Dinsdag 22/10/2019

Mode

Essentiel-oprichtster Inge Onsea: "Die nieuwe preutsheid is zo fake als de borsten van Pamela Anderson"

Inge Onsea. Beeld Tim Coppens

Twintig jaar geleden ontwierp ze een kleine collectie T-shirts, vandaag bestiert ex-model Inge Onsea een mode-imperium. "Ik heb een persoonlijke slaaf, maar verder is mijn Anna Wintour-gehalte eerder klein."

Het hoofdkwartier van Essentiel Antwerp schuilt in een knap, historisch gebouw pal in de Antwerpse theaterbuurt. Van op haar balkon kijkt Inge Onsea uit op de terrasjes van de Graanmarkt, die met hun kleine tafels aan Parijs doen denken. Ze houdt van die internationale sfeer. “Na vier jaar is dit gebouw eigenlijk alweer te klein. Maar ik wil niet verhuizen naar een ongezellige nieuwbouw buiten de stad. Voor een modemerk is het belangrijk om de energie van de stad te capteren. Ik wil kunnen uitgaan en mensen zien.”

Haar bureau is een modekoningin waardig, en een reflectie van haar persoonlijkheid: grappig, zwierig, kleurrijk en chaotisch. De explosie van felle tinten blaast je omver. Knalgroene muren, een opgewekt Chinees tapijt, gordijnen met dolle motieven, uitbundige kunst aan de muur. Aan weerszijden van haar machtige houten bureau waken twee reusachtige tijgers: een braaf wijfje en een gevaarlijke mannetje dat klaar lijkt om te bijten. “Ik heb meer weg van hem, ik ben niet zo’n brave”, lacht ze.

Ter bevestiging steekt Inge een sigaret op en verontschuldigt zich. “Ik heb al zo vaak geprobeerd om te stoppen, maar het lukt niet. Mijn laatste poging was via hypnose. Dat heeft twee weken gewerkt, tot mijn vakantie. Op het eerste terras op Mykonos bestelde ik een glas wijn. En een sigaret. Ik vind mezelf toffer als ik rook, dat is mijn enige default.” (lacht)

Ik moet bekennen dat ik diep heb nagedacht over wat ik zou aantrekken voor dit interview.

“Ha, dat maak ik wel vaker mee. Sollicitanten komen soms volledig gekleed in Essentiel.”

Ik heb lang getwijfeld tussen deze donkerblauwe ­kostuumbroek met zomersblauw hemd of een knaloranje T-shirt met fluogroene copulerende olifanten en een bruine driekwartbroek.

(lacht) “Dan heb je goed gekozen. Wij hebben ooit een T-shirt gemaakt voor de mannen met opschrift: ‘When in doubt, wear blue’.”

Heb je een sterk ontwikkelde Jani-reflex? Beoordeel je mensen op wat ze dragen?

“Ik ben heel open-minded en hou van mensen die zich fout kleden. Tijgerprints en diepe decolletés, waarom niet? Maar ik geniet evenzeer van een mooi avant-garde ensemble van Ann Demeulemeester. Alles liever dan grijze muizen. Dankzij de sociale media durven mensen meer, ze zien mode van over de hele wereld en houden zich niet meer in. Je ziet op straat steeds vaker durvers die volledig over the top gekleed zijn. Zelfs de Belgen worden minder braaf en klassiek. Vroeger maakten wij een commerciële collectie en een modische collectie met speciale gevallen. Die tweede noemden we de kers op de taart. Vandaag is onze collectie één grote kersentaart. De speciale stukken verkopen het best, mensen willen opvallen.”

Aan je bureau te zien heb je zelf ook een opvallende stijl.

“O ja, ik ga met een paillettenrok en hoge hakken naar de supermarkt. Ik hou van kleuren, een gevolg van de vijf jaar dat ik in India heb gewoond. Nergens ter wereld hebben ze mooiere kleuren. We hebben er een producent die samen met ons groot is geworden. Twee keer per jaar keer ik er terug en elke keer voel ik me meteen thuis.”

Waarom ging je er vijf jaar wonen?

“Tijdens een lange backpackvakantie met mijn toenmalige vriend werd ik verliefd op een Indiase acteur. Vanwege mijn relatie kon ik daar niet aan toegeven, maar we hielden contact. Toen het uitraakte met mijn vriendje, vertrok ik opnieuw naar India om die man terug te zien. De vonken sprongen eraf en ik besloot daar te blijven.

“Ik was 20 en verhuisde van een rijhuisje in Edegem naar een wereldstad als Mumbai. Mijn moeder deed daar niet moeilijk over. Ze is de meest positieve, energieke vrouw die er bestaat. In die periode waren er nog geen gsm’s en e-mails. Als ik naar huis wilde bellen, moest ik een halfuur rijden op een oude, Indiase motor tot de dichtstbijzijnde telefooncel. En dan maar hopen dat mama thuis was.”

Beeld Tim Coppens

Was je vriend een superster in Bollywood?

“Hij niet, maar zijn vader Sashi Kapoor wel. In India is het de gewoonte dat zonen in de voetsporen van hun vaders treden. Maar mijn vriend was niet zo goed in zingen en dansen, en daar draait alles om in Indiase films. Hij verdiende zijn kost vooral met modellenwerk, net als ik. Meestal kwam ik drie maanden naar België voor opdrachten, en verdeelden we onze tijd in de rest van het jaar tussen Londen en Bombay.”

Waarom liep die relatie op de klippen?

“Ik begon me te vervelen. Mijn vriend was een stuk ouder en we waren verloofd. Toen dat huwelijk naderde, bedacht ik me dat ik geen zin had om de rest van mijn leven bij zijn familie te wonen, zonder te kunnen werken. India was een heel patriarchale maatschappij, vrouwen werden geacht om thuis te blijven. Daarom keerde ik terug naar België.”

Was die ervaring de ideale basis om een modebedrijf te beginnen?

“Ik heb nooit een plan gehad. Als ze me op mijn 16de vroegen wat ik later wou doen, had ik geen flauw idee. Ik ben heel passioneel en kan mensen enthousiasmeren, maar zakeninstinct had ik niet.

“Zonder mijn man Esfan was deze business er niet geweest. Ik werkte in de showroom van Max Mara en kluste bij als model, Esfan was verkoper bij het modemerk Mer du Nord en had grote dromen. Hij wilde samen een kledinglijn beginnen. We maakten een collectie van vier T-shirts in verschillende kleuren en gingen ermee de baan op, langs de klanten die we al kenden van bij Max Mara en Mer du Nord. De meesten kochten een paar stuks om ons een plezier te doen.

“Na twee seizoenen hadden we een showroom nodig om te groeien. Geld was er niet, dus richtten we die maar in op ons appartement. Als er klanten op bezoek kwamen, verwende Esfan hen met lekker eten. Algauw hadden we een volledige collectie.”

Hoe verklaar je dat snelle succes?

“Begin jaren 2000 was alles minimalistisch: grijs, wit en zwart waren omnipresent. Met onze bom van kleuren sprongen we eruit. Op elke beurs werden we benaderd door agenten die ons in het buitenland wilden verkopen. Naïef als we waren, zeiden we op alles ‘ja’. In een mum van tijd lag onze collectie overal en was er geen sprake meer van exclusiviteit.

“We hadden zeventien agenten en probeerden onze mode ook nog aan hun wensen aan te passen. Zo evolueerden we van een collectie van honderd stuks naar eentje van áchthonderd stuks. Dat kostte stukken van mensen. Het was een puinhoop, we hadden geen identiteit meer, en we moesten veel te veel doen: collecties ontwerpen, mensen aannemen, de zaak runnen…

“In 2005 draaiden we een omzet van over 50 miljoen, een jaar later nog de helft. We beseften: als we zo verder doen, zijn we binnen het jaar failliet. Daarom stelden we een CEO aan, die vragen begon te stellen waar ik nog nooit bij had stilgestaan. ‘Hebben jullie een HR-afdeling’? Nee. ‘Wat is jullie mission statement’? Euh, wát? Ik nam mensen aan op café. Als iemand er leuk en bekwaam uitzag, vroeg ik of die voor mij wilde werken. (lacht) Er was geen enkele vorm van structuur.”

Hebben jullie zwarte sneeuw gezien?

“Dat niet, maar Esfan heeft wel gepanikeerd. We waren aan het crashen, maar door radicaal te krimpen zijn we in de lucht gebleven. We verkleinden onze collectie tot honderdvijftig stuks, werkten alleen nog met de beste winkels, en van onze zeventien agenten hielden we er nog tien over.

“Esfan legde zich toe op de zakelijke kant en ik werd verantwoordelijk voor de collectie. Hij mag die zelfs niet meer zien voor ze helemaal klaar is. Door die keuzes zijn we de voorbije tien jaar weer gegroeid naar hetzelfde niveau als in 2005, maar dit keer met een gezonde structuur.

Beeld Tim Coppens

“Ik heb ook geleerd om knopen door te hakken zonder emoties. Elke week buig ik me samen met mijn team over de verkoopstatistieken. Als een stuk niet marcheert, annuleer ik het. In de mode moet het soms snel gaan. Wij doen zes collecties per jaar.”

Hoe doe je dat, om de twee maanden iets nieuws bedenken?

“Wij zijn een fusion kitchen met een ­uiteenlopende mix van kleuren en prints. De meeste merken hebben­ ­repeats die elk jaar terugkomen, bij ons marcheert dat niet. Onze collecties lijken niet op elkaar. Dat is uitdagend voor onze stylisten.”

Maar waar haal je de inspiratie vandaan?

“Dat vraag ik me soms ook af! Ik werk samen met twee stylisten die een totaal andere smaak hebben dan ik. We kruipen regelmatig in een kamer vol met moodboards en stoffen. Het eerste kwartier komt er niets, maar dan beginnen we te praten over het weekend, en over films en kunst. Dan halen we de stoffen erbij en rollen de ideeën er zo uit. Ik heb het in die twintig jaar nog nooit meegemaakt dat we zo’n sessie zonder inspiratie beëindigen.

“Ik ga ook naar stoffenbeurzen, om leuke kleuren te ontdekken. India blijft op dat vlak de grot van Ali Baba. Als we daar ’s morgens in de file staan, draai ik het autoraam open en hou ik mijn camera in de aanslag om mensen te fotograferen. Ik heb daar ooit een fietser met een verschrikkelijk vuil T-shirt tegengehouden. Hij had het waarschijnlijk al tien jaar aan, want dat was het perfecte afgewassen groen. Esfan riep: ‘Dát is nu het groen dat ik bedoel!’ We hebben dat T-shirt van die mens zijn lijf gekocht. Met het geld kon hij makkelijk tien nieuwe shirts kopen.”

Veel kleine modeontwerpers klagen dat de grote ketens hen voortdurend kopiëren. Bezondig jij je daar ook aan?

“Onbewust kopieert iedereen elkaar. Wij gaan naar alle grote modeshows en als ik iets mooi vind, print ik dat. Maar we zijn geen Zara of H&M. Die ketens kopiëren aan de lopende band en hebben een leger advocaten in dienst om hen te verdedigen tegen aanklachten. De topmerken hebben op hun beurt advocaten die het internet afschuimen, op zoek naar merken die hen kopiëren.

“Wij hebben ook al processen aan onze broek gehad. Ik herinner me een bezoek aan een Indiër die leren tassen maakte met allerlei accessoires erop. Een van zijn ontwerpen vond ik zo mooi dat ik er een eigen versie van wilde maken. ‘No problem’, zei hij, ‘het is mijn eigen ontwerp’. Achteraf bleek die tas van een van zijn klanten te zijn – we hadden een idee ‘gepikt’ zonder het te weten. Andersom is dat ook al gebeurd. Ik beschouw dat als een eerbetoon.

“Maar ik kan begrijpen dat het voor een klein merk frustrerend is als een keten je ontwerpen overneemt en aanbiedt aan de helft van de prijs.”

Vertel eens iets over je afkomst.

“Ik ben opgegroeid in een gewoon gezin in Edegem. Mijn jeugd was tof, met veel kinderen in mijn straat. Op zeker moment zijn mijn ouders gescheiden en moesten we krabben om rond te komen. Mijn mama had geen geld voor een auto, maar dat vond ze niet erg. ‘Dan neem ik de fiets wel.’

“Dat is ook altijd mijn instelling geweest. De dure jeansvesten die mijn klasgenoten droegen, kon ik niet betalen. Dus ging ik met mama naar een tweedehandswinkel en kocht een stijlvolle Alaïa-jas. Er zijn periodes geweest waarin ik tegen de 20ste van de maand de rode cijfers zag naderen. Dan ging ik bij mijn vriendin, die een restaurant heeft, overschotjes eten. Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik wel op mijn pootjes terechtkom.”

Ben je veranderd nu je een ­zakenimperium hebt?

“De eerste vijf jaar stond ik niet stil bij ons succes. Sinds onze bijna-crash koester ik het meer. Ik besef dat ik chance heb om van mijn passie mijn beroep te kunnen maken. Het is weinigen gegeven om op maandagochtend enthousiast het bureau binnen te huppelen. Ik ben me ook meer bewust van mijn verantwoordelijkheid: we hebben tweehonderd man in dienst.”

Hoe hoog is je Anna Wintour-gehalte?

(lacht) “Dat heb ik niet. Ik behandel mijn mensen goed en vind het belangrijk dat ze hier graag werken. Maar ik ben wel heel aanwezig. Soms loop ik hier hysterisch door de zaal, op blote voeten. En, o ja, ik heb een slaaf.”

Euh?

(schatert) Sofie werkte als model in onze showroom. Anderhalf jaar geleden vroeg ze of ze fulltime voor me mocht werken. ‘Kijk naar de film The Devil Wears Prada’, zei ze. ‘Jij bent Anna Wintour en ik ben Anne Hathaway.’ ‘Dus jij wilt mijn slaaf zijn’? vroeg ik. ‘Oké, dan mag je beginnen.’”

Ze zou ons koelte kunnen toewuiven met een palmtak.

(lacht) “Voor alle duidelijkheid: ik zie dat meisje graag. Ze is beneden in de showroom aan het werk.

“Maar een persoonlijke assistente is geen overbodige luxe voor mij. Ik heb de voorbije jaren heel hard gewerkt. Het is moeilijk om deze job te combineren met een gezin. Toen mijn kinderen klein waren, stak ik hen ’s avonds in bed en daarna werkte ik tot twee uur ‘s nachts. Om zeven uur liep de wekker weer af. Na de geboorte van mijn eerste zoon heb ik vier dagen niet gewerkt. Ik ben met hem van de kraamkliniek recht naar het bureau gekomen. Daar woonden we tijdelijk, ons huis was nog niet klaar. We hadden een productielokaal omgebouwd tot slaapkamer. Om maar te zeggen hoe hectisch het is geweest.

Beeld Tim Coppens

“Op een bepaald moment zei Esfan dat ik moest leren delegeren. Ik heb lang gezocht naar een geschikte rechterhand. Met Sofie klikt het. Ik kan haar kneden, omdat ze nog maar 21 is. Ze is constant bij mij, ook ’s avonds. In het begin gaf ik haar makkelijke jobs: de hond uitlaten, koffie brengen, boeken kaften… Langzaam leid ik haar op, zodat ze ook de zware jobs van me kan overnemen.

“Ik werk graag met jonge, passionele mensen. Passie is belangrijker dan diploma’s of ervaring.”

Hoe gehecht ben je aan geld en luxe?

“Eerlijk: ik zou niet weten wat er op mijn rekening staat. Geld was geen issue toen ik het niet had, en nu ook niet. Ik leef in luxe en kan mij veel schoonheid permitteren, maar dankzij mijn jeugd weet ik dat ik het ook met veel minder kan doen.

“Mijn man is anders: hij is opgevoed in rijkdom, in een kasteel, met een chauffeur. Als hij een paard wou, kreeg hij er twee. Zijn moeder, de bekende modeontwerpster Nicole Cadine, is twee keer failliet gegaan. Die extremen hebben Esfan gevormd. Hij is meer met geld bezig dan ik, en meer beducht voor het feit dat het fout kan gaan. Ik ben eerder onbezonnen.”

Ik las dat je je tijdens zakenreizen wél graag laat ­verwennen.

“Als ik naar Shanghai of Hong Kong moet, wil ik een goed hotel met 24 uur op 24 roomservice. Er moeten veel wellness- en massagemogelijkheden zijn, en wifi, zodat ik mijn mails kan beantwoorden. We zijn daar de hele dag op pad. ’s Avonds eet ik graag in alle rust op mijn kamer. En daarna wil ik een voetmassage van twee uur, desnoods tot ’s nachts.

“Maar op vakantie heb ik al die luxe niet nodig. Geef mij een mooie hut aan het strand, teenslippers en een paar boeken, en ik ben content. In het huis waar we deze zomer verbleven was geen wifi. Mijn kinderen werden gek: een week zonder games en YouTube! Ik vond dat top.”

Waar geef je, naast reizen, nog graag geld aan uit?

“Ik kan nog altijd supergelukkig zijn als ik een leuk vintage kledingstuk heb gekocht. We hebben ook veel geld in ons huis geïnvesteerd. Het is aangekleed door Gert Voorjans, een van onze beste vrienden. Als binnenhuisarchitect heeft hij anderhalf jaar mogen werken aan de inrichting van een kasteel van Mick Jagger. Dan ben je geen gewone, hè?”

Heb je als workaholic lang getwijfeld om aan ­kinderen te beginnen?

“Dat was zeker geen must. Ik vond mijn leven heel gemakkelijk zonder kinderen. Maar mijn man drong erop aan en nu voel ik, zoals elke moeder, een onvoorwaardelijke liefde. Een gezin brengt ook rust. Door mijn kinderen ben ik verplicht om in de weekends en vakanties mijn knop uit te zetten en me op hén te concentreren. Anders zou ik wellicht zeven dagen op zeven werken.

“Met de geboorte van mijn kinderen is er wel een schuldgevoel gekomen dat ik vroeger niet kende. Je leven is niet meer onbezonnen. Ik denk vaak: doe ik het wel goed? Ben ik er genoeg voor hen? Schiet ik niet tekort als mama? Ik praat daar met hen over, vraag of ze het niet erg vinden dat ik zo hard werk. Ze zijn het gewend dat ik vanaf september keihard werk en in oktober voortdurend naar het buitenland moet. Om de zes maanden doen wij Londen, Parijs, Milaan, Shanghai, India, Hong Kong, Korea… Veertien tot achttien vluchten in anderhalve maand tijd. We bezoeken onze showrooms in het buitenland, de producenten met wie we werken, beurzen, modeshows,…

“Soms neem ik mijn zonen mee. Daardoor zijn ze heel werelds. Door mijn levensstijl toon ik hen ook dat je hard moet werken als je iets wilt bereiken. En dat vrouwen dat óók kunnen en mogen.”

Heb je het gevoel dat je leven in balans is?

“Ik denk dat er niéts in balans is in mijn leven. (schatert) Maar dat is niet erg, ik ben zo. Vroeger dacht ik dat mijn schuldgevoel tegenover de kinderen zou wegebben, maar het wordt alleen erger. Ik probeer mezelf te sussen met het idee dat kinderen heel erg op zichzelf gericht zijn. Op hun 18de zwermen ze uit en liggen ze er niet meer van wakker of ze nog genoeg tijd doorbrengen met hun moeder.

“Mijn oudste heeft niets met mode, maar mijn jongste is erdoor geobsedeerd. Azar is 13 en heeft dit jaar zijn eerste T-shirtcollectie uitgebracht bij ons. Zijn tweede is al klaar, maar eerst moet die andere de deur uit. Elke dag vraagt hij de verkoopcijfers op. Zo jong en al zo gedreven, heerlijk! Al houd ik mijn hart vast voor de dag dat hij hier komt werken. Hij heeft nogal een eigen willetje.”

Je bent een Duracell-konijn. Gebeurt het ook dat de batterijen plat zijn?

“Ik probeer dat te vermijden door regelmatig de stilte op te zoeken. Thuis of in de auto zet ik nooit muziek op. Ik counter de drukte door me af te sluiten in mijn bubbel. Het zaligste moment van mijn dag is wanneer iedereen ’s morgens het huis uit is. Dan heb ik tot tien uur het rijk voor mij alleen. Esfan is een ochtendmens, die springt de douche in en sprint naar het bureau. Ik kan dat niet. Ik neem een koffie, bekijk mijn mails en lees wat. Dat ochtendritueel is heilig. Pas na tien uur kom ik op het bureau, maar ik werk soms wel tot ’s nachts. Als iedereen hier weg is, word ik niet gestoord.

“Ik ga ook elk jaar op wellnessvakantie naar Innsbruck. Dan doe ik een hele week niks anders dan lezen, slapen en op de massagetafel liggen. De rust die daar heerst is zalig. Smartphones moeten uit en je mag er amper praten. Je eet met anderen aan tafel, in stilte. En weet je wat het summum daar is? De craniosessies.”

De wat?

“Craniologie, ken je dat niet? Een man die een uur lang je hoofd vasthoudt.”

Spannend.

“Dat is fantástisch! Die mens woont in de bossen rond Innsbruck, één keer per week komt hij van zijn berg om in het gezondheidscentrum cranio te geven.

“Een paar jaar geleden zat ik helemaal stuk. Ze hebben 48 uur lang elektroden op mijn lijf gezet om te zien wanneer mijn hartritme daalde. Zelfs tijdens yogasessies of in mijn slaap gebeurde dat niet. Ik recupereerde niet meer en zat op het randje van een burn-out. Er was maar één moment waarop mijn hartslag wel zakte: tijdens zo’n cranio­behandeling. Ik viel daarvan in een diepe slaap. Sindsdien wil ik dat elke keer.

“Yoga helpt ook. Ik heb het hier op het werk geïntroduceerd. We hebben lang groepssessies gedaan in de showroom. Tegenwoordig doen we die buitenshuis.”

Beeld Tim Coppens

Nu we toch bij de moeilijke standjes zijn beland: wat heb je in je leven al geleerd over mannen?

Oh my God, over mánnen? Ik denk dat het voor hen fucking moeilijk is geworden. Vrouwen worden steeds zelfstandiger en krijgen meer haar op hun tanden. Zeker voor mannen van mijn generatie is dat aanpassen. Zij zijn nog grootgebracht met de oude rolpatronen, maar de moderne vrouwen zwijgen niet meer, we zijn veeleisender geworden. Daar zie ik veel mannen mee worstelen.”

De MeToo-hetze heeft hier en daar ook voor een catharsis gezorgd. Heeft dat invloed op de mode?

“De mensen worden preutser. Diepe, ronde decolletés zijn uit en worden vervangen door brave V-uitsnijdingen. Ik vind dat jammer. Onlangs zag ik in een sjofele Antwerpse buurt een schoon meisje voorbijkomen met een ultrakort shortje en halfblote billen. Práchtige billen. Ik zei vol bewondering: ‘Wow, hoe ziet die eruit?’ Maar de mannen in mijn gezelschap vonden het onverantwoord. Ik dacht: komaan, guys! Eind jaren 80 paradeerde ik ook zo door de straten. Als ik daar nu foto’s van terugzie, vraag ik me af hoe ik dat durfde. Mijn rokjes leken soms op dikke ceinturen. Maar ik heb me nooit seksueel geïntimideerd gevoeld.”

Hoe komt dat?

“Ik denk dat het te maken heeft met wat je uitstraalt. (snel) Ik zeg niet dat vrouwen die worden aangerand dat zelf gezocht hebben, hè. Integendeel! Maar ik stond daar nooit bij stil. Ik geloof in de goedheid van mensen, en in de juiste energie en uitstraling. Al moet je voorzichtig zijn. Die Harvey Weinstein is een varken, ik zou nooit naar zijn kamer gegaan zijn.”

De normen schuiven op. Hostessen op het autosalon mogen niet te sexy meer gekleed zijn, de missen in de ­wielerwereld verdwijnen, pitspoezen in de F1 ook. En tijdens het WK voetbal waarschuwde de FIFA dat tv-zenders niet meer mochten focussen op mooie vrouwen in het publiek.

“Het is spijtig dat de mentaliteit zo verandert. We zijn deze zomer met vrienden op vakantie gegaan naar Griekenland. Zij hadden een dochter van 18, een pracht van een kind. Op zeker moment floot een man haar na op straat. Zij was daar helemaal van over haar toeren. Dat verwonderde me. Als ze vroeger naar mij floten, riep ik ‘bedankt’! (lacht)

“Ik beschouw dat nog altijd als een compliment, maar de jonge meisjes vinden het degoutant en respectloos. Ondertussen staan ze wel allemaal halfnaakt op Instagram en daten ze op Tinder. Dat kan dan blijkbaar wél. Als je het mij vraagt, is die nieuwe preutsheid zo fake als de borsten van Pamela Anderson.” (lacht)

Als dat geen slogan voor een nieuw T-shirt is!

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234