Maandag 14/10/2019

Interview

De joie de vivre van 'Sportman' Ruben Van Gucht: "Het enige wat ik mis, zijn mijn vrienden"

Ruben Van Gucht Beeld Joris Casaer

Noem Ruben Van Gucht (30) gerust een gulzigaard. Als hij geen programma’s als De kleedkamer (Canvas) of De weekwatchers (Radio 2) presenteert, is de viking van Sporza Alpen-cols aan het oplopen, Dodentochten aan het uitjoggen of gevestigde wielerprofs aan het afmatten. En tóch houdt hij zijn vrouw content. Het geheim? Een tandem.

Sportman is de kurkdroge titel van zijn nieuwste boek. Een bundel vol verhalen en anekdotes over zijn wedervaren als sportjournalist en zijn exploten als amateursporter. “Het zou zonde zijn om al die herinneringen en foto’s verloren te laten gaan”, vond hij.

Ruben Van Gucht straalt op niet-uitbundige wijze veel levensvreugde uit. Zijn professionele leven draagt het predikaat ‘avontuurlijk’ – het brengt hem in de schoot van de Rode Duivels, in het olympisch dorp van Rio, en onder de douche met profrenners – maar er schuilt ook een geut rustige vastheid in hem.

Dat boek is geen eindpunt, verre van. Op 31 maart lanceert hij een primeur op Sporza: slow-tv. Twee dagen voor de Ronde van Vlaanderen kruipt hij ’s ochtends in het zadel om het vernieuwde parcours volledig af te leggen. De volle 260 kilometer wordt ­integraal uitgezonden. Wie wil, kan rustig (ahum, het blijft natuurlijk wel Van Gucht) komen meefietsen of interactief ­deelnemen aan het programma, dat “het sportieve en culturele erfgoed van Vlaanderen wil tonen”. Reken maar dat daar ontelbare uren ­training aan vooraf zijn gegaan.

Ik heb in mijn inleiding bewust niet ‘de blonde god van Sporza gebruikt’. Ben je dat predikaat zelf ook al beu?

Ruben Van Gucht: “Mijn vrouw vraagt soms of journalisten eens niks anders ­kunnen bedenken. Maar blijkbaar past dat bij mij. Op de voetbal noemden mijn trainers en ploegmaats me vroeger ook al ‘blonde god’. Mijn vrouw heeft het meer voor ‘viking’.”

Ben je ijdel?

“Niet extreem. Ik heb daarnet voor de fotoshoot een halve minuut gel in mijn haar gesmeerd, maar normaal sta ik ’s ochtends niet eens voor de spiegel. ’s Avonds wel, omdat mijn vrouw me heeft aangeraden om gezichtscrème te smeren. Van de tv-schmink wordt mijn huid anders te droog. Mijn ijdelheid manifesteert zich vooral op sportief vlak. Ik wil fit blijven en kan in mijn trainingen en voedingspatroon ver gaan om me helemaal scherp te zetten voor een doel. Om die laatste halve kilo eraf te krijgen, moet je een beetje ijdel zijn. Ik zie mezelf later ook niet met vetrolletjes.”

Lig je wakker van je populariteit bij de vrouwen?

“Nee. Ik merk daar ook weinig van. Het zal wel geweten zijn dat ik gelukkig getrouwd ben en dat proberen geen zin heeft.”

Dat doe je altijd in interviews, hè? Duidelijk maken dat ze zelfs niet moeten proberen.

“Wat moet ik anders zeggen? ‘Welkom allemaal?’”

Er zijn er genoeg die de deur op een kier laten of hun vrouw minder expliciet bewieroken. Is ze jaloers?

“Ze kent me nog van voor ik op het scherm kom, maar ze kan wel om met de aandacht die ik krijg. Het enige wat ze niet graag heeft, is dat we gestoord worden als we dan toch eens samen tijd doorbrengen. Ik besef heel goed dat ik alles heb wat ik wil. We hebben goed gebouwd, zijn getrouwd, ik doe mijn werk graag en ik sport veel. Voor mij mag het dat zijn de komende vijftig jaar. Ik wil dat niet op het spel zetten door stommiteiten te begaan. De miserie die je daarmee creëert, is het me niet waard. Je huis moeten verkopen en alleen op een appartementje gaan hokken: word je daar gelukkiger van? Ik denk het niet.”

Herman Brusselmans lacht altijd met mensen die op de Gentse Feesten voortdurend van plein naar plein hoppen, om vooral niks te missen. ‘Ik kies één plek en blijf daar de hele dag staan, in de volste overtuiging dat dat de allerbeste plek is’, vertelde hij vorig jaar in De Morgen.

“Hij heeft gelijk. Het gras is niét groener aan de overkant. Ik zit nu in de best mogelijke situatie. Op mijn twintigste had ik nooit gedacht dat ik er nu zo voor zou staan: dat ik zo’n knappe vrouw zou vinden, met zo veel bagage. Ze heeft twee universitaire diploma’s. En in het bedrijf waar ze werkt als accountmanager, wordt ze op handen gedragen. Ik koester wat ik heb.”

Ruben Van Gucht. Beeld Joris Casaer

Hoe slaag je erin om een druk professioneel leven te ­verzoenen met je sportieve ambities én een gelukkig ­huwelijk? Veel partners van bezeten amateursporters klagen steen en been, omdat ze hun wederhelft te weinig zien.

“Ons geheim is: samen sporten. Begin dit jaar hebben we een nieuwe mountainbike­tandem gekocht, waarmee we samen de natuur in trekken. Mijn vrouw is ook een competitiebeest. Als we langs de Scheldedijk fietsen, maken we er een erezaak van om zo veel mogelijk wielertoeristen voorbij te knallen. De mannen die we in het vizier krijgen, moeten eraan. Laurence kent de truc: even 3 kilometer per uur versnellen, zodat ze niet het gevoel krijgen dat ze kunnen aanpikken. Heerlijk! Op dat vlak matchen we. Het is een ‘karakterwijveke’. Voor we de tandem ontdekten, was samen fietsen niet ­evident. Het niveauverschil was te groot en dat leverde frustraties op. Die tandem was de ideale oplossing.

“Mijn dagelijkse looptrainingen combineer ik met het uitlaten van de hond. Dan is mijn vrouw content dat zij dat niet hoeft te doen. Het is zoals in elke relatie: je moet compromissen sluiten.”

Als dit het voor jou mag zijn voor de komende 50 jaar, vrees je dan nooit enige sleur of saaiheid?

“Nee. Ik zit niet van 9 tot 5 aan een bureau, hè. Ik ben vorig jaar op ­zestien luchthavens geweest, heb het EK mogen doen, de Olympische Spelen… Mijn werk biedt genoeg kicks. Op vrije dagen geniet ik liever van een loopje in de sneeuw of de ­aanblik van een buizerd die zijn ­vleugels openslaat. Rust en stabiliteit, daar is niks mis mee.

“De Carré zegt me niks. Van mijn 16de tot mijn 20ste heb ik ook wel eens het varken uitgehangen. Pinten pakken met de vrienden in het jeugdhuis. Onnozele stoten uithalen. Maar op mijn 21ste heb ik de knop omgedraaid: ‘Vanaf nu ga ik volle bak voor mijn droom om ­wielercommentator te worden.’ Ik leefde toen ook nog extremer voor mijn sport. Uitgaan paste niet meer in het plaatje. Gelukkig zit mijn vrouw op dezelfde golflengte. Ze heeft me nog nooit gevraagd om samen met haar in een club te gaan dansen. Wij gaan liever fietsen, uit eten of naar de cinema. Trouwens, op zaterdag sta ik om 5 uur op om De weekwatchers op Radio 2 te presenteren. En op zondag: idem, voor De zevende dag. Dan moet je ’s avonds niet te gek doen.

Ruben Van Gucht. Beeld Joris Casaer

“Het enige wat ik mis is het wekelijkse contact met mijn ­vrienden. Ik ben voor mijn job gestopt met voetballen en daardoor zie ik hen gemiddeld nog één keer om de twee maanden. Mijn gevoel voor die gasten blijft hetzelfde, maar je verliest zo toch een stuk betrokkenheid. Tja, iedereen betaalt een prijs voor een druk leven, zeker?”

Wel straf dat je die knop al op je 21ste hebt ­omgedraaid.

“Om op de VRT binnen te geraken, moest ik een stemattest ­behalen. Niet evident, want thuis spraken we eerder dialect. Van de ene dag op de andere heb ik beslist om thuis, en zelfs op de voetbal, overdreven perfect Nederlands te gaan praten. Ik vond dat nodig om dat attest te kunnen behalen. Natuurlijk hebben ze me daarmee uitgelachen, maar ik wist waarmee ik bezig was.”

Je komt uit een stabiel nest. Verklaart dat die stand­vastigheid?

“Mijn ouders zijn nog samen en ik kom goed overeen met mijn twee broers. Wij zijn nooit iets tekort gekomen. Maar die focus heb ik van mijn grootvader. Als die ergens voor ging, was het ook altijd dwars door alles heen. Hij was hét fenomeen van onze familie, en heeft me op het einde van zijn leven fantastische verhalen verteld.

“Tijdens de oorlogsjaren moest hij als tiener koeien doodslaan, zo pijnloos mogelijk, met de hamer tussen de ogen. Of ­varkens kelen zonder dat de Duitsers ze konden horen krijsen. Hij smokkelde ’s nachts ook allerlei materiaal, met paard en kar. En hij reed met de fiets van Breendonk naar Kortrijk, over zandpaden en kasseien, om er te gaan werken.

“Hij was een echte krachtpatser. Zijn huis heeft hij helemaal zelf gebouwd, zonder kranen of betonmolens. De betonnen gewelven van 150 kilo trok hij met behulp van touwen vanop de eerste verdieping naar omhoog. 40 stuks! Die verhalen hebben altijd indruk op me gemaakt.”

Blijkbaar heb je zijn genen geërfd. Je loopt de Col du Galibier sneller op dan de meeste fietsers. En bij een wereld­uur­recordpoging op de wielerpiste van Gent strandde je op meer dan 42 kilometer per uur.

“Misschien zit er wel een stukje Boekejan – zijn bijnaam – in mij. Maar zo straf als hij zal ik niet worden.”

Kun je de minder sportieve medemens eens uitleggen waarom het zo dolletjes is om in de Alpen om 4 uur ’s ochtends aan de start te staan van een wedstrijd waarin je te voet 100 kilometer en uitputting moet overwinnen?

“Lopen is mijn tweede natuur. Ik doe het dagelijks, overal waar ik kom, en op alle mogelijke momenten. Dat hou je niet vol zonder jezelf af en toe een zware uitdaging te stellen. Marathons doe ik niet meer. Ik was te obsessief bezig met het verbeteren van mijn tijden. Ultralopen is ontspannender. Je wil die finish halen en onderweg genieten van de sfeer en de natuur.

“In het afzien kun je ook genot vinden. In de Ultratour du Beaufortain (wedstrijd van 105 kilometer en 6.500 hoogtemeters, waaraan hij vorige zomer deelnam; RL) kom je op plekken waar je anders nooit komt. Toen de zon rond 6 uur opkwam, zaten we al op 2.600 meter hoogte en ontvouwden zich de ongelooflijkste panorama’s. Ik zag 50 kilometer verderop Albertville liggen. Alleen al daarvoor doe je het.

“Er zijn trouwens nog extremere gasten. Een van mijn loop­helden is Paul Beckers, de wereldrecordhouder in het 24 uurlopen. Hij legt 270 kilometer af in 24 uur. Er zijn mensen die dat met de fiets niet eens kunnen. En die mannen doen dat meestal op de piste, om beter te kunnen timen. Zo ver wil ik het niet drijven.”

Maar jij krijgt tijdens die wedstrijden wel vaak af te ­rekenen met maagproblemen, waardoor je leeggekotst moet opgeven. Sounds fun!

“Mijn naasten zijn daar ook bezorgd om. Mijn maag weigert ­pertinent alle dienst als ik heel lang moet lopen. Dat heeft me al een aantal opgaves gekost. Maar ik ben gebeten door die microbe en geraak er niet vanaf.

“De Dodentocht passeert jaarlijks door mijn geboortedorp. Ik kan daar geen afscheid van nemen. Bijna elk jaar slaag ik erin om als eerste door te komen in Breendonk, na 40 kilometer. Die kick, man! Bijna iedereen kent mij daar, de straten staan vol. Het is alsof ik een stadion binnenloop.

Ruben Van Gucht. Beeld Joris Casaer

“Het eerste jaar, op mijn 22ste, was ik overmoedig en heb ik me helemaal kapot gelopen. Zo’n ultraloop moet je tegen 10 à 11 kilometer per uur afleggen om met de besten mee te kunnen. Ik liep op mijn marathonschema: 15 kilometer per uur. In Breen­donk had ik een straat voorsprong, kort daarna kreeg ik een zware klop van de hamer en moest ik opgeven.”

Je zoekt soms echt de grens op. Tijdens een van je ­wedstrijden verloor je 9 kilo en bleef je na afloop rillen van de uitputting.

“Tijdens de Beaufortain heb ik dat opnieuw meegemaakt. Ik ben gestopt in een berghut op 2.700 meter hoogte, nadat mijn lichaam urenlang niks had opgenomen. Alles wat ik at of dronk, kwam er weer uit. In de vorige bevoorradingspost had ik mijn vrouw en de cameraploeg nog gezien en overwoog ik al om er de brui aan te geven. Het stuk daarna was heel zwaar. Veel hoogtemeters, van de ene pas naar de andere. Als ik vertrok, moest ik minstens tot aan die berghut geraken. Maar ik wilde absoluut de kaap van de 50 kilometer halen.

“Kotsmisselijk en helemaal leeg kwam ik die berghut binnen gestrompeld. ‘Pak een colaatje’, zeiden de hulpverleners. Maar ik kreeg niks meer binnen. Rillend van vermoeidheid ging ik op een bed liggen. Een uur lang. Ik kon niet meer verder. Die mensen hebben me naar beneden moeten helpen, waar mijn vrouw stond te wachten. Dat was een calvarietocht, maar het is goed afgelopen.”

Verteer je zo’n opgave goed?

“Dat is niet plezant, maar het blijft een ervaring. De merde is dat ik de volgende dag aan het ontbijt weer zo fris als een hoentje ben. Dan is mijn maag weer in orde en zou ik er zó weer aan willen beginnen. Ik heb Dodentochten meegemaakt waarin ik na 75 kilometer had opgegeven, om vier uur ’s nachts strontziek in bed kroop en de volgende dag van pure frustratie 15 kilometer ging uitlopen.

“De keren dat ik wel de finish haalde, was ik heel emotioneel. Dan huil je van uitputting en geluk. De weken nadien zweer je: ‘Nooit meer!’ Maar een paar maanden later kijk je alweer uit naar de volgende editie. Dan is alle leed vergeten.

“Vorig jaar kon ik niet deelnemen, omdat ik in Rio zat. Die avond voelde ik me heel raar. Ik moest het zwemmen verslaan, maar heb ontelbare keren op mijn laptop zitten kijken naar hoe het mijn vrienden in de Dodentocht verging. Die avond had ik dáár willen zijn, terwijl elke deelnemer van de Dodentocht ­wellicht met mij had willen ruilen.”

Doe je vaak gekke dingen om te sporten?

“Minder dan vroeger. Ik probeer mijn loopje altijd in te plannen, maar als het echt niet anders kan, sla ik een dag over. Vroeger deed ik het onmogelijke om toch te kunnen lopen. Als ik om half 12 ’s avonds thuiskwam na een volle dag, ging ik nog een uur lopen in het donker.

“In 2012 gaf ik op Sporza commentaar bij de Eneco Tour, samen met José De Cauwer. Die wedstrijd duurde van maandag tot zondag. ’s Vrijdags racete ik met de auto naar Bornem, om daar – nog net op tijd – te starten in de Dodentocht. De hele week had ik nauwgezet mijn gebruikelijke voedingspatroon gevolgd, terwijl José hoofdschuddend toekeek. Iets voorbij halfweg, na mijn gloriemoment in Breendonk, heb ik mijn verstand laten spreken en ben ik in bed gekropen. De dag nadien zat ik fris en monter weer op de commentaarstoel.” (lacht)

Maken je collega’s zich daar vaak vrolijk over?

“Als ik ’s ochtends op de redactie kom, vragen ze wel eens: ‘En? Al een marathon gelopen vandaag?’ Maar dat heb ik liever dan dat ze zouden vragen of ik al een fles whisky heb leeggedronken.”

Ruben Van Gucht. Beeld Joris Casaer

Voor De kleedkamer heb je aardig wat moet vliegen, onder meer in Afrika. Maar blijkbaar heb je vliegangst?

“En dat is heel ambetant, want ik heb geen keuze: ik móét. Ik ga regelmatig met mensen praten die er veel van af weten: over de mechanismen aan boord, de actieradius als er twee motoren ­uitvallen… Je moet érgens een houvast zoeken.

“Op een vlucht naar het Gambiaanse Banjul heb ik doods­angsten uitgestaan. Tijdens de landing kwamen we in zwaar weer terecht. Het vliegtuig begon heel fel te zakken en leek even ­compleet onbestuurbaar. Twee Afrikaanse vrouwen begonnen in paniek te roepen: ‘Oh Jezus, Jezus!’ Het angstzweet brak me uit. Uiteindelijk is er niks gebeurd, maar dat was een verschrikkelijke ervaring. Normaal zouden we met datzelfde vliegtuig nog doorvliegen naar Dakar. Maar ik heb de ploeg kunnen overtuigen om een auto te huren. Nooit van mijn leven zet ik nog een voet in een vliegtuig van Arik Air.”

Aan de grenspost met Senegal belandde je ook nog bijna in de gevangenis.

“Die post was typisch Afrika: chaos. Geiten en kippen op straat, bewapende agenten en volgepropte gammele auto’s. Voor ons stond zo’n rammelbak met bijna 15 soldaten. Ik nam er een foto van met mijn telefoon, maar dat was niet naar de zin van een legerofficier. Hij snauwde dat ik een spion was en nam ons mee naar een stinkend kantoortje waar we een donderpreek kregen. Zijn hoofdofficier wilde me meenemen naar het bureau in Banjul. Ik vreesde dat ze me daar in de gevangenis zouden gooien.

“Gelukkig wist onze fixer raad. Hij vroeg of hij me even apart kon spreken. Hij zou alleen naar binnen gaan om het te regelen. Daarna moest ik doen alsof ik niet wist dat hij die soldaten geld had gegeven. Niet veel later werd ik weer binnengeroepen. De officier zei dat ik mocht gaan, en schoof me een stapel bankbriefjes toe. “Gambiaanse militairen zijn eerlijk, wij nemen geen geld aan.” Onze fixer had die militairen een dubbel bedrag gegeven. De helft staken ze op zak, de andere helft gaven ze terug om westerlingen te doen geloven dat ze niet corrupt waren.” (lacht)

Kun je in zulke omstandigheden ook je cool bewaren?

“Dat moet, anders maak je het alleen erger. Je moet je nederig opstellen en dat over je heen laten gaan. Dan is dat het rapste voorbij.”

Wat hebben twee seizoenen De kleedkamer je geleerd over voetballers?

“Dat het ook maar mensen zijn, die in hun privéleven dezelfde dingen meemaken als wij. Die gasten verdienen veel geld, worden jarenlang bejubeld, alles wordt voor hen gedaan. En van de ene dag op de andere stopt dat. Dat kunnen wij ons niet voorstellen. Op hun 35ste is het beste stuk van hun leven voorbij. En dan ­vallen sommigen in een diep zwart gat. Didier Segers, die vertelt over zijn alcoholverslaving, of Tony Herreman over zijn zelfmoordpogingen: die verhalen krijg ik niet meer uit mijn hoofd.”

Ruben Van Gucht. Beeld Joris Casaer

Zou je dit programma over tien jaar ook kunnen maken met de huidige lichting topvoetballers?

“Ik vrees van niet. Daniel Amokachi zei: ‘Als een voetballer nú nog failliet gaat na zijn carrière, is het een dumbass motherfucker.’ De huidige generatie Rode Duivels – en zelfs de topspelers uit onze eerste klasse – verdienen zo veel dat ze het haast niet meer kúnnen verknoeien.”

Ze schermen zich ook enorm af en spreken alleen nog in krampachtig ingestudeerde ­clichés. Begrijp je dat sommigen hen zien als de nieuwe adel?

“Dat ze zo vlak zijn in hun communicatie komt omdat hun imago veel geld waard is. Eén verkeerde uitspraak kan dat beschadigen. Ik hoop dat ze na hun carrière wel vrijuit zullen spreken. Als het nooit dieper kan gaan dan nu zou het triestig zijn.

“Topvoetballers worden ook wereldvreemd gemáákt. De vorige generaties konden zich na de match nog uitleven met vrouwen en supporters. In het smart­phone­tijdperk gaat dat niet meer. Ze kunnen nergens meer komen zonder te worden aangeklampt. En alles wordt hen uit handen genomen. Als ze bij een transfer een nieuw appartement krijgen, hoeven ze zich niet te bekommeren over praktische zaken als water, elektriciteit, internetaansluiting. Dat wordt allemaal voor hen geregeld. Zelfs hun rekeningen betalen ze niet zelf. Hun persoonlijke begeleiders doen er alles aan opdat de spelers helemaal op het voetbal kunnen focussen. Dan sta je niet meer in de alledaagse realiteit.”

Op de voorbije twee grote toernooien was je reporter in het kamp van de Rode Duivels. En daar heb je flink op eieren ­moeten lopen, hè?

“Klopt. Ik heb op het WK in Brazilië een aanvaring gehad met bondscoach Marc Wilmots. Vincent Kompany had al dagen niet getraind: heel België vroeg zich af of hij zou spelen tegen Rusland. Maar vlak voor mijn interview met Wilmots zei de perschef dat ik geen vragen mocht stellen over Kompany. Ik zei dat ik niet om die vraag heen kon. Ook Wilmots herinnerde me er voor het interview nog eens aan. Aan het eind van dat gesprek waagde ik het er toch op: ‘Moeten we ons zorgen maken over Kompany?’ Wilmots stapte boos op.

“Ik begrijp nog altijd niet wat er mis was met die vraag. Een paar dagen later hebben we dat bijgelegd.

“Op het EK vorige zomer vreesde ik voor een nieuwe aan­varing. Vlak voor een one-on-one met Wilmots was een filmpje opgedoken waarin Radja Nainggolan met een pakje sigaretten zwaait. Ik wou Wilmots daar niet koud mee pakken en lichtte hem voor het interview in, zodat hij kon nadenken over zijn ­antwoord.”

Dat gaat toch ver?

“Ja, maar ik wilde een nieuw incident vermijden. Je moet weken aan een stuk met die mensen samenwerken in een kleine biotoop. En de tenen zijn lang. Zo gaat het nu eenmaal.”

Sportjournalisten moeten dus brave slijmballen zijn om nog deftig te kunnen werken in het voetbal?

“Om diepte-interviews te kunnen brengen, moet je toch nadenken over wat je doet. Maar dat betekent niet dat je nooit kritisch mag zijn. Peter Vandenbempt mag op maandagochtend vlijmscherp zijn, toch zal geen enkele ploeg een interview met hem weigeren. Hij heeft een soort aura van objectiviteit en correctheid. Maar dat is een werk van jaren.

“In de koers ben ik meer ingeburgerd omdat ik bij (sportzender) Exqi een tijd als wielercommentator heb gewerkt. Ik ken al meer mensen in die wereld.

“Vorig jaar heb ik voor De afspraak elke week getraind met een Vlaamse topcoureur. Het contact dat je met die gasten kunt hebben, is hechter dan met voetballers. Met Jurgen Van den Broeck heb ik samen een Tour-rit verkend. De soigneurs van Katusha hadden voor mij hetzelfde voedselpakket gemaakt. En na de rit mocht ik douchen in de ploegbus. Daar stond ik dan, samen met Jurgen, Alberto Losada en Joaquim Rodríguez, allemaal in onzen bloten. (lacht) Ze behandelden me als een van hen. Voetballers denken eerder dat je hen erin zult luizen als ze je toelaten tot hun leef­wereld. Maar zo zit ik niet in elkaar.”

Jij kruipt vaak in de rol van de participatieve journalist: meetrainen met renners, een werelduurrecordpoging doen… Critici vinden dat journalisten meer afstand moeten ­bewaren. Waarom kies je voor die aanpak?

“Omdat die mij goed ligt en meerwaarde oplevert. Toen ik vorig jaar ging trainen met Sep Vanmarcke, verklapte hij dat hij had overwogen om te stoppen met koersen na alle kritiek die hij had gekregen. Dat zou hij niet hebben verteld als we geen uren naast elkaar hadden gefietst. In een studio kom je niet tot zo’n natuurlijk gesprek.”

Het is wellicht ook cool om zo dicht bij die topatleten te komen?

“Zeker. Die interviews geven me nog meer inzicht in wat ze er allemaal voor moeten doen, en hoe zwaar het is. Het verschil ­tussen mij en een echte prof blijft gigantisch. De demarrage van Greg Van Avermaet op de Berendries was onvoorstelbaar. In de aanloop naar die helling had ik flink tempo gemaakt, om hem te lanceren. Ik hoorde hem hijgen in mijn wiel en dacht even dat ik straf bezig was. ‘Mag ik al gaan?’, vroeg hij. ‘Ja’, riep ik, waarop hij er als een raket vandoor ging: meer dan 35 kilometer per uur op het steilste stuk. En hij hield dat vol tot boven. In die paar honderd meter nam hij haast een minuut op mij. Ongelooflijk!

“In de Tour-rit in Rodez die hij won tegen Peter Sagan heeft hij een minuut lang meer dan 1.000 watt getrapt. Op mijn laatste conditietest kwam ik onlangs bijna aan 500 watt. Niet slecht, maar dat zegt genoeg.”

Kun je als journalist bevriend zijn met topsporters?

“Nee, maar je kunt wel een goede relatie nastreven. Zij moeten beseffen dat ik kritisch zal zijn als er bij hen iets fout loopt. En ik moet accepteren dat zij daardoor die relatie afbreken. Daarom is het beter dan je niet té dicht komt.”

Op de Olympische Spelen in Rio interviewde je zwemster Fanny Lecluyse, die compleet de mist in was gegaan. Je schrijft dat je haar hebt vastgepakt om haar te troosten. Kan dat?

“Sommigen zullen vinden van niet. Haar teleurstelling greep mij aan. Als verwoed sporter besefte ik misschien beter wat dat voor haar betekende. Daar stond een meisje van 21 dat er vier jaar alles voor had gedaan. Haar wereld stortte in. Op het einde barstte ze in tranen uit en kreeg ik medelijden. Moet je dat dan onderdrukken? Moet het altijd zo hard en afstandelijk zijn? Ik heb haar geen minuten in mijn armen gehad. Gewoon even mijn arm om haar schouders gelegd. De VRT heeft dat fragment weggelaten, omdat ze het ongepast vonden. Daardoor kreeg ik van sommige kijkers de kritiek dat ik te hard was geweest. Zo zie je maar.” (lacht)

Op het einde van je boek hou je nog een tirade tegen ­verspreiders van zwerfvuil. ‘Het is triest, respectloos, ­lamlendig en dom.’ Klein ergernisje, Van Gucht?

“Reken maar. Ik zie de boerenbuiten graag. Het is zo jammer dat het zelfs daar al vol smeerlapperij ligt. Onze bermen stikken van de smurrie. Vorig jaar werd het me te veel. Tijdens een training moest ik meer slalommen tussen het vuil dan wat anders. Ik ben terug naar die plek gegaan en heb een volle pmd-zak bij elkaar geraapt. Op mijn boze tweet daarover kwamen heel veel reacties. Blijkbaar ergeren anderen er zich ook aan. Daarom roep ik wandelaars en fietsers op om een zakje of handschoen mee te nemen en het afval naar de vuilbak te dragen, in de hoop dat de vervuilers ook meer verstand krijgen.

“Ik werk wel eens mee aan zwerfvuilcampagnes. Het is een werk van lange adem, maar onze leefomgeving moet echt properder. Vuil lokt meer vuil uit. Een grote, nationale opruimactie zou veel kunnen oplossen. In Zwitserland is het kraaknet en haalt niemand het in zijn hoofd om iets op straat te gooien. De boetes zijn er torenhoog. Misschien moeten gemeenten jeugdbewegingen en scholen belonen om zwerfvuilacties te doen. Maar het allerbelangrijkste is: gooi zelf niks weg. Het is degoutant.”

Daar kunnen we ons alleen maar volmondig bij aan sluiten.

Het boek 'Sportman' is verschenen bij Van Halewyck, 19,95 euro. 

Ruben Van Gucht. Beeld Joris Casaer
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234