Zondag 19/01/2020
Bart Van Loo: ‘Met passie moet je oppassen. Je hele leven moet geen opwindend filmscenario zijn.’

Interview Vragen van Proust

‘De Bourgondiërs’-auteur Bart Van Loo: ‘Mocht ik die mening uitspreken, dan krijg ik de hele linkse kerk over mij heen’

Bart Van Loo: ‘Met passie moet je oppassen. Je hele leven moet geen opwindend filmscenario zijn.’ Beeld Stefaan Temmerman

Schrijver Marcel Proust beantwoordde ze ooit in een vriendenboekje, nu geeft De Morgen er een eigenzinnige draai aan. Zevenentwintig directe vragen, evenveel openhartige antwoorden. Deze week: schrijver en Frankrijk-kenner Bart Van Loo (46). Wie is hij in het diepst van zijn gedachten?

Luister hier naar De vragen van Proust met Bart Van Loo:

Hoe oud voelt u zich?

“Ik voel me geestelijk even oud als toen ik mijn thesis maakte aan de unief. Eerste, tweede licentie. Ik was jong, gezond en mocht de hele tijd met boeken bezig zijn. Heerlijk vond ik dat. Toen droomde ik: stel je voor dat ik hiervan zou kunnen leven.

“Wat natuurlijk onrealistisch was. Ik ben gaan les­geven, in het technisch onderwijs. Vergelijk het met een parachutesprong van een wolk van artistiek-intellectuele vrijheid naar het dagelijkse leven van centen verdienen en voor een klas staan die niet op mij zat te wachten.

“Na acht jaar alles uit de kast gehaald te hebben, ben ik tegen de grenzen van mijn lichaam aangelopen. Ik had een totale inzinking. Een jaar heb ik thuis gezeten. Ik was ziek, ik had pijnen die niet verklaard konden worden, ik was angstig. Als ik er nu over spreek, voel ik opnieuw die pijn, heel raar.

“Uiteindelijk ben ik nooit meer teruggekeerd. Ik heb mijn vaste benoeming opgegeven en heb geprobeerd mijn droom te realiseren: leven van mijn pen en mijn stem. Dat is wat ik nog altijd doe. En wat mij weer jong maakt.”

Is het leven voor u een cadeau?

“In zekere zin ben ik die lichamelijke en geestelijke miserie dankbaar. Ik prijs me gelukkig dat ik de kracht gehad heb om een vaste job op te geven. Mijn mentale en fysieke knak heeft me juist de ballen gegeven om te zeggen: dit ga ik doen. Maar laten we wel wezen: leven van pen en stem, de kans op slagen is klein. Het was jaren zoeken, werken, puzzelen. Lange tijd met bescheiden middelen. Maar ik zie het leven wel als een cadeau. Door die miserie heb ik het durven omhelzen en opendoen.”

BIO

• geboren op 1 februari 1973, in Herentals • schrijver en conferencier • studeerde Romaanse filologie (UA) • was leraar Frans en schreef o.m. voor Knack • sinds 2006 fulltime schrijver; debuteerde met Parijs retour • dook in de media op als Frankrijk-kenner, te gast in De laatste show en De wereld draait door • Boeken (o.m.): Als kok in Frankrijk (2008), O ver­mil­joe­nen spleet! Seks, erotiek en literatuur (2010), Chanson (2011, gevolgd door tv-programma God in Frankrijk, een radio­reeks, cd en the­ater­show), Napoleon (2014) • bracht dit jaar de bestseller De Bour­gon­diërs uit • getrouwd met een Française, ze hebben één dochter 

Wat is uw passie?

“Doen wat ik nu doe. Of om het met de woorden van Balzac te zeggen, een citaat dat ook vooraan in mijn boek Parijs retour staat: ‘De mens is pas echt een mens te noemen als hij een of andere hartstocht heeft. Een mens zonder hartstocht, zonder passie, is een wanstaltig wezen, een embryonale engel aan wie geen vleugels zijn gegroeid.’ Ja, dat leek me het enige ware leven. 

“Wat ik wel geleerd heb, is dat je je vleugels ook kunt verschroeien. Met passie moet je oppassen. Je hele leven moet geen opwindend filmscenario zijn. Een zekere vorm van routine, rust en alledaagsheid is heilzaam, om er dan op andere momenten volop voor te gaan.”

Wat vindt u een kenmerkende eigenschap van uzelf?

La curiosité, de nieuwsgierigheid. Er borrelt onstuitbare nieuwsgierigheid in mij op, anders werk je geen drie, vier jaar aan een boek zoals De Bourgondiërs. Hoe krijg je uitgelegd dat je zo lang gaat werken aan iets waarvan je niet weet of het iets wordt?

“Ik wilde uitzoeken: wat is ons oerverhaal? De mensen rondom mij zeiden: ‘Bart, waar ben je nu mee bezig? Je boeken worden alleen maar stoffiger.’ (lacht) Maar toen ik ontdekte dat de Nederlanden een Bourgondische uitvinding bleken te zijn, werd ik alleen maar nieuwsgieriger. 

“Vanuit een soort verwondering viel ik als een Obelix in de toverdrank van ons verleden. Maar het werd algauw een pudding die overkookte. Jan Van Eyck, De Vlaamse Primitieven, de Franse koningen, Engeland, het feodale stelsel, De Honderdjarige Oorlog, Jeanne d’Arc, er leek maar geen einde aan te komen.

“Het moeilijkste was er een eigen structuur aan te geven. Maar eenmaal ik die had, kwamen de juiste vragen. Vragen van een tienjarige, waar zelfs specialisten vaak moeite mee hebben, zoals: wat aten ze toen op een trouwfeest? Hoe aten ze? Wat waren de spelregels van zo’n riddertoernooi? Waar logeerde Filips De Goede in 1430 in Mechelen?

“Mijn nieuwsgierigheid geeft mij de kracht om vervolgens die kleurrijke details met het universeel historische te verbinden. Om er een ‘grande petite histoire’ van te maken, om Balzac nog eens te citeren.”

Wat is uw zwakte?

“Mijn ongeduld. Ik kan niet wachten. Maar ik kan wel drie, vier jaar met één ding bezig zijn. Dat is de ambivalentie in mij. Ik ben een wandelende tegenstelling. Zie dat boek van 600 bladzijden daar nu liggen. Als je bedenkt dat ik elke letter getikt heb, en veel meer dan dat, want ik heb nog zo veel geschrapt: dat is gewoon crazy. En toch doe ik het: elke dag naar mijn bureau, die trappekes op. Ook al voelde ik dat het interessant genoeg was om vol te houden, toch heb ik zeker drie, vier, vijf keer gedacht: ik stop ermee.”

‘Ik heb er nog altijd spijt van dat ik geen Latijn-Grieks heb gedaan in het middelbaar.’ Beeld Stefaan Temmerman

Welke geluksscore geeft u zichzelf?

“Hoe kun je het leven, dat zo onvatbaar is, in een cijfer vangen? In mijn werkkamer hangt een citaat van Sofokles. ‘C’est une vérité admise, depuis bien longtemps, chez les hommes qu’on ne peut savoir pour aucun mortel avant qu’il soit mort, si la vie lui fut ou douce ou cruelle.’ Het is dus ‘een waarheid die we allemaal sinds lang aannemen’, hoewel ik daar nooit in die zin over had nagedacht, dus voor mij was het een nieuwe waarheid, ‘dat men van geen enkele sterveling kan weten, voor hij dood is, of zijn leven dan wel zacht of wreed was.’

“Dat is zo’n bevrijdend maar tegelijk schrikwekkend citaat. Je kunt een fantastisch leven gehad hebben, en op het einde van de rit verlies je wat je het meest dierbaar is. Jezelf een cijfer geven is het ongeluk over je afroepen.”

Hoe was de band met uw ouders?

“Ik kom uit een eenvoudig, absoluut niet intellec­tueel maar heel warm gezin, en ik denk dat dat de essentie is. Mijn moeder huisvrouw, mijn vader hovenier. Onze leefwereld was redelijk beperkt, tot het dorp en net daarbuiten, maar dat speelt allemaal geen rol: het is de liefde en warmte die telt. Er onvoorwaardelijk zijn voor je kinderen, met hen meegroeien. 

“Ik herinner mij nog toen ik op Erasmus ging in Caen in Normandië. Mijn ouders brachten me met de auto, mijn fiets op het dak. Bokes gesmeerd, met een thermos koffie. Voor hen was dat hetzelfde als vandaag met de auto naar Moskou rijden. Een waanzinnige tocht. 

“Omdat ik aanvoelde dat die hele onderneming voor hen toch wel bijzonder was, heb ik hen een kaartje geschreven dat ze op de terugweg moesten lezen. Er stond iets van – ik weet het niet meer letterlijk, ik ben een beetje ontroerd als ik het nu zeg: ‘Als ik later een even goede ouder als jullie wil zijn, zal ik potverdikke hard mijn best moeten doen.’ Daar is het mee samengevat, denk ik.”

Welke kleine gebeurtenis kan u blij maken?

“Mijn vrouw en ik, wij waren laatbloeiers, maar uiteindelijk is toch nog dat godsgeschenk uit de hemel gevallen: onze dochter! Ik ben heel blij dat ik vijf jaar geleden papa ben geworden. En ik vind het elke dag opnieuw spannend en plezant om te zien hoe ze opgroeit en hoe goed tweetalig ze al is. 

“Onlangs in een museum in Dijon zei ze plots bij een portret: ‘Kijk papa, Filips de Goede!’ Dat is toch geweldig? En nu ze weet dat het Filips de Goede is die op de cover van mijn boek staat, zegt ze, om mij te plagen: ‘Kijk papa, Filips de Stoute!’ (klapt lachend in de handen) Ah, heerlijk toch!”

Waar hebt u spijt van?

“Dat ik geen Latijn-Grieks heb gedaan in het middelbaar. Later heb ik tijdens mijn studie Romaanse filologie wel in sneltreinvaart Latijn gestudeerd. We kregen vier maanden om een half woordenboek en alle naamvallen vanbuiten te leren. Ik kwam, ik zag en ik verboog. Maar heel diep zit het Latijn helaas niet. En Grieks, tja, de bakermat... Wie weet welke mogelijkheden dat had gegeven?”

Wat is uw grootste angst?

“Dat is heel eenvoudig: dat de mensen die ik graag zie iets overkomt. Bovenaan op die lijst staat onze dochter.”

Wanneer hebt u het laatst gehuild?

“Bij de geboorte van mijn dochter, samen met mijn vrouw. Een zalige stortvloed. Ik moet zeggen dat met de jaren de tranen makkelijker komen. Mijn vrouw moet er altijd om lachen. Ik beweerde vroeger dat ik een jongen was en niet huilde. Bon, dat valt goed mee. Ik kan heel ontroerd zijn tijdens een concert of als ik een verhaal uit mijn jeugd vertel. Dan rolt er een traan uit mijn linkerooghoek.”

Wanneer bent u ooit door het lint gegaan?

“Toen mijn vrouw, toen nog mijn lief, aan tafel het einde van De drie musketiers verklapte. Wij zijn allebei enorme fans van Alexandre Dumas, maar ik was nooit verder dan Vingt ans après geraakt, terwijl zij de hele trilogie tussen haar 15de en 20ste elk jaar herlezen had. Toen ze verklapte dat Porthos zou doodgaan, ben ik beginnen roepen. Ze herhaalt nog regelmatig hoe belachelijk buitensporig mijn reactie was.”

Welk boek zou u iedereen aanraden?

Haat is een deugd van Gustave Flaubert. Ik zou honderd boeken kunnen citeren, maar dit zijn brieven die je fragmentarisch kunt lezen, altijd en overal. Hoe hij schrijft over zijn moeder, over de liefde, over vrienden, en over het schrijven zelf: ronduit geweldig. Je wilt de hele tijd citaten overschrijven. Bovendien kan Flaubert alleraardigst mopperen. Hij is de geniaalste zagevent uit de literatuur. Heerlijk.”

Hebt u ooit een religieuze ervaring gehad?

“De ervaring van een Blaise Pascal of een Paul Claudel, die een teken van God ontvingen, neen, die heb ik nooit gehad, maar ik ben geen complete atheïst zoals velen van mijn tijdgenoten. Ik ben geen kerkganger of zo, maar ik voel me wel nog altijd aangetrokken tot het mysterie, de traditie, de rituelen van het geloof. 

“Af en toe trek ik mij terug in een klooster om te schrijven. En dan ga ik naar de vespers om te luisteren en wat mee te prevelen. De eerste keer toen een pater opstond om uit het dodenboek de namen voor te lezen van alle paters die de afgelopen zeshonderd jaar op die dag gestorven waren, wist ik niet wat ik hoorde. ‘Martinus Van den Broeck, 1603, Floris De Graeve, 1619.’ Wow, fantastisch!

“Als je daarna door de lange gang loopt waar de schilderijen van alle abten hangen, lijken hun ogen je wel te volgen. Dan begin ik mij af te vragen: zouden die twee elkaar nog gekend hebben? Waren het rivalen? Enzovoort. Dat doorleefd doorgeven van geschiedenis spreekt mij erg aan. Dat is ook wat ik probeer in mijn boeken. Ik ben een ‘passeur’, zoals dat in het Frans heet. Ik slik een bibliotheek in, ik slik een verhaal of een tijdperk in, ik vermaal het en geef het door. Zo bouw ik mee aan een keten van gedeeld collectief geheugen.”

‘Ik ben geen kerkganger of zo, maar ik voel me wel nog altijd aangetrokken tot het mysterie, de traditie, de rituelen van het geloof.’ Beeld Stefaan Temmerman

Hoe voelt u zich in uw lichaam?

“O, mijn lichaam. Vroeger vond ik het spijtig dat ik niet groter was, maar meer ook niet. Verder ben ik de 45 voorbij en begint hier stilaan een buikje te komen. Ik zou graag twee, drie kilo afvallen, wat toch wel moeilijk blijkt te zijn.”

Wat vindt u erotisch?

“Behalve de clichés van bepaalde fysieke vrouwelijke kenmerken, een elegant ontwikkeld gevoel voor humor en gevatheid. Bijvoorbeeld in de supermarkt. Je komt telkens bij dezelfde caissière, en die heeft zo’n badge met haar naam op, weet ik veel, Katia Vanderperre. Je bent goedgezind en zegt: ‘Dag juffrouw Vanderperre, hebt u een aangename dag vandaag?’ Ze schrikt op, neemt mijn kortingkaart en antwoordt: ‘Meneer Van Loo, het is een uitstekende dag!’ Wel, dat vind ik heel aantrekkelijk.”

U belandt in de gevangenis, wat zou de reden kunnen zijn?

“Dit vind ik echt een oninteressante vraag, omdat hier allesbehalve subtiel gevist wordt naar de gitzwarte dimensie van je persoonlijkheid. Ik heb geen zin om iets te verzinnen.”

Wat is uw goorste fantasie?

“Heb je mijn Jommekes-hoofd al eens goed bekeken? Denk je echt dat ik gore fantasieën heb? Uiteraard heb ik fantasma’s, maar god, die zijn van zo’n eenvoud dat het weinig zin heeft om er deze pagina’s mee te besproeien.

“Tijdens het schrijven van O vermiljoenen spleet, over pornografie en erotiek, mijn minst verkochte boek trouwens, dacht ik weleens: het toppunt van goorheid moet zijn als je Markies de Sade leest met een gevoel van herkenning. Zeker bij La nouvelle Justine (1799, red.): dat is zo oeverloos goor en grof dat het walgelijk wordt, al vind ik dat nog heel zacht uitgedrukt. Bij zoiets haak ik af. Maar ik heb doorgelezen, ja, ik kon niet anders. Iemand moest het doen. (lacht)

Bent u een goede vriend?

(denkt na) Toen ik twintig was, heeft mijn beste maat zich totaal onverwacht van het leven beroofd. Die eerste grote kennismaking met de dood kwam binnen als een hakbijl. We woonden samen in een soort van woongroep, allemaal studenten in één huis. Zijn dood heeft onze vriendschap onwaarschijnlijk strakker gemaakt. We komen nog altijd samen, we hangen nog altijd hecht aan elkaar. Soms zeggen we zelfs dat onze vriendschap voor een stuk gevormd is door wat er toen gebeurd is.

“Ik heb niet veel écht goede vrienden, maar ik sta er wel op om hen op gezette tijden te zien. Een van hen is Kris Lauwerys, die nu in Wenen woont. Een uitstekend vertaler en ook mijn eerste lezer. Toen ik hem de vijftig bladzijden had laten lezen waarin ik de eerste duizend jaar van mijn boek vertel, stonden ze vol rood. ‘Bart, ik hoop dat je dit kunt aannemen’, begon hij, maar ik was hem zo dankbaar! Iemand die dat voor jou doet, dat is onbetaalbaar.”

‘De Bourgondiërs’ van Bart Van Loo: ‘Ik heb wel drie, vier, vijf keer gedacht: ik stop ermee.’ Beeld rv

Hoe definieert u liefde?

Se sentir à l’aise. Je ontspannen voelen, op je gemak, helemaal thuis en veilig. Dat klinkt heel saai, hè, maar het is wel het geheim van een lange liefde, denk ik.”

Hoe hebt u uw eerste liefde ervaren?

“Als een onmogelijke liefde. Hoe kun je nu de helft van je jeugd wijden aan een onmogelijke liefde waar niets van komt? Wat een tragische misvatting! Ze hadden me echt wel een keer deftig mogen uitleggen dat de aanhouder niet wint. Het was bijna een religieuze manier van liefhebben. Zo heb ik natuurlijk wel wat charmant geflikflooi gemist. Ik was té serieus.”

Hoe zou u willen sterven?

“Zo laat mogelijk. Ik wil nog zo veel doen. Ik heb maar één echte stelregel, en die luidt: ik wil na mijn ouders sterven en voor mijn dochter. Voilà. Zoals het hoort.

“Wat ik zou wensen als laatste avondmaal? Iets in de trant van Lodewijk XVI, voor hij onthoofd werd. (citeert plechtig uit zijn boek ‘Napoleon’) ‘Drie varkenskoteletten, zeven kippenfilets, een fles witte wijn, vier dikke stukken spek vergezelden hem naar het schavot.’ (lacht) Laat ik dat even naar mijn leven, euh dood, vertalen: ik zou graag eindigen met de choux farcis en de Griekse balletjes in citroenbouillon van mijn vrouw, maar beginnen zou ik met de tomatensoep met balletjes van mijn moeder. Proustiaans mijn halve leven over mijn tong voelen glijden. Vergezeld van een Château Rayas van een goed jaar, wellicht de beste Châteauneuf-du-Pape die er is, en een meursault Les Meix Chavaux van Franck Grux, da’s eten en drinken op zich.”

Wat zou u nog willen doen voor het te laat is?

“De tijd nemen om op gezette tijden onze ouders te zien. En de herinneringen en verhalen van mijn ouders opnemen, om ze later te kunnen doorgeven, minstens aan mijn dochter.

“Ik heb ook nog twee, drie boeken in mijn hoofd. Tussendoor ben ik nu bezig met iets kleins, iets wat wellicht niemand van mij zal verwachten. Eerst was het gewoon spielerei om te bekomen van het titanenwerk van De Bourgondiërs, maar nu begint het toch een eigen leven te leiden.

“Anderzijds, van mijn hertogen ben ik nog niet af. Er volgen nog optredens, een theatertournee en tentoonstellingen. Je ne suis pas sorti de l’auberge, zoals ze in het Frans zeggen. (lacht)”

Waarover bent u de laatste tijd anders gaan nadenken?

“Over de polarisering tussen links en rechts. Dat is iets wat mijn verstand te boven gaat. Afgaande op wat ik denk en voel en doe, zou je mij eerder aan de linkerzijde van het spectrum kunnen situeren, maar soms heb ik ook weleens een mening die je misschien veeleer rechts kunt noemen. Maar mocht ik die uitspreken, dan krijg ik de hele linkse kerk over mij heen. Andersom idem. Ik vind het zo spijtig dat de linker- en rechterzijde elkaar zo diaboliseren dat geen enkele vorm van gesprek meer mogelijk is.

“Ik begrijp ook niet waarom die politici van ‘s ochtends tot ‘s avonds worden opgevoerd in de media, om telkens weer de vierkante millimeter van het eigen gelijk te verdedigen. Ach, ik luister niet meer. Ik draai naar Klara en geef me over aan klassieke muziek.

“Maar een politicus die ineens aan tafel zegt: ‘Wat u daar poneert, mijn tegenstrever, vind ik eigenlijk wel interessant, ik wil daarover nadenken’, dat zou ik wel verheffend vinden.”

‘Ik vind het zo spijtig dat de linker- en rechterzijde elkaar zo diaboliseren dat geen enkele vorm van gesprek meer mogelijk is.’ Beeld Stefaan Temmerman

Is de mensheid op de goede of de slechte weg?

“Ik vrees dat ik daar vanop mijn vierkante centimeter niets zinnigs over kan zeggen.”

Welke gebeurtenis uit uw leven zou een goed filmscenario opleveren?

“Toen we deze zomer in Noorwegen waren, zochten we een wandeling ‘om onze benen los te gooien’. Niet al te moeilijk, omdat onze dochter nog maar vijf is en wij allebei geen atletische hoogvliegers zijn en bovendien hoogtevrees hebben. Maar die Noren hebben duidelijk een andere visie op wat een eenvoudige wandeling is. Telkens als we dachten ‘nu eindigt het’, kwam er een nieuwe top in zicht, steil omhoog. 

“Na uren stappen kwamen we eindelijk op het hoogste punt. Mijn vrouw riep: ‘Wat een zalig uitzicht! Hier gaan we kunnen genieten.’ Maar ik viel plat op de grond van de schrik. Geen seconde wilde ik daar nog blijven. We zijn dus linea recta teruggekeerd.

“Tijdens de afdaling kreeg ik plotseling telefoon. Het was Flammarion (gerenommeerde Franse uitgeverij, red.). Ze zeiden dat ze mijn boek zouden uitgeven in het Frans. Ongelooflijk! En toen werd alles ineens zo schoon. En plat. (lacht)

Wat is de titel van uw biografie?

“Als mijn vrouw de titel zou mogen verzinnen, zou er waarschijnlijk staan: ‘On peut vivre partout’. Dat is een beetje spottend bedoeld. Ik heb ooit in een interview gezegd dat ik geleerd heb dat ik overal kan leven, aangezien ik geboren ben in de Kempen, lang in Antwerpen gewoond heb en ten slotte in West-Vlaanderen ben beland. Voor de gemiddelde Vlaming is dat een onwaarschijnlijk scenario. Van de Kempen naar het verre West-Vlaanderen! Toen mijn Franse vrouw dat las, schoot ze in de lach: ‘Zo’n enge Vlaamse visie, ge zijt ocharme honderd kilometer opgeschoven!’ Dat vond ik wel grappig.

“Mijn dochter zou wellicht (met horrorstem) ‘Het kietelmonster’ kiezen. En mijn petekind, dat in Wenen woont, de dochter van mijn vriend Kris, zou zeggen: ‘Bla bla bla’. Want naar het schijnt kan ik nogal babbelen. (lacht)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234