Dinsdag 25/06/2019

Ronde van Frankrijk

Hendrik Vos: "Ik heb nooit moeten vechten"

Wie Mike was, weten we niet. Maar hij stierf en kreeg een gedenkkruis met zicht op de Ventoux. Hendrik Vos leest de spreuk: ‘Souris à la vie, la vie te souriras.’ In de Provence vindt de Gentse professor en Europa-expert dat niet zo moeilijk. ‘Alles is me in de schoot geworpen’, zegt hij. ‘Ik ben een geluksvogel.’ Ondanks het leven.

Hendrik Vos op de Mont Ventoux. Beeld Diego Franssens

Op radiozender France Bleu Vaucluse zingt Michel Fugain. Daarna vertelt iemand dat twee truffeldieven opgepakt zijn en dat in Saint-Pierre-de-Vassols een boer is verongelukt onder de wielen van zijn eigen tractor.

“Ik heb hier nog nooit iemand Le Monde zien lezen”, zegt Hendrik Vos wat later. Parijs ligt ver van Mormoiron en la France wacht nog wat met de 21ste eeuw. “Ze waren nochtans voorop met Minitel, een voorloper van het internet. Maar Cambodja had sneller wifi. Frankrijk is een stram land, het is zo moeilijk er iets te veranderen. Comme d’habitude lijkt het antwoord op alles. Vorig jaar stelde de regering een wijziging van de arbeidswet voor. Het hele land ging plat, in Avignon moest ik drie uur aanschuiven om te tanken. Drie dagen later werd de wetswijziging ingetrokken. Voilà. Het is Parijs en de rest. Maar dat is ook fijn: als ik naar hier rijd en ik ben voorbij Nancy, krijg ik plots lucht en ruimte.”

In Mormoiron waren we voor het eerst in 1993 en in Bédoin huurden we toen een fiets. We zouden de Ventoux oprijden. De mevrouw van de fietsenwinkel vroeg nog bezorgd: ‘Zou je geen mountainbike nemen?’ We waren 25 en wat dacht zij wel? Maar een dag later voelden we ons 50. Na vijf kilometer lag ons uitgekotste potje ontbijtyoghurt in het Forêt Domaniale du Ventoux en drie kilometer later lagen wijzelf er ook. De top was onbereikbaar. Mormoiron werd de finish met de desillusie.

En dan zit je in dit dorp op het terras met Hendrik Vos, prof aan de UGent, maar ook een beetje prof wielrennen. We citeren voor één keer Wikipedia: ‘Vos is ook een verdienstelijk wielrenner. (...) In 2012 en 2013 won hij ‘La Cannibale’, een cyclosportieve waarin de Mont Ventoux tweemaal beklommen wordt. In 2014 werd hij er vierde.’

“Toen ik die laatste keer de Ventoux opreed, besefte ik: ik zal nooit in het geel door Parijs rijden.’ Nadien ben ik gestopt met fietsen om te koersen. Maar niet met fietsen. Hoeveel keer heb ik de Ventoux opgereden? Een keer of 200? Eergisteren nog, en voor ik naar huis ga allicht nog eens. Dit jaar reed ik hem zelfs op 1 januari op. Ik wilde kunnen zeggen: ik was dit jaar de eerste die bovenkwam.” Voor de kenners: zijn tijd schommelt vandaag nog altijd rond de 1u20. Zijn beste beklimming ooit? 1u09. Dat is amper 14 minuten minder dan de Spanjaard Iban Mayo in 2004, en die heeft het record op zijn naam. En Mayo reed in rare medische tijden.

Efteling

Je kunt hier amper níét over koers praten, maar we gaan dat toch proberen. Promis.

“Als kind was ik létterlijk nooit in een ander land op reis geweest. Nooit. De enige buitenlandse trip met mijn ouders ging naar de Efteling. De Provence kende ik enkel van een schooltoneelstuk met die titel. Toen ik studeerde en toch aan wat geld geraakt was, kwam ik in 1991 met een vriendinnetje naar Fontaine-de-Vaucluse. We sliepen in de jeugdherberg en op die vakantie liet ze me staan voor een Australiër. (lacht) Dat begreep ik: wat had ik te bieden? En het was een knappe jongen. Maar ik kwam onder de indruk van deze streek, van de platanen, de krekels, de hagedissen, de zonnebloemen.”

Om 6.39 uur piept de zon over de top van de berg en terwijl de professor fruitsla knipt, verse kersen koopt en in het dorp baguettes haalt, wordt het landschap wakker. “Natuurlijk kun je hier een boek schrijven, en ik zou het graag doen, maar ik heb nog geen verhaal. De bekeerlinge (van Stefan Hertmans, RVP), dát is iets. Maar als ik wat wil doen met mijn ervaringen in de Cannibale of in de Marmotte (een andere ‘cyclosportive’, over vier Alpencols, RVP) kom je automatisch bij De renner van Tim Krabbé uit en kun je alleen maar een flauwe kopie worden. Zijn openingszinnen ken ik van buiten: ‘Vanaf terrasjes kijken toeristen en inwoners toe. Niet-wielrenners. De leegheid van die levens schokt me.’ Ik kan dat nooit beter.”

“Een paar maanden per jaar ben ik hier, maar het is niet altijd vakantie. Ook als ik fiets, check ik aan het rode licht mijn mails. Tegen de kerkhofmuur van Crillon-le-Brave heb ik live-interventies op de radio gedaan. Ik begeleid studenten met hun thesis via Skype. En bij grote gebeurtenissen, zoals de brexit-stemming, zorg ik dat ik zeker in België ben. Het is al gebeurd dat Terzake me belde en dat ik hier zat. (lacht) Dertig seconden later ging de telefoon van Rob Heirbaut (de Europa-specialist van de VRT, RVP) af. Die stond naast mij: Terzake aan de lijn. Rob komt hier weleens op bezoek.

“Rob en ik zaten ooit samen in een panelgesprek in Limburg. Op de receptie vertelde hij me dat hij voor de Marmotte trainde. De volgende dag ging ik op het internet zoeken en kocht ik een koersplunje. Zo goed als ongetraind heb ik die Marmotte gereden en dat viel zo goed mee, dat ik dacht: hier gaan ze me nog terugzien. In 2011 was ik eenentwintigste en dan sta je tussen de grote jongens. Mensen als Laurens ten Dam en Laurent Brochard wonnen. Bij mij zat dat er nooit in, omdat ik een slechte daler ben.

In 2005, bij mijn eerste deelname, zag ik Klaas-Jan Bakker liggen. Hij was bij de afdaling van de Glandon uit de bocht gegaan. Dat beeld is altijd blijven hangen. Hij was dood, dat wist ik toen ik hem zag liggen. Met tachtig per uur naar beneden vliegen op bandjes van 23 millimeter, dan mag er niks misgaan.”

Dit huisje is sinds vier jaar van hem. Voordien waren er tenten en campings, kamers met een bed, huurplekken. “In dat soort dingen ben ik altijd zuinig geweest. We gingen vroeger nooit ver op reis. Dat kon gewoon niet, daar hadden we de middelen niet voor. Ik heb tot ik 18 was in Edegem, Duffel, Willebroek en Puurs gewoond, plekken waar niks te beleven viel. Mijn moeder bleef thuis en zorgde voor ons, mijn vader werkte in een papierfabriek en uiteindelijk in een beschutte werkplaats. Tot hij 60 was en met pensioen ging. Waar we woonden, stonden we op de lijst van de armere gezinnen. Onze tv was een oud zwart-wittoestel dat de onderpastoor niet meer nodig had. Met kerst kregen we van een serviceclub een pakket met daarin een fles wijn. Daar dronken we die avond een glas van, dan ging de stop erop en op oudejaarsavond dronken we de rest. Nu heb ik dit huis en ik drink soms te veel wijn. Maar ik blijf wel zuinig omgaan met de dingen.”

Hoe hij over zijn ouders vertelt, verraadt bezorgdheid, maar ook respect. “Ze hebben ons aangemoedigd ons best te doen op school. Ook al had mijn papa zelf amper wat lagere school gedaan. Het gekke is: mijn beide broers en ik flirtten op school altijd met de 100 procent. Eén werd mijnbouwingenieur, de andere psycholoog en ik dit. We wandelden door de unief. Waarom? Ik weet dat niet.

“Heb ik me ooit geschaamd voor die kindertijd? Nooit. Ook al konden we niet mee op sneeuwklassen. Er was een soort aanvaarding. Het gevoel ook: we gaan er het beste van maken. Misschien zat dat zelfs in die eerste reis naar Fontaine-de-Vaucluse. Alles was krap bemeten, de laatste dagen was mijn geld op en sliep ik op het station van Annecy op een stuk karton. Maar ik had wel het zuiden gezien.”

Trots

Het leven kantelde en we zitten hier: met een prof van 45, die columns schrijft voor De Standaard, regelmatig tv-gast is, met Rob Heirbaut maakte hij de Canvas-reeks Het ijzeren gordijn. “Mijn ouders zijn trots als ik op tv kom. Hoe ze ons leven zagen, heb ik nooit gevraagd. Mijn mama liet ons wel naar de bibliotheek gaan of we gingen naar voorleesnamiddagen. Ik denk dat zij voor mij van een toekomst als leraar tekenen droomde. Iets creatief en in het onderwijs.

“Ik heb ze hier eens uitgenodigd en ze waren onder de indruk. Een ander land, een andere taal, dat kenden ze zo niet.” Vandaag is ook die reis verleden tijd. “Mijn papa hield nooit grote redevoeringen, maar nu wordt hij dement en dat is pijnlijk. Ik voel zijn radeloosheid en hij is de greep op de dingen kwijt. Ook voor wie nooit het hoge woord gevoerd heeft, is dit een vreselijke ziekte.”

Misschien waren die bibliotheken wel een geluk, denk je: hij was 12, las snel Agatha Christie (“Als het PMS me in die tijd vroeg wat ik later wilde worden, zei ik ‘onderzoeksrechter’. Moordzaken oplossen leek me spannend”) maar ontdekte ook het schrijven. Journalist, dat was misschien ook wel wat. “Dus ging ik ‘pol & soc’ studeren en daar raakte ik gefascineerd door professor Helmut Gaus. Voor ik het wist, was ik zelf prof.”

Dit is het wonderbaarlijke aan schrijven. In één zin kun je zes jaar overslaan, maar Hendrik meent het bijna. “Alles is me in de schoot geworpen. Ik heb nooit moeten solliciteren, nooit moeten vechten. Altijd kwam ik op het juiste moment op de juiste plaats. Op school ging het goed: ‘Natuurlijk moet jij naar de universiteit’, zeiden ze. Ik kreeg een studiebeurs. En dan haalde ik grootste onderscheiding. Gaus zei: ‘Je kunt bij mij doctoreren.’ Op de dag van de verdediging van mijn doctoraat zei hij: ‘Er is een plaats vrij voor een prof en die is voor jou.’ Ik was nog geen 26 en ik kreeg de belofte professor te kunnen worden.”

Hij noemt nog één geschenk. “Gaus was toen de enige prof. Maar plots kwamen er vier bij en we verdeelden de wereld. Rik Coolsaet ging internationale politiek doen, Carl Devos België, Herwig Reynaert lokale politiek en bleef over: dat was voor mij. Daar ben ik nog altijd heel dankbaar voor. Waar anderen een moord voor hadden begaan, kreeg ik zomaar cadeau.”

Respect

Alles werd anders en je moet niet eens in dit bijzondere deel van Frankrijk zitten om dat te beseffen. “Als mensen me met ‘geachte professor’ aanspreken, denk ik nog vaak: is dat tegen mij? Zeker als dat oudere mensen zijn. Dat respect voelt vreemd aan.”

“Maar ik dank dus heel veel aan Helmut Gaus, die als wetenschapper onderschat werd. Zijn ideeën en modellen verdienen nog altijd verdere uitwerking. De Kondratieff-golfbewegingen waren zijn ding. Hij zag in de geschiedenis golven die hun weerslag hebben op de politiek. Zelfs in het aantal zelfmoorden of de lengte van de rokjes, zag hij tekenen. Ons departement had als enige een abonnement op Het Rijk der Vrouw.

“De motor achter alles was een soort basisangst. Alles is economie, zegt men, maar hij zei: je kunt vooraf zien wanneer het economisch slecht zal gaan. Gaus had een brede kijk op de dingen en stelde evidenties in vraag. Vandaag kan dat amper nog, hoe hard vele wetenschappers zichzelf en elkaar dat ook wijsmaken. Je moét hyperspecialiseren en je kunt alleen nog een academische carrière uitbouwen als je publiceert in tijdschriften die door vijf mensen gelezen worden. Geloof me: nu zou ik geen prof meer kunnen worden. Vandaag werkt iemand aan een doctoraat over de impact van het EU-scheepvaartbeleid op de relaties met Tsjaad tussen 1984 en 1988. Dat is goed, maar het is jammer dat het alleen dat is. Alleen de telelens. Terwijl ik generalistisch werk. Daarin ben ik een eenmansbedrijf geworden. (glimlacht) Maar ik klaag er niet over. Het geeft me een enorme vrijheid.”

Hoe lang is het geleden dat we brem zagen? Dat we vers geplukte kersen vonden op een marktje? Straks bloeit de lavendel (“dan ruikt de hele regio naar wc-verfrisser”), maar nu nog niet. Nu kunnen we via de Rue de la Pierre Blanche naar het dorp stappen, er passeert geen wielertoerist (“zelfs ik voel het al, in de herfst ben ik blij als alle Ventoux-fietsers naar huis zijn”) en soms kun je een beest in het bos tegenkomen. Maar op de top van een heuvel bij Mormoiron staat een gedenksteen voor een jongen die Mike heette en deze cijfers als begin en einde kreeg: 31.08.1995-29.06.2015.

“Ik heb gezocht, maar ik vond niks terug over hem. Maar hier moet ik wel denken aan Jolien. Ze volgde les bij me, ik kende haar eigenlijk niet, maar Jolien verongelukte dat jaar met de fiets. Ze was 19 en net toen alles moest beginnen, stopte het voor haar. Ik ging naar de crematie in Lochristi en nadien besliste ik nooit nog alcohol te drinken als ik met de auto moet rijden. Niet één glas. Dat houd ik al tien jaar vol. Doodrijders zijn niet allemaal klootzakken met piercings en tatoeages: het kunnen ook wijzelf zijn.

“Op een column die ik over Jolien schreef, kreeg ik veel meer reacties dan op alles wat ik over schreef. Misschien greep het me zo aan omdát ze pas 19 was. Ik herinnerde me mijn eerste dag op de unief. Ik was de avond voordien naar mijn kot in Home Fabiola gegaan, was goed voorbereid, maar toen ik ’s morgens wilde vertrekken, bleek mijn fiets al gestolen. Dat was een wake-upcall. Het echte leven begon nu en hier. Maar voor Jolien was het dat jaar al voorbij.”

Limieten zoeken

Je kunt in het licht van de Provence lichter over het leven stappen als je dat wilt en in Mormoiron (op een oude watertank lees je nochtans protest: ‘Son lac, ses vignes, son musée, ses rues, son quartier et parking de merde de chien’) is dat op het warme middaguur echt makkelijk. Zelfs begin juni is het om 11 uur dertig graden. Daar houdt hij van: “Ondanks mijn rode haar en mijn lichte huid, zit ik het liefst in de zon.”

Maar door de fiets van Jolien komen we toch weer bij die liefde voor de tweewieler terecht. Had hij ook écht prof, maar dan renner, kunnen worden? “Ik denk niet dat winnen mijn drijfveer was, maar wel de zoektocht naar wat ik uit mijn lijf kon halen. In mijn job ben ik met mijn hoofd bezig, maar de rest van het lichaam is even vitaal. Een hart is een wonder: ik zit hier al 45 jaar en dat is nog niet één keer gestopt met kloppen. Je moet het alleen verzorgen. Ik zocht limieten op. Waardoor je je onvermijdelijk gaat meten met anderen.”

De trainer van Puurs Excelsior, waar hij als jongen van 10 wilde gaan voetballen, wees hem nochtans meteen de deur: ‘Dat is niks voor u.’

“Ik snap dat wel. We hadden ons imago tegen. In het dorp bestond dat beeld van die jongens die nooit faalden op school én die misdienaars waren. Absoluut geen sportieve gasten. Ik kon ook niet goed turnen, fijne motoriek heb ik nog altijd niet, mijn neus snuiten op de fiets lukt me niet. Maar ik kon wel hardlopen en in het middelbaar deed ik dat bij Sparta Bornem. Op het provinciaal kampioenschap haalde ik weleens een medaille, maar meer niet. Ik zat in de generatie Tom Van Hooste. Toen ik ging studeren, stopte ik radicaal.”

Pas jaren later begon hij met intensieve fietstraining, met schema’s uit een boek van Paul Vandenbosch. Zelfs voor lezingen in Leuven reed hij met de fiets: dat was 200 kilometer getraind. “Je kunt dat fanatiek noemen. Maar ik denk dat gulzig een beter woord is. Dat is het. En rusteloosheid. Ik wil altijd vooruitgaan, me niets laten ontgaan. Spijt vermijden, dat is het. En daardoor eigenlijk heel veel doen.”

Dan heeft hij goed gekozen, want in is er veel te doen. Hij is de specialist, in België. “Maar zou ik de Nobelprijs politicologie kunnen winnen, mocht die bestaan? Absoluut niet. Ik vind intrigerend, maar het is niet zo dat mijn hart sneller slaat als ik de Negende Symfonie van Beethoven hoor (de Europese hymne, RVP). Ik wil wel begrijpen wat er gebeurt. We worden betaald door belastingbetalers en dus wil ik het voor hen ook verhelderen. Samen met Rob won ik ooit de Wablieft-prijs (de jaarlijkse prijs die door het blad Wablieft wordt uitgereikt aan mensen die ingewikkelde zaken in duidelijke taal uitleggen, RVP) en ik vind dat de mooiste prijs die ik ooit won. (lacht) Ook de enige trouwens. Ik wil dingen schrijven die mijn ouders ook begrijpen. Op dat niveau wil ik praten.”

Hij heeft het ook bij mondelinge examens: “Ik ben een slechte buizer. Als een student het antwoord niet weet, denk ik: verdomme, ik heb het dus slecht uitgelegd.”

Kinder Surprise

In zijn Berlingo, onderweg naar prachtige okergroeven die níémand weet zijn (“toevallig vertelde Jan Balliauw me erover, hij komt hier ook vaak in de streek”) en die dus niet zoals in Roussillon tot een soort Lourdes zijn veranderd, is opgevallen hoe zo’n geel plastic omhulsel van Kinder Surprise over en weer ligt te rollen. Vos heeft nochtans geen kinderen. “Maar het is een prachtig voorbeeld dat ik vaak aan studenten geef.”

En nu aan ons: “Ooit stak een peuter in Zweden dat hele ei, met daarin dat gele eitje en het speelgoedje, in één keer in zijn mond en slikte door. Het kind stikte en meteen werd geroepen om het ei te verbieden. Probleem was dat sommige landen het wel wilden doen en andere niet. Dus: Zweden wel en Denemarken bijvoorbeeld niet. Maar wat dan? Als elk land eigen regels uitvaardigt, zijn de slagbomen terug. Dan moeten we weer controleren of alles aan de eigen wetten voldoet. Dat is het einde van de Europese markt. Dus ontwikkel je maar beter Europese regelgeving.”

inspireert en hij verdedigt het. “Het cliché is: , dat is het grote geld. Onlangs liep ik in de Delhaize en toen riep iemand: ‘Dat verdient nogal zeker, zo’n beetje over lullen?’ (lacht) Carl Devos zal ook wel herkend worden in de Delhaize, maar ik ben zeker dat niemand hem over geld aanspreekt. Terwijl het hele EU-budget 140 miljard euro bedraagt en de Belgische uitgaven 220 miljard euro. In België alleen al wordt dus meer uitgegeven dan in heel . Daar ga ik graag met die 18-jarige studenten mee aan de slag.”

Nog iets: “In Europa speelt ‘padafhankelijkheid’ heel sterk. Zodra je een pad gekozen hebt, moet je ervoor gaan. Dat leg ik uit met een voorbeeld van een cheeta en een antilope. Als een cheeta in de savanne een kudde antilopes ziet, zoekt hij naar het lekkerste beest. Daar stormt hij op af. Een cheeta loopt rapper dan Usain Bolt. Maar stel dat hij dan, in volle jacht, een nog lekkerdere hap ziet en zijn koers wijzigt, dan eindigt die cheeta met niks. Een koersverandering kost immers tijd en ondertussen maken de prooien zich uit de voeten.

“De moraal is: op een bepaald moment maak je een keuze en daar moet je naar leven. Griekenland in de eurozone toelaten, was zoiets. Misschien was dat niet de beste beslissing, maar nu kun je daar niet meer onderuit. De negentien landen waar met de euro betaald wordt, vormen een Siamese negentienling en je moet niet de illusie creëren dat je die als een chirurg proper uit elkaar kunt halen.”

En dan natuurlijk de brexit: “Ik mag dat niet zeggen, maar ik was bijna blij dat het gebeurde. Want te gast bij de VRT voelde ik de journalist in me. Commentaar geven bij het ontslag van de Britse premier David Cameron gaf me meer voldoening dan publiceren in tijdschriften die niemand leest.”

Maar ten slotte: “Ik ben niet bezorgd om Europa. Dit project kan wel wat crisissen aan. Zelfs een brexit. Alleen als Marine Le Pen president was geworden, was het boeken toe voor de Europese Unie. Een frexit zou niet kunnen. Maar er is veel opgebouwd en nergens in de wereld vind je nog een plek waar 500 miljoen mensen het gemiddeld zo goed hebben. Europa is een oase van rust en stabiliteit en dat is op zijn minst gedeeltelijk dankzij het feit dat we veel samen doen. We zijn er globaal op vooruitgegaan.

“Natuurlijk zijn er spanningen, waar de traditionele partijen geen aandacht voor hadden en waar het populisme op gesprongen is. Maar als het er echt op aankomt, haalt de redelijkheid het wel. Mijn ideeën over de maatschappij zijn nogal groen en links, maar tegelijk vind ik het verdomd belangrijk dat er partijen zijn die in het midden zitten, het compromis zoeken en daar hun missie van maken. Want niet iedereen heeft dezelfde visie als ik.”

In de okergroeven lezen we namen met veel liefde: Antoine, Thomas, Julie en Alberte. Toch lopen we hier alleen. Hij vertelt over zijn eerste verre reis, ooit, naar Kenia.

“Ik wilde zien hoe giraffen en zebra’s eruitzagen en dus ging ik kijken.” Naar Patagonië ook, naar Nepal en naar Pakistan. “Ik was in Abbottabad, de stad waar later Osama bin Laden werd gevonden.”

'Alexandrie, Alexandra'

Gek genoeg was hij maar één keer in Rome en nog nooit in Lissabon, Madrid of Kopenhagen. Europa is Mormoiron, de Ventoux en de omgeving: “Op zondag fiets ik nog het liefst naar het Lac du Paty, daar draait iemand uit het dorp plaatjes en alle mannen en vrouwen uit de streek, oud en verrimpeld, dansen er met elkaar op ‘Alexandrie, Alexandra’ van Claude François. De vrouwen kleden zich daarvoor op. Je voelt de melancholie en de spijt van de verloren jeugd, maar nog altijd ook een joie de vivre. En het verlangen naar de volgende zondag waarop ze weer zullen dansen. Dat is het schoonste en het puurste dat ik ken. Ik ga er altijd opnieuw naartoe, maar eigenlijk is het te heftig voor mij en kan ik daar niet goed tegen. Het leven valt er in zijn plooi. Niet altijd de mooiste, wel de laatste.

“Ik ben geen melancholicus in de zin van een verlangen naar vroeger. Ik ben een optimist en het was vroeger niet beter. Maar ik kan wel spijt voelen bij de eindigheid van het leven. En het verbetert er niet op. Er komt een dag dat ik twee uur nodig zal hebben om de Ventoux te beklimmen. Daar kijk ik niet naar uit. Dood duurt zo lang. Ik wil 200 procent uit dit leven halen.

“Een hele goeie vriend van me die 90 was, is vorig jaar gestorven. Toen ik 16 was, liep er op Radio 2 een programma waar je limericks en haiku’s naartoe kon sturen. Hij deed dat, net als ik, hij woonde in de Ardennen en we leerden elkaar kennen. Regelmatig ging ik een stuk van de zomer bij hem doorbrengen. Hij was tot zijn veertiende naar school geweest, had bij de RTT gewerkt en moest daar slechte betalers aanmanen te betalen. Daar was hij eigenlijk niet geschikt voor en net daarom misschien juist wel.

“Hij overleed op dezelfde dag als David Bowie, drie dagen eerder had ik hem nog bezocht in Marche-en-Famenne. Ik stond op de parking van het vluchtelingenkamp in Duinkerke toen ik hoorde dat hij dood was. Dat deed pijn en ik ga spijt hebben als de dag komt dat alles voorbij is. Maar hij haalde er alles uit en dat wil ik ook.

“Ik schrijf graag en ik lees graag. Zelfs kinderboeken: het werk van Inge Godon, Toon Tellegen of de boeken van Vos en Haas, prachtig vind ik dat. En voor ik vijftig word, zou ik graag eens aan een triatlon meedoen. Ik moet dan wel nog leren zwemmen.”

Op de trein

Je kunt van Hendrik Vos geen foto maken zonder fiets op de Ventoux en bij dit avondlicht is de berg nog mooier dan anders. We passeren het monument van Tom Simpson. Op 13 juli is het vijftig jaar geleden dat die renner op deze plek de dood vond. “De Ventoux oprijden, is louterend. Hier voel je fysiek de zwaarte van het leven en besef je: we raken er in ons hoofd wel uit. Ik ben een geluksvogel en de tegenslagen in mijn leven verzinken in het niets bij wat sommige mensen meemaken. Ik zal wel eens kankeren, maar ik zie ook altijd de humor.”

Waar dat leven hem brengt? ‘Le vent nous portera’ van Noir Désir. Dat is het. Er komt zoveel voorbij en af en toe spring ik op zo’n trein. Maar deze streek, waar een film als Jean de Florette werd opgenomen, zal er altijd zijn. Ik kan me niet voorstellen dat ik het Lac du Paty ooit achterlaat.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden