Maandag 14/10/2019

Interview

Dirk De Wachter: "Ik dacht: zo spijtig dat ik nu al moet sterven"

Dirk De Wachter. Beeld Stefaan Temmerman

De Franse schrijver Marcel Proust beantwoordde ze ooit in een vriendenboekje, nu geeft De Morgen er een eigenzinnige draai aan. Dertig directe vragen, evenzoveel openhartige antwoorden. Vandaag: psychiater Dirk De Wachter (57). Wie is hij in het diepst van zijn gedachten?  

1. Hoe oud voelt u zich? 

“Ik zou zeggen 17, een leeftijd vol mogelijkheden en angstvalligheden, een mooie metafoor voor het gevoel dat ik nu ervaar. Sinds enkele jaren zit ik in een soort van post­puberale fase door alle nieuwigheden die mij overkomen. Dat is boeiend en spannend, maar tegelijk ook bedreigend en lastig. Soms denk ik: laat me toch met rust.

“Het schone aan mijn beroep is dat een psychiater altijd beter wordt met de jaren. Ik kijk breder, met meer in het achterhoofd. In die zin ben ik natuurlijk geen 17 meer.”

2. Wat vindt u uw belangrijkste eigenschap? 

“Out of the box denken. Ik kijk dikwijls net weer anders dan iedereen denkt. Wat ik schrijf, denk en zeg, is daarom niet noodzakelijk vreemd, maar vaak net wat anders. Voor mijn boek Borderline Times, bijvoorbeeld, heb ik de diagnose borderline uit de hoek van de psychopathologie gehaald om ze toe te passen op onze samenleving.

“Misschien is mijn nogal onnatuurlijke capaciteit om dwarsig te denken een hulp in mijn werk. Dat ik ergens een verbindende factor kan vormen, om mensen aansluiting te bieden met de wereld. Dat hoop ik wel. Ik voel me in ieder geval nogal thuis in het beroep van psychiater.

“Ik heb me altijd een beetje vreemd in de wereld gevoeld. Op mijn vijftiende las ik De avonden van Gerard Kornelis van het Reve over Frits van Egters die dwars op de wereld keek. Het besef dat ik niet de enige was die zo dacht, was echt een aha-erlebnis. Via de modernistische literatuur, via Reve en Ivo Michiels en de psycho­analyse, ben ik gefascineerd geraakt door het verschijnsel mens.

“Die fascinatie vind ik nog altijd de essentie van mijn beroep. Mensen helpen was niet mijn eerste drijfveer. Helpen heeft lang een negatieve bijklank gehad binnen de psychiatrie: er ging een soort neerbuigendheid van uit. Ik geloof meer in de herstel­beweging, zodat mensen zichzelf leren helpen. Ik zie mezelf eerder in de rol van katalysator, maar ben niet de persoon die zegt wat ze moeten doen.

“Ik kon eigenlijk niets uitzonderlijks. Mijn moeder zaliger zei: ‘Als je niets kunt, jongen, ga maar studeren.’ Dat werd dus psychiatrie, daarna neurologie en dan heb ik nog gedoctoreerd. Ik heb heel lang gestudeerd, omdat ik niets kon.” (lacht)

3. Wat is uw grootste passie? 

“De mens. Het mysterie mens. Hoe langer ik psychiater ben, hoe onbegrijpelijker het wordt, en dat is niet cynisch, zelfs niet ironisch bedoeld. Integendeel, het wordt daardoor nog boeiender.”

4. Wat beschouwt u als uw grootste prestatie? 

“Kijk, als ik sterf en voor de hemelpoort sta – ik geloof niet in de hemelpoort, maar bij wijze van spreken – dan wil ik afgerekend worden op de paar tientallen mensen die ik in mijn leven heb kunnen ontmoeten als psychiater en voor wie ik iets wezenlijks heb kunnen betekenen. Ik hoop en denk ook wel dat ik voor enkele mensen echt een verschil heb gemaakt.”

5. Wat was het gelukkigste moment in uw leven? 

“Ik spreek veel over de zoektocht naar geluk die ons ongelukkig maakt. Deze vraag staat dus een beetje dwars op mijn discours. Maar als ik een moment moet kiezen, zal het de geboorte van mijn kinderen zijn. Omdat ik toen ik jong was kinderen niet als een ultiem doel van het leven zag. Mijn vrouw wel. Achteraf gezien is er niets belangrijkers voor mij dan mijn kinderen.

“Ik vind het geluk een raar concept. Het is iets waar we eigenlijk niet mee bezig moeten zijn. Geluk overkomt ons. Het zoeken naar geluk veroorzaakt veel depressies. Je leven zin, betekenis geven, dat is de essentie. Maar als het gaat over zin en betekenis, zijn mijn kinderen wel bangelijk belangrijk. Dat is een fundamenteel, diepmenselijk idee, waarvan ik de draagwijdte pas ten volle ervaar als ik met ontwrichte gezinnen werk. Als kinderen worden verworpen door hun ouders, hoe ongelooflijk erg dat kan zijn.”

6. Welke kleine, alledaagse gebeurtenis kan u blij maken? 

“Thuis zijn. Met een goed boek, muziek op de achtergrond, Bach of Alexandre Tharaud of zo. En dan een gedicht van Charles Bukowski, met een wijntje erbij en mijn geliefde in de zetel. Gewoner kan het niet zijn, maar mooier ook niet. Dat raakt aan het paradijs, zou ik zeggen.”

7. Wat is uw grootste zwakte? 

“Mijn sterkte zal wel mijn zwakte zijn. Mijn ongebreideldheid. Ik ben altijd maar bezig, altijd maar bezig. (zucht) Mijn vrouw zegt soms: straks val je dood. Ik ben een keer doodgevallen. Op mijn 39ste heb ik een TIA (transient ischemic attack, red.) overleefd.”

8. Waar hebt u spijt van? 

“Ik vind spijt geen interessant gegeven. Uiteraard moet een mens nadenken over wat hij doet en moet hij leren uit de dingen die misschien anders hadden gekund, maar ik vind spijt een weinig vruchtbaar gegeven. Bezint eer ge begint. Ga ervoor en bemin je keuze. Doe geen impulsieve dingen. Probeer te wachten. Dat heb ik van Heidegger geleerd: wachten is het meest wezenlijke in het bestaan. Hij heeft dat geschreven voor ik er was, dus ik zit er echt voor niets tussen, maar dat de naam De Wachter verband houdt met de filosofie van Heidegger, vond ik wel een mooie ontdekking. Het wachten als de ultieme levenskunst.” (lacht)

9. Wat is uw grootste angst? 

“Toen ik die TIA-aanval kreeg, zat ik in een therapie. Ik werd verlamd aan mijn rechterkant, eerst mijn been, daarna mijn arm. Ik wilde mijn vrouw bellen omdat ik dacht: ik sterf. Ik sleepte me naar de telefoon, probeerde het nummer te vormen, maar kon amper mijn arm bewegen. Ik kon niet meer spreken.
(maakt monster­geluid) En toen dacht ik: wat heb ik een goed leven gehad! Maar zo spijtig dat ik nu al moet sterven! Dat vond ik zo erg. Bijna egocentrisch. Omdat ik zo graag leef. Omdat ik vind dat het leven zo interessant is. Maar het ergste was dat ik mijn kinderen niet groot zou zien worden. Dat vond ik verschrikkelijk. Dat ik niet zou meemaken welke wezens ze zouden worden. Ik werd heel triest van die gedachte, ik vond dat zo onrechtvaardig.

“Maar enfin, ik heb een hele omweg genomen. Mijn grootste angst is dus dat mijn kinderen iets zou overkomen.”

Dirk De Wachter. Beeld Stefaan Temmerman

10. Waarvoor wilt u vechten? 

“Ik ben geen vechter. Dat wóórd. Ik probeer wel scherpzinnig te kijken naar dingen die onze aandacht verdienen, in de hoop dat mensen er dan over kunnen reflecteren en er iets mee doen. In de hoop dat politici en journalisten het oppikken. Ik zie mijn maatschappelijke functie ook als een therapeutische functie.

“In de opleiding psycho­therapie hanteer ik weleens het boekje van de onoverwinnelijke veldheer Sun Tzu (ca. 544-496 v.C., red.). In De kunst van het oorlogvoeren beschrijft hij een aantal mooie strategieën. Je staat bijvoorbeeld met je troepen voor de stad en alle poorten zijn gesloten. Wat te doen? En dan zegt Sun Tzu wederom: wachten. Je verzamelt je troepen, je bouwt je kamp op, je voert eten aan en je wacht. En de gesloten stad zal op den duur naar buiten moeten komen. Wachten. Die strategie is ook een mooie metafoor voor het therapeutische gesprek. De patiënt die zwijgt, de psychiater die wacht. In die zin is vechten op een overdrachtelijke manier wel van toepassing. Ik wil wel vechten voor mijn patiënten, dat doe ik ook.”

11. Wanneer hebt u voor het laatst gehuild? 

“Ik ben niet zo’n blèter, maar durf weleens tranen weg te slikken. Ik heb dat vooral met muziek. Een cantate van Bach, of een nummer van Cohen op de radio, dat pakt mij erg.

“Mijn vader had een grote verzameling cd’s, onder andere een opname van een oude plaat: piano vierhandig van Mozart. Toen ik na zijn dood op een avond alleen thuis was, deed ik die cd open en dat schijfje was beduimeld met bloed. Bloed van mijn vader. Dat was heel bevangend. (grijpt keel vast) Die tastbare, lijfelijke herinnering, terwijl mijn vader er niet meer was.”

12. Wanneer schrok u van uzelf? 

“Toen ik in Parijs assistent werd. Ik herinner me dat ik de roltrappen van het Centre Pompidou besteeg en dacht: allez, jongen, Parijs aan je voeten. (zwijgt) Dat dát mij mocht overkomen, daar ben ik nog steeds erg dankbaar om. Dat klinkt wollig en lullig, maar dat begrip heb ik van mijn latere leermeester in de filosofie, Sam IJsseling, die vorig jaar gestorven is. Zijn levens­motto was: wees dankbaar en aandachtig. Dat vind ik een mooie houding. Dankbaar om het feit dat je mag zijn, aandachtig voor het leven.”

13. Wanneer bent u ooit door het lint gegaan? 

“Mijn excuus, ik kan jullie geen smeuïg verhaal vertellen dat ik iemand in elkaar heb geslagen. Ik ben nogal streng opgevoed.”

14. Hoe was de band met uw ouders? 

 “Ik ben liefdevol opgevoed en heb mijn kinderen ook liefdevol proberen op te voeden. Dat is de essentie. De opvattingen over een goede opvoeding zijn nogal veranderd. In die zin was mijn opvoeding heel anders dan die van mijn kinderen: veel strenger, geregelder, behoudender, angstiger. Ik ben opgegroeid in een dorp, Boom, mijn kinderen in Antwerpen. Er zit aan de oppervlakte gezien wel wat verschil, maar in wezen hoop ik dat ze dezelfde liefdevolheid hebben meegekregen. Ik kan kritisch over mijn ouders spreken – dat moet ik hier niet doen, maar ik kan dat wel. Maar ik was graag gezien. En dankzij mijn beroep weet ik ook hoe ongelooflijk belangrijk dat is. Hoe graag gezien worden cruciaal is voor de ontwikkeling van een mens. Mijn broer en ik zijn graag gezien. Dat is een chance, ja, want wij hebben daar niets voor gedaan. Voilà.”

15. Welke kunstvorm beroert u het meest? 

“Ik leef op het randje van het stendhal­syndroom – telkens opnieuw word ik overrompeld door de schoonheid van de kunsten. Kunst vervult mij. Maar als het echt over beroeren gaat, denk ik in de eerste plaats aan muziek. Klassieke muziek en vooral Bach. En Leonard Cohen. Ik heb hem ontdekt op mijn 17, en draag hem al mijn hele leven mee. Ik zal hem nooit afvallen. Nooit.

“Wat is het mooie nu? Voor Cohen vorig jaar gestorven is, heeft hij nog een laatste cd gemaakt: You Want It Darker, waarop hij zijn dood voorvoelt. En de laatste zin van het laatste nummer luidt – echt ongelooflijk: “It’s over now, the water and the wine/ we were broken then, but now we’re borderline”. Daar eindigt zijn leven. En die quote, dat is letterlijk mijn werk Borderline Times. Hoe schoon kan het leven zijn! Dat die man die ik altijd zo gekoesterd heb als een reliek uit mijn jeugdjaren, van wie ik alle teksten van begin tot einde kan reciteren, van wie ik niet alleen de songs, maar ook de poëzie en de romans helemaal heb gevreten, dat hij dan voor hij zijn hoofd neerlegt, mij deemoedig citeert.” (lacht)

16. Hebt u ooit een religieuze ervaring gehad? 

“Het hangt ervan af hoe je dat definieert. Wees gerust, ik heb nooit een roeping gehad, ondanks mijn katholieke opvoeding. Maar een spirituele, romantische, hypomane, escapistische ervaring, dat wel. Dat ik als het ware gelicht word. Dat overkomt me telkens weer in Parijs. Schoonheid is voor mij religieus, doet me zweven. Als ik een kathedraal binnenkom, kan ik erg gegrepen worden door die bijna onaardse schoonheid.

“De kapel van Le Corbusier vind ik ongelooflijk. Of de Kapel van de Stilte in Helsinki, een modern gebouw met een eiachtige architectuur. Je zou dat religieus kunnen noemen, de schoonheid, de stilte, de onthechting die je ervaart. Een soort van bewustzijn van je eigen nietigheid binnen de kosmos, al is 
dat te cognitief uitgedrukt. Een religieuze ervaring is eerder iets wat niet onder woorden te brengen is, het overstijgt het begrijpen.”

Dirk De Wachter. Beeld Stefaan Temmerman

17. Wat biedt u de ultieme ont­spanning? 

 “Thuiskomen. Ik hoef geen yoga te doen, niet te gaan joggen, geen pil te nemen, ik hoef niet op reis. Gewoon de aanwezigheid van mijn vrouw, wat muziek, wat lezen en schrijven, een wijntje.”

18. Hoe voelt u zich in uw lichaam?

“Ik ben heel onsportief. Ik heb mijn lichaam nooit gecultiveerd. Eten doe ik graag, maar sporten doe ik niet. Níét. (lacht) Ik zeg altijd: waarom kan ik zo veel werken en daarnaast zo veel lezen en schrijven? Omdat ik niet sport en geen televisie kijk.”

19. Wat vindt u erotisch? 

“Vrouwen. Punt." (lacht)

20. Wat is uw goorste fantasie? 

“Mijn goorste fantasieën zijn niet geschikt voor publicatie. Die Gedanken sind frei. Dat sommige mensen beweren dat ze geen gore fantasieën hebben, is gevaarlijk.”

21. Welk dier zou u willen zijn? 

“Ik wens geen dier te zijn. Ik wens een mens te zijn!”

22. Aan wie bent u schatplichtig? 

“Aan mijn ouders. Zonder enige twijfel. Een liefdevolle opvoeding geeft je een soort van baarmoederlijkheid vanwaaruit je je leven veilig kunt opbouwen.

“De belangrijkste figuur in mijn leven is mijn vrouw. Wat zij voor mij betekent, kan ik niet uitdrukken. Dat zit opnieuw in de categorie van het onuitspreekbare.

“Voor de rest zijn er figuren die me hebben gevormd. We zijn wie we tegenkomen. We zijn in de blik van de ander. Ons leven is een tocht langs allerlei ontmoetingen, en die maken wie we zijn.”

23. Aan wie hebt u leed berokkend?

“Ik hoop van ganser harte aan niemand. Primum non nocere is een van de belangrijkste adagia in de geneeskunde: hoe kunnen we geen schade berokkenen?”

24. Welke eigenschappen waardeert u in anderen? 

(denkt lang na) “Euh. Medemenselijkheid. Mede­dogen. Zorg. Alles wat verbindt.”

25. Hoe definieert u liefde? 

 “Onmogelijk verlangen. Met een vraagteken.”

26. Hoe wilt u bemind worden? 

“Hartstochtelijk. Met een uitroepteken!” (lacht)

27. Welk maatschappelijk probleem kan u woedend maken?

“Ik ben geen woedende mens. Ik ben een kritische mens. Een mens die scherpzinnig naar de wereld probeert te kijken. En ik vind dat ook de plicht van een intellectueel, als dat woord nog gebruikt mag worden. Ook de plicht van een universiteitsprofessor, om maatschappelijk iets te betekenen.

“Martha Nussbaum schreef onlangs: woede is geen goede raadgever. Waar ik wel in geloof, is het indignez-vous, engagez-vous van Stéphane Hessel. Wat mij het meest irriteert in onze maatschappij, is de zelfgenoegzaamheid. We hebben het zo fantastisch hier. Waarom zitten we zo te zagen?”

28. Hebt u zichzelf ooit betrapt op racistische gevoelens? 

“Als eerste reactie zou ik kunnen zeggen: ik hoop van niet. Maar ik denk dat het goed is dat we ook onderkennen dat ieder mens gevoelig is voor de eigenheid van zijn gezinnetje, zijn clan, zijn ras. Dat het niet zo gek is dat een mens met een andere achtergrond en een ander uiterlijk je kan doen schrikken. Dat mag, maar dan moeten we daar verder over nadenken. Vergelijk het met de gore fantasieën. De ontkenning ervan lijkt me problematisch. Het idee dat wij, de ‘weldenkenden’, nooit enige politiek niet-correcte gedachte zouden hebben: alstublieft zeg!

“De vreemdheid van de ander is heel wezenlijk. Ik ken u niet. Zelfs mijn geliefde ken ik niet. De ander is vreemd en komt naar mij toe en bedreigt mijn zelfgenoegzaamheid en mijn ikkigheid. Die vreemdheid schrikt me misschien eerst af, kan zelfs afstoten, maar maakt me tegelijk curieus. Ik wil weleens weten hoe het anders-zijn in elkaar zit. Het vreemde wordt boeiend, vervullend, interessant, kan ons iets leren. Le même, hetzelfde, zegt Levinas (Frans-joodse filosoof, red.), leert ons niets. Onze identiteit wordt gevormd door de vreemdheid van de ander. Zo worden we zelf een zelf.”

29. Wat zoekt u op reis? 

“Schoonheid. Schoonheid. (fluistert) Schoonheid, altijd opnieuw.”

30. Hoe werkt u mee aan een betere wereld? 

“Je kunt daar cynisch op antwoorden, maar zo steek ik niet in elkaar. Ik denk dat de mens de plicht heeft om iets met zijn leven te doen. In mijn werk probeer ik zo goed mogelijk voor mijn patiënten te zorgen. Dat is het belangrijkste, maar door een speling van het lot en door het boek dat ik geschreven heb, heb ik ook een soort van openbaarlijkheid gekregen. Ik vervul die rol met hart en ziel, maar het voelt ook wat ongemakkelijk. Mijn core­business is hier zitten met een mens, de gordijnen dicht, niemand die ervan weet. Hier, in de krochten van de ziel, zoeken naar een straal licht.

“Een politicus ben ik niet. Ik pas niet in een vakje, ik zit op een meta­niveau, out of the box. Wat niet wil zeggen dat ik geen ideeën over de wereld heb, hé. Ik blijf altijd gelaagdheid zoeken, nuances, complexiteit, de woorden schieten tekort om juist te zeggen wat ik wil zeggen. Ik luister vooral. Het blijft een moeilijke positie, de openbaarlijkheid. Als ik anderen kan aanzetten tot denken, dat is goed. Dat is wat ik hier doe. Mensen aanzetten tot het vormen van eigen gedachten.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234