Woensdag 24/07/2019

Architectuur

Deze 3 visionaire architecten sturen de hele sector de juiste richting uit

Jan De Vylder. Beeld Tim Coppens

De grond die schaarser wordt, de zwaar onderschatte ecologische voetafdruk van onze huizen... Ook de architectuur staat voor uitdagingen. Maak kennis met Claude Ginsburger, Catherine De Wolf en Jan De Vylder, die alle drie een stukje van de oplossing hebben gevonden. 

Claude Ginsburger bouwt huizen op bestaande daken

Waarom visionair? De plek in steden geraakt stilaan op, prijzen voor bouwgrond rijzen de pan uit. Deze architect vond de oplossing door verderlichte constructies te bouwen op platte daken. 

Zijn boodschap? “Dakwoningen zijn zeker geen monopolie voor het luxe-gamma. Ik zie veel mogelijkheden in lagere prijsklassen.”

Vederlichte constructies boven op bestaande daken in Parijs. Beeld Tim Coppens

Verdichten is de oplossing voor het plaats­gebrek in onze steden, onder meer volgens de strijdvaardige Vlaams Bouwmeester Leo Van Broeck. De Franse architect Claude Ginsburger heeft een wel heel originele manier gevonden: hij bouwt villa’s en appartementen boven op platte daken. “In Parijs zijn bouwpercelen zo goed als onvindbaar. Dus moeten we op zoek naar andere oplossingen”, analyseert hij nuchter. Onder de noemer ‘Oh Perché’ tekent hij dakwoonsten. Onlangs opende de eerste site op de grens van het 5de en 13ste arrondissement, op de rive gauche. Op een voormalige vlaggenfabriek uit de jaren 20 staan nu drie riante villa’s. Riant, inderdaad, zeker naar Parijse normen: de villa’s zijn 145 m2 groot, met een tuin van 129 m2 en een terras van 45 m2. Om het in harde valuta uit te drukken: de vierkantemeterprijs in deze straat schommelt rond de 15.000 euro. En de vraagprijs voor de dak­villa’s schiet de hoogte in tot 3,4 miljoen euro.

Claude Ginsburger

• Oprichter van architectenbureau Atelier ACG, gevestigd in Colombes, ten noorden van Parijs

• architect van dakproject Oh Perché

• tekende verschillende hotels  

• werkte mee aan de renovatie van 
het Roland Garros-stadion 
   

Ginsburger: “Met dit project mikken we inderdaad op het hoge segment. De potentiële kopers die nu al kwamen kijken, zijn onder meer politici en zakenlui. Maar dak­woningen zijn zeker geen monopolie voor het luxe-gamma. Ik zie veel mogelijkheden in lagere prijsklassen.”

Op het dak van een oude vlaggenfabriek bouwde Ginsburger drie riante villa’s. Beeld Tim Coppens

De villa’s zijn zonder twijfel de overtreffende trap van een penthouse: het luxe appartement boven op een flatgebouw. Besparen op bouwgrond, een prachtig uitzicht en optimaliseren van beschikbare ruimte: dakhuizen klinken als een droom. Maar er zijn toch heel wat haken en ogen aan, vertelt architect Ginsburger. “In de eerste plaats mag de constructie niet te zwaar zijn. Daarom ontwierp ik huizen die voor 80 procent uit hout bestaan. Dat is lichter, ­ecologischer én sneller. De tweede moeilijkheid is de samenwerking met de eigenaars van het bestaande pand. Elke ingreep moet je ­bespreken – van het verlengen van de lift tot de nooduitgangen en de fundering. En dat ­vertraagt het proces. Natuurlijk moet je ook al je materialen met kranen naar boven hijsen, wat extra tijd en geld kost. Hier hesen we bovendien ontelbare kilo’s aarde omhoog voor de tuinen.”

Ginsburger doet dit project samen met projectontwikkelaar François Gaucher. “Natuurlijk hadden we het gebouw gewoon kunnen platgooien en een volledig nieuwe building van een verdieping of acht in de plaats zetten. Dat had meer geld opgeleverd. Maar de wereld van morgen zal ecologisch zijn. Of zal niet zijn. Mensen willen anders gaan leven en wonen. Oh Perché is voor mij een testcase. Bovendien wilde ik het authentieke pand behouden, omdat het past in het straatbeeld.”

Claude Ginsburger. Beeld Tim Coppens

En dus wordt dat oude fabrieksgebouw waarop de dakvilla’s staan nu gerenoveerd tot architectuurschool. Ginsburger pikt in: “Dat is een van de grote voordelen van bouwen op daken: het straatbeeld wordt niet aangetast.”

De drie dakvilla’s zijn nog maar het begin. Deze maand opent een tweede project op Montmartre, in de Rue Lepic. Op een pand van vier verdiepingen zetten ze er een loft. En later volgt nog eentje in Buttes-Chaumont, in het noordoosten van Parijs. “Het potentieel is enorm”, zegt Ginsburger. “In Parijs alleen al zijn er 11.000 platte daken waarop mogelijk gebouwd kan worden, samen goed voor 446.000 m2. Bovendien zet de wet­geving sinds kort alle deuren open om er voluit voor te gaan. Maar ook het buitenland lonkt. Elke metropool in de wereld is een potentiële plek.”

Catherine De Wolf timmert aan groene bouwtechnieken

Waarom visionair? Zij onderzoekt als een van de weinigen wat de ecologische impact van gebouwen en bouwmaterialen is, en probeert met haar adviezen de sector te sensibiliseren.

Haar boodschap? “Het circulaire model, waarbij materialen gerecycleerd en hergebruikt worden, moet gestimuleerd worden.”

Catherine De Wolf Beeld Tim Coppens

Toen ik pas op de universiteit zat, kreeg ik daar prompt te horen dat de bouwsector zowat de meest vervuilende sector ter wereld is. Later, toen ik al regelmatig eens op een bouwwerf kwam, trof het me telkens opnieuw hoe conservatief dat wereldje wel was. De huidige bouwtechnieken verschillen amper van die van dertig jaar geleden. Die vaststelling heeft me er ­uiteindelijk toe aangezet om niet zomaar in een architectenbureau aan de slag te gaan, maar wel zelf onderzoek te gaan doen.”

En dus woont en werkt Catherine De Wolf nu in Lausanne, waar ze een beurs kreeg om er ook nog een post-doc van twee jaar af te werken. “Een bijzonder leerrijke ervaring”, klinkt het. “Ik geef hier in Zwitserland onder meer les over de circulaire ­economie, en krijg dan van mijn architectuur­studenten te horen dat ze nooit eerder leerden hoe ze nu precies de milieu-impact van een gebouw moeten berekenen. Straf toch, als je weet dat de bouwsector verantwoordelijk is voor zowat een derde van het afval, wereldwijd.”

Dat de bouwsector en een ecologisch verantwoorde aanpak niet meteen hand in hand gaan, is een understatement. Ook op vlak van CO₂-uitstoot scoort de bouw bijzonder slecht. “Er is de voorbije jaren heel wat nieuwe reglementering bijgekomen om de operationele uitstoot van gebouwen – verwarming, koeling en ventilatie zeg maar – te verminderen. Goed nieuws, maar er wordt nog geen rekening gehouden met de uitstoot die de productie van de bouwmaterialen zelf met zich meebrengt. Dat leidt tot soms behoorlijk paradoxale situaties: de keuze van een bepaald isolatiemateriaal vermindert enerzijds wel de operationele uitstoot van CO₂, maar tegelijk leidt de productie van dit isolatie­materiaal dan ook weer tot extra CO₂.”

Idealiste

De Wolf beseft het zelf ook: als onderzoekster heeft ze makkelijker praten dan haar collega’s-architecten, die rekening moeten houden met de wensen én de portefeuille van de bouwheer. “Ik ben een idealiste en dus misschien soms ook iets te naïef in de oplossingen die ik voorstel. Ik heb onlangs bijvoorbeeld een rapport geschreven voor de cementindustrie, dat hen moet helpen om ­minder CO₂ uit te stoten bij de productie van beton. Dat zoiets tot massaal jobverlies zou ­kunnen leiden, krijg ik dan te horen van de cementlobby. Mede daarom werk ik nu ook samen met bijvoorbeeld de Europese Commissie, om ook een politiek draagvlak te zoeken voor noodzakelijke innovaties in de sector.”

Enkele jaren geleden werd ze uitgenodigd voor een TED-talk. “Ik ben dan wel architecte, ik vind het net zo goed mijn plicht om ook het publiek beter te informeren en te sensibiliseren rond de ecologische impact van een woning. In de auto­sector lijkt de bocht stilaan ingezet, in de bouwsector is er nog een lange weg af te leggen.

Catherine De Wolf

• werkt als onderzoeker en docent aan de Ecole Polytechnique Fédérale de Lausanne (EPFL)

• onderzoeker aan de universiteit van Cambridge

• behaalde een PhD in Architecture: 
Building Technology aan het Massachusetts Institute of Technology (MIT)

• studeerde af als ingenieur-architect 
aan de VUB en ULB 
  

“We moeten dringend werk maken van een betrouwbare en zo breed mogelijke database die aangeeft hoeveel CO₂-uitstoot de fabricatie van een bepaald bouwmateriaal precies veroorzaakt. Pas als die gegevensbank voldoende uitgebouwd is, kunnen we daar in de sector ook echt rekening mee gaan houden.

“In afwachting daarvan probeer ik het ­circulaire model nu zoveel mogelijk te stimuleren. Uiteraard wil ik op een dag ook echt aan de slag gaan als architecte, maar tegelijk hoop ik ook les te blijven geven en onderzoek te kunnen blijven doen. Dat werk geeft me immers ook de nodige legitimiteit om invloed te hebben in de politiek en in de media.”

Jan De Vylder pleit voor bescheiden architectuur

Waarom visionair? Opzichtige gebouwen met een opvallende architectuur zijn passé, een architect moet een decor scheppen voor de mensen die in zijn bouwwerk leven.

Zijn boodschap? “Ik geloof in kleine ingrepen, op basis van observatie. Architectuur zou zich vaker bescheiden moeten opstellen.”

Jan De Vylder. Beeld Tim Coppens

Er was eens een volledig verkommerd ­kasteel in de tuin van het psychiatrisch ­centrum ­Caritas in Melle. Met de grond gelijkmaken, zou een logisch verdict geweest zijn. Maar Jan De Vylder zag er wel wat in. Met zijn kantoor, Architecten De Vylder Vinck Taillieu (DVVT), behield hij van het vervallen kasteel niet veel meer dan de buitenmuren. Binnen creëerde hij open ruimtes en paden waarin patiënten kunnen zitten en rondwandelen. Hij bouwde zelfs een serre waarin één stoel en een tafel staan opgesteld. 

Het verbouwde kasteel in de tuin van psychiatrisch centrum Caritas in Melle. Beeld rv

Een mooi voorbeeld van ethische – of ­misschien eerder empathische, menselijke ­architectuur. Zo heb je er wel meer, tegenwoordig. Vorig jaar bouwde de jonge ­architect Maximiliaan Royakkers bijvoorbeeld het ‘House for Seasonal Neighbours’, een ontmoetingsplaats voor Oost-Europese seizoensarbeiders in Limburg die anders op geen enkele manier connectie kunnen maken met de gemeenschap.

Architectenbureaus Common Room en Alive Architecture brengen dan weer bij ieder project sociologen, politici en burgers samen om tot een gebouw te komen dat de buurt vooruithelpt. Om maar te zeggen: er staat een nieuwe garde van architecten op die niet zomaar hun signature style op de wereld willen stempelen, iets waar Hadid, Libeskind, Gehry of Calatrava in uit­blonken.

Terug naar Melle. Dat het kasteel overeind mocht blijven, heeft een enorme symbolische en menselijke waarde. “Iemand zei: ‘Je ziet de littekens van het gebouw’”, vertelt De Vylder. “Anderen zagen het gebouw als een metafoor voor een persoon in ernstige moeilijkheden die toch niet werd opge­geven.” Het project draait om de meest menselijke handeling — gewoon, aanwezig zijn zonder iets wezenlijks te doen — waarvoor in deze tijd van systeemdenken en efficiëntie nog maar weinig plaats lijkt te zijn. “Bij psychiatrische patiënten moet je tijd en ruimte heel anders inzetten”, zegt De Vylder. “Zo viel me op dat er telkens één stoel op een specifieke plaats gezet werd. Blijkbaar valt de zon daar op een bepaald moment van de dag mooi binnen. Dit soort kleine momenten zijn van grote betekenis.” Het kasteel bulkt van dergelijke hoekjes en kantjes.

Jan De Vylder

• werkt sinds 2010 samen met zijn vrouw Inge Vinck en Jo Taillieu onder de naam Architecten De Vylder Vinck Taillieu vanuit Gent 

• won vorig jaar de Zilveren Leeuw 
op de Biënnale van Venetië en dit jaar de Henry van de Velde award (voor Community) voor de renovatie van het Psychiatrisch Centrum ­Caritas in Melle

• geeft les aan het ETH Zürich
   

Dat het gebouw behouden zou blijven, en wat de functie dan zou zijn, werd duidelijk na heel wat gesprekken met directeurs en ­therapeuten. “In ieder architecturaal proces wordt er natuurlijk overlegd, maar deze keer was de schaal een stuk groter. De maquette van het ontwerp diende als werktuig om een open debat te creëren.” Ook naar de bewoners werd geluisterd. “We begrijpen maar weinig over de psychiatrie en hebben er weinig voeling mee. Daarom organiseerden wij verschillende sessies samen met patiënten.”

Woonzorgcentrum Kapelleveld in Ternat, ook een project van DVVT. Beeld rv

“De grondtoon van DVVT is dat wij een context rond het leven scheppen. Ons doel is niet: architectuur op zich. Zo geef ik aan mijn studenten bijvoorbeeld niet de opdracht om een keuken te ontwerpen, maar een situatie rond het gezamenlijk drinken van een glas wijn. Architectuur als decor — en ook een stukje regie — van het leven.”

De werken van De Vylder vormen een bron van inspiratie voor een nieuwe generatie die inzet op sobere en bescheiden architectuur. Exit De Grote Visionair, welkom duurzame materialen, simpele oplossingen en ruimtes op menselijke maat. Zo is De Vylder de architect die een fermette durft te omarmen — immer verguisd door de architectuur — en een huis ­letterlijk rond een boom bouwde (Huis Bernheimbeuk). Zelf spreekt hij over een gezonde vorm van luiheid. “Ik geloof in ­observatie en op basis daarvan kleine ingrepen te verrichten. Architectuur zou zich vaker bescheiden moeten opstellen.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden