Vrijdag 19/04/2019

Groot Onderhoud

"Dat gedoe tussen Demir en CD&V, waar gíng dat in godsnaam over?"

Aan de onophoudelijke stroom van incidenten en relletjes in de Wetstraat wil hij niet te veel woorden meer vuilmaken. Voor Luc Huyse, de ouderdomsdeken onder politieke waarnemers, zijn er andere dingen om ons zorgen over te maken: de toekomst van de democratie, bijvoorbeeld. Een persoonlijk gesprek met een man in de buitenbaan.

Luc Huyse, socioloog en doorgewinterde Wetstraat-watcher. Beeld Franky Verdickt

"Ach, in de Wetstraat dansen de dwergen”, lacht Luc Huyse als ik hem vraag hoe hij naar de recente politieke perikelen heeft gekeken. “Journalisten zouden die stormpjes meer moeten relativeren. Maar dat doen ze niet. Integendeel, mede dankzij de pers leeft de Wetstraat boven zijn stand. Zodra je dat parochiale niveau overstijgt, zie je dat de echte macht elders ligt: bij de haute finance, de Europese Unie, het IMF en de Wereldbank. Maar dat blijft verborgen. En ondertussen wordt er belachelijk veel zendtijd en krantenpapier besteed aan oninteressante incidenten. Neem nu dat gedoe tussen Zuhal Demir en CD&V: waar ging dat in godsnaam over?”

Luc Huyse, die later dit jaar 80 wordt, is de onbetwiste éminence grise onder de Vlaamse Wetstraat-watchers. De Leuvense socioloog schrijft al meer dan 50 jaar over politiek en samenleving. Dat machtige oeuvre is sinds vorige week voor iedereen gratis beschikbaar op een website die de KU Leuven hem cadeau deed. Daar valt ook zijn nieuwste essay te lezen: Red de verkiezingen, een fel pamflet waarin Huyse oproept om de democratie als het ware een doorstart te geven, door de burger ook op andere manieren bij het beleid te betrekken – om de zoveel jaar een bolletje kleuren volstaat immers niet meer.

We hebben afgesproken dat dit interview persoonlijker mag worden dan gewoonlijk, en dat treft, want bij Huyse hebben leven en werk een raakpunt: wat hij een centraal inzicht noemt, heeft hij van jongs af aan persoonlijk ondervonden. “Dat is de kracht van sociale ongelijkheid”, zegt hij. “Die vind je overal terug, in het onderwijs, de gezondheidszorg, de huisvesting. Het zogenoemde mattheuseffect, waarbij vooral gegeven wordt aan hen die al hebben, is ongelofelijk. Ik heb in 1960 mijn thesis gemaakt over het onderwijs, en daaruit bleek al dat ons systeem de ongelijkheid telkens opnieuw bestendigt.”

Toch kon u zelf wel gaan studeren, ofschoon u van eenvoudige afkomst bent.

“Dat is waar. Maar met dien verstande dat ik elk jaar onderscheiding moest behalen, om mijn beurs van het Fonds der meestbegaafden, zoals dat heette, te kunnen behouden. Als ik daar niet in zou geslaagd zijn, was het afgelopen met mijn studies.”

Wie had u opgemerkt?

“Een leraar in de lagere school. Toen de directie mij naar het achtste leerjaar wilden sturen, heeft hij dat verhinderd. Het was eigenlijk de bedoeling dat ik vanaf mijn 14de bij mijn vader zou gaan werken, die was letterzetter in een drukkerij. Als die leraar mij niet had opgemerkt, was ik daar terechtgekomen.”

Gingen uw ouders meteen akkoord?

“Mijn moeder heeft de beslissing genomen. Dat heb ik in mijn onderzoek later gemerkt: hoe belangrijk de rol en de ambitie van de moeder is. Mijn moeder had tot haar huwelijk als inwonende dienstbode in een kasteel gewerkt, en zo had ze een andere wereld leren kennen. Nu, dankzij mijn vader was ik ook wel vertrouwd met het woord. Hij bracht vaak boeken mee van zijn werk. Ik herinner mij ook nog altijd de geur van de boeken in de drukkerij, waar ik bij mijn vader vaak ’s middags mijn boterhammen ging opeten.”

Beeld Franky Verdickt

U gebruikt vaak het beeld van de buitenbaan, om ongelijkheid uit te leggen.

“Dat blijft mij inspireren, ja. Men zegt graag dat het belangrijk is dat iedereen gelijk aan de start verschijnt. Maar dat volstaat natuurlijk niet. Op een atletiekpiste kun je iedereen op dezelfde lijn laten vertrekken, maar wie in de buitenbaan loopt, is dan benadeeld. Als je kansen eerlijk wilt verdelen, moet je voor die buitenbaan correcties inbouwen.”

U mocht wel studeren, maar aangezien u altijd onderscheiding moest halen, moest u eigenlijk harder lopen dan de rest – bedoelt u dat?

“Daar komt het op neer. En ik had dan nog geluk dat ik kon studeren. Ik heb mij vaak afgevraagd hoeveel duizenden leeftijdgenoten van mij die kans niet hebben gekregen. Toen ik in Leuven zat, waren al mijn vrienden uit de wijk al aan het werk.”

Bestaat die ongelijkheid vandaag nog altijd?

“De hoeveelheid talent die verloren gaat, is kleiner geworden. Maar in heel wat Vlaamse families, autochtone zowel als allochtone, blijft de achterstand groot. En dat heeft niet alleen met geld te maken, ook sociaal en cultureel kapitaal zijn belangrijk.”

Kan de emancipatiegolf waar u van profiteerde ons iets leren voor de emancipatie van Vlamingen met een migratieachtergrond?

“In de jaren vijftig, toen de christelijke en de socialistische beweging de ongelijkheid in het onderwijs ontdekten, schoten ze onmiddellijk in actie. Ze organiseerden congressen, schreven rapporten, stichtten fondsen – en dat heeft uiteindelijk geleid tot het systeem van studiebeurzen, waar ik van profiteerde. Mijn vader was een oud-kajotter en hij nam de bekommernissen van de christelijke beweging zeer ter harte. Dat mis ik vandaag bij allochtone gezinnen: de collectieve bewustwording die zich vertaalt in organisaties en politieke druk.”

Er is zich toch duidelijk een intellectuele elite aan het vormen onder Vlamingen met een migratieachtergrond?

“En toch hoor ik vaak in interviews dat mensen die het hebben gemaakt, geen rolmodel willen zijn. Dat is jammer, want dat heb je net nodig: voorbeelden die anderen willen coachen en activeren. Ik heb vaak het geluk gehad dat ik op iemand botste die mij wilde stimuleren: in de lagere school, aan de middelbare school, aan de universiteit.”

U bent echt het product van de katholieke zuil.

“Ja. Er was zelfs een prof die mij tijdens mijn eerste licentie meenam naar vergaderingen van de studiedienst van het ACW, de christelijke beweging. Dat was ook heel bijzonder: ik zat als snotneus aan tafel met niemand minder dan wijlen Herman Deleeck, de man die bij ons het mattheuseffect als concept heeft geïntroduceerd. Ik ben nooit lid geweest van die studiedienst, maar was wel een tijdje intellectuele reisgezel van het ACW.”

Van de CVP bent u eind jaren zestig wel lid geweest.

“Ja. Wilfried Martens, die toen CVP-jongerenvoorzitter was, heeft mij gevraagd of ik deel wilde uitmaken van zijn team. Maar dat wilde ik niet. Uiteindelijk bleef ik altijd in de marge van de christelijke zuil. Dat heeft ook geleid tot een breuk, ik denk in 1972: toen had ik tijdens een studiedag gezegd dat het ACW onder de sloef van de partij lag. De CVP-top op de eerste rij in de zaal is toen opgestapt. Als gevolg van die breuk stuurde Rika De Backer, toenmalig voogdijminister van de openbare omroep, een nota rond dat ik niet meer mocht worden geïnterviewd.”

U stond op de zwarte lijst?

“Dat heeft tot begin jaren tachtig geduurd. Ze zullen het niet graag lezen, maar in de jaren zeventig en tachtig werden mijn boeken ook in De Standaard niet besproken. Ik was persona non grata in katholieke kringen. Later, toen ik samenwerkte met de socialistische partij, wilden sommigen mijn ontslag aan de KU Leuven. Ik herinner mij nog dat het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond pamfletten verspreidde. Gelukkig heeft toenmalig rector Pieter De Somer het altijd voor mij opgenomen.”

Hoe was u bij de socialisten terechtgekomen?

“Eind jaren tachtig had Louis Tobback mij gevraagd om te bemiddelen voor een linkse Leuvense eenheidslijst, met onder andere het toenmalige Amada, de voorloper van de PvdA, en de trotskisten van RAL. Dat lukte, maar die lijst was een eendagsvlieg. Later heeft wijlen Steve Stevaert mij ook eens gevraagd om te bemiddelen tussen hem en Jos Geysels van Agalev. Maar dat is niet gelukt. De cultuurverschillen tussen beide partijen waren en zijn te groot.”

Was dat geen verregaand engagement voor een academicus?

“Nee, ik voerde die gesprekken nooit als socialist, maar altijd als bemiddelaar. Ik heb in 1991, na Zwarte Zondag en de doorbraak van het Vlaams Blok, samen met onder meer collega Mark Elchardus voor de socialistische partij wel een analyse van die verkiezingen gemaakt. Men had niet tijdig gezien dat heel wat Vlamingen zich maatschappelijk uitgesloten voelden en de migranten als een zondebok gebruikten. Dat gevoel had zich electoraal geuit.”

Mark Elchardus werd in de jaren negentig adviseur van sp.a-voorzitter Louis Tobback, en stond bekend om de zogenaamde ‘flinkse’ lijn. Was u ook flinks?

“Ik heb daar geen rol in gespeeld. Ik moet zeggen dat een aantal multiculturele thema’s voor mij nog altijd niet helder zijn. Ik eigen mij het recht toe om over bepaalde zaken lang na te denken en grondig te twijfelen. Het debat over de hoofddoek, bijvoorbeeld, daar heb ik geen definitieve mening over.”

U zou het kunnen aanvaarden dat u over enkele decennia sterft zonder een mening te hebben gehad over de hoofddoek?

(lacht) “Jazeker. Sociologie is niet alleen de kunst van de verwondering, maar ook de kunst van de twijfel. Als socioloog bekijk je de samenleving als het ware als een ui, en onder elke laag zit weer een nieuwe laag. Ik heb daar vrede mee. Niet alles is zwart of wit. Er is veel grijs.”

Maakt het debat over de hoofddoek geen deel uit van een bredere discussie over diversiteit? En loopt daar geen nieuwe politieke breuklijn?

“Breuklijn is een containerbegrip als je het niet zorgvuldig definieert. Voor mij kun je die term maar zindelijk gebruiken als hij betrekking heeft op politieke tegenstellingen die als het ware gestold zijn in collectieve bewegingen en partijen. Dat zie je bij de klassieke breuklijnen: communautair, sociaal-economisch en levensbeschouwelijk. In het debat over diversiteit zie je dat nog niet. En als je het alleen over politieke tegenstellingen hebt, dan zijn er veel nieuwe voorbeelden: de tegenstelling tussen generaties, bijvoorbeeld, of die tussen stad en platteland.”

Luc Huyse: 'Ik eigen mij het recht toe om over bepaalde zaken lang na te denken en grondig te twijfelen. Het debat over de hoofddoek, bijvoorbeeld, daar heb ik geen definitieve mening over.' Beeld Franky Verdickt

Laten we het eens over uw nieuwe essay hebben. En over uw visie op de democratie. Hoe verklaart u het oprukkende populisme?

“In 1991, bij Zwarte Zondag, werd in Vlaanderen al duidelijk dat een heleboel mensen daar gevoelig voor zijn. Ondertussen hebben nog meer mensen het gevoel dat hen van alles ontstolen wordt, onder meer door de migratiestroom en de bureaucratische kracht van de Europese Unie. De onzekerheid die daarvan het gevolg is, vormt een goede humus­laag voor het populisme.”

U schrijft dat het enthousiasme voor de democratie daalt. Maar is het omgekeerde niet waar? In Nederland was de opkomst bij de verkiezingen hoger dan ooit.

“Maar was dat een steekvlam, of is het de aanzet van iets duurzaams? Laten we dat nog even afwachten. Zondag zal de opkomst in Frankrijk wellicht ook groot zijn, voor de eerste ronde van de presidentsverkiezingen. Maar misschien zullen we in de tweede ronde de cijfers alweer zien dalen.”

U bent erg pessimistisch over de staat van onze democratie. Maar brengen de populisten geen leven in de brouwerij? Voor het eerst sinds lang staat er bij verkiezingen weer echt iets op het spel. Is dat niet positief? Er valt iets te kiezen.

“De keuze is er, dat klopt. Maar volgt het beleid? Dat is de vraag. Zelfs als de populisten aan de macht komen, zullen ze rekening moeten houden met krachten in de samenleving die ze niet onder controle hebben. Ook Bart De Wever moet dat vandaag ondervinden: het is bijna onmogelijk om van koers te veranderen. Dat roept grote vragen op. Met een boutade: we kunnen nog wel van regering veranderen, maar niet van beleid. En dat is zorgwekkend. Daarom pleit ik er in mijn essay voor dat de kiezer zijn stem terugkrijgt.”

Hoe doen we dat?

“Niet meer alleen via verkiezingen. Wat weg is, wat ons ontstolen is, komt niet meer terug. Je kunt de verkiezingen wel een beetje bijsturen, onder meer door schijnkandidaten geen kans te geven, door de programma’s door het Planbureau te laten herberekenen en door de eigenheid van lokale verkiezingen te respecteren. Maar we zullen mensen ook op andere manieren de mogelijkheid moeten geven om te participeren. Op lokaal niveau is al veel mogelijk: door bewonerscomités en actiegroepen, bijvoorbeeld.”

Leiden die ook niet tot mattheuseffecten: het is nogal vaak de hoogopgeleide blanke kiezer die een actiegroep in het leven roept.

“Dat kan meespelen, maar het is voor mij geen argument om het niet te doen. In mijn essay neem ik het beleid van de Mechelse burgemeester Bart Somers als voorbeeld. In de wijk Nekkerspoel moest de mobiliteit anders worden georganiseerd. Somers heeft ervoor gezorgd dat alle wijkbewoners via comités mee konden nadenken, niet alleen de hoogopgeleide blanke mannen. Zo werd een compromis bereikt voor het plaatselijk beleid.”

In uw pamflet hebt u het ook over de politieke versplintering. Dat vindt u geen goede zaak. Maar is het geen teken van emancipatie van de kiezer? De tijd dat de drie ideologieën alles onder elkaar verdeelden, is voorbij. En maar goed ook.

“Het is een zeer bedrieglijke emancipatie. Zoals je met een paar kranten niet elke lezer perfect kunt bedienen, zo kun je dat ook niet met een paar partijen. Maar als iedereen zijn eigen krant kan samenstellen, is dat voor mij geen winst. Dat lijkt vrijheid, maar het is geen echte vrijheid. Idem dito voor de politiek: in Nederland kwamen deze keer al meer dan 20 partijen op. Hoeveel worden dat er volgende keer? Meer dan 50? Je moet toch nog tot een werkbare coalitie kunnen komen na de verkiezingen.”

Dat is toch nog altijd mogelijk in Nederland. Wat is er mis met een rijke schakering aan partijen in het parlement?

“Waarom pleit u dan niet voor de afschaffing van de kiesdrempel?”

Doe ik ook. Nederland moet die kiesdrempel niet invoeren, maar wij moeten hem afschaffen. Het zal meer prikkelende stemmen in het parlement brengen.

“Daar ben ik compleet tegen.”

Maar het is toch goed dat zoveel mogelijk verschillende verlangens en behoeftes uit de bevolking in het parlement vertegenwoordigd zijn?

“Nee, want dat parlement geeft toch alle macht af aan de regering. En die geeft de macht weer af aan de Europese Unie, enzovoort. Als u die versplintering een goede zaak vindt, maakt u van de verkiezingen het ultieme democratische moment, het enige wapen van de burger. En dat zijn ze niet meer.”

Bent u dan, zoals David Van Reybrouck, een voorstander van burgertoppen en loting van vertegenwoordigers om tot beslissingen te komen?

“Wat loting betreft, verschil ik heel erg van mening met David. Op lokaal niveau kan loting misschien werken, maar niet op nationaal niveau. Ik vind dat we veel creatiever moeten zijn bij de vernieuwing van de democratie. Zolang we het er maar over eens zijn dat verkiezingen niet langer de enige manier zijn om de burger een stem te geven. In die zin is de titel van mijn pamflet een beetje misleidend.”

Blijven verkiezingen toch niet de essentie? In het parlement worden mijn belangen als burger toch behartigd? En hoe meer partijen, hoe beter en genuanceerder de wil van de bevolking wordt weerspiegeld. Nogmaals, dat is toch winst?

“In het parlement worden de belangen van de bevolking misschien zichtbaar gemaakt, maar ze worden er niet meer behartigd. Dat is het probleem. Wat u zegt, dat verlangens en behoeftes zichtbaar moeten worden gemaakt, klopt. Maar dat kan evengoed, en zelfs beter, langs andere wegen. Neem nu het Oosterweel-dossier in Antwerpen: wie heeft daar de grootste stap gezet richting finaal akkoord? Niet het Vlaams parlement.”

Moet de wetgevende macht niet in ere worden hersteld?

“De wetgevende macht volledig in ere herstellen: daarvoor is het te laat. In de politiek geldt: wat verplaatst is, komt niet meer terug. En door de kiesdrempel af te schaffen, versterk je het optisch bedrog, omdat je mensen de illusie geeft dat hun stem ertoe doet. Je brengt er dingen mee in beweging, met zoveel verschillende partijen, dat wel. Het debat krijgt op die manier wat extra wind in de zeilen. Dat is goed. Maar ik kan niet meer aanvaarden dat we dat als de enige weg zien om de stem van de kiezers te laten horen.”

Voor de N-VA, de grootste partij van Vlaanderen, geldt het primaat van de politiek.

“De N-VA wantrouwt de georganiseerde burger, dat is duidelijk. Ze willen alles wat beweegt tussen burger en beleid zoveel mogelijk beperken en bemoeilijken. De N-VA gelooft heilig in verkiezingen en het primaat van de politiek. Maar de burger is veel meer dan een kiezer. Dat besef is nog niet overal goed doorgedrongen.”

Hoe kijkt u naar de oorlog die de N-VA voert met mensenrechtenorganisaties zoals Artsen zonder Grenzen en Unia?

“Die organisaties zijn een megafoon voor de individuele burger, en de N-VA wantrouwt megafoons. Zij benaderen de burger het liefst als een individu zonder megafoon, want dan is hij veel kwetsbaarder. Terwijl het in een democratie belangrijk is dat de burger een collectieve vuist kan maken, ook ten aanzien van het bestuur.”

Luc Huyse: 'De burger is veel meer dan een kiezer. Dat besef is nog niet overal goed doorgedrongen.' Beeld Franky Verdickt

Toch blijven voorzitter Bart De Wever en zijn partij de grootste en de populairste. Hoe verklaart u dat?

“Ik begrijp dat eerlijk gezegd niet. Bart De Wever komt met alles weg, en ik kan dat niet verklaren. Eerst gaat hij naar de verkiezingen met een communautair programma, dan zet hij alles in op het sociaal-economische. En nu ook dat veel moeilijker en complexer is dan hij had gedacht, zet hij alles in op identiteit, wéér een andere lijmstok voor de kiezer. En hij komt daar altijd mee weg. Die man wordt werkelijk alles gegund.”

Met welke andere politicus zou u De Wever vergelijken?

“Met Yves Leterme, natuurlijk. Die werd ook verkozen met een enorme score, en wat heeft hij ermee gedaan? Gezwalpt. Net zoals Leo Tindemans destijds, die ook niets heeft gedaan met zijn miljoen stemmen. Maar zowel Tindemans als Leterme is uiteindelijk van het toneel verdwenen. Ze hebben het niet gehaald. De vraag is nu: wanneer komt voor De Wever het moment dat het ophoudt? Tot dusver lijkt hij immuun voor slijtage.”

Zijn politieke tegenstanders zijn natuurlijk ook bijzonder zwak.

“Op welk gebied, bedoelt u dan? Qua beleid, of qua marketing?”

Vooral qua marketing. Hij communiceert slimmer dan de rest. Tijdens de heisa over intercommunales moest sp.a-voorzitter John Crombez zijn Gentse topper Tom Balthazar opofferen, terwijl De Wever zijn Antwerpse mandatenkampioen Koen Kennis rustig bleef verdedigen. Dat is tekenend voor zijn politieke genie.

“Akkoord. De Wever communiceert slim en scoort bij verkiezingen. Maar noem eens een lijst van belangrijke beleidsdoorbraken die hij op zijn palmares kan zetten? Hij is een sluwe politicus, maar vroeg of laat zal iedereen zien dat ook deze keizer naakt is.”

Hoe kijkt u naar de relletjes en incidenten in de Wetstraat?

“Met die incidenten verbergen politici hun eigen irrelevantie. Ik noem het een vorm van vluchtgedrag. En daarmee tegelijk ook schuldig verzuim.”

U hebt een bijzonder rationeel mensbeeld. U hebt al vaak geschreven dat de kiezer vandaag vooral verleid wordt, in plaats van overtuigd. En dat betreurt u.

“Natuurlijk. Denk aan de brexit. Daarvoor hebben de Britten gekozen op basis van leugens. Verkiezingen worden hoe langer hoe meer gewonnen dankzij marketing en verleidingsmethodes uit de reclame. Is dat winst voor de democratie? Dat geloof ik niet. De democratie heeft duurzaamheid nodig, en verleiding is nooit duurzaam. Het leidt ook tot wispelturigheid bij de kiezer. En als mensen van de Lidl naar de Carrefour naar de Delhaize naar de Aldi trekken, teken dan maar eens een strategie uit als bedrijfsleider.”

Maar dat is het nu net. Net zoals bedrijfsleiders moeten partijvoorzitters er maar voor zorgen dat ze mensen kunnen overtuigen om voor hen te kiezen, toch?

“Ja, maar als je burgers toelaat om louter op basis van verleiding nu eens voor de ene en dan weer voor de andere te kiezen, dan dreigt de motor van de democratie vermogen te verliezen. De keuze van de burgers moet toch nog altijd op een of andere manier kunnen worden omgezet in behandelbare pakketten van standpunten, eisen en plannen. Als er alleen maar verleid wordt, wil dat zeggen dat de inhoud er niet toe doet. Dan verkoop je als het ware mooie grote dozen Kellogg’s die maar voor de helft gevuld zijn.”

Maar hoe ging het vroeger? Toen dachten mensen helemaal niet na voor wie ze gingen stemmen. Iedereen stemde van wieg tot graf voor de zuil waarin hij of zij geboren was. Dat was toch veel minder dan vandaag een weloverwogen stem? Het was bijna dwang, of het scheelde niet veel.

“Daar hebt u misschien een punt. Maar echte dwang was het zeker niet. Mensen voelden echt aan dat het programma van hun partij aansloot bij wat zij nodig hadden. Het beeld dat die partijen verspreiden, denk aan de gezinspolitiek van de CVP, sloeg echt aan bij hun kiezers. Net zoals de solidariteitsgedachte binnen de socialistische beweging: ook daar waren mensen echt van overtuigd.”

Zijn emoties niet veel belangrijker in de politiek dan u als rationele socioloog altijd hebt gedacht?

“U hebt mij daar al een paar keer mee geconfronteerd, en het is waar dat emotie ook een factor van belang is. Maar goed, dat is voer voor psychologen. Als wetenschapper schiet je altijd tekort, omdat je één dimensie uit de werkelijkheid snijdt en die analyseert. Ik heb mij altijd geconcentreerd op de rationele dimensie van de burger en de kiezer. En daar voel ik mij goed bij.”

U bent ook altijd erg kritisch geweest voor de openbare omroep. In uw nieuwe essay hebt u het over de ‘braxit’, het vertrek van Siegfried Bracke, waarna de nieuwsdienst zich volgens u een beetje heeft herpakt.

“Wat ik de openbare omroep zeer ten kwade duid, is die fixatie op die ene vierkante kilometer in de Wetstraat. Dat zie je bijvoorbeeld aan een serie zoals Wissel van de macht: de zogenaamde grote kantelmomenten zijn vaak onbelangrijke incidenten, zoals het gevecht tussen Guy Verhofstadt en Karel De Gucht destijds. Laat de nieuwsdienst eens een serie maken over de écht belangrijke kantelmomenten: de opkomst van actiecomités, bijvoorbeeld. Het goede nieuws is dat de VRT vandaag weer tijd maakt voor het langere gesprek, en dat is zeker een gunstige evolutie.”

Tot slot: dit najaar wordt u 80, werkt u al aan uw memoires?

“Nee.”

Zal iemand uw biografie schrijven?

“Nee. Dat zou ook erg moeilijk worden, want ik heb bijvoorbeeld nooit briefwisseling bewaard. Voor memoires of een biografie heb je die eigenlijk wel nodig.”

Waarom hebt u nooit brieven bewaard?

“Tja, daar zal mijn herkomst wel een beetje in meespelen.”

Hoe bedoelt u?

“Ik ben van eenvoudige afkomst en heb altijd gedacht dat ik niet te hoog moest mikken. En een briefwisseling bewaren, doe je alleen als je denkt dat het de moeite zal zijn. Dat idee heb ik nooit gehad.”

‘Ik ben van eenvoudige afkomst en heb altijd gedacht dat ik niet te hoog moest mikken

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.