Dinsdag 15/10/2019

Reizen

Bucketlist van een nerd: een reis in de voetsporen van Neil Armstrong

Beeld Dieter Moeyaert

Hoe één stap de wereld in vervoering kan brengen: vijftig jaar geleden zette Neil Armstrong als eerste mens voet op de maan, en daarmee inspireerde hij miljoenen jongens en meisjes om naar boven te turen. Dieter Moeyaert volgde Armstrongs voetsporen, van Washington DC naar een opgedroogd meer in een Californische woestijn.

Tot ver in mijn tienerjaren had ik geen idee hoe je tegen een meisje moest praten, maar ik kon je wel alles vertellen over de ­lanceerprocedure van een maanraket. Maverick, Tom Cruises personage uit Top Gun, was mijn held, samen met Chuck Yeager uit The Right Stuff en eender welke straaljagerpiloot die loopings uitvoerde op de airshows van Oostende en Ursel. Mijn pilotendroom spatte uiteen in de eerste ronde van de selectieprocedure van de luchtmacht (hooikoorts en een rist aan andere allergieën strooiden roet in het eten), maar met een bucketlisttrip langs de belangrijkste lucht- en ruimtevaart­centra in de VS hoop ik dat toch een beetje goed te maken. Come fly with me!

1. Washington, D.C.

Een rammelende, blikken AMTRAK-trein brengt me van New York City, via het industriële niemandsland rond Philadelphia en Baltimore, naar het hart van de Amerikaanse politiek: Washington D.C.. Daar, aan de voet van Capitol Hill en op een boogscheut van het Witte Huis, bezoek ik het populairste museum van de VS: elk jaar trekt het Smithsonian Air and Space Museum 7,6 miljoen bezoekers. Spacenerds aller landen, verenigt u!

Ik doe het bijna in mijn broek wanneer ik de inkomhal van het museum betreed. Boven me hangen de Bell X-1, het eerste vliegtuig dat de geluidsmuur doorbrak; de Spirit of Saint Louis, waarmee Charles Lindbergh in 1927 als eerste over de Atlantische Oceaan vloog; de X-15, een raketvliegtuig waarmee testpiloten – zoals ook een jonge Neil Armstrong – in de vroege jaren 60 de eerste ruimtesprongetjes maakten. Wat verder staat Amstrongs Apollo 11-maancapsule. Ook de Spoetnik hangt boven mijn hoofd te bengelen.

Dit fenomenale museum mist ­echter de ruimte om de volledige collectie aan vlieg- en ruimtetuigen tentoon te stellen. Daarom bouwde het Smithsonian Institute, met behulp van een gulle gift van een Hongaarse luchtvaarttycoon, het Udvar-Hazy Center, nabij de luchthaven van Washington. Ook hier stuitert de twaalfjarige in me alle kanten op. Je vindt hier zowel verschrikkelijke (de Enola Gay, die in 1945 de eerste atoombom dropte boven Hiroshima) als prachtige machines (de Global­Flyer, die als eerste non-stop en zonder bijtanken rond de wereld vloog). En de Space Shuttle Discovery natuurlijk, die als je binnenstapt in de verte hangt te glimmen.

2. Cape Canaveral, Florida

Mijn ruimteodyssee gaat zuidwaarts. Ik neem het vliegtuig van Washington naar Orlando, waar palmbomen en een zwoele, tropische atmosfeer me begroeten. Ik kikker er meteen van op. In de luchthaven van Orlando huur ik een auto, waarmee ik de volgende twee weken 5.000 kilometer zal afleggen.

De tweede halte van deze ruimtebedevaart is het Kennedy Space Center op Cape Canaveral, waar Amerika zijn raketten lanceert. Ik bezoek Launch Pad A; het vertrek­station van Neil Armstrongs maantrip, op 16 juli 1969. Samen met twee andere astronauten zat hij vastgegespt in het topje van een 110 meter hoge Saturn V-raket, gevuld met 2,5 miljoen liter hoogst ontvlambare brandstof, die vertrok met een kracht van 160 miljoen pk. De eerste twee trappen van de raket hadden heel New York City twee uur lang van elektriciteit kunnen voorzien, maar tegelijkertijd zat er in het hele systeem minder computerkracht dan wat je vandaag in je broodrooster vindt.

Spaceshuttle Discovery in het Udvar-Hazy Center. Beeld Dieter Moeyaert

Ik bezoek ook het 160 meter hoge Vehicle Assembly Building, waar de raketten gemonteerd worden. Het is het hoogste single-story building ter wereld, met ventilatoren in de nok die wolkenvorming (en regen) tegenhouden. Om alle deuren te openen ben je drie kwartier zoet. “Opgelet”, waarschuwt de gids wanneer ons busje er halt houdt. “Hier kom je wel eens een alligator tegen. En stap niet in een mierennest, want ook dat zal je dag verknallen.”

3. Houston, Texas

Onderweg naar Houston rijd ik door de bayou, de kreken en moeraslanden van Alabama, Mississippi en Louisiana. Op voorhand had ik wat schrik voor de rednecks die ik daar zou tegenkomen, maar in The Deep South zijn mensen vooral heel vriendelijk. Naarmate ik Texas nader, worden de highways breder en het verkeer agressiever. Dit is de Lone Star State, waar de inwoners zich nog altijd cowboys wanen – al hebben ze hun paard ingeruild voor een opgevoerde V8. De bravoure doet niets af aan hun charmante inborst: de uitdrukking ‘a big Texas welcome’ is geen loos begrip.

Hier staat een onverwachte ontmoeting op de planning. Onderweg naar Texas blijkt dat een streekgenoot – de West-Vlaamse piloot Anthony Caere, bekend van het Eén-programma Flying Doctors en tegenwoordig de huispiloot van het Virungapark in Congo – ongeveer dezelfde route volgt als ik, met twee weken voorsprong. Hij wijst me op het feit dat de Canadese astronaut Chris Hadfield een lezing geeft in Houston. U kent Hadfield misschien van zijn akoestische versie van David Bowies ‘Space Oddity’, zwevend in het International Space Station.

Het ruimtepak van Apollo 14-astronaut Alan Shepard in het Kennedy Space Center. Beeld Dieter Moeyaert

Wanneer hij het woord neemt, sputtert de microfoon. “Hello Houston, we may have a problem”, merkt hij droog op. “Het is een eer om voor u te spreken, en om een ex-astronaut hier te verwelkomen.” Hij wijst naar een hoogbejaarde heer, enkele tafels verder: de 87-jarige Walt Cunningham, die deelnam aan Apollo 7.

Hadfield vertelt hoe hij zijn eerste lancering ervaarde (“alsof een gigantische hand je omhoog duwt, weg van de wereld”) en weidt uit over zijn ruimtewandeling (“alsof je de deur opent naar het toilet, en daar plots aan de rand van Mount Everest staat, zo van: ‘WOW!’”). Na de lezing schud ik de handen van astronaut Cunningham. Op wolkjes wandel ik terug naar mijn auto, klaar voor een lange rit doorheen Texas.

4. Las Cruces, New Mexico

De eindeloze katoen- en olievelden van Texas liggen nog vers in het geheugen (wie dacht dat Vlaanderen le plat pays was, heeft de Lone Star State duidelijk nog niet doorkruist) wanneer ik het adembenemende berglandschap van New Mexico bereik. De ondergaande zon zet de canyons, pieken en flanken van de Franklin Mountains in lichterlaaie.

In Las Cruces, op een boogscheut van grensstad El Paso, woont mijn tante nonneke. Op 23-jarige leeftijd ruilde Marie-Paule België in voor ­missies in Argentinië, Paraguay en Uruguay. Later hielp ze daklozen in New York City. Nu, diep in de tachtig, is ze nog steeds niet van een kleintje vervaard: ze leert Engels aan de Mexicaanse gevangenen in El Paso. Ik vertel tante Paule over mijn ruimteodyssee. “Weet je,” zegt ze, “we zien de hemel achter de bergen vaak oplichten. Geen idee wat ze daar uitvreten.” Ze doelt op de White Sands Missile Range, de plek waar de Amerikaanse luchtmacht raketten test. Het geheime Manhattan-project uit de jaren 40, waarbij de eerste atoombom werd ontwikkeld, had hier zijn thuisbasis.

Onze spacenerd Dieter bij een oude C5-Super Galaxy in de Aircraft Boneyard. Beeld Dieter Moeyaert

Mexicanen zijn zo al gevoelig voor het bovennatuurlijke – Dia de Muertos, iemand? – dus de dorre bodem van New Mexico vormt al tientallen jaren een vruchtbare grond voor moderne mythes over aliens en ufo’s. Roswell, de plek waar in 1947 een ufo gecrasht zou zijn, ligt hier vlakbij. Ik besluit op alienjacht te gaan, en het mysterie voor eens en voor altijd uit te klaren. Maar zoals te verwachten viel, blijft er in Roswell weinig mysterie over. Het stadje is niet meer dan een zongeblakerde tourist trap met een McDonald’s waarvan het dak de vorm heeft van een vliegende schotel. Je vindt er een concentratie van souvenirwinkeltjes die Brugge zou doen blozen.

Wat me wél bijblijft, is de natuurpracht van het White Sands National Monument: een duinenvlakte van wit zand, midden in de woestijn. Wanneer de zon ondergaat, is dit een magistrale, haast buitenaardse plek. Voor het helemaal donker wordt, maak ik me er snel uit de voeten – je weet maar nooit welk vreemdsoortig tuig er plots boven je hoofd verschijnt.

5. Tucson, Arizona

Voor dag en dauw zit ik terug aan het stuur, op weg naar Tucson, Arizona. Wanneer ik de Davis-Monthan Air Force Base bereik, piept de zon net boven de horizon. Dit is de legendarische Aircraft Boneyard; de plek waar de VS zijn straaljagers en helikopters op pensioen stuurt. Hier staan ongeveer 4.000 vliegtuigen, die ofwel afgebroken worden, bewaard voor hun onderdelen, of opgelapt om opnieuw in dienst te gaan. “Dit is de grootste aircraft storage and preservation facility ter wereld”, vertelt Terry, mijn vriendelijke gids. “Het droge klimaat van deze streek zorgt ervoor dat we de vliegtuigen beter en langer kunnen bewaren dan elders.” Voor zover het oog reikt zie ik Sikorsky-helikopters,

F-16’s, B-52-bommenwerpers en Hercules-transportvliegtuigen. Het glas van hun cockpits is bedekt met een witte laag Spraylat-vinyl, die het zonlicht weerkaatst. Ook de brandstof werd afgelaten, en vervangen door een laagje olie die de onderdelen bedekt.

Terry laat me binnen in de cockpit van een gigantische C-5 Super Galaxy, waar het akelig donker en stil is. In de reconstructieafdeling mag ik achter de knuppel kruipen van een oude F-4 Phantom-straaljager, die een tweede leven krijgt als vliegend doelwit voor leerling-piloten. Ik voel me 10 jaar, en zit in gedachten een Russische bogey achterna, hoog boven de wolken.

6. Mojavewoestijn, Californië

Deze woestijn is genoemd naar de indianenstam die hier ooit woonde, en staat bekend om zijn moordende hitte. Hier vind je Death Valley, de heetste en laagste plek van Noord-Amerika. En Rogers Dry Lake; een uitgestrekte, opgedroogde meerbedding, waar de Amerikaanse luchtmacht in de jaren 40 neerstreek om nieuwe vliegtuigmodellen te testen. “Dit was de ideale plek,” vertelt luchtvaarthistoricus Stephanie Smith in haar rijkelijk gedecoreerde kantoor op de Edwards Air Force Base, “want je hebt hier 360 dagen per jaar ideaal vliegweer, en dat opgedroogde meer geeft je de kans om je kist aan de grond te zetten als er een probleem opduikt.”

Edwards is het decor van The Right Stuff; de filmklassieker over het ontstaan van het Amerikaanse ruimteprogramma. Hier brak kapitein Chuck Yeager in 1947 als eerste piloot door de geluidsmuur; verkenden kandidaat-astronauten de grens tussen de aarde en de ruimte in de X-15, en vloog zowat elke Amerikaanse jet zijn eerste kilometers.

Ik krijg het gezelschap van Koen Vanheste, stadsgenoot én testpiloot voor het Belgische leger. Hij is ­gestationeerd op Edwards om een nieuw ­softwarepakket te installeren op de Belgische F-16’s. “Vroeger was dit werk erg gevaarlijk”, zegt hij. “Je kon je vrienden snel verliezen. Ik denk dat mensen daarom zoveel mogelijk ­plezier probeerden te maken, zoals ook getoond wordt in The Right Stuff.”

Maar zowel Stephanie als Koen ontkrachten de Right Stuff-mythe dat testpiloten toen halve cowboys waren. “In een tent wonen, op een heet, opgedroogd meer, zonder airconditioning, lijkt me toch niet zo leuk”, grinnikt Stephanie. “Voor hen was vliegen gewoon... hun job.”

Het lanceerplatform A in het Kennedy Space Center. Beeld Dieter Moeyaert

Ik krijg een rondleiding op de basis, en sta even stil bij de put waar de X-1 in de buik van een B-52-vliegtuig werd geladen, net voor zijn recordvlucht. In de verte zie ik het Dryden Research Center, waar nieuwe ruimtetuigen ­ontwikkeld worden, en de Test Pilot School, waar een F-104 Starfighter op een paal gemonteerd staat. De neus van dat vliegtuig was uitgerust met kleine raketmotoren, zodat het ook buiten de aardse atmosfeer bestuurbaar was.

Kolonel Lars Hoffman, de commandant van de school, ontvangt me in zijn kantoor. Zijn vader vloog met de F-104. “Ik herinner me dat ik samen met mijn broer naar pa ging kijken”, vertelt Hoffman. “Hij trok zijn ruimtepak aan, klom in de cockpit, steeg op, en vloog naar de sterren. Als zevenjarige maakt zoiets een diepe indruk.”

Het is vreemd – ik ben de dertig voorbij, en alles wat ik de voorbije drie weken heb gezien, maakt nog altijd evenveel indruk als toen ik er 7 was. Misschien kruip ik zelf nooit nog ­achter de knuppel van een straaljager, maar dit was toch the next best thing.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234