Zondag 20/09/2020

Familieklap

Freek en Rinus Van de Velde: ‘Uitpakken met je succes en pose, daar zijn onze ouders allergisch voor’

Freek (met het blauwe hemd): ‘Onze broer Wart rebelleerde veel minder dan wij.’Beeld Bob Van Mol

De oudste is 41, vader van drie, onder wie een tweeling, en doceert taalkunde aan de KU Leuven. De jongste is 37, kunstenaar maar géén bohemien, en heeft thuis ook een tweeling rondlopen. Freek en Rinus Van de Velde, broers.

RINUS

“Ik groeide op met twee oudere broers, en heel toevallig hebben wij alle drie een tweeling. Dat is toch redelijk uitzonderlijk. Ik weet nog dat ik aan mijn ouders ging vertellen dat mijn vriendin Joyce zwanger was. Toen ik zei dat er niet één maar twee kinderen op komst waren, trok mijn vader toch even wit weg. Hij wist natuurlijk ook wel dat de bevalling en opvoeding van een tweeling heel heftig is, omdat hij het al bij mijn broers had gezien.

“Lichamelijk was die zwangerschap en bevalling voor Joyce enorm intens; je moet twee kinderen borstvoeding geven, je nachtrust is weg… Die periode ligt ondertussen al even achter ons, en het vreemde is dat ik me er verrassend weinig van herinner. Ik zou je nu niet kunnen vertellen wat een kind van twee allemaal eet of gelukkig maakt. Misschien maar goed dat die periode één grote waas is geworden. (lacht)

“We waren met de hele familie samen op reis in Frankrijk toen ik begon te overwegen om ook zélf aan kinderen te beginnen. Joyce speelde al langer met het idee, maar ik heb me daar tot het vaderschap laten verleiden omdat het er allemaal zo idyllisch uitzag, met die kleine gasten van mijn broers rond het zwembad. Later heb ik wel gemerkt dat dat een naïef idee was. (lacht)

“Mijn kinderen zijn ondertussen 4,5 jaar. Ik dacht altijd dat mijn twee zoons vol verwondering mijn atelier zouden binnenstormen. Zo van: ‘Wat heb je nú getekend?’ Of: ‘Wow, hier staat een kartonnen auto!’ Maar niks daarvan hè! Voor hen is dit allemaal doodnormaal. Ze zijn meer geïnteresseerd in de nieuwe schommel en de pingpongtafel dan in wat ik zoal in mijn atelier uitspook.

“Ik werk heel gedisciplineerd en volgens een strak schema, iets wat ik echt van ons moeder heb. Als wij vroeger examens hadden, maakte zij een strak schema op: je at tot kwart na één, en nadien studeerde je telkens anderhalf uur om daarna een half-uur te pauzeren. Het is een strategie die ik nog steeds gebruik in mijn werk; ik ben geen intuïtieve kunstenaar.

“Freek en Wart waren allebei modelstudenten, wat het volgens mij mogelijk heeft gemaakt dat ik naar het Sint-Lucas-college kon gaan. In de ogen van mijn ouders was het al goed gekomen met hun andere zoons, dus moeten ze gedacht hebben: we zullen Rinus maar laten doen. (lacht) Maar pas op: rondlummelen en niks doen, dat was dan weer helemaal geen optie voor hen. Uitpakken met je succes en pose al evenmin, daar zijn onze ouders allebei allergisch voor.

“Als kind kwamen Freek en ik ook al heel goed overeen, wij waren geen bekvechters. Freek is vier jaar ouder, dus ik heb altijd naar hem opgekeken. Voor mij belichaamt hij het idee van wijsheid, hij is degene van wie je altijd iets bijleert. Aan tafel kon ik de gesprekken tussen mijn broers en mijn vader vaak niet volgen omdat ze mijn niveau van toen te boven gingen, maar ik heb op die manier wél veel bijgeleerd. Ik zag wat zij deden, en probeerde dat te kopiëren.

“Nu zien Freek en ik elkaar regelmatig, maar ook niet wekelijks, of zo. Gelukkig hebben we enkele gemeenschappelijke vrienden, waardoor we in Leuven toch geregeld samen op café zitten. Wij zijn geen familie die elkaar de hele tijd belt, er zit een grote rust in ons contact. In die mate zelfs dat ik wanneer ze bellen denk: ‘O nee, er gaat iets zijn’.”

Rinus (rechts): ‘Mijn broers waren model­studenten, dus moeten mijn ouders gedacht hebben: laat hem maar doen’.’Beeld Bob Van Mol

FREEK

“Onze vader was goed in veel dingen: wiskunde, talen, sport én op de koop toe kon hij goed tekenen. Hij is uiteindelijk ingenieur geworden en heeft niets met die andere talenten gedaan, maar zijn kinderen hebben al die afzonderlijke interesses later een voor een uitgepuurd. Wart koos voor een ingenieursrichting, ik ben in die talen gerold en Rinus in de kunst. Ik zie mijn vader als de pater familias die zijn zonen in verschillende richtingen heeft geloodst.

“Rinus en ik waren gelijkaardige pubers; eens een jointje paffen achter het tuinhuis, uitgaan en wat te laat thuiskomen, zulke dingen. Dus natuurlijk werd er af en toe met deuren gesmeten en de trap opgestormd. Maar dat viel allemaal wel mee, niemand van ons is ooit in het ziekenhuis beland. (lacht)

“Onze broer Wart rebelleerde veel minder. Hij was een echte modelstudent, extreem slim en altijd goed voorbereid. In mijn ogen was Rinus de onbekommerde van ons drie; hij ging een beetje skaten, tekende wat op zijn kamer,… Wart en ik hebben lang gedacht dat hij een losbol was, terwijl dat eigenlijk helemaal niet zo was. Ons moeder zegt altijd dat Rinus vroeger veel lachte, dat hij een vrolijk mannetje was.

“Je hoort het: wij hebben echt een onbekommerde, relaxte jeugd gehad, hoor. In een doodlopende straat in een klein Vlaams dorpje. Onze ouders waren doordeweekse middenklasse – niet superrijk, maar geldproblemen hebben wij ook niet gekend. (Tegen Rinus) Straks geraakt dat interview niet gepubliceerd omdat wij gewoonweg te saai zijn. (lacht)

“Er valt iets te zeggen voor normaliteit en de beproefde concepten en routine waarmee wij zijn grootgebracht, dat zijn natuurlijk recepten die werken. Die niet-spectaculaire levensstijl, daar ben ik heel dankbaar voor, en op lange termijn werpt dat zijn vruchten af. Kijk maar naar Rinus, die toch het tegenovergestelde is van de bohemien-kunstenaar. In biografieën spreekt zo’n stormachtige levensstijl tot de verbeelding, maar alle mislukte kunstenaars die volgens dat ritme leefden en werkten zie je natuurlijk níét.

“Dat het werk van Rinus zich een stuk meer in de openbaarheid afspeelt dan het mijne vind ik helemaal niet vervelend. Ik ben ontzettend blij dat ik een broer heb op wie ik trots kan zijn en naar wie de mensen vragen. Het ergste wat je kunt meemaken, is dat je een broer hebt voor wie je je moet schamen. Stel je voor dat hij seriemoordenaar of schlagerzanger was geworden, dát was pas erg geweest.

“Ik begrijp ook wel dat het op familiefeesten vaker over Rinus zijn job gaat: die is nu eenmaal heel boeiend om over te praten. Ik wil ook weten hoe het in Korea, Berlijn en Hawaï geweest is, hoor. Maar hij moet dan niet beleefdheidshalve vragen: ‘Hoe was het vorige week in de koffiekamer in het letterengebouw van Leuven?’ Dat zou ik afschuwelijk vinden. (lacht)

“Het is al een paar keer voorgevallen dat mensen me over mijn broer aanspreken, en wat kritiek geven op zijn werk. Dan voel ik me opstandig worden, vaak in het bijzonder omdat ze slecht geïnformeerd zijn. Ooit zei iemand: ‘Ik vind dat uw broer toch veel hetzelfde maakt, met zijn houtskooltekeningen altijd.’ Die mens wist niet dat Rinus zich ook bezighoudt met beeldhouwkunst, kleurtekeningen, films en het maken van decors. Ik voel op zulke momenten dat ik iets moet rechtzetten. Je familie blijft toch een soort clan, en daar moet niemand aan raken.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234