Maandag 10/08/2020

Dinerende dictatorsDe kokkin van Pol Pot

De kokkin van dictator Pol Pot: ‘Het was heel belangrijk dat hij niet hongerig was: ons leven hing ervan af’

‘Als ik opkeek, glimlachte Pol Pot altijd. Maar ik had al een man. En hij had een vrouw. Er viel niets te zeggen.’

De Cambodjaanse revolutionair Pol Pot (1925-1998) was het misdadige brein achter de bijna twee miljoen slachtoffers van de Killing Fields. Young Moeun, de kokkin en vertrouwelinge van één van de grootste massamoordenaars van de 20ste eeuw, doet haar verhaal aan de Poolse journalist Witold Szablowski in Aan tafel bij dictators. Onverstoorbaar roemt ze het charisma van de leider van de Rode Khmer en zonder voorbehoud bericht ze vanuit het hart van de revolutie, met verbijsterend gemak wegkijkend van de brute gruwel: ‘Zelfs zijn glimlach was zachtmoedig: Pol Pot was de goedheid zelve.’

Toen ik broeder Pol Pot voor de eerste keer zag, was ik sprakeloos. Ik zat in zijn bamboe hut midden in de jungle, staarde naar hem en dacht: wat een knappe man! Ik moest verslag uitbrengen over hoe de stemming was onder de mensen in de dorpen waar ik, op weg naar de guerrillabasis van de Rode Khmer, doorheen gekomen was, en ik wachtte tot hij als eerste iets zou zeggen. Maar hij zei niets. Pas na een hele poos glimlachte hij vriendelijk. En ik dacht meteen: wat heeft hij een mooie glimlach! Ik kon me niet concentreren op de dingen waarover we het moesten hebben. Pol Pot was heel anders dan alle mannen die ik tot dan toe had leren kennen.

Onze ontmoeting vond plaats in de jungle, in het geheime basiskamp van Angkar, de organisatie waar wij bij hoorden. Pol Pot werd in die tijd door iedereen nog broeder Pouk genoemd, wat in het Khmer ‘matras’ betekent. Ik heb me lang afgevraagd waarom hij zo'n wonderlijke bijnaam had; ik heb het zelfs aan een paar mensen gevraagd, maar niemand kon me een antwoord geven. Vele maanden later legde één van de kameraden me uit dat hij Matras werd genoemd omdat hij altijd probeerde de gemoederen te sussen. Hij was zachtaardig, en daarin lag zijn kracht. Als anderen ruzieden, kwam hij tussenbeide en hij hielp het bij te leggen. Het is waar, zelfs zijn glimlach was zachtmoedig; Pol Pot was de goedheid zelve.

We hebben elkaar die keer maar heel kort gesproken. En na afloop van het onderhoud nam zijn adjudant me terzijde en hij zei dat broeder Pouk heel hard een kokkin nodig had. Zo werd ik de kokkin van Pol Pot. Ik was heel blij, ik wilde in dat kamp blijven voor de revolutie. En voor hem, die knappe broeder Matras.

Ik ging de keuken in en kwam er 's avonds pas weer uit. Ik bereidde het middageten, en daarna het avondeten. Tot slot ruimde ik op en waste ik de pannen af. Maar in het begin kookte ik heel slecht. Als ik nu terugdenk aan mijn eerste dagen in de keuken, schaam ik me een beetje.

Maar er is iets wat je moet weten over Pol Pot. Hij had een grandioos gevoel voor humor. Hij was net een clown, echt waar! Zijn favoriete grapje was om het tegendeel te zeggen van wat hij bedoelde. Als hij bijvoorbeeld vond dat ik te veel had gemaakt, zei hij: “Wat heeft onze Moeun weinig gekookt. We zullen allemaal hongerig zijn.” En dan keek hij me aan, nieuwsgierig naar hoe ik zou reageren. Daarbij glimlachte hij zijn bijzondere glimlach. En als ik de eerste maanden soep voor hem maakte, streek hij soms over zijn buik en zei hij: “Heerlijke soep.” Ik wist nooit of hij een grapje maakte of dat hij het echt lekker vond. Pas na verloop van tijd begreep ik dat het als grapje bedoeld was. Dat ik nog veel moest leren om goed te kunnen koken. En dat deed ik. Het was voor ons allemaal heel belangrijk dat broeder Pouk niet hongerig was. Ons leven hing ervan af of hij genoeg gegeten had. Daar hing het welslagen van onze revolutie van af.

GEEN ZOUT

Als kokkin van broeder Pouk kreeg ik een hut voor mij alleen, in het midden van ons basiskamp. In het begin was ik daar alleen, maar ik had alles wat ik nodig had om te koken: pannen, lepels, messen, snijplanken. Pas later, toen het kamp groter werd, woonde er nog een kokkin bij me.

Niet ver van de onze stond nog een andere, geheel verlaten hut. Ik wist niet voor wie of waarvoor die was. Niemand praatte erover, en ik vroeg niets. Ik had al geleerd dat, als ze zelf niets zeiden, je in de organisatie beter niets kon vragen.

Elke dag stond ik iets na vijven op om voor Pol Pot het ontbijt klaar te maken. Vanuit mijn hutje kon ik zijn hut zien, dus ik werkte vaak buiten; ik wilde hem horen als hij opstond, zich waste, zich aankleedde. Ik deed dat met plezier. In het begin kwamen er bewakers naar me toe als ik aan het koken was, en ze keken me op de vingers. Waren ze soms bang dat ik hem wilde vergiftigen? Maar Pol Pot zei tegen hen: “Laat onze Moeun met rust.” Hij vertrouwde me helemaal. De bewakers lieten me dan ook met rust, hoewel ze voortdurend naar me keken. Maar nu keken ze vanuit de verte, onopvallend - niet uit angst voor Pol Pot, maar alleen omdat ik jong was en heel knap, en zij waren ook jong. Om zeven uur bracht ik broeder Pouk en de andere leiders hun ontbijt.

In het kamp hadden we grote tuinen waar alle mogelijke groenten en fruit groeiden. Broeder Pouk benadrukte te pas en te onpas dat we zelfvoorzienend moesten zijn. Iedere soldaat had het recht om met zijn gamel de tuin in te gaan en te nemen waar hij zin in had, en om later een vuurtje te stoken en iets voor zichzelf klaar te maken.

De guerrillastrijders leefden al een aantal jaren in de jungle, dus toen ik bij hen kwam, strekten de tuinen zich over enkele honderden meters uit en groeiden er verschillende soorten groenten en fruit. Onze mannen jaagden op wilde zwijnen, vingen vissen in het meer en kochten kippen bij de boeren. We hadden ook eigen kippen, die vrij tussen de hutten rondrenden, maar het waren er nooit veel, want ze maakten te veel herrie. Meestal kochten we ze van de boeren, net als de rijst. Bij de meeste dorpelingen waren we geliefd en ze weigerden nooit om ons te helpen.

Young Moeun, de kokkin en vertrouwelinge van één van de grootste massamoordenaars van de 20ste eeuw.

Pol Pot wist dat de Cambodjanen werden bedreigd door zowel de Vietnamezen, de Thai, de Amerikanen als de Fransen. En dat we moesten leren zelfvoorzienend te zijn. Als we wilden overleven als Khmers, de nakomelingen van de oude tempels in Angkor, moesten we ons op elk vlak zelf kunnen redden: van voedsel verbouwen tot kleding maken en mensen genezen.

Er waren twee dingen die we niet hadden: zout en een geneesmiddel tegen malaria. Je kunt zonder zout, maar erger was dat er geen medicijnen tegen malaria waren. Veel mensen stierven aan die ziekte. Het merendeel had gered kunnen worden als we iets hadden gehad, al waren het de eenvoudigste medicijnen. We stonden machteloos als goede, bij de revolutie betrokken strijders stierven. Zelfs Pol Pot kreeg in die tijd malaria, maar hij kreeg wél medicijnen. Pol Pot was het hoofd van onze beweging. Dat hij zou overleven, was belangrijker dan het leven van ieder van ons.

HOOGHARTIG

Ik was niet de enige die aandacht besteedde aan de glimlach van broeder Pouk en aan het feit dat hij een knappe man was. Op de basis liepen altijd wel meisjes uit het dorp rond en er waren er heel wat verliefd op hem. Als hij eraan kwam, begonnen ze allemaal te giechelen. En ik lachte met hen mee, al had ik een man in de gevangenis: Pich Cheang. Maar Pol Pot deed alsof hij het niet merkte.

Ik woonde daar al meer dan een jaar toen ik tijdens het ontbijt onverwachts iemand zag die ik kende: Khieu Ponnary, die een paar jaar geleden was opgedoken in het dorp in de provincie Krachech, waar de Partij een huisje huurde voor mijn man en mij.

“Zuster Moeun, maak kennis met de vrouw van broeder Pouk”, zei iemand.

Ik was met stomheid geslagen. Waarom had nog niemand tegen me gezegd dat broeder Pouk een vrouw had? Ik vond het heel jammer dat Angkar zelfs dat soort dingen geheim moest houden. Maar het lukte me om te doen alsof er niets aan de hand was. Ik maakte een beleefde buiging en zei dat we elkaar al kenden. Ze glimlachte naar me en zei dat ze het zich kon herinneren. Ik serveerde het ontbijt, en haalde later het servies weg zonder een woord te zeggen.

Vanaf toen bleef Khieu Ponnary de hele tijd in ons basiskamp. Ze woonde bij broeder Pouk en at de maaltijden samen met de andere kameraden, en ik raakte aan haar gezelschap gewend, vooral omdat mijn man, die na drie jaar was vrijgelaten, op een dag ook bij ons opdook. Toen hij aan kwam lopen, herkende ik hem niet. Hij was altijd al mager geweest, maar nu was hij vel over been. Hij glimlachte en zei: “Dag kameraad Moeun.”

Pol Pot glimlachte ook: “Zuster Moeun geeft ons hier allemaal te eten.” En hij begon te lachen. Pich Cheang lachte met hem mee.

Ik weet dat Pol Pot me mocht, heel erg zelfs. Soms vroeg hij me in allerlei kwesties om advies, want hij wist dat ik altijd oprecht zei wat ik dacht. Of hij kwam naar de keuken en keek toe terwijl ik aan het werk was. Het kwam ook voor dat ik met gebogen hoofd bijvoorbeeld mais aan het pellen was, en plotseling voelde dat iemand me gadesloeg. Als ik dan opkeek, zag ik dat het broeder Pouk was. Hoelang hij daar al stond? En waarom? Ik weet het niet. Als ik opkeek, glimlachte hij altijd en hij liep weg. Maar ik had al een man. En hij had een vrouw. Er viel niets te zeggen. We waren allebei met iemand anders getrouwd, en Angkar was in die dingen heel stellig.

Op een avond begon Khieu Ponnary zich tijdens het eten anders dan anders te gedragen. Ze zei hardop dat we moesten oppassen, omdat de Vietnamezen er alleen maar op wachtten om ons te vermoorden. Vreemd, dacht ik. De Vietnamezen stonden ons bij in onze strijd. We hadden een verbond met hen gesloten. Broeder Pouk stopte onmiddellijk met eten. Hij veegde zijn mond af en stond van tafel op. Niemand discussieerde met Khieu Ponnary. Dat verbaasde me wel, want de broeders discussieerden meestal te lang. Maar deze keer beëindigden ze allemaal hun maaltijd en ze gingen slapen. Ik begreep er niets van.

Vanaf die avond had Khieu het steeds vaker over de Vietnamezen. Dat ze ons wilden vermoorden, dat ze ons haatten. Op een dag zaten ze aan tafel te praten en één van zijn adjudanten bracht Pol Pot een glas water. Khieu trok het uit zijn hand en smeet het woedend op de grond. “Sar!” schreeuwde ze. “Sar, niet drinken! Dat is vergiftigd.” Broeder Pol Pot zei dat ze moest kalmeren. “Nee, Sar, dat doe ik niet!” schreeuwde Khieu nog steeds. “De Vietnamezen willen je vergiftigen!” Ze keek naar hem, en hij keek naar haar. Hij zei helemaal niets, maar ik zal zijn verdriet nooit vergeten. Pol Pot, die altijd opgewekt was, altijd glimlachte, altijd blij was, zag er die dag uit als een uit de grond getrokken maniokwortel.

Na verloop van tijd bleek dat Khieu Ponnary zich op sommige dagen normaal gedroeg: ze nam deel aan de vergaderingen, sprak haar zinnen logisch uit, praatte met mensen in het kamp over de revolutie en ons dagelijks leven. Maar soms had ze het over de Vietnamezen. Op die dagen trok ze zich helemaal terug in haar eigen wereld. Het moest vreselijk zijn, want ze trilde, keek naar ons met ogen die niets zagen, of ze werd midden in de nacht wakker en begon hard te schreeuwen. Dat ze eraan kwamen. Ze begon dan aan de arme Pol Pot te trekken. Ze wilde dat hij meteen met haar de jungle in zou vluchten. Toen begreep ik waarom Pol Pot wegging als zij over de Vietnamezen begon. Ik begreep ook voor wie het hutje was dat vlak naast het mijne was gebouwd. Tot die tijd had het leeggestaan. Khieu Ponnary werd daarin opgesloten op dagen dat ze het over de Vietnamezen had. Daar at ze, dronk ze en deed ze haar behoefte. Soms hoorde ik gevloek en geschreeuw.

Ik mocht Khieu Ponnary niet. Niet omdat ze ziek was of omdat ze tijdens haar ziekte schreeuwde en het in haar broek deed. Ik mocht haar niet omdat ik haar al had gekend vóór ze ziek werd, en ik vond haar hooghartig en onaardig. Het tegendeel van broeder Pouk. Ik vond dat hij beter een andere vrouw koos. Ze was ook niet al te knap. Ik wil niet zeggen dat ze lelijk was, maar je kon niet lang naar haar kijken. Op onze basis werkten veel meisjes die mooier, vrolijker en jonger waren. Ze zouden veel geschikter zijn als echtgenote dan zij.

Het lukte me niet Khieu aardig te vinden, maar om de één of andere reden mocht zij mij wel. Op een keer, toen ze over de Vietnamezen praatte, kwam één van de adjudanten van broeder Pouk naar me toe met diens dringende verzoek of ik niet naar haar toe kon gaan om te proberen haar te kalmeren: “Ze vindt jou aardig. Ga gewoon bij haar zitten.” Dus ging ik naar haar toe en ze werd werkelijk een beetje rustiger. Ze vond het goed dat ik haar haar kamde en haar te eten gaf. Ik bleef die nacht bij haar en ze schreeuwde niet. De volgende avond bracht ik mijn rotan matje naar haar hut, en ik bleef daar slapen, met een deken over me heen.

Dat ging zo een paar dagen, tot ik op een nacht wakker werd en zag dat Khieu niet sliep, maar naar mij keek. Ze zat op haar matje, met haar ogen open, en ze keek naar me met een blik alsof ze dacht dat ík een Vietnamees was die haar kwam vermoorden. Ik schrok vreselijk. Ik tilde mijn hoofd niet op, maar lag daar met wijd opengesperde ogen en keek naar wat zij deed. Tot de ochtend viel ik niet meer in slaap. En Khieu ook niet. Toen de zon opkwam, maakte ik me uit de voeten om het ontbijt voor haar en voor onze leiders te maken.

Het was een leven waar ik bijna aan onderdoor ging. Gelukkig kreeg ik na een paar maanden hoge koorts en bleek ik malaria te hebben. Dat was maar goed ook. Liever malaria dan zuster Ponnary.

NACHTMERRIE

Ik was enorm verzwakt door malaria. Later moest ik maandenlang met een stok lopen. De broeders zeiden dat het maar weinig had gescheeld of ik was gestorven. Ik heb het alleen overleefd omdat Pol Pot me zijn pillen heeft gegeven. De paar pillen die hij had, deelde hij met mij.

Het lukte me dus aan de dood te ontsnappen, maar het lukte me niet me voor Khieu te verbergen. Toen ik weer beter was, wilde Pol Pot niet dat ze hem bij zijn werk zou storen met de Vietnamezen die in haar hoofd opdoken. Dus benoemde hij haar tot voorzitster van de Vrouwenbond. Mij benoemde hij tot haar secretaresse. Ik dacht dat ik in tranen zou uitbarsten van woede. Maar Pol Pot zag dat Khieu graag met mij omging. Discussie gesloten.

Mijn belangrijkste taak was haar zo ver mogelijk bij de leiders vandaan te houden. Ik wist al eerder dat Khieu van kinderen hield. Pol Pot en zij konden er geen krijgen; Khieu had vóór haar huwelijk een tumor gehad, en haar eierstokken waren verwijderd. Ik bedacht dat de aanwezigheid van kinderen weleens een kalmerende invloed op haar zou kunnen hebben, dus organiseerde ik ontmoetingen in dorpen die door ons waren bevrijd. Tot er op een dag - ik was juist in de provincie Kampong Cham - een jongetje naar me toe kwam rennen en riep: “Zuster, zuster!”

“Wat is er gebeurd?” vroeg ik.

“Phnom Penh is ingenomen!” riep hij, en hij rende verder. Natuurlijk dacht ik als eerste aan Pol Pot. Ik was blij, want ik wist dat het voor hem een grote dag was. Maar ik maakte me ook zorgen om hem. Ik dacht eraan hoe hij zich om de mensen bekommerde, hoe hij ’s nachts niet kon slapen. Ik bedacht dat hij, nu hij de verantwoordelijkheid over het hele land op zich nam, nog meer zorgen zou hebben. En dat hij zich om ons allemaal bekommerde, maar dat er niemand was die voor hem zou zorgen.

Twee maanden na de inname van Phnom Penh werd ik opgeroepen om naar de stad te komen. Mijn man was daar al. Eerst werd hij de directeur van de Centrale Bank, maar later besloot de leiding dat we het eerste land ter wereld zouden zijn zonder geld en dus was de bank niet langer nodig. Toen werden we allebei naar een scholing gestuurd. Vóór die scholing begon, vroeg ik aan Pol Pot: “Waar heb ik dat voor nodig? Ik wil koken!”

Broeder Pol Pot glimlachte. “Angkar heeft jou voor iets anders nodig, zuster Moeun”, legde hij uit. “Broeder Pich Cheang wordt ambassadeur in China. En jij wordt ambassadeursvrouw.”

‘Ik heb malaria alleen overleefd omdat Pol Pot me zijn pillen heeft gegeven. De paar pillen die hij had, deelde hij met mij.’

Maar ik wist helemaal niet wat een ambassadeur was. Dus zei ik: “Ik wil nergens naartoe. Ik wil hier blijven, in Cambodja! Ik wil voor de leiding blijven koken!”

Pol Pot glimlachte opnieuw. Ik had het moeilijk, ik geloof zelfs dat ik tranen in mijn ogen kreeg. Maar ik wilde geen scène maken. Angkar wist beter wat goed voor ons was en wat er van ons gevraagd kon worden. Dan maar naar China. Ik wist dat ik het voor de Partij deed. En voor de revolutie. En, zoals alles in mijn leven, voor broeder Pol Pot.

Vóór ons vertrek was er een afscheidsbijeenkomst bij de leiders. Tijdens die bijeenkomst verraste Pol Pot me: ik werd benoemd tot secretaris van de partijcel op de ambassade. Dat wil zeggen dat ik de meerdere van Pich Cheang werd. Iedereen wist dat de Partij het belangrijkste was, en binnen de Partij kwam mijn man lager te staan dan ik: hij was de ambassadeur, maar ik leidde de bijeenkomsten van de partijcel en hij moest luisteren. Toen Pol Pot een bezoek aan Peking bracht, noemde hij mij viceambassadeur. Lachend vroeg hij mijn man of hij wel naar mijn instructies luisterde.

In Peking werkte ik heel hard. Na een jaar begon ik al een beetje Chinees te praten en na twee jaar sprak ik het vrij goed. Een jaar nadat we naar Peking waren vertrokken, werd onze eerste zoon geboren. Later kregen we nog twee zonen. Alle drie gingen ze naar Chinese scholen en alle drie spreken ze ook nu nog vloeiend Chinees.

Ik vond het alleen wel raar dat ik niets zelf hoefde te doen. Ik hoefde niet te wassen, niet te strijken en ook niet te koken. Alles werd gedaan door personeel dat door de Chinezen was aangesteld. En het vreemdste van alles was dat we een kok hadden. Hij kookte alleen Chinese gerechten voor ons: bonen, kool, kip en knoedels.

En toen viel Phnom Penh. Pol Pot had alles verloren, hij vluchtte de jungle in. Het was allemaal net een nachtmerrie. Er kwam een brief van de minister van Buitenlandse Zaken met de mededeling dat hij Pich Cheang ontsloeg uit zijn functie als ambassadeur en dat hij ons naar Cambodja terugriep.

DE LACH VAN MESSI

Een terreinwagen bracht mijn man en ik rechtstreeks naar Pol Pot. Hij was oud geworden en zag er heel moe uit. Hij had nog maar weinig haar en was veel zwakker dan toen we hem voor het laatst in Peking hadden gezien, maar hij was nog steeds een knappe man.

Ik vroeg zelfs niet of ik iets voor hem moest koken. Dat was vanzelfsprekend. Maar toen ik het eten op een rotan matje zette, keek hij naar mij en naar zijn bord, en hij zei: “Maar onze Moeun heeft voor ons maar weinig van alles gekookt. Daar hebben we vast niet genoeg aan.” Hij zei voor de grap nog steeds het tegendeel van wat hij bedoelde, net als in de tijd dat we allebei twintig jaar jonger waren. Ik barstte in huilen uit. Ik zag dat zijn dromen niet waren uitgekomen, dat de regering op hem joeg als op een rat, dat de malaria was teruggekomen en dat hij al leed aan de kanker die pas enkele maanden later vastgesteld zou worden. Ik wist dat er leugens verspreid werden, dat hij mensen vermoord zou hebben toen hij aan de macht was. Ik kan alleen maar vermoeden hoe hij eronder leed toen hij dat hoorde. Maar ik kon hem niet helpen.

Ik was in huilen uitgebarsten, maar ik wilde niet ook hem verdrietig maken. Dus glimlachte ik naar hem. Ik glimlachte en huilde tegelijkertijd. En hij keek naar me, glimlachte ook en ging naar zijn eigen huis. Vanaf toen zei hij elke keer als hij me zag: “Wat is er met onze Moeun gebeurd? Ze lacht altijd als ze mij ziet.” Inderdaad begon ik, integendeel, elke keer bijna te huilen.

Ik merkte ook dat zuster Ponnary niet langer bij hem was. Op de basis vertelden ze me dat haar toestand erg verslechterd was, en om broeder Pol Pot niet verdrietig te maken was ze weggebracht naar een ander gedeelte van het land.

Een jaar later vertrok Pol Pot voor een heel jaar naar China, vooral wegens zijn gezondheid. Na zijn terugkeer at hij helemaal geen vlees meer; de artsen daar hadden hem dat verboden. Dus maakte ik voor het ontbijt gebakken noedels, pap en loempia's voor hem; ik moest om vier uur opstaan zodat alles op tijd klaar was.

Tussen de middag kreeg hij alleen maar soep, meestal bouillon. Soms at hij gebakken of gedroogde vis, maar het enige vlees dat hij van de Chinese artsen mocht eten, was zijdehoen. Ze hebben in China een bepaalde soort met zwart vlees en zwarte botten. De Chinezen geloven dat de soep van zo'n zijdehoen voor kracht en gezondheid zorgt. Dus maakte ik voor hem bouillon van zijdehoen en meloen. Soep was heel belangrijk, omdat zijn maag daar rustig van werd. Pol Pot dronk alleen de bouillon, het ging niet goed met hem. En het ergste moest nog komen, maar ik stond tot het laatst aan de kant van de zachtmoedige broeder Matras, die de wereld kent als Pol Pot.

En daar sta ik nog steeds.

Nu rust ik vooral uit. Ik heb kabeltelevisie, ik kijk graag naar voetbal en worstelen. Ik weet niet waarom, maar op zaterdag zet ik altijd de televisie aan om te kijken. Ik hou van de Engelse competitie – Chelsea, Arsenal... Dan voel ik me gelukkig. Komt dat misschien omdat ik dan naar jonge, sterke, gezonde mannen kijk? Ik heb mijn hele leven met zulke mannen doorgebracht, want de guerrillastrijders waren heel gespierd. Als ik naar de jongemannen van nu kijk, verlang ik naar hen terug. Tegenwoordig zien de mannen eruit als kippen in de supermarkt. Helemaal geen spieren.

Als ik jonger zou zijn, kocht ik een kaartje en vloog naar Engeland om Chelsea of Arsenal live te zien spelen. Maar dat is niet meer voor me weggelegd. Ik moet het met de televisie doen. Van één voetballer hou ik vooral, want die heeft dezelfde zachtmoedige glimlach als Pol Pot. Hoe die heet? Dat weet ik niet meer. Als je me bekende voetballers laat zien, zal ik je zeggen wie ik bedoel. O, dat is hem! Messi... Je ziet toch zeker zelf ook dat hij precies dezelfde glimlach heeft.

Het ontbreekt me aan niets. Toen mijn man en ik vanuit de bergen hiernaartoe kwamen, naar Anlong Veng, hadden we niets. We kochten een stuk land en eigenhandig hebben we bomen omgehakt en de bodem geëffend. Later hebben we met z'n tweeën, hoewel we geen van beiden ooit op het veld hadden gewerkt, rijst gezaaid en geoogst. We hadden één buffel, later hebben we er nog twee bij gekocht.

Ons huis staat pal aan de weg, dus om een beetje bij te verdienen kocht ik benzine, die ik in colaflessen overgoot en dan weer verkocht. Dankzij onze inspanningen hebben onze kinderen nu een echt pompstation.

Er zijn ook dagen dat ik de televisie niet aanzet, dan zit ik alleen maar voor me uit te staren en denk ik terug aan wat voor leven ik had, wie ik heb ontmoet, welke mensen ik een hand heb gegeven. Ik denk terug aan mijn man. Aan vrienden uit de tijd van de guerrillastrijd. Ik denk ook terug aan Pol Pot.

Je vraagt of ik van hem hield?

Na alles wat je van mij hebt gehoord, kun je die vraag vast zelf beantwoorden: je móést wel van hem houden!

Witold Szablowski, Aan tafel bij dictators, Nieuw Amsterdam

© HUMO

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234