Maandag 21/09/2020

Dinerende dictatorsDe kok van Saddam Hoessein

‘Die avond dat Saddam zich slecht voelde, werd voor de zekerheid alle personeel gearresteerd’

Beeld Getty

Zelf serveren ze het liefst terreur op een bedje van haat, maar op hun eigen bord willen dictators natuurlijk uitsluitend hun met liefde bereide lievelingskostje. Wie van ’s morgens tot ’s nachts zijn wil oplegt aan een hele bevolking, vindt logischerwijs ook tijdens het diner zijn smaak wet. Levensgevaarlijk voor de koks in kwestie: een niet naar wens gegaard hapje kan het verschil maken tussen een kogel en een premie. De Poolse journalist Witold Szablowski reconstrueerde in Aan tafel bij dictators het fascinerende leven van keukenprinsen en -prinsessen in dictaturen. Zo ook het verhaal van Abu Ali, de kok van Saddam Hoessein – niet te degusteren met een volle maag.

Het begon onopvallend. Eén van de kelners van het ministerie waar ik in de keuken werkte, zei tegen me dat ik me moest melden in het paleis aan de rand van de stad, niet ver van het vliegveld. Dat daar voor mij extra werk was. Ik ging ernaartoe zonder na te denken over wat ze nu weer van me wilden. Iemand maakte de poort voor me open, een andere controleerde of ik geen wapens bij me had. Binnen werd ik begroet door een man die zich voorstelde als Kamel Hana. Hij gaf me een hand en zei: ‘Abu Ali, je moet weten dat ik één van de lijfwachten van president Saddam Hoessein ben. Ik zal je zo naar hem toe brengen. Alles wat er gebeurt, alles wat de president je vertelt, is geheim.’ Ik kon mijn oren niet geloven.

Ik moest een verklaring tekenen dat ik met niemand zou praten over wat ik in het huis van Saddam zou zien. Als ik die eed zou breken, wachtte mij de doodstraf door ophanging. Alles ging razendsnel. Nog geen tien minuten nadat ik het paleis was binnengegaan, stond ik al voor Saddam.

Lees ook het interview met auteur Witold Szablowski

‘Ik ben dol op de lievelingssoep van Saddam Hoessein’: een blik in de keuken van vijf overleden dictators

Fidel Castro zwoer bij zijn eigen spaghetti en was dol op speenvarken. Pol Pot hield niet van de Khmer-keuken, al mocht niemand dat weten. Voor zijn nieuwe boek sprak Witold Szablowski (40) met de koks van vijf beruchte dictators. ‘Ik vrees dat de tijd waarin we nu leven, met Covid-19, een perfecte voedingsbodem is voor nieuwe dictaturen.’ 

Ik begon één en één bij elkaar op te tellen. Een half jaar eerder hadden mijn bazen me gevraagd een levensloop te schrijven en daarin alle personen te noemen met wie ik had samengewerkt, en de namen van mijn familieleden. Ik moest ook een verklaring van de politie voorleggen waaruit bleek dat ik nog nooit veroordeeld was. Mijn vader kreeg bezoek van politiemensen, en die wilden van alles over mij weten. Wat ik voor iemand was. Of ik me niet bedronk en dan ruziemaakte en ging vechten. Of ik geen contacten met buitenlanders had, met Koerden, met religieuze fanatici, of ik geen conflicten had met justitie. En tot slot of een klant ooit had gezegd dat ik hem had vergiftigd. Ik had toen gedacht dat dat normaal was: ik kookte immers voor koningen, dan moesten ze dat soort dingen wel vragen. Zodat later niet zou blijken dat ik gestoord was. Maar ze waren me toen al aan het klaarstomen als kok van Saddam. Alles was vele maanden eerder al bekokstoofd, alleen wist ik daar niets van. Saddam hield ervan mensen voor een voldongen feit te stellen. Dat gaf hem een voorsprong. Maar toen doorzag ik dat nog niet. Die dag stond ik plotsklaps voor de president. Hij keek me aan.

’Jij bent Abu Ali?’ vroeg hij.

’Ja, meneer de president’, stamelde ik.

’Mooi. Maak maar tikka voor me.’

Kamel Hana bracht me naar de keuken. Hij bleef de hele tijd bij me staan en vertelde over die plek en over werken voor Saddam, terwijl ik de tikka bereidde en er nog een salade van tomaat en komkommer bij maakte. Een halfuur later was alles klaar en bracht Kamel het naar Saddam. Na nog eens twintig minuten kwam hij terug.

’Je moet bij de president komen’, zei hij.

Het is ongemakkelijk voor een kok om met iemand te praten die vlak daarvoor zijn eten heeft gegeten. En als diegene ook nog de president van het land is? Dan is dat dubbel ongemakkelijk. Maar Saddam was tevreden. ‘Dank je, Abu Ali, dank je. Je bent werkelijk een heel goede kok’, zei hij vol lof, hoewel tikka natuurlijk geen moeilijk gerecht is. En hij gaf me een envelop met daarin 50 dinar. Tegenwoordig zou dat ongeveer 150 dollar zijn.

’Je wilt toch wel voor me werken?’ vroeg hij nog.

Ik maakte een buiging en antwoordde zonder nadenken: ‘Natuurlijk, meneer de president.’

Of ik Saddams aanbod had kunnen afslaan? Ik weet het niet, maar ik wilde het liever niet proberen. Op die manier kwam ik in de keuken van de president terecht. De plek waar Saddam woonde, werd ‘de boerderij’ genoemd. De bouwwerkzaamheden aan de residentie waren nog in volle gang, maar het was nog niet de tijd van al die grote paleizen. Het was een heel groot terrein met daarop een echte boerderij: mensen uit Tikrit hielden er kippen, geiten, schapen en koeien. Slager Zijad en zijn vier knechten slachtten elke dag een lam en een paar kippen, zodat wij vers vlees hadden. Er groeiden dadelpalmen, er waren ook moestuinen en er was een meertje waarin vis werd gevangen als Saddam geroosterde masgoef wilde eten. Daar was hij gek op. Het was een heel aangename plek.

Er waren zes koks – het kleinste gezelschap waarin ik tot dan toe had gewerkt. Bovendien verzorgden twee van hen de hele tijd de vrouw van Saddam, Sajida. Ze had een eigen woning. Sajida verdacht haar man ervan dat hij vreemdging, maar omdat hij de hele tijd aan het werk was en bijna nooit thuiskwam, wist ze niets zeker. In elk geval voelde ze zich wel de hele tijd gekrenkt. En als het maar even kon, reisde ze de wereld rond om te shoppen.

De vier andere koks, van wie ik er één was, werkten in twee ploegen: één dag werk, één dag rust. Ik werkte samen met Marcus Isa, een christen uit Koerdistan. Vaak kwam ook Kamel Hana erbij, die mij graag mocht. Van hen twee kwam ik te weten dat de 50 dinar die ik voor de tikka had gekregen, geen toeval was. Als Saddam goedgezind was, wilde hij dat anderen ook tevreden waren, en dan deelde hij links en rechts geld uit. Had je op zo’n dag iets gemaakt wat hem smaakte, dan kreeg je een cadeautje.

Het werk voor Saddam bestond dus grotendeels uit aanvoelen wanneer hij een goede dag had, en dan maakten we iets klaar waar hij bijzonder van hield. Op andere dagen moest je hem ontwijken. Nee, ik was niet bang dat hij me iets zou aandoen. Maar als hij een slecht humeur had en iets hem niet smaakte, kon hij eisen dat je voor het vlees of de vis geld in de paleiskas stortte. Dat kwam herhaaldelijk voor. Bijvoorbeeld als hij iets at wat hij te zout vond, dan riep hij me bij zich. ‘Abu Ali, wie heeft er verdomme zoveel zout bij de tikka gedaan? Daar geef je me geld voor. Kamel, zorg ervoor dat hij 50 dinar betaalt.’

Meestal had hij ongelijk, hij zocht gewoon ruzie omdat hij een slechte dag had. Maar ik moest wel betalen. Marcus en ik maakten daar zelfs grapjes over. Als in de keuken de telefoon ging en iemand van ons moest bij de president komen, riep Marcus nadat hij had opgehangen: ‘50 dinááááár!’

Een paar dagen later was Saddam beter gehumeurd. Hij herinnerde zich dat hij geld op mijn salaris had ingehouden en praatte daarom met Kamel Hana: ‘Onze Abu Ali heeft vandaag een heerlijke linzensoep gemaakt. Er zit precies genoeg zout bij. Geef hem wat je hem onlangs hebt afgenomen, en doe er nog maar 50 bij.’

Die soepen hoefden niet van elkaar te verschillen, maar zo was Saddam. Je wist nooit wat je van hem kon verwachten. De ene keer nam hij, de andere keer gaf hij. Op het einde van de maand had ik altijd meer dan mijn salaris.

‘We werden goed betaald, twee keer per jaar werden we in het nieuw gestoken door een kleermaker uit Italië, en elk jaar kocht Saddam een nieuwe auto voor ieder van ons.' (Midden onder: Abu Ali, in de jaren 70.)Beeld Uit het boek ‘Aan tafel bij dictators’.

Twee keer per jaar werden we helemaal in het nieuw gestoken, de kleren werden speciaal voor ons in Italië gemaakt. Soms nam Saddam ons mee naar het buitenland, dan moesten we er goed uitzien. Eén keer per jaar kwam een kleermaker uit Italië naar het paleis om de maten op te nemen van iedereen die voor Saddam werkte. Daarna werd er voor ons kleding genaaid in zijn atelier en die werd per vliegtuig verstuurd.

En één keer per jaar kocht Saddam voor ieder van ons een nieuwe auto. Elk jaar een andere: ik heb een Mitsubishi gehad, een Volvo en een Chevrolet Celebrity. Dan moesten we de sleutels van de oude auto’s inleveren en kregen we die van de nieuwe. Niemand die je iets vroeg; je kwam naar je werk en als je wegging, stond er een nieuwe auto in de garage.

BROODJE OORLOG

Tijdens de oorlog met Iran gingen we vaak naar het front. Saddam reed in een gewone legerauto, en als hij dicht bij het front wilde overnachten, sliep hij in een camper. Van luxe was geen sprake. Ik kwam dan ’s ochtends op mijn werk en iemand, meestal Kamel Hana, zei: ‘Pak je spullen, we gaan naar de oorlog.’ Als we vóór het vertrek nog een uur of meer hadden, bereidde ik alvast een aantal dingen voor. Aan het front werd in een veldkeuken gekookt, dat is veel ingewikkelder.

We reden erheen, stapten uit en Saddam ging de soldaten bezoeken. Ik bleef achter het front, zette een keuken op en maakte af wat ik al eerder was begonnen. Of ik maakte een vuur aan om er tikka, köfte of vis op te grillen.

De president wilde tonen hoe goed hij voor zijn soldaten zorgde: zo goed dat hij zelf voor hen kookte. We hadden een pan met rijst die ik vooraf kort had gekookt. We zetten een keuken op en hij moest die rijst gaarkoken en er een saus overheen gieten, die ik ook had gemaakt. Maar Saddam was iemand die nu eens te lang met een officier bleef praten, dan weer poseerde voor een foto – hij vond het geweldig om gefotografeerd te worden – en die rijst koekte dan ook vaak aan. Of hij was zo aan het praten dat hij intussen een kilo zout in de pan deed. Later schepte hij de soldaten die aangebrande of te zoute rijst op. Ze móésten wel eten, want de president had voor hen gekookt! We hadden voor die uitstapjes een speciale pan: groot, met een heel dikke bodem zodat de rijst niet zou aanbranden, maar toch moesten we die om de paar uitstapjes vervangen.

Op een keer bezocht Saddam een eenheid die een minuut of tien eerder een gevecht had gewonnen. Plotseling zetten de Iraniërs de tegenaanval in. Ayatollah Khomeini had hun wijsgemaakt dat als iemand sneuvelde in de oorlog, hij regelrecht naar de hemel ging, zelfs als hij tot dan toe niet gelovig was geweest en de regels van de islam niet in acht nam. Dus vielen ze aan met een uitzonderlijke razernij, want ze waren woedend op Irak en geloofden dat iedereen die tijdens het gevecht sneuvelde, in het paradijs zou ontwaken.

We raakten allemaal in paniek. Een deel van de soldaten begon te schieten, en een deel – onder wie ook ik, moet ik met schaamte bekennen – sloeg op de vlucht. Ik liet de pan vallen en begon te rennen. Ik was ervan overtuigd dat ze ons allemaal zouden doodschieten. Tegenwoordig wordt er over Saddam weleens gezegd dat hij bangig was, dat hij nooit als soldaat aan een oorlog heeft deelgenomen. Maar ik heb Saddam in een situatie gezien waarin iedereen op de vlucht sloeg. Hij bleef.

Toen het gevaar geweken was, keerde ik terug met gebogen hoofd. Saddam stond nog steeds waar ik hem voor het laatst had gezien en besprak de situatie met de soldaten. Hij keurde mij en de andere soldaten die gevlucht waren, geen blik waardig. Het schijnt zelfs dat enkelen later geëxecuteerd zijn. Ik heb geen problemen gekregen. Ik zette de pan weer terug; het vuur smeulde nog, maar alle rijst lag op de grond. Ik moest opnieuw beginnen.

Ik vertelde Marcus wat er was gebeurd en hij haalde zijn schouders op: ‘Je hebt het heel goed gedaan, Abu Ali. Je bent er niet om de president te redden. Daar zijn z’n lijfwachten voor. Wij moeten koken. Als je zou proberen iets anders te doen, zou je alles kunnen verprutsen.’ Hij had gelijk.

De belangrijkste lijfwachten en bedienden van Saddam kwamen uit Tikrit, en voor het merendeel waren ze verre of minder verre bloedverwanten van hem. Die al-Tikriti’s waren geen goede mensen. Ik herinner me zijn lijfwachten: Habib, Saad, Naser, Abdul, Rafat, Ahmed, Isma, Hazji, Akram en Salim. Ik herinner me zijn secretaris, Abd Ahmud. Geen mannen die je in het donker zou willen tegenkomen.

De lijfwachten hadden hun eigen keuken, die we ‘de 14’ noemden omdat we op dat nummer belden met de koks die daar werkten. Maar soms vroegen ze of we ook iets voor hen wilden klaarmaken. Ik moest dat wel weigeren. Ik was nu eenmaal de kok van de president: ik moest koken voor het staatshoofd, zijn familie en gasten, en niet voor lijfwachten of iemand van de veiligheidsdienst. Zoals je ook niet de onderbroeken van de president aanhebt, je niet zijn schoenen draagt en je niet in zijn auto rijdt, zo eet je ook niet het eten van zijn kok. Dan werden ze kwaad en vloekten ze, en ik had door dat je met die lui beter niet bevriend kon raken of ze vertrouwen.

De zonen van Saddam, Oedai en Koesai, waren ook angstaanjagend, vooral Oedai. Op een keer reed hij met zijn auto door de stad toen zijn oog op een meisje viel dat hand in hand liep met een soldaat. Hij stapte uit en ontvoerde haar, en zijn lijfwachten namen de soldaat mee. Oedai deed met dat meisje wat hij wilde. Vlak daarna heeft ze zelfmoord gepleegd. Haar verloofde werd doodgeschoten.

Oedai kon met zijn blote handen iemand vermoorden. Als een personeelslid iets deed wat hem niet beviel, sloeg hij hem persoonlijk, meestal met een metalen staaf onder de voetzolen. Dat overkwam bijvoorbeeld één van zijn koks, omdat Oedai het gerecht dat hij had klaargemaakt, niet lekker vond.

Allebei de zonen van Hoessein waren vaak in ons paleis. Telkens als Oedai mij tegenkwam, keek hij me aan op een manier dat ik ervan overtuigd was dat, als zijn vader ons niet zou beschermen, hij ons allemaal zou vermoorden. Van alle al-Tikriti’s was Saddam de enige goede persoon. Ik weet niet hoe hij het er levend vanaf heeft gebracht in die familie.

‘Oedai kon met zijn blote handen iemand vermoorden. Als een personeelslid iets deed wat hem niet beviel, sloeg hij hem persoonlijk, meestal met een metalen staaf onder de voetzolen. Dat overkwam bijvoorbeeld één van zijn koks.’Beeld BelgaImage

ROKKENJAGERS

Vóór we een gerecht aan Saddam gaven, werd het door Kamel Hana voorgeproefd. Als hij er niet was, moest één van de koks dat doen. Ook geschenken uit het buitenland, zoals wijn, whisky of Cubaanse sigaren, waar Saddam gek op was, werden getest op de aanwezigheid van vergif. De lijfwachten brachten alles naar een laboratorium, maar hoe dat precies in zijn werk ging, weet ik niet.

De inkopen voor de keuken werden uitsluitend gedaan door de betrouwbaarste lijfwachten. Als op de boerderij iets niet voorhanden was, reden ze naar de soek of naar een vertrouwd adres. We moesten altijd een monster van het eten in de koelkast bewaren, voor het geval dat.

Saddam had een bovennatuurlijke gezondheid. In de tijd dat ik op de boerderij was, heeft hij zich maar één keer slecht gevoeld. Dat was zoiets ongewoons, dat we die avond voor de zekerheid allemaal gearresteerd werden en de veiligheidsdienst controleerde of iemand van ons vergif aan zijn handen had.

Eén van de redenen waarom Saddam Kamel Hana graag mocht, was omdat hij hem vrouwen bracht. De president kon immers niet zelf naar een onbekende vrouw toe gaan en zeggen dat hij in haar geïnteresseerd was. Kamel kende de smaak van de president en hij kende ook heel veel mensen in Bagdad, en soms bracht hij een vrouw naar de boerderij, met wie de president in een meer ongedwongen sfeer kon praten.

‘De inkopen voor de keuken werden gedaan door de betrouw­baarste lijfwachten. Alle gerechten werden voorgeproefd, en ook geschenken uit het buitenland werden in een lab gecontroleerd op vergif.’Beeld Matar / Sipa / Sipa USA

Op een dag stelde Kamel Samira Sjanbandar aan Saddam voor. Eigenlijk was ze getrouwd, maar dat vond zowel Saddam als zij geen probleem. Ze vielen bijzonder bij elkaar in de smaak. Voortaan was Samira bijna dagelijks op de boerderij. Overal waar hij naartoe ging, nam Saddam haar met zich mee. Dat moest absoluut geheim blijven voor zijn eerste vrouw Sajida. Zelfs toen Saddam enkele maanden later de scheiding uitsprak tussen Samira en haar eerste echtgenoot en hij met haar trouwde, wist Sajida daar niets van: ze was de dochter van zijn oom, aan wie hij zoveel te danken had, en haar broer was minister van Defensie en een held uit de oorlog met Iran. Saddam wilde zijn relatie met geen van hen verstoren.

Samira kwam uit een respectabele Bagdadse familie, maar had als klein meisje in armoede geleefd. Later werd ze de vrouw van de president, maar ze bleef zich als een arm meisje gedragen. Zo nu en dan kwam ze ’s avonds bij ons, vroeg wat we nog aan eten overhadden, en als we het haar lieten zien, liet ze alles in kratten inpakken en stuurde ze de chauffeur eropuit om het naar haar ouders te brengen. Dat dreef Saddam tot waanzin, want hij gedroeg zich toch heel fatsoenlijk tegenover haar familie. Voor haar ouders kocht hij een nieuw huis. Haar broers en zussen gaf hij elk jaar een nieuwe auto. Hij zorgde ervoor dat ze genoeg geld hadden; de drie kinderen uit haar eerste huwelijk woonden op de boerderij, Saddam betaalde hun studie. En toen haar ex-man ziek werd, moesten wij voor hem koken en één van de chauffeurs bracht hem elke dag eten. Samira had geen enkele reden om eten van de boerderij te stelen, maar ze was zo aan haar vroegere armoede gewend dat ze niet anders kon. Saddam wond zich daar vreselijk over op: ‘Gedraag je als de vrouw van de president! Als het hun aan iets ontbreekt, hoef je het maar te zeggen en ik koop het voor ze!’

Zij huilde en hij bleef maar schreeuwen. Na zo’n ruzie liet Samira zich een aantal dagen, soms zelfs weken niet bij ons zien. Maar het was sterker dan zijzelf, want ze wachtte alleen maar tot Saddam er niet was en kwam dan opnieuw vragen wat we nog aan eten overhadden. En opnieuw liet ze alles in kratten inpakken en zei ze tegen de chauffeur dat hij het naar haar ouders moest brengen.

Ik weet niet hoe het mogelijk was, maar Sajida, Saddams eerste vrouw, heeft lang niets van Samira geweten. Saddam was heel loyaal aan de mensen die voor hem werkten – blijkbaar waren wij op onze beurt allemaal net zo loyaal aan hem. Maar dat kon niet eeuwig zo blijven. Op het laatst kwam het uit. Een verhouding is één ding, maar een huwelijk is iets anders. De islam staat dat weliswaar toe, maar Sajida werd razend. Ze vertoonde zich helemaal niet meer op de boerderij. Zelfs Oedai en Koesai bleven weg. Het schijnt dat zelfs de broers van Sajida tegenover Saddam kwamen te staan. Ze waren van mening dat Saddams presidentschap niet zijn persoonlijke verdienste was, maar die van alle al-Tikriti’s. Sajida was één van hen, Samira niet. Saddams huwelijk met haar was in hun ogen verraad.

Saddam had zowel de oorlog met Khomeini als de oorlog met zijn eigen familie aan zijn hoofd. Niet lang nadat het huwelijk van Saddam met Samira aan het licht was gekomen, bezatte Kamel Hana zich in zijn villa en begon hij voor de lol in de lucht te schieten. Een paar honderd meter verderop stond de villa van Oedai. Die stuurde zijn lijfwachten om hem te vragen daarmee te stoppen. De lijfwachten bereikten niets, Hana bleef schieten. Wilde hij Oedai ergeren? Ze hadden elkaar nooit gemogen, en bovendien wist iedereen heel goed dat het Hana was die Saddam vrouwen aanleverde. En Oedai stond in deze kwestie aan de kant van zijn moeder, hoewel hij zelf een rokkenjager was.

Op hoge poten kwam Oedai naar het huis van Hana gelopen. Hij pakte een metalen staaf en begon daarmee op de auto van de heer des huizes in te slaan. Hana rende naar buiten en een woedende Oedai sloeg hem uit alle macht met de staaf op zijn hoofd.

Ik had Saddam nog nooit zien huilen, maar bij de begrafenis stond hij in de kerk – want Hana was een christen – vlak bij de doodskist, en ik zag hoe de tranen over zijn wangen rolden. Zijn vriend was gestorven, iemand die buitengewoon belangrijk voor hem was. En nog wel door de hand van zijn eigen zoon.

Saddam stuurde Oedai naar de gevangenis, liet hem daar opsluiten in een kleine cel en verbood wie dan ook bij hem te laten. Het schijnt dat hij later naar hem toe is gegaan en hem met zijn blote handen bijna heeft gewurgd. Maar de liefde voor zijn zoon was toch sterker en enkele maanden later liet hij hem weer vrij. Oedai moest van zijn vader een tijdje naar het buitenland, maar het was duidelijk dat hij weer in genade zou worden aangenomen. Zo is het ook gegaan.

LAATSTE AVONDMAAL

We sloten vrede met Iran, maar helaas duurde die tijd zonder oorlog niet lang. De Koeweiti besloten te profiteren van het feit dat we zwak waren en oorlogsschulden hadden, en ze begonnen ver onder de prijs olie aan andere landen te verkopen. Saddam probeerde hun uit te leggen dat Arabieren elkaar moesten steunen. Het lukte niet.

Op een dag kwam ik zoals gewoonlijk naar mijn werk, ik zette de tv aan en hoorde dat onze tanks vertrokken waren naar één of andere oorlog. Iedereen zei dat de invasie was afgesproken met de Amerikanen, dus toen president Bush senior verontwaardigd reageerde, werd Saddam pisnijdig. In de oorlog tegen Iran hadden alle landen onze kant gekozen. Hij had gedacht dat ze deze keer ook een oogje zouden dichtknijpen.

Hij had zich vergist. In werkelijkheid stonden de Amerikanen aan de kant van de Koeweiti, en onze troepen moesten zich terugtrekken. Later begon Bush een invasie in Irak, en toen werd het gevaarlijk. Wekenlang kreeg ik Saddam niet te zien, hoewel ik weet dat hij in Bagdad was. Hij verschool zich in verschillende huizen in het centrum en net buiten de stad. Het leek erop dat de Amerikanen de hoofdstad wilden binnendringen en hem doden.

We kookten zoals altijd, maar Saddam at niet thuis. Eén van zijn lijfwachten kwam elke dag langs om de gerechten op te halen. Maar er waren ook dagen dat ze ons ergens naartoe brachten, elke keer naar een andere plek, en daar moesten we dan koken. Toen de Amerikanen tot voor Bagdad waren genaderd en de bombardementen begonnen, brachten ze ons naar Amiriya, een buitenwijk van de stad. Daar hadden we een huis gehuurd waar we kookten, en weer kwam iemand dat halen en bracht het naar Saddam. De president zag ik een paar maanden niet.

Later trokken de Amerikanen zich terug, maar de sancties bleven. De mensen zeggen soms dat Saddam slechter begon te eten, want veel dingen waren in Irak niet te koop. Dat is niet waar, hij at precies hetzelfde. Hij at geen dingen die uit het buitenland geïmporteerd waren: hij at uitsluitend Iraakse gerechten, bereid met Iraakse producten. De president was dol op vis, gerechten van de grill, verschillende soorten soep, kebab en shoarma. Hij hield van soep van okra, van courgette en van linzen. Al die groenten groeiden in Irak; meer nog, ze groeiden op onze boerderij, direct onder onze neus. Hoe hadden de sancties daar iets aan moeten veranderen? De onrechtvaardige sancties raakten vooral de gewone Irakezen. Zij verdienden minder dan vroeger, en ze voelen het ook nu nog.

Na de oorlog met Koeweit was ik al erg aangeslagen door het werken voor de president, vooral door de onvoorspelbaarheid ervan. Dat putte me volledig uit. Ik wachtte op een goed moment en uiteindelijk zei ik tegen het hoofd van de bewaking dat ik weg wilde. Saddam riep me bij zich.

’Ik hoorde dat je me in de steek wilt laten.’

Ik antwoordde dat het me speet, maar dat het wel zo was. De president knikte. ‘Goed. Ik begrijp het.’

Enkele weken later ging eindelijk mijn grote droom in vervulling: ik begon te werken in het vijfsterrenhotel Tala. Toen ik vertrok, had de stafchef maar één verzoek voor me. Saddam was dol op mijn pastirma, gedroogd rundvlees. Hij vroeg of ik één keer per jaar – pastirma wordt altijd in de winter gemaakt – wilde komen om het voor hem te maken. Zonder aarzelen stemde ik toe en gedurende een aantal jaren nam ik elk jaar een week vrij, bestelde alle ingrediënten en maakte anderhalf à twee ton. Ik bevoorraadde het paleis voor een heel jaar. Saddam bleef altijd genereus en zolang hij aan de macht was, betaalde hij me elke maand mijn salaris alsof ik nog steeds voor hem werkte.

Een paar jaar na mijn vertrek liet Osama bin Laden de Twin Towers in New York in de as leggen. Meteen daarna realiseerde George Bush Jr. zich dat zijn grootste vijand op de wereld uitgerekend Saddam was. De rest is bekend. Oedai en Koesai kwamen om in Mosul, ze werden doodgeschoten door de Amerikanen. Sajida en Samira vertrokken uit Irak, ieder in een andere richting. Ik weet niet waar ze zijn gebleven, maar Saddam heeft er ongetwijfeld voor gezorgd dat geen van beiden in armoede hoefde te leven. Saddam hebben ze opgehangen.

De laatste pastirma heb ik vlak vóór de tweede aanval van de Amerikanen gemaakt. Toen ze de president gevangennamen in een huis in een buitenwijk van Tikrit, hing het vlees daar aan de palmen. Hij heeft het tot op het laatst bij zich gehad.

‘We waren ergens in het veld gestopt om te lunchen. Saddam had gegeten en het had hem gesmaakt, en daarom zei hij: 'Abu Ali, je bent een echte meester. Kom, we gaan samen op de foto.'Beeld Uit het boek ‘Aan tafel bij dictators’

Toen de Amerikanen Bagdad bereikten, stond ik doodsangsten uit. Ze zochten mensen die voor Saddam hadden gewerkt. Ik was bang dat ze me naar Guantánamo zouden meenemen en me zouden folteren of vermoorden.

Iedereen verschool zich zo goed het ging. Van de oude ploeg koks hebben ze niemand gevonden. Van de mensen met wie ik heb gewerkt, hebben ze alleen de man gearresteerd die de paleizen afging om de batterijen in de afstandsbedieningen van de televisietoestellen te wisselen en ze te repareren. Later bleek dat ze informatie zochten over hoe Saddam leefde, om hem zo te kunnen pakken.

Na vijftien jaar voor Saddam te hebben gewerkt, had ik een heleboel foto’s met hem, die zijn fotograaf me nadien heeft bezorgd. Toen de Amerikanen kwamen, was ik zo bang dat ik ze allemaal achter de airconditioner heb verstopt. Na een paar maanden was de situatie wat stabieler en ik meende dat we het ergste achter de rug hadden. Ik wilde de foto’s tevoorschijn halen, maar er was water uit de airconditioner gelekt en alles wat ik daar had verstopt, was naar de verdommenis, op één foto na. Hij is gemaakt op de weg tussen Tikrit, de stad van Saddam, en Samarra, de stad waar één van de oudste moskeeën van Irak staat. We waren ergens in het veld gestopt om te lunchen. Saddam had gegeten en het had hem goed gesmaakt, en daarom zei hij: ‘Abu Ali, je bent een echte meester. Kom, we gaan samen op de foto.’

Het was een mooie, zonnige dag, iedereen was goedgehumeurd. Dat is het enige wat ik na al die jaren nog heb.

Volgende week: De kokkin van Pol Pot

Witold Szablowski, 'Aan tafel bij dictators', Nieuw AmsterdamBeeld RV

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234