Woensdag 05/08/2020

Preventie kindermisbruik

Fran Henry wil daders een stem geven: "Zwijgen over seksueel geweld houdt het in stand"

Frances Henry richtte in 1992 Stop it Now! op, om een veiligere wereld voor kinderen en families te creëren.Beeld Tony Luong

Om kinderen het misbruik te besparen dat haar zelf was overkomen, richtte Fran Henry na jaren van pijn en woede Stop It Now! op. Dat ze ook daders wilde betrekken in dat proces botste, begin jaren 1990, op veel protest. "Maar ik was er zeker van dat míjn dader niet de enige was die in staat was tot reflectie."

Toen de Amerikaanse Fran Henry in 1992 Stop It Now! oprichtte, had ze maar één doel voor ogen: kindermisbruik voorkomen. Haar filosofie was dat je kindermisbruik – tot dan een kwestie voor justitie – als een zaak van volksgezondheid moest beschouwen. Terwijl justitie pas in actie schiet zodra er feiten zijn gepleegd, beschikt de gezondheidszorg over een batterij aan strategieën om kwaad te voorkomen, bedacht Henry. Vaak schieten mensen tekort uit onwetendheid of uit onmacht, wist ze. Of uit angst voor de gevolgen binnen de familie. Door hen handvatten en strategieën aan te reiken om op een adequate manier in te grijpen, zoals de juiste vragen te stellen en niet bang te zijn voor de antwoorden maar moedig de oncomfortabele gevoelens te erkennen, wilde ze met Stop It Now! een veiligere wereld creëren voor kinderen en families.

Om dat te bereiken opteerde Fran Henry voor een aanpak die je op zijn minst controversieel kunt noemen. Ze organiseerde informatiemomenten in lokale gemeenschapscentra, met panelgesprekken over seksueel geweld en kindermisbruik. Daarbij namen zowel slachtoffers als andere betrokkenen het woord: familieleden van slachtoffers, én plegers. Dat ze daders wilde betrekken in het proces botste – zeker in de beginjaren – op veel protest. Maar hoewel die tegenstand haar niet onberoerd liet, zette ze door. Ze wist namelijk waarover ze sprak. Toen Fran – de op één na oudste in een gezin met vier kinderen – 12 jaar was, werd ze zelf seksueel misbruikt door haar vader. Dat misbruik duurde vier jaar, tot ze hem ermee confronteerde. Hij gaf toe dat hij in de fout was en het misbruik stopte.

Het verhaal is gruwelijk, en de gevolgen waren dat ook: Henry worstelde decennialang met de pijn en de woede om wat er was gebeurd. Maar tegelijk stelde ze vast dat haar gevoelens tegenover haar vader ambivalent waren. De impact van wat nooit had mogen gebeuren, was sterk verweven met de positieve herinneringen die ze aan haar kindertijd koesterde. Naarmate ze meer aan de slag ging met zichzelf, voelde ze dat haar diepste wens niet straffen was, maar helen.

De tegenstand die men initieel kan voelen bij de gedachte dat eenzame opsluiting of chemische castratie van daders van kindermisbruik niet de beste oplossing is, is begrijpelijk. Alleen al de gedachte dat iemand aan een kind raakt, brengt bijna automatisch een gevoel van wraakzucht naar boven. Niet zelden formuleren mensen moordfantasieën bij de suggestie van een volwassene die seksuele handelingen uitvoert met een machteloos kind – een frase als ‘mocht het met mijn kind gebeuren, ik doe hem iets aan’ zal veel ouders bekend zijn.

Maar dan staat er zo’n slachtoffer op, en zij suggereert een andere oplossing. Een oplossing waarbij men niet uit is op vergelding, maar op tegenhouden. Een actieplan dat niet nog meer pijn en verdriet veroorzaakt, maar iedereen wil betrekken in een proces waarin pijn wordt erkend en fouten worden toegegeven. Een proces dat families bijstaat in hun verdriet, dat de hand reikt naar de gekwelde ziel wiens onvermogen slachtoffers maakt, een concept dat gericht is op de redding van alle betrokkenen.

Hoe slaag je erin om een trauma te transformeren tot een constructief project? Hoe menselijk is het om van slachtoffers te verwachten om met de hand over hun hart te strijken en mild te zijn voor hun daders? Op die vraag kan maar één persoon antwoorden: de vrouw die Stop It Now! in het leven riep.

Vandaag is Fran Henry (69) met pensioen. Twaalf jaar geleden droeg ze de dagelijkse leiding van Stop It Now! over aan haar team. Ze zetelde nog een tijd als erelid in de raad van bestuur, maar ook die bladzijde heeft ze omgeslagen. Een interview naar aanleiding van de lancering van Stop It Now België wil ze wel geven, maar over de huidige werking wil en kan ze niets zeggen. Daarvoor is het al te veel geëvolueerd. Maar dat was nooit gelukt zonder de fundamenten die Fran Henry vijfentwintig jaar geleden legde.

U was van bij het begin van Stop It Now! open over uw eigen misbruik, iets dat u voordien voor uzelf hield.

Fran Henry: “Mijn vader heeft me tussen mijn 12de en 16de misbruikt. Ik heb er nooit met iemand over gepraat, maar het was een verwarrende periode. Aan de buitenkant was ik een gelukkig kind, ik probeerde die façade zo goed mogelijk op te houden. Maar vanbinnen voelde ik me confuus. Zorgen dat mijn gevoelsleven en mijn gedrag met elkaar sporen, is nadien altijd een werkpunt gebleven.”

Fran Henry: "Vaak komen seksuele delinquenten pas in de hulpverlening terecht als het te laat is. Wat als je eerder kunt ingrijpen?"Beeld Tony Luong

In wat voor een gezin groeide u op?

“In een warm gezin, ondanks de gebreken van mijn ouders. Drie van de kinderen kwamen kort op elkaar, mijn moeder was vaak over haar toeren toen ik klein was. Maar toen ze weer ging werken, kalmeerde ze. Mijn ouders hadden het niet breed, werkten hard, maar hadden ook oog voor ons. Mijn moeder kookte elke avond, er werd gepraat aan tafel. Ze wilden weten wat ons bezighield. Het waren de jaren 1960, mijn politiek bewustzijn ontwaakte net. Mijn ouders waren conservatieve mensen. Maar ook al waren ze het niet eens met mijn progressieve standpunten en mijn sympathie voor Kennedy, het was wel bespreekbaar. Ik denk dat dat goede gezinsleven me uiteindelijk inspireerde tot preventie. Als we kindermisbruik kunnen voorkomen, kan het ook geen gezinnen uit elkaar rukken.”

U confronteerde uw vader toen u 16 jaar oud was. Hij gaf toe dat hij in de fout ging, en het misbruik stopte. Maar daarmee was de kous niet af.

“In eerste instantie werd er niet meer over gepraat. Ik ging sociale wetenschappen studeren, ging aan de slag bij een middenveldorganisatie voor vrouwenrechten in Washington D.C. Ik was al een eind in de twintig toen het verleden me parten begon te spelen. Ik had een slecht huwelijk, wilde geen kinderen, voelde me niet goed in mijn vel. Maar ik bleef in de weer. Ik ging volledig op in het activisme, en volgde er een intens postgraduaat management bij.

“Maar na ruim tien jaar D.C. besefte ik dat die veeleisende job me afleidde van iets dat ik tot dan over het hoofd had gezien. Terwijl ik alle stappen op de carrièreplanning aftikte, ontbrak het me aan innerlijke groei. Ik voelde me leeg vanbinnen. De herinnering aan het misbruik achtervolgde me, maar ik wist ook dat er in mijn toenmalig leven geen ruimte was om ermee aan de slag te gaan.

“Ik ben verhuisd naar Massachusetts, startte een consultancybedrijf op. Ik was er goed in, wist wat van me verwacht werd, reisde veel. Maar tegelijk zat ik met het gevoel dat mijn leven doelloos was. Ik vond dat ik niet genoeg goeds deed voor de wereld. Ik zocht hulp, ging in therapie. Dat proces heeft het grootste deel van mijn leven als dertiger opgeslorpt. Maar het hielp. Ik begon te begrijpen wie ik was. Kon uiting geven aan mijn ervaringen. Genezen, voor zover je van zoiets kunt genezen. Maar ook voelde ik de dringende noodzaak om actie te ondernemen.”

Hoe kwam u uiteindelijk op het idee?

“Ik geloof in sociale verandering, miste het activisme van de vrouwenbeweging. Maar waar zou ik dan voor strijden? Tot ik me realiseerde dat het al die tijd onder mijn neus lag. Ik ben begaan met kindermisbruik. Ik ken het. Ik heb er een duidelijke visie over. Waarom zou ik er niet iets aan doen?

“Wat me uiteindelijk nog het meest aanspoorde, was dat ik intussen veel mensen had leren kennen die als kind iets soortgelijks hadden meegemaakt. Als ik de enige was geweest, zoals ik als tiener aannam, had ik allicht niets ondernomen. Maar ik was niet de enige. Dat er zo veel lotgenoten waren, vond ik een ondraaglijke gedachte. Ik realiseerde me dat het niet zou ophouden tot de mensen die het hebben meegemaakt opstaan en erover praten.”

Hoe wilde u dat concreet aanpakken?

“Zwijgen over seksueel geweld houdt het in stand. Maar om erover te kunnen praten, heb je een woordenschat nodig. Vaak komen seksuele delinquenten pas in de hulpverlening terecht als het te laat is. Wat als je eerder kunt ingrijpen? Ik pleitte ervoor om seksueel geweld uit de sfeer van het strafrecht te halen, en aan te pakken zoals men een probleem in de volksgezondheid aanpakt. Als je sensibiliseringscampagnes kunt organiseren tegen alcoholmisbruik, waarom dan niet tegen seksueel misbruik?

“Informatie en hoop waren mijn wapens. Je kunt de schade beperken als je aandacht hebt voor wat er gebeurt. Ik hoopte dat mensen met de correcte informatie de kracht zouden vinden om de juiste keuzes te maken in plaats van de andere kant op te kijken. Bewustzijn creëer je door te informeren. Je kunt mensen leren om de signalen te herkennen, om de juiste vragen te stellen, hen te vertellen dat seksueel misbruik een misdaad is. Je kunt kinderen leren dat ze recht hebben op lichamelijk en seksueel welzijn, dat ze voor zichzelf mogen opkomen.”

Klopt het dat de naam, Stop It Now!, geïnspireerd is op een politiek schandaal?

“De naam moest urgentie opwekken, vond ik. Je wilt niet naar administratie ruiken, zoals ‘Nationaal centrum ter preventie van...’. In diezelfde periode was er in de VS heel wat te doen rond de aanstelling van Clarence Thomas als rechter voor het Hooggerechtshof. Een van zijn vroegere medewerksters, Anita Hill, had bezwaar aangetekend en beschuldigde hem van seksuele intimidatie. Er volgden hoorzittingen. Een van de senators vroeg haar: ‘Waarom hebt u geen klacht ingediend op het moment zelf?’ ‘Omdat ik niet uit was op wraak of straf’, antwoordde ze. ‘Ik wilde toen in de eerste plaats dat het stopte.’

“In mijn hoofd klikte het. Slachtoffers willen niet noodzakelijk daders in de vernieling brengen. Sommigen wel, maar de meesten willen gewoon dat het misbruik ophoudt. Stop It Now!, een betere naam had ik niet kunnen verzinnen.” (noot van de redactie: Er waren niet voldoende bewijzen voor de aanklacht van Anita Hill. Clarence Thomas werd rechter bij het Amerikaanse Hooggerechtshof, en is dat vandaag nog steeds.)

U stuitte in het begin op veel weerstand.

“Ik wilde niet de zoveelste vrouwenvereniging zijn die een probleem oplost dat voor een groot deel wordt veroorzaakt door mannen zonder hen erbij te betrekken. Hoe kon je nu iets oplossen als je een deel van het probleem negeert? Ik wilde ook de daders een stem geven. Om hun verantwoordelijkheid te nemen, om te vertellen wat hen had kunnen tegenhouden...

“Ik had gehoopt dat ik steun zou krijgen van feministen en slachtoffers, maar zij reageerden meestal koud op de gedachte dat daders ook maar mensen zijn. Ik herinner me dat ik was uitgenodigd om een workshop te geven op een conferentie voor slachtoffers van seksueel geweld. Letterlijk niemand had zich ingeschreven. Mensen liepen woedend weg van mijn lezingen.”

Fran Henry: “Ik voelde intuïtief dat ik op het juiste spoor zat, maar mijn tijd vooruit was. Slachtoffers bleven liever anoniem. Daders durfden er niet voor uitkomen. Dan is het moeilijk om tot een dialoog te komen."Beeld Tony Luong

Het taboe was groot.

“Begrijpelijk, natuurlijk. Toen ik begon, dacht men nog dat seksueel misbruik een zeldzaam verschijnsel was. Bovendien is het niet alleen pijnlijk om erover te praten, ook luisteren kan moeilijk zijn. Het publiek wilde het niet horen. Slachtoffers bleven liever anoniem. Daders durfden er niet voor uitkomen. Dan is het moeilijk om tot een dialoog te komen.

“Ik voelde intuïtief dat ik op het juiste spoor zat, maar mijn tijd vooruit was. Mijn eigen ervaring speelde in die zin in mijn voordeel. Dat klinkt gek, maar ik had een aantal zaken mee: ik was mijn eigen misbruik nooit vergeten, er bestond geen verwarring over de aard ervan. Telkens als ik er opnieuw over wilde praten met mijn vader, was hij er. Hij luisterde, bood zijn excuses aan en drukte me op het hart om er opnieuw over te praten als ik daar de behoefte toe voelde. Dat heb ik ook gedaan, verschillende keren, ook met mijn moeder erbij.

“Mijn ouders kenden niets van psychologie, maar mijn vader erkende wat hij had gedaan. Hij schoof het niet op mij af. Veel slachtoffers hebben een andere ervaring: er wordt hen verweten dat ze liegen, ze worden genegeerd, ze belanden in een isolement... Ik realiseerde me dat mensen tijd nodig hebben om dat idee – dat een dader ook verantwoordelijkheid kan opnemen – een plaats te geven. Ik was er evenwel zeker van dat mijn dader niet de enige was die in staat was tot reflectie. En om te geloven dat preventie mogelijk is, moeten we ook geloven dat er daders zijn die spijt hebben van hun gedrag.”

Er bestond in die tijd evenwel weinig wetenschappelijk onderzoek over seksueel misbruik.

“Daarom startte ik mijn eigen onderzoek op. De eerste jaren van Stop It Now! bracht ik door in gevangenissen. Ik ging naar plaatsen waar seksdelinquenten behandeld worden, ging met hen praten. Waarom deden ze het? Was er iets dat hen ervan had kunnen weerhouden? Ik heb honderden mensen geïnterviewd. Veel van die mannen waren zo dankbaar dat ik hen niet als een monster benaderde. Het gaf hen het gevoel dat er ook voor hen nog hoop was.”

Dat moet toch bijzonder moeilijk geweest zijn voor u?

“Gemakkelijk was het niet. Het was afzien. Maar het moest gebeuren als ik inzicht wilde krijgen in de signalen, in wat hen had kunnen stoppen, in hun motieven.”

Zorgde dat inzicht in de motieven van daders er ook voor dat u zich op termijn kon verzoenen met uw vader?

“Ik heb het erg lang moeilijk gehad met mijn vader, maar ik ben blij dat ik de communicatie nooit heb verbroken. Door telkens opnieuw het moeilijke gesprek aan te gaan, kwam ik bijvoorbeeld te weten dat hij als kind zelf ook misbruikt is geweest. Hij had er nog nooit met iemand over gesproken. Erg veel daders herhalen een patroon waarvan ze zich niet bewust zijn. Anderen zijn vooral onwetend, mankeren empathie of hebben een tunnelvisie. Dat maakt hen uiteraard niet minder verantwoordelijk, maar het wekt wel mijn mededogen op.”

Voor veel mensen is mededogen al een brug te ver. Zij willen dat daders zwaar gestraft worden.

“Ik geloof niet in geweld bestrijden met meer geweld. De roep om wraak en vergelding versterkt vooral de negatieve spiraal. Als een dader rekenschap geeft van wat hij heeft gedaan, verander je meer met een open hart. Dan ontstaat er een ander gevoel. Uiteraard moeten mensen die zichzelf niet in de hand hebben begrensd worden. Maar ook dan kun je het erg vinden voor die persoon in kwestie.

“Kan ik meeleven met iemand die gruwelijke dingen heeft gedaan? Ja, want hij of zij woont in een vreselijke hel, anders doe je zulke dingen niet. Maar slechts een klein segment van de daders is psychopaat. Op hen zal je medeleven afketsen, zij merken niet eens dat je er bent. Maar al die anderen zijn mensen die iets hebben gedaan waar ze enorm veel spijt van hebben.”

Het blijft een moeilijke oefening.

“Dat is het ook, letterlijk. Ik ben ook ontzettend kwaad geweest. Mijn ouders waren bang voor me als ik aankondigde dat ik er opnieuw over wilde praten. Op een bepaald moment stuurde ik mijn vader een kaart voor vaderdag, met daarbij een briefje dat ik eigenlijk geen zin had om hem een kaart te sturen. Hij belde me op. Dat ik wat hem betrof geen kaart hoefde te sturen, maar of ik, als ik het wel deed, er dan geen kwetsende woorden op wilde schrijven? Ik reageerde afstandelijk. Had hij het recht om me dit te vragen? Hij was toch veel erger, of niet?

“Maar ik besefte dat ik de hand ook in eigen boezem moest steken. Was ik erop uit om hem te straffen? Als ik de band wilde herstellen, moest ik ook zelf veranderen. Daar heb ik lang over gedaan. Ons laatste gesprek over de feiten was toen mijn vader al 85 was. Ik had op Thanksgiving om een familiegesprek gevraagd. Iedereen was aanwezig, al weet ik zeker dat iedereen op dat moment liever elders was geweest. Maar we hebben gepraat, we hebben de moeilijke woorden uitgesproken, we hebben naar elkaar geluisterd. Het was moeilijk, maar nadien voelden we ons zacht en verbonden met elkaar. ‘Of het alsjeblieft de laatste keer was geweest’, vroeg mijn vader vermoeid na die avond. ‘Ja, papa’, heb ik toen geantwoord. ‘Hierover zijn we uitgepraat.’”

Intussen bent u met pensioen. Hebt u dit hoofdstuk volledig achter u gelaten?

“Ik volg de actualiteit nog wel, maar van aan de zijlijn. Vandaag maak ik tijd voor andere belangrijke zaken. Ik heb bijvoorbeeld nooit een echt gezinsleven gehad. Na het overlijden van mijn tweede echtgenoot (ook hij was als kind misbruikt en pleegde uiteindelijk zelfmoord, red.) had ik het geluk om opnieuw een fijne man te ontmoeten. We zijn intussen tien jaar getrouwd. Ik doe nu de dingen die ik tijdens mijn professioneel leven voor me uit bleef schuiven. Ik schilder, ik lees. En ik geniet van de tijd die ik doorbreng met mijn man en mijn vrienden.”

Dit artikel maakt deel uit van het dossier 'Preventie seksueel kindermisbruik'. 

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234