keek soms weleens naar lesbische porno, dat vond ik wel geil, maar die opgeblazen tieten en gasten met zulke lullen, da’s niks voor mij. Ik ben ook nooit naar de hoeren geweest. Zelfs onenightstands zijn mijn ding niet. Ik moet echt wel een connectie voelen, een soort prille verliefdheid om goeie seks te kunnen hebben.

Herman Brusselmans: “Ik zou graag een zes- à zevenjarig Brabants trekpaard zijn.” Beeld Stefaan Temmerman

“Ik herinner mij dat ik eens met een meisje was meegegaan naar haar studentenkot. Ze wou mijn botten uittrekken, maar mijn voeten waren zó gezwollen van het zuipen, dat haar dat niet lukte. Hou die botten maar aan, zei ze, en ga maar weg. (lacht) Het was altijd wel iets. Zo ben ik nog eens op een meisje haar kamer beland. Een oven was dat! De chauffage stond geblokkeerd op 32 graden. Toen ben ik ook maar naar huis gegaan. (lacht) Ik was echt een dombo op dat vlak. Al bij al heb ik dus niet veel vrouwen – hoe moet ik het zeggen zonder denigrerend te klinken – gehad of gekend, omdat ik telkens monogame relaties heb gehad. Ik heb me nooit laten overheersen door seksuele driften. Dat mijn relatie met Lena de laatste is, ook seksueel, vind ik een prettige gedachte.”

16. Welk dier zou u willen zijn?

“Een paard. Ik vind paarden de mooiste dieren die er bestaan. En dan denk ik niet per se aan Arabische hengsten, ik heb het meer voor Brabantse trekpaarden. Ik zou graag een zes- à zevenjarig Brabants trekpaard zijn, want dan zijn ze op hun hoogtepunt. Koeien heb ik ook altijd wel mooi ­gevonden, maar paarden zijn toch superieur. ­Zowel qua verstand als qua sierlijkheid.”

17. Hoe was de relatie met uw ouders?

“Goed. Hoewel mijn vader bij tijden een ­agressieve zot was. Mijn moeder was fantastisch. Echt een goeie, leuke, mooie vrouw. Ze stond ­altijd klaar voor iedereen, terwijl mijn vader ongelooflijk rap over z’n toeren was. Vooral ook door zijn stresserende stiel. Hij was veehandelaar. Als er een koe stierf was je in die tijd 40.000 frank kwijt.

“Mijn moeder beredderde het hele huishouden en werkte mee in de zaak. Zij ontving de mensen, gaf ze iets te eten en te drinken. De frietketel draaide continu. Ze had drie kleine kinderen, hielp mee de dieren voederen, stond mest te scheppen in de stal. En een half uur later kwam ze de trap af als een lekker ruikende, mondaine vrouw. Ik denk dat mijn houding ten opzichte van vrouwen bepaald is door de goedheid van mijn moeder. Ik zette haar op een sokkel en aanbad haar. Zoals ik alle vrouwen op wie ik later verliefd werd aanbeden heb.

“Toen ze stierf, was mijn vader helemaal kapot. Hij heeft daarna nog zeventien jaar op halve kracht geleefd. Achteraf gezien was mijn vader wel een goeie gast, maar hij had een heel slechte jeugd gehad. Tot zijn dertiende naar school geweest, een moeder die dronk, een opvliegende vader. Samen met Tania en mijn zus heb ik hem nog een paar mooie jaren proberen te geven, hoewel hij voor een stuk onze jeugd vergald had.”

18. Hoe definieert u liefde?

“Dat is bij mij toch een kwestie van chemie. Liefde op het eerste gezicht. Ik heb nog nooit een relatie gehad die moest groeien. Eerst vrienden worden en dan per ongeluk elkaar eens kussen. Neen. Liefde is (klopt op been): iemand zien en weten (knipt met vingers): ja, die is ’t!

“Ik kan ongelooflijk verliefd zijn omdat ik het voorwerp van mijn liefde tot een godin maak. Wat ik eigenlijk noodzakelijk vind om een goede relatie te hebben.”

19. Bent u een goede vriend?

“Ja, maar ik zie ze te weinig. Tom Lanoye en Erik Meynen zijn mijn allerbeste vrienden, al meer dan dertig jaar. Erik en ik hebben jarenlang ’s nachts, minstens twee keer in de week, drie à vier uur zitten bellen met elkaar, om de toestand in de wereld te bespreken. Of uren samen in de zetel naar MTV zitten staren zonder iets te zeggen. En Tom, tja, dat is mijn broer. We hebben dezelfde ­visie op literatuur, op humor, op alles eigenlijk.”

20. Hoe zou u willen sterven?

“Niet ziek. Kalm in mijn slaap, met mijn hand in die van Lena en met nog een paar mensen rond mijn bed. Wegdoezelend, zeg maar. Vroeger wilde ik mijn leven tot de laatste snik laten uitbloeien, maar intussen denk ik daar anders over. Mocht ik ongeneeslijk ziek zijn, ik zou wel euthanasie ­plegen, zoals Hugo Claus, om niet verder te ­moeten aftakelen.

“Wat ik zou wensen als laatste avondmaal? Iets ongezonds. (lacht) Lena sleept mij mee naar sushi- en vis- en vegaburgerrestaurants en al die shit; ik eet het wel, vind het soms zelfs lekker, maar ben toch een biefstuk-frietman, met ­archiducsaus, weet je wel.”

21. Wat is voor u de hel op aarde?

“De toestand in de wereld. Ik heb het vooral ­ongelooflijk moeilijk met het feit dat miljoenen mensen op de vlucht zijn. De hel op aarde is voor mij de hel van andere mensen. Want ik heb er geen last van. Ik zit veilig in mijn huis, heb eten, licht en verwarming. Toen Tania kanker had, stonden hier om de hoek in Sint-Lucas oncologen, verpleegsters en allerlei mensen dag en nacht voor haar klaar en daardoor is ze genezen, waar ik heel erg gelukkig en dankbaar voor ben. Sindsdien realiseer ik mij dat er tussen die vluchtelingen mannen en vrouwen zitten die kanker hebben. Waar moeten zij naartoe? Mensen op de vlucht hebben niet alleen armoede en honger, maar zijn in veel gevallen ook ziek en hebben verzorging nodig die ze onmogelijk kunnen krijgen. Dat is toch de hel?”

22. Hebt u ooit ­racistische gevoelens gehad?

“Nee. Nee. Ik kan me niet voorstellen dat je die hebt. Om zoiets onbeduidends als kleur! Ik heb ook nog nooit in een situatie verkeerd waarin ik racistische gevoelens zou kunnen hebben. Sommige mensen worden racistisch omdat hun Marokkaanse buurman de ruit van hun auto heeft ingeslagen. Maar hoeveel witte mensen slaan geen ruiten in?

“In dat opzicht word ik flink bijgespijkerd door Lena, die heel geëngageerd is en vrijwilligerswerk doet voor Caritas. Ze helpt woningen zoeken voor vluchtelingen, vooral Afghanen en Syriërs, en komt met de meest schrijnende verhalen naar huis. Als je naar een huiseigenaar belt en zegt dat je een woning zoekt voor een zekere Mohammed, baf, gaat de telefoon dicht. Er is in Gent een tachtigjarige vluchteling voor wie ze maar geen huis vinden. Dat doet mij nog meer nadenken over het leed dat mensen wordt aangedaan omwille van hun kleur. Niet alleen worden ze door vuile dictators uit hun land gejaagd, ze komen ook nog eens terecht in een cultuur waarin velen racistisch zijn.”

23. Wat betekent geld voor u?

“Er heeft eens een journalist van een of andere gazet uitgevogeld wie de rijkste Vlamingen zijn. En wat bleek? Ik stond op nummer 34 in de top 50 van de Vlaamse pipo’s met geld. Hoeveel mensen daarna niet tegen mij zeiden: ‘Gij met al uw geld, waarom koopt gij geen groter huis dan dat kot hier?’ Omdat ik daar echt geen zin in heb. Ik voel mij hier goed. Ik heb geen vijf slaapkamers, plus een hobbykamer en een mancave nodig. ­Materieel heb ik heel weinig behoeften. Als ik 50 euro in mijn zak heb, is het oké. Als ik een pakske sigaretten en friet met stoverij kan kopen, ben ik al content.”

24. Wat is uw vreselijkste vakantieherinnering?

“Het probleem is dat ik nooit met vakantie ga. ­Tania is zelfs met haar moeder op huwelijksreis geweest omdat ik niet mee wilde. (lacht) Maar in 2008 zijn we toch eens samen met de trein in Saint-Tropez beland. We waren vertrokken op maandag en op woensdag zaten we hier alweer op het terras, bij 24 graden, terwijl het in Saint-Tropez 8 graden was en stortregende. We waren daar dus weggevlucht. Het enige lichtpuntje in Saint-Tropez was dat we op een marktje Nicole en Hugo tegenkwamen. ‘Ha Nicole, ha Hugo! Jullie hier!’ ‘Ja, jullie hier ook! Daaag!’

“Mijn ouders gingen ook nooit op reis. Andere streken, andere culturen, ik kende dat niet. Tot ik ging studeren in Gent. Ik was trouwens de eerste in heel onze stamboom die naar de universiteit ging. En ik vond Gent meteen: (knipt met vingers)! Ik heb dat met alles hè, met drumstellen, met ­platen, met literatuur, met vrouwen, en ook met Gent. Die vonk. Dit is waar ik wilde zijn! In Gent kun je bij wijze van spreken om 10 uur ’s avonds in de winter met je bloot gat over de Vrijdagmarkt lopen. Wereldsteden lijken fantastisch, maar zijn mij te druk. En hier woon ik in een leuke straat, verkeersvrij, terrasjes in de zomer, en al die ­verschillende culturen. Gent is perfect voor mij.”

25. Wie zou u eens uw gedacht willen zeggen?

“Een dictator van het type Assad of Kim Jong-un zou ik weleens in mijn handen willen hebben, bij wijze van spreken. Ik zou eens willen converseren met iemand van wie ik bijna met zekerheid weet dat hij door en door slecht is. De waarlijke ­psychopaat intrigeert mij. De slechtheid van ­iemand die meent grenzeloos macht te kunnen uitoefenen over miljoenen anderen, zou ik ­weleens willen doorgronden, ja.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234